Bijlage 6 Stougjeswijk Toelichting (voorgesteld)
Tekst van het document
Bestaande bedrijfsdoeleinden in het plangebied Opgemerkt wordt tenslotte dat er ín het plangebied een locatie is aan de Papeweg, welke thans nog in gebruik is voor bedrijfsdoeleinden. Deze gronden zijn eigendom van een bedrijf waarvan deze de hoofdvestiging/kantoor heeft op een bedrijventerrein niet ver van het plangebied. Op de bedrijfslocatie in het plangebied is een bedrijfs- en opslaglocatie van het bedrijf gevestigd. Deze locatie aan de Papeweg heeft een bedrijfsbestemming en is bestemd voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2, en bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3 die naar aard, omvang en hinderuitstraling gelijk te stellen zijn met bedrijfsactiviteiten in categorie 2. In het ontwerpbestemmingsplan heeft deze locatie de bestemming ‘wonen’ gekregen en worden de bedrijfsactiviteiten daarmee feitelijk bezien ‘wegbestemd’. Uit vaste jurisprudentie volgt dat legaal bestaand gebruik uit een oogpunt van rechtszekerheid in beginsel als zodanig in het bestemmingsplan moet worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval moet wel aannemelijk worden gemaakt dat het gebruik op termijn binnen planperiode zal worden beëindigd.
Met de ontwikkeling van de woonwijk Stougjeswijk wordt in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de grote woningbehoefte zoals deze uit verschillende recente onderzoeken blijkt. Zowel op gemeentelijk niveau als op provinciaal niveau (ladder van duurzame verstedelijking) is afgewogen om de woningbouwontwikkeling in het plangebied te realiseren. Een bedrijfsbestemming zoals die thans aanwezig is, met daarbij behorende verkeersbewegingen, past niet binnen de principes van een woonwijk. Er is daarom in het kader van het bestemmingsplan afgewogen of de huidige activiteiten passen in de beoogde ontwikkeling en of de beoogde ontwikkeling zwaarder weegt dan de belangen van dit bedrijf. Zoals is aangegeven in de onderhandelingen tussen deze partij en de marktpartijen, en zoals is omschreven in de ‘nota zienswijze (als bijlage 17 bij deze toelichting) is zowel minnelijke verwerving als onteigening binnen de planperiode niet op voorhand uitgesloten. Daarbij zijn in het exploitatieplan voor Stougjeswijk de verschillende bouwfases vastgelegd. De directe omgeving van de bedrijfslocatie wordt in dezelfde fase uitgewerkt. Gelet op deze afweging om de locatie van dit bedrijf aan de Papeweg mee te nemen in de totale ontwikkeling van de woonwijk, kunnen daarmee de bedrijfsactiviteiten onder het overgangsrecht worden gebracht.
Dit betekent dat in de tussentijd het bedrijf de bedrijfsactiviteiten doorgang kan geven, en dat in de komende periode (tot aan beoogde realisatie van woningen op deze plek) uitvoering gegeven dient te worden aan minnelijke verwerving van deze gronden of aan onteigening. Gezien vorenstaande volgt niet de noodzaak om de bedrijfsbestemming, of richtafstanden op te nemen in deze bestemmingsplanwijziging.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
56
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Er is geïnventariseerd welke bedrijvigheid voorkomt in de (de omgeving) van het plangebied. Alle bedrijven die in de buurt van het gebied voorkomen beschikken over een milieuvergunning op grond van de Wet Milieubeheer of over een melding ingediend op grond van een Algemene Maatregel van Bestuur. Opgemerkt wordt daarnaast dat zowel is bezien of de nieuwe woningen vallen in het omgevingstype “gemengd gebied” of in een “rustige woonwijk” zoals eerder omschreven. Dit gezien de diverse functies in- en rondom het bestaande- en toekomstige plangebied (gemengd gebied). Ook is in de binnenste delen van de nieuwe woonwijk niet zozeer sprake van verstoring door de aanwezigheid van andere (bestaande) functies, en is het daarmee ook wel te typeren als een rustige woonwijk. Ten noorden van het plangebied: •
Natuurgronden en verkeersinfrastructuur.
De aanwezige functies hebben geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Het oosten van het plangebied: •
Agrarische (cultuur)gronden, met op grotere afstanden (minimaal 500 meter) agrarische bedrijfsfuncties of reguliere bedrijven; Verkeersinfrastructuur.
De aanwezige (kleinschalige) bedrijvigheid, de agrarische (cultuur)gronden of de verkeersfuncties hebben geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Het zuiden van het plangebied: •
Verkeersinfrastructuur; Agrarische (cultuur)gronden en recreatieve functies (camping) (maximaal milieucategorie 2, richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied); Horeca in de vorm van een restaurant en partycentrum (maximaal milieucategorie 2, richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied); Woonpercelen; Glastuinbouw en op grotere afstanden reguliere bedrijfsfuncties (maximaal milieucategorie 2, richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied);.
De diverse soorten aanwezige functies hebben (gezien de bijhorende richtafstanden voor categorie 2 voor zowel de functies in de kwalificering ‘gemengd gebied’ als de woningen in de kwalificering ‘rustige woonwijk’ ruimschoots gehaald worden) geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
In voorliggende geval is het nog relevant om de invloed van de rondweg rondom het plangebied te bezien voor de ten zuiden van het plangebied gelegen camping, aan de Brabersweg. De camping is op dit moment nog niet gerealiseerd, maar moet wel worden meegewogen in de beoordeling van de planwijziging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Door de wijziging in de wegas en de aanleg van de rotonde is onderzocht in het akoestische onderzoek (bijlage 3 bij deze toelichting) of dit leidt tot een zodanige toename van verkeersgeluid dat het recreatief gebruik op onevenredige wijze wordt aangetast. Aangezien een camping geen geluidgevoelige functie is, is geen formele toets aan wettelijke geluidnormen vereist. Desondanks is een berekening gemaakt van het geluid ter plaatse van de camping, afkomstig van de provinciale rondweg. Daaruit blijkt dat er in de nieuwe situatie (aanleg rotonde) sprake is van circa 2 dB afname. Dit is verklaarbaar door de verlegging van de wegas dat in de nieuwe situatie verder van de camping af komt te liggen. Nadere toetsingen is derhalve niet noodzakelijk en ook belemmert het plangebied deze functie niet. Ten (zuid)westen van het plangebied: -
Verkeersinfrastructuur; Woonfuncties;
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
57
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” •
Detailhandel (meestal milieucategorie 1 maar maximaal milieucategorie 2, maximaal een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied);
De diverse soorten aanwezige functies hebben (gezien de bijhorende richtafstanden voor maximaal categorie 2 voor zowel de functies in de kwalificering ‘gemengd gebied’ als de woningen in de kwalificering ‘rustige woonwijk’ ruimschoots gehaald worden) geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Ten (noord)westen van het plangebied: -
-
•
• • • •
Verkeersinfrastructuur; (grootschalig) Bedrijventerrein, met bedrijven van millieucategorie 2 (dichterbij plangebied), milieucategorie 3.2 (op circa 85 meter afstand), milieucategorie 4.1 (op circa 220 meter afstand) en milieucategorie 4.2 (op circa 320 meter afstand). Opgemerkt wordt dat de meest nabijgelegen woonvelden/gronden in het plangebied zijn te scharen in de in de kwalificering ‘gemengd gebied, dit gezien de ligging nabij bestaande functies.
Op basis van de VNG-uitgave zijn er bedrijven toegestaan op dit bedrijventerrein in de milieucategorie vanaf 1 of 2 tot en met een milieucategorie van 4.2 en met een grootste richtafstand van 300 meter normaliter. Omdat de meest nabijgelegen woonvelden/gronden in het plangebied zijn gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 200 meter. Voor 4.1 is deze richtafstand in gemengd gebied 100 meter en voor 3.2 functies 50 meter. De 3.2 functies/ dan wel daar toegestane functies liggen allen op ruim meer dan 50 meter afstand vanaf het plangebied, zeker gezien de tussenliggende groen- en verkeersfuncties. De 4.1 functies/ dan wel daar toegestane functies liggen allen op ruim meer dan 100 meter afstand vanaf het plangebied, zeker gezien de tussenliggende ‘bedrijf 3.2-functies’ of de groen- en verkeersfuncties. De 4.2 functies/ dan wel daar toegestane functies liggen allen op ruim meer dan 200 meter afstand vanaf het plangebied, zeker gezien de tussenliggende ‘bedrijf 3.2 of 4.1-functies’ of de groen- en verkeersfuncties. De diverse soorten omliggende bedrijven ten noordwesten van het plangebied hebben (gezien de bijhorende richtafstanden voor categorieën, welke één stap mogen worden verlaagd in ‘gemengd gebied’) geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Gezien de afstand van de hiervoor genoemde functies tot de woningen in het plangebied is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd levert dit bestemmingsplan geen beperking op voor de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven aangezien de woonpercelen op voldoende afstand zijn gelegen. Vanwege de aanwezigheid van nabijgelegen bedrijven en een bedrijfsterrein moet deze paragraaf zorgvuldig worden opgebouwd. Dit om aan te tonen dat er bij de nieuwe woningen sprake kan zijn van een goed woonen leefklimaat en dat door de nieuwe woningen de omliggende bedrijven niet extra in hun (toekomstige) bedrijfsvoering worden beperkt. 5.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
58
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.2
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3
Situatie plangebied
Er bevinden zich in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen geur producerende (vee)inrichtingen. Het aspect geur behoeft daarmee geen nadere toetsing. De nieuwe woonpercelen liggen hiermee op voldoende afstand tot veehouderijen. Ter plaatse is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden grondgebonden agrarische bedrijven door de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.5
Conclusie
De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
59
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied bevindt zich op circa 12,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk ‘Krammer-Volkerak’. Ten behoeve van het voornemen zijn, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het project, in november 2023 AERIUS-berekeningen uitgevoerd, deze zijn opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Hierna worden de uitgangspunten voor deze berekeningen en de resultaten toegelicht. Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de tijdelijke aanlegfase blijkt dat tijdens de bouwwerkzaamheden van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het gaat om de jaren 2026 t/m 2034 (zie bijlagen 1 t/m 12 van de berekening).
Echter blijkt, zoals eerder vermeld, dat als gevolg van de aanwezige N-emissie in de referentiesituatie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie (zie bijlage 14 van de berekening). De depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j, waardoor geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In het jaar Voor de verschilberekeningen wordt verwezen naar bijlagen 14 t/m 22. Hierin zijn de rekenresultaten weergegeven. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 13 van de berekening). Echter blijkt, zoals eerder vermeld, dat als gevolg van de aanwezige N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie (zie bijlage 13 van de berekening). Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de depositie als gevolg van de gebruiksfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie, waardoor geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de verschilberekening wordt verwezen naar bijlage 23 van de Aerius-berekening. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor de aanlegfase en gebruiksfase per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland (Voorheen EHS) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Met uitzondering van de vaart langs de Papeweg, behoort het plangebied niet tot Natuurnetwerk Nederland. De vaart en een strook van 15 meter aan weerszijde van de vaart behoren tot het Natuurnetwerk
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
60
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Nederland. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5.3:
Weergave NNN zonering (Bron: Quickscan Natuurbank Overijssel)
Door het plangebied loopt een kreek (langs de Papeweg). De kreek is in het provinciaal Omgevingsbeleid aangeduid als NNN (categorie 1 beschermingsgebied). Dit betekent dat alleen inpassen is toegestaan en er geen bestemmingen worden aangewezen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Gezien het feit dat deze NNN-strook in voorliggend planvoornemen gerespecteerd wordt (de bestaande natuur en water worden gehandhaafd en voorzien van een passende ‘Water’-bestemming, en ook wordt de vigerende gebiedsaanduiding overgenomen en opgenomen in de regels) hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op welke behoren tot deze NNN, maar zal er juist een kwalitatieve verbetering optreden, tezamen met de andere aanleg van water en natuur/groen in de woonwijk Stougjeswijk. Er hoeft dan ook voor deze NNN geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren. Verder wordt recreatie in de ecologische verbindingszone beperkt om de benodigde rust te garanderen, dit komt tot uiting in de feitelijke inrichting van deze gronden.
Wat betreft de verharde oevers in het plan wordt opgemerkt dat deze momenteel nog niet concreet ingevuld en uitgewerkt zijn. Dit zal in samenspraak met de provincie worden opgepakt, daarbij zal ondoelmatige verharding zoveel als mogelijk worden voorkomen. Verder wordt bij de inrichting van deze oevers de voorkeur gegeven aan het gebruik van inheemse plantensoorten, zeker voor het inrichten van de natuurlijke biotopen is dit belangrijk. Bruggen worden natuurinclusief ontwerpen waar het kan. Hierdoor ontstaat er nestgelegenheid voor vleermuizen (watervleermuis) en zwaluwen onder de brugconstructie. Daarbij krijgt de rand van het plangebied aansluitend op de N217 een zorgvuldige inpassing van eventuele geluidwerende voorzieningen en daarmee een afronding van de wijk (zie aspect ‘akoestiek’ in paragraaf 5.1). Het buitengebied is verder door de ligging van de N217 niet gemakkelijk toegankelijk. De enige mogelijkheid is via de Papeweg. Deze overgang wordt dan ook belangrijk voor de nieuwe bewoners geacht. De mogelijkheden worden verkend om aansluitend op de Papeweg een pad aan te leggen richting de kreek, dat doorloopt tot aan de Buijensweg. Zo kunnen bewoners gemakkelijker een rondje lopen en het buitengebied beter beleven.
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het kader hiervan is door Natuurbank Overijssel een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in bijlage 9 van deze toelichting. Daarnaast is er
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
61
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Deze is als bijlage 10 bij deze toelichting bijgevoegd. In de volgende paragrafen zijn de resultaten hiervan samengevat. 5.7.3.2 Onderzoeksresultaten quickscan Het plangebied is in de periode juni 2022 tot oktober/november 2023 (aanvullingen op het onderzoek van juni 2023, dit naar aanleiding van de beoordeling van het bevoegd gezag) op verschillende momenten onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door verschillende beschermde diersoorten benut als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels in het plangebied, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied, maar benutten delen van het plangebied wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de werkzaamheden af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocatie’. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde diersoorten af. Deze afname leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming hoeft geen belemmering te zijn voor realisatie van de voorgenomen plannen. Om de voorgenomen plannen uit te voeren, overeenkomstig Wet natuurbescherming, dient een ontheffing verkregen te worden voor het beschadigen/vernielen van de nestplaats. De volgende maatregelen dienen genomen te worden: •
Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;
In de volgende subparagraaf wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten van het nadere ecologisch onderzoek. 5.7.3.3 Onderzoeksresultaten aanvullend ecologisch onderzoek vleermuizen In het voor- en najaar van 2019 (en actualiserend in 2023) is een gebied tussen de Stougjesdijk en de N217 te Oud Beijerland onderzocht op de betekenis ervan als foerageergebied voor vleermuizen en de aanwezigheid van vliegroutes van vleermuizen. Uit het onderzoek is gebleken dat vliegroutes van vleermuizen in het onderzoeksgebied ontbreken en dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten geen negatief effect heeft op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Als gevolg van het ontwikkelen van het plangebied als woonwijk, neemt de betekenis ervan als foerageergebied vermoedelijk toe. Dit geldt in ieder geval voor tolerante vleermuissoorten als gewone- en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De kreek (NNN) in het plangebied (waar geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden) is mogelijk wel een belangrijke foerageerroute voor vleermuizen, daarom zullen in het kader van natuurvriendelijk ontwikkelen, voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Dit om zo ten alle tijden donkerte gegarandeerd te hebben rondom de oever van de kreek en boven de watergang zelf Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden.
Het ontwikkelen van het onderzoeksgebied als woonwijk heeft geen negatief effect op vleermuizen en leidt niet
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
62
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om het gebied te ontwikkelen in overeenstemming met wet- en regelgeving voor vleermuizen. 5.7.4
Conclusie
Het aspect ‘ecologie’ vormt, mits enkele maatregelen worden genomen, geen belemmering voor de voorgenomen plannen voor Stougjeswijk.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Laagland Archeologie heeft daarom in de periode van februari tot december 2022 diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd om de archeologische verwachtingen in het plangebied in kaart te brengen. De conclusies van het archeologisch onderzoek worden in de volgende paragraaf besproken. De onderzoeken zelf zijn in de bijlage 11 opgenomen. 5.8.1.2 Situatie plangebied Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is de archeologische verwachting hoog voor resten uit het LaatNeolithicum, samenhangend met de Maas estuarium 'Calais/Wormer' stroomgordel.
De afzettingen van deze stroomgordel worden gerepresenteerd door de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer/Formatie van Echteld. Het estuarium was onderdeel van een zoetwatergetijdengebied. Verder is de archeologische verwachting hoog voor archeologische resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Waarschijnlijk was met name de Binnenmaas stroomgordel favoriet voor bewoning. Later in de Middeleeuwen was de omgeving van het plangebied onderdeel van een getijdengebied. In de 11e eeuw zijn bewoners begonnen met het omkaden van de drooggevallen gronden. Vanaf de 12e eeuw traden verschillende overstromingen op, wat leidde tot een leegloop van het gebied. Tot begin 14e eeuw was er nog bewoning, maar na de St. Elisabethsvloed maakte de omgeving van het plangebied deel uit van een getijdengebied en lag ter hoogte van de voormalige Binnenmaas stroomgordel een getijdengeul. De Westmaas Nieuwland Polder waarin het plangebied ligt is ontstaan toen in 1535 een aanwas werd ingepolderd. De archeologische verwachting is eveneens hoog voor de Volle, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Veld- en booronderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht. Daartoe is aanvullend booronderzoek uitgevoerd. Op grond daarvan is een zonering voor de archeologische verwachting te maken voor het plangebied, waarbij de archeologische verwachting voor verschillende archeologische niveaus (Laat-Neolithicum, Bronstijd tot Midden-IJzertijd, Late IJzertijd tot Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd) kan worden onderverdeeld. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
63
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) voor het archeologische niveau dat de Bronstijd tot Midden-IJzertijd en Late IJzertijd tot Middeleeuwen representeert. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).
Beoordeling gemeentelijke archeoloog De plankaart vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan, omdat hier als eerste naar wordt gekeken en de op de kaart weergegeven dubbelbestemming(en) Waarde – Archeologie bepalen feitelijk of er voor een specifieke ontwikkeling archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd of niet. De weergave van de verschillende dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie is geheel gebaseerd op een globale, algemene archeologische verwachting, die weer direct is gekoppeld aan een specifieke geologische situatie. In dit geval heeft verkennend archeologisch (boor)onderzoek echter al een eerste, concrete indicatie over de archeologische verwachting opgeleverd, op grond waarvan binnen het plangebied de kansrijke en kansarme(re) zones kunnen worden aangewezen. Er is nu door voortschrijdend inzicht aanleiding om de zuiver theoretische verwachting, waarop de plankaart vooralsnog is gebaseerd, aan te vullen en te actualiseren. Op de plankaart staan in het ontwerp-bestemmingsplan drie verschillende dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie: 3, 4 en 5. Die delen van het plangebied die nu Waarde – Archeologie 3 hebben (vrijstellingsgrens 100 m2) zijn nu goed geborgd. Dit geldt ook voor het deel met Waarde – Archeologie 5.
Het is echter de wens om het aanzienlijke deelgebied dat nu onder Waarde – Archeologie 4 valt, waar voor alle ontwikkelingen tot 500 m² een vrijstelling van archeologisch onderzoek geldt, van een andere dubbelbestemming te voorzien. Door voortschrijdend inzicht (het booronderzoek uit 2023) beschikken we inmiddels over concrete aanwijzingen dat er binnen een groot deel een hoge archeologische verwachting gerechtvaardigd is. Het dringende advies is dan ook in de vast te stellen versie van het bestemmingsplan, en dan specifiek de plankaart en de regels, om ofwel de contouren van de deelgebieden met Waarde – Archeologie 3 aan te passen op basis van de bevindingen van het booronderzoek, ofwel het deelgebied dat nu onder Waarde – Archeologie 4 valt, geheel samen te voegen met de reeds onder Waarde- Archeologie 3 vallende gronden. Het effect van een lagere vrijstellingsgrens voor het deel van het plangebied dat nu als Waarde – Archeologie 4 is gekenmerkt, is vooral dat bij eventuele, kleinere individuele initiatieven de archeologische monumentenzorg beter geborgd is en archeologische waarden bij initiatieven tot 500 m² niet ongedocumenteerd verloren gaan. De lagere vrijstellingsgrens is vooral bedoeld als vangnet.
Conclusie Uit het archeologische onderzoek is gebleken dat nader vervolgonderzoek middels proefsleuven noodzakelijk is. Verder zijn er door de archeoloog van de gemeente Hoeksche Waard wensen doorgegeven wat betreft de op te nemen archeologische dubbelbestemmingen, deze wensen zijn in overleg tussen BJZ.nu en de regioarcheoloog verwerkt (het deelgebied dat nu onder Waarde – Archeologie 4 valt, is samengevoegd met de reeds onder Waarde- Archeologie 3 vallende gronden op de plankaart + daarom is in de regels Waarde – Archeologie 4 verwijderd). Ter borging van dit nadere onderzoek en de archeologische verwachtingswaarden zijn in dit bestemmingsplan de benodigde dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ (nummers 3 en 5) overgenomen. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
64
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied In het plangebied komen de drie belangrijke ruimtelijke elementen van de Hoeksche Waard samen, te weten de polder, de (historische voormalige) spoordijk en de kreek. Dit worden de ruimtelijke dragers van de zogenaamde ‘Stougjeswijk’. Naast de Stougjesdijk, die een belangrijk cultuurhistorisch element is, zijn dat de kreek en de polderverkaveling met een structuur van polderslootjes die door zal schemeren in de nieuwe hoofdstructuur van het plangebied (zie hoofdstuk 3). Het Hoeksche Waardse-landschap wordt in het plangebied gearticuleerd: het landschap van slootjes, kades, knotbomen, haksingels, jaagpaden, struweelhagen en soortgelijken worden extra ‘aangezet’ in een typisch streekeigen ruimtelijk raamwerk. In het stedenbouwkundig ontwerp wordt daarom rekening gehouden met cultuurhistorische waarden (zoals enkele gedempte of oorspronkelijke (infrastructurele) spoordijkverbindingen) in het gebied.
Het is niet noodzakelijke cultuurhistorische waarden in het gebied juridisch vast te leggen en te koppelen aan een beschermingsregeling. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er nader archeologisch onderzoek benodigd is, maar dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit planvoornemen maar juist deze waarden expliciet laat terugkomen in de vormgeving van de nieuwe woonwijk.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
65
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied bevindt zich op circa 12,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk ‘Krammer-Volkerak’. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied zal, gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling dan ook géén sprake zijn, zoals blijkt uit paragraaf 5.7.2.1 en bijlage 8. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Beoordeling Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.
Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden (een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen) kan worden geconcludeerd dat in dit geval sprake is van een directe m.e.r.beoordelingsplicht, omdat er meer dan 2.000 woningen worden gerealiseerd (2.485). Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, Daarom nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In dit kader is daarom door Cauberg Huygen B.V. een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 12. Voor een inhoudelijke weergave van deze uitgebreide beoordeling wordt dan ook verwezen naar de genoemde bijlage 12. Gelet op het inzicht in de potentiële effecten, de mate en omvang waarin deze zich voordoen in relatie tot de plaats van het project en de mogelijkheid deze effecten te beperken, is de conclusie dat er geen sprake is van significante nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer. Het doorlopen van een milieueffectrapportage wordt als geen toegevoegde waarde voor de voorgenomen woonwijk aan de Stougjesdijk te Oud-Beijerland beschouwd.
5.9.3 Conclusie Gelet op het inzicht in de potentiële effecten, de mate en omvang waarin deze zich voordoen in relatie tot de plaats van het project en de mogelijkheid deze effecten te beperken, is de conclusie dat er geen sprake is van significante nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer. Het doorlopen van een milieueffectrapportage wordt als geen toegevoegde waarde beschouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
66
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
5.10
Spoortrillingen
5.10.1 Algemeen In gevallen waarin in de directe nabijheid van het plangebied een spoor aanwezig is, kan het raadzaam zijn om het aspect hinder door spoortrillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten te onderzoeken en af te wegen. Trillingshinder is een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor.
5.10.2 Situatie plangebied In dit geval is er op korte afstand (minder dan 5 kilometer afstand) van het plangebied geen spoorlijn gelegen, het dichtstbijzijnde spoor is gelegen ten noordoosten en betreft het traject vanaf Barendrecht richting Puttershoek. Er bestaat daarom géén aanleiding rekening te houden met het aspect trillingshinder door spoor in dit geval.
5.10.3 Conclusie Het uitvoeren van een trillingsonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Tevens zijn geen nadelige gevolgen te verwachten als gevolg van spoortrillingen voor het woon- en leefklimaat van bewoners in het planvoornemen. In het kader van dit bestemmingsplan is geen onderzoek noodzakelijk en wordt het planvoornemen niet belemmert.
5.11
Niet geëxplodeerde explosieven (NGE)
5.11.1 Algemeen De locatie is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Het is van belang dit onderzocht te hebben, aangezien spoorwegen risicogebieden zijn voor explosieven. In verband daarmee kan het soms nodig zijn om een onderzoek naar Niet-Gesprongen Explosieven (NGE) uit te voeren. 5.11.2
Situatie plangebied
Via de VEO Bommenkaart kan voor een bepaalde locatie worden nagegaan of daar Vooronderzoek en Opsporing is uitgevoerd. Uit raadpleging van deze digitale kaart blijkt dat het plangebied is gelegen buiten het gebied waar verwachtingen zijn, al zijn er in de nabijheid van het plangebied wel geregistreerde oorlogsresten. Op voorhand worden gezien de raadpleging van de kaart en de ligging van de locatie, alsmede gebaseerd op andere ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied alsook elders in de gemeente, geen explosieven in het plangebied zelf verwacht, bij nadere planuitwerkingen zal hier echter in het gebied rekening mee worden gehouden.
5.11.3
Conclusie
In het kader van dit bestemmingsplan is geen onderzoek noodzakelijk en wordt het planvoornemen niet belemmert door niet gesprongen explosieven. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
67
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. 6.1.3
Provinciaal beleid
Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: • • • • •
Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn.
Naast deze verplichte onderdelen bevat het ‘regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027’ ook nietverplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 6.1.4
Beleid waterschap Hollandse Delta
6.1.4.1 Waterschapsverordening Waterschap Hollandse Delta In de waterschapsverordening, keur en de legger van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn. Behalve de ambities voor de lange
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
68
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” termijn en de doelen gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% (per 1 januari 2025) van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: • • •
nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De uitgangspuntennotitie is als bijlage 13 bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de relevante wateraspecten in het planvoornemen voor Stougjeswijk toegelicht. 6.2.3
Toekomstige situatie in het plangebied
Algemeen Het plan betreft de realisatie van maximaal 2.485 woningen, verdeeld over de diverse deelgebieden (zie hoofdstuk 3). Het gaat om verschillende type woningen en de woningen worden gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en parkeerplaatsen. Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m², dient er BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
69
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 14% van de toename aan functioneel open water te worden gerealiseerd. In onderhavig geval is sprake van een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m². Het gaat niet om één aaneengesloten totale verharding van het plangebied, maar om losstaand verhard oppervlak zoals gebruikelijk in nieuwe woonwijken. In de toekomstige situatie zorgen de bouwwerken en terreinverhardingen in het plangebied voor een toename aan verhard oppervlak. Hiertoe zijn deze aspecten ‘waterhuishouding’ verwerkt in de gebiedsvisie voor voorliggend plan (zie bijlage 1 bij deze toelichting) en in het ‘Beeldregieplan’, onderdeel uitmakend van de regels van dit bestemmingsplan in bijlage 2. Verder wordt bij de nadere planuitwerking eveneens nog een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierna wordt op de belangrijkste wateraspecten voor het plangebied ingegaan. Vast staat echter dat er sprake zal zijn van voldoende compenserend oppervlaktewater (open water) en een sluitende waterbalans. Koppeling beleid en regels bestemmingsplan Ter borging van een correcte en adequate uitvoering van het nog op te stellen waterhuishoudkundige plan, is in de specifieke gebruiksregels van de bestemmingen alsook in de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Hierbinnen is geregeld dat tot een met de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen strijdig gebruik in elk geval gerekend wordt het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en in instandhouding van voldoende waterbergingscapaciteit. Deze waterbergingscapaciteit dient te zijn afgestemd met het Waterschap in de vorm van een waterhuishoudkundig rapport en dient van het Waterschap een positief wateradvies te hebben gekregen. Op deze manier worden de belangen van het Waterschap correct verankerd in het bestemmingsplan en in de toekomstige aanvraag omgevingsvergunningsprocedures. Toetsingskader Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer wordt gevoerd door Waterschap Hollandse Delta. Het waterschap beheert de waterkeringen en in het Zuid-Hollandse deel van haar beheergebied, de wegen, niet zijnde rijks- of provinciale wegen buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Hoeksche Waard. In afbeelding 6.1 en 6.2 is zowel een uitsnede van de legger van het waterschap opgenomen, alsmede een weergave van de aspecten ‘water’, ‘groen’ als ‘ondergrond’ in het plangebied. In het kader van de watertoets wordt deze waterparagraaf ook nog overlegd met het waterschap, waarna de opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf.
Afbeelding 6.1:
Uitsnede Legger Waterschap (Bron: Waterschap Hollandse Delta)
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
70
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Waterhuishoudkundige situatie De hoofdplanstructuur van het plangebied heeft zowel een natuurlijke- en ook een ecologische waarde. Daarnaast is het inrichten van de hoofdplanstructuur gericht op het vergroten van de belevings-en gebruikswaarde. De groene hoofdstructuur wordt een belangrijk element in het plangebied. Hier komen groene plekken waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en kunnen recreëren. Er is de mogelijkheid om te recreëren, zoals fietsen, spelen, wandelen etc. De groene gebieden in het plangebied sluiten op elkaar aan en staan dus allemaal met elkaar in verbinding. Er komt tevens een park op de oude spoordijk. Groen heeft naast haar recreatieve en esthetische functie ook een rol in duurzaamheid. Hoe meer groen in de wijk, hoe beter regenwater in de grond opgenomen kan worden en hoe minder water er afgevoerd hoeft te worden via het riool. Het uitgangspunt is namelijk dat het hemelwater niet wordt afgevoerd naar het riool, maar dat dit geschied middels afvoer via het open water. Dit dient het uitgangspunt te zijn bij de nadere uitwerking van de plannen.
Deze nadere uitwerking moet zodanig zijn dat de nadere planuitwerkingen aan het waterschap worden voorgelegd, dat er vervolgens vooroverleggen over deze plannen geschieden en dat pas daarna door het Waterschap gesteld kan worden dat er geen directe negatieve gevolgen zijn voor de waterhuishoudkundige systemen in het plangebied. Ook moet getoetst worden in de nadere uitwerkingen aan de KRW, de Kaderrichtlijn Water, alsmede moet er aandacht gegeven worden aan de waterkwaliteit en ecologie. Het verhard oppervlak wordt zoveel mogelijk gereduceerd en door groen ingevuld. Dit kan bereikt worden door het aanleggen, behouden en verbeteren van groengebieden. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan het gebruik van inheemse plantensoorten, zeker voor het inrichten van de natuurlijke biotopen is dit belangrijk. Het Waterschap heeft specifiek beleid voor het realiseren van groen nabij watergangen, waterkeringen en wegen in beheer van het waterschap. Daarnaast worden speelplaatsen en pleinen zo groen mogelijk aangelegd. Het verharde oppervlak kan ook gereduceerd worden door parkeerplaatsen en verkeersruimten in te richten met groen. Het groen dat toegepast kan worden zijn: houtwallen, knotbomen, straatbomen en laanbomen. Daarnaast kunnen er heesters, haagbiotopen, natuurlijke hagen, bodembedekkers en grasvelden worden toegepast.
Bij oevers kan er nagedacht worden over natte biotopen en groene oevers. Bij het toevoegen van groen is het belangrijk dat er ook wordt gekeken naar de omgeving. het is belangrijk om biotopen aan te sluiten op het buitengebied en de groenblauwe netwerken.
Afbeelding 6.2:
Visuele weergave bestaand ‘water’, ‘groen’ en de ‘ondergrond’ in Stougjeswijk (Bron: Gebiedsvisie Stougjeswijk)
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
71
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Waterstructuur Door de nieuwe waterstructuur aan te sluiten op de bestaande watergangen ontstaan er nieuwe waterverbindingen in het gebied. Dit zorgt niet alleen voor een sterkere beleving van het water in de wijk, maar zorgt ook voor een duurzame omgeving. Omdat er meer wateroppervlak is, kan bij hevige regenval het hemelwater in oppervlaktewater gebufferd worden. Het deel van het water dat niet gebufferd wordt, of kan infiltreren in de grond, wordt afgevoerd naar het riool. Dit kan door het toepassen van molgoten in de verkeersruimten. Afvoeren kan ook door greppels en open waterlopen toe te passen, zo valt het af te voeren water meer op en wordt het opgemerkt door de inwoners. Het is niet de bedoeling dat hemelwater wordt afgevoerd naar het riool. Hier moet er rekening gehouden worden met de verschillende peilgebieden. Het te bebouwen gebied heeft een zomer- en winterpeil, het is van oorsprong een agrarisch gebied. Bij het realiseren van een woongebied, moet er een vast peil (NAP – 1,60) worden aangehouden in plaats van een zomer- en winterpeil. Omdat er een aantal waterpartijen in het gebied worden aangelegd, kunnen de oevers een nuttige rol spelen in het infiltreren van water als deze gevarieerd beplant worden. Daarnaast kan er gevarieerd worden met het talud, door waterpartijen te verdiepen of het maaiveld te verhogen.
Het toepassen van natuurlijke oevers bevorderd de gradiënten en daarmee de biodiversiteit. In deze fase is een globale watertoets (zie paragraaf 6.2.2) uitgevoerd. Hierin is in beschouwing genomen dat er (kassen-)bebouwing en verharding verdwijnt, en dat er nieuwe bebouwing en verharding in de plaats komt. Tevens is in beschouwing genomen dat er watergangen gehandhaafd blijven, maar ook dat watergangen kunnen verdwijnen en dat er nieuw water wordt toegevoegd, zie hierna een visuele weergave van vorenstaande in afbeelding 6.3. Opgemerkt wordt dat dempingen geheel worden gecompenseerd.
Afbeelding 6.3:
Visuele weergave waterstructuur in Stougjeswijk (Bron: Gebiedsvisie Stougjeswijk)
Bruggen, wegen en duikers In het plangebied worden wegen maar ook bruggen en duikers toegepast. Over de kreek en bij de hoofdwatergangen komen bruggen. Voor alle bruggen worden dezelfde vormgevingsprincipes toegepast. Daarmee ontstaat er een eenheid in beeld. De bruggen dienen een zodanige maatvoering te hebben, dat ze ondervaarbaar zijn. Bij de aanleg van bruggen wordt tevens rekening gehouden met de passeerbaarheid voor fauna. Alle kruisingen met overige watergangen krijgen duikers. Om eenheid, identiteit en herkenbaarheid te geven aan de hoofdplanstructuur wordt voorgesteld om de vormgeving van bruggen, duikers en andere elementen (o.a. hekwerken en taludtrappen) te laten inspireren door het Hoekschewaardse landschap. Door eenheid in vormgeving, kleur en materiaalgebruik wordt de herBJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
72
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” kenbaarheid versterkt. Bruggen krijgen een eigentijds ontwerp, geïnspireerd op de cultuurhistorische elementen van de Hoeksche Waard. Belangrijke kenmerken van bruggen en overige elementen zijn soberheid, terughoudendheid en utilitaire bouw. Verder dient bij nadere uitwerking van deze plannen ook de veiligheid van waterkeringen alsmede bijvoorbeeld wegen en dijken te worden uitgewerkt. Duidelijk moet worden uitgewerkt dat werken buiten het profiel van de vrije ruimte van de waterkering moeten worden geplaatst, en dat de veiligheid van deze kering dientengevolge niet achteruit mag gaan alsmede dat deze werken in deze zone vergunningsplichtig zijn. Hittestress Het uitgangspunt van zowel de gemeente als betrokken ontwikkelaars bij het realiseren van voorliggend plan is een zogenaamde ‘koele wijk’. Het ontwerp voor Stougjeswijk is daarom zo opgezet en uitgewerkt dat hittestress zoveel mogelijk voorkomen wordt. Allereerst hebben de woonbuurten een ontsluitingsstructuur die er op gericht is om zo weinig mogelijk te verharden. De wijken zijn zo groen mogelijk ingetekend. Het grote aantal bomen in de wijk biedt daarbij schaduw. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is gekozen voor duurzame, niet-uitloogbare materialen , zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. 2. 3. 4.
hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.