CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Stougjeswijk Toelichting (voorgesteld)

Besluitvormende raad 11 november 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Stougjeswijk Bestemmingsplan en Exploitatieplan37.457 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

22

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De provincie Zuid-Holland beschikt over een eigen ladder, die op enkele punten afwijkt van de rijksladder. Onderstaand wordt de ontwikkeling getoetst aan de rijksladder. De provinciale ladder vormt een aanvulling op de landelijke ladder. De provinciale aanvullingen op de ladder zijn getoetst in paragraaf 4.2 provinciaal beleid. 4.1.3

Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

NOVI De Nationale Omgevingsvisie/het Rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke ontwikkelingen. Wel is wonen één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie (prioriteit 3) wordt aangegeven dat iedereen (dus alle doelgroepen) in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio's) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen nu en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.

Daarbij past het voornemen ook goed in de doelstellingen omtrent klimaatadaptatie (prioriteit 1). De ontwikkeling gaat gepaard met respect voor natuur, landschap en cultuurhistorie, het uitgangspunt is dan ook ‘dorpswonen’. Hierbij worden de wijken, de infrastructuur en het water zorgvuldig ingepast. Tevens worden er geluidswerende voorzieningen aangelegd, maar wel zodanig vormgegeven dat dit landschappelijk en stedenbouwkundig ook aanvaardbaar is. Het plangebied wordt zodanig toekomstbestendig en klimaatadaptief ingericht, dat de verhardingstoename volledig wordt gecompenseerd middels de aanleg van oppervlaktewater en ecologische verbindingen (zie ook hoofdstuk 5 en 6 van deze toelichting). Er is daarom in het planvoornemen voldoende aandacht voor klimaatadaptatie en er wordt met een integrale blik naar de ontwikkelingen in het plangebied gekeken. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

23

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Ladder voor duurzame verstedelijking wat betreft de woningbouwontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de omgevingsvisie. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat er een laddertoets is uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Daarbij wordt getoetst aan de hieronder genoemde voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro).

Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. • •

11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Het begrip "woningbouwlocatie" (zoals opgenomen in de omschrijving van het begrip "stedelijke ontwikkeling" in artikel 1.1.1. Bro) is niet nader gedefinieerd. In de praktijk speelt daarom regelmatig de vraag, hoe bepaald moet worden wanneer woningen één woningbouwlocatie vormen. Er is sprake van één woningbouwlocatie als er tussen de te realiseren woningen, ruimtelijke en functionele samenhang bestaat. Uit de jurisprudentie volgt dat daarvoor onder meer betekenis toekomt aan de onderlinge afstand tussen de woningen. Het plangebied Stougjeswijk met haar diverse deelgebieden (en zowel gemengde- als woonbestemmingen) betreft hoofdzakelijk een woningbouwlocatie met gezamenlijk circa 2.485 woningen. Tevens wordt er circa 3.000 m² BVO aan commerciële voorzieningen (kantoren, winkels of bedrijfsruimtes zoals een supermarkt) én circa 10.000 m² BVO aan maatschappelijke (wijkgebouwen, cultuurhuizen, buurttuinen, JOP’s, basisschool, kinderopvang, opvanglocaties, dagbesteding, wijk- en ambulante zorg, gezondheidscentrum (zoals huisarts, apotheek, verloskundige, consultatiebureau) gerealiseerd. Deze commerciële en maatschappelijke functies staan geheel ten dienste van de nieuwe woonwijk, en zijn gezien de aard en omvang gebruikelijk voor deze omvang van het aantal woningen in het plangebied.

Gezien voorgaande wordt geconcludeerd dat gezien het aantal woningen (met daaraan onderliggend overige functies, passend bij de omvang van de woonwijk) sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6 lid 2 van de Bro geeft aan dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte; b. indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Voordat de behoefte in beeld kan worden gebracht, moet ten eerste duidelijk zijn wat het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de ontwikkeling betreft. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en de omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

24

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” De woningbouwopgave in Nederland is in de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Prijzen van koop- en particuliere huurwoningen zijn flink gestegen. De bevolking is sterk gegroeid en groeit door. De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt in de “Nationale Woon- en Bouwagenda” gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024, waarvan vanaf 2025 ten minste twee derde betaalbaar, waaronder 30% sociale huur. De bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 middensegmentwoningen (midden huur- en koopwoningen onder de 355.000 euro) zijn nodig. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van circa 2.485 woningen in diverse typologieën (zowel huur als koop) binnen de gemeente Hoeksche Waard. Wat betreft de verdeling van de woningtypes, minimaal 30% zal sociale huur betreffen, circa 40% zal betaalbaar zijn en voor het overige (circa 30%) zal het vrije sector betreffen (samengevat: 2/3 deel betaalbaar, waaronder 30% sociale huur in een verhouding 30/40/30).

Uit de regionale woonvisie blijkt dat er de komende jaren sterke behoefte is aan een toekomstbestendige woningvoorraad, die bij voorkeur energieneutraal is, geschikt voor jonge èn oudere bewoners, bereikbaar per auto en OV, en met een hoge ruimtelijke kwaliteit. Hiermee wordt ingespeeld op de toekomstige vergrijzing. Om toekomstige krimp tegen te gaan en het draagvlak voor voorzieningen te bewaken, is instroom van jonge huishoudens noodzakelijk. Uit de woningmarktanalyse 2019 van de gemeente Hoeksche Waard blijkt tevens dat de woningbehoefte in de kern Oud-Beijerland met +550 woningen tot 2025 het hoogst ligt. Ook daarna tussen 2025 en 2030 groeit het dorp naar verwachting nog aanzienlijk met minimaal 340 huishoudens. Op basis van het laatste onderzoek is van Sprinco van eind 2021 (en vastgesteld in november 2022) blijkt zelfs dat de behoefte tot 2025 375 woningen betreft en tot 2030 933 woningen betreft. Het plan ‘Stougjeswijk’ is dan ook nodig om gedeeltelijk te kunnen voorzien in de woningbehoefte in deze periode. Het plan is daarnaast aangewezen als zijnde een ‘versnellingsproject’ en als ‘categorie 1 plan’ als zodanig aanvaard door de provincie.

Tussen de minister voor VRO en het college van GS van de provincie ZuidHolland zijn namelijk de “Samenwerkingsafspraken woningbouw Zuid-Holland”: 2022 t/m 2030” (13 oktober 2022) gemaakt over de provinciale ambitie in de nationale woningbouwopgave. Het college van GS spant zich in om in de periode 2022 t/m 2030 bruto 235.460 woningen in Zuid-Holland toe te voegen. Dit is ruim 26% van de landelijke woningbouwambitie en een toename van 14% ten opzichte van de huidige woningvoorraad in Zuid-Holland. Daarnaast heeft het college van GS de ambitie van de minister onderschreven dat vanaf 2025 de programmering bestaat uit minimaal 2/3e deel betaalbare woningen, waarvan de helft (30%) door corporaties wordt gebouwd. Het planvoornemen is dan ook concreet (850 woningen tot 2030, de overige woningen ná deze jaren en met inachtname van de regels uit artikel 12 van dit bestemmingsplan) en bij name genoemd in de regionale realisatieagenda’s (voorheen bekend als Woondeals). Er is dan ook een forse woningbehoefte in de regio en in de gemeente Hoeksche Waard en er is behoefte aan het beoogde dorpse woonmilieu. De aantallen zijn daarbij (zie voorgaande) regionaal afgestemd. Met de realisatie van het project Stougjeswijk, wordt een forse bijdrage de komende jaren (zowel tot 2030 als de jaren daarna) geleverd om in deze behoefte te voorzien.

De kwalitatieve vertaalslag met voorliggend plan naar het type woningen, prijsklassen, doelgroepen etc. is op lokaal gemeentelijk niveau (in overleg tussen gemeente en marktpartijen/de ontwikkelaars) gemaakt en ook de realisatie is een eveneens zowel een gemeentelijke als private activiteit. Feitelijk is er dus sprake van een lokaal woningbouwprogramma waarvan regionaal is afgestemd dat de totale productie reeds deels binnen de door provincie gestelde bandbreedte valt, en nog deels in de komende jaren zal moeten worden toegevoegd. Het ruimtelijk verzorgingsgebied kan gezien vorenstaande worden bepaald op de gemeente Hoeksche Waard, maar vanwege het redelijk unieke woongebied (dorpswonen en woon-werkgebieden) ook woningzoekenden uit de regio aantrekken. Beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling In voorliggend geval worden er in totaal 2.845 woningen oostelijk aangrenzend aan de kern Oud-Beijerland gerealiseerd. Onderstaand wordt achtereenvolgens op de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte ingegaan. Kwantitatieve behoefte Voor het bepalen van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de beoogde ontwikkeling zijn provinciale prognoses en regionale afspraken leidend. De druk op de woningmarkt is sinds 2015 fors toegenomen.

Dit blijkt ook uit de actuele provinciale woningbehoefteraming, woningmarktverkenningen en de actualisering van de regionale woonvisie (zie voorgaande paragraaf). Om toekomstige krimp tegen te gaan en het draagvlak

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

25

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” voor voorzieningen te bewaken, is instroom van jonge huishoudens noodzakelijk. Uit de woningmarktanalyse van de gemeente Hoeksche en het laatste onderzoek van Sprinco (van eind 2021 en vastgesteld in november 2022) blijkt dat de behoefte tot 2025 375 woningen betreft en tot 2030 933 woningen betreft. Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan het behalen van deze doelstelling. Het realiseren van nieuwe plancapaciteit is noodzakelijk om de doelstellingen te behalen, aangezien de op dit moment geldende bestemmingsplannen van de gemeente niet voorzien in voldoende woningbouwmogelijkheden. De woningbouwontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt past daarmee binnen de woningbehoefte binnen de gemeente Hoeksche Waard. Ook is in deze regio er de komende jaren sprake van een toenemende vergrijzing van de bevolking. Op de middellange termijn betekent dit dat het aantal huishoudens eerst zal toenemen als gevolg van gezinsverdunning, die gepaard gaat met de vergrijzing. Om toekomstige krimp tegen te gaan is instroom van jonge huishoudens noodzakelijk. De laatste jaren is deze instroom al op gang gekomen. Om deze instroom verder te faciliteren is extra inspanning op het gebied van woningbouw nodig.

Kwalitatieve behoefte Ten aanzien van de kwalitatieve behoefte is het belangrijk om inzicht te krijgen in de leeftijdsopbouw van de huishoudens. De gemeente Hoeksche Waard is bezig met het formuleren van het woningprogramma tot en met 2030. Door de actualisatie van de prognose is het van belang om de kwalitatieve invulling van deze vraag de verdeling over woningtypes, prijssegmenten, eigendomsvormen en woonmilieus - in beeld te brengen. In het door de gemeenteraad op 15 november 2022 vastgestelde woningmarktonderzoek zijn de bouwstenen geformuleerd van de wensportefeuille en het bouwprogramma (deel 2) voor de gemeente Hoeksche Waard en de dorpen in de gemeente. Uit dit onderzoek kunnen de volgende relevante conclusies worden getrokken. Conclusie 10: De actuele vraag naar nieuwbouwwoningen is als volgt onderverdeeld: • • •

De nieuwbouwvraag naar woonmilieus richt zich voornamelijk op woonwijk laagbouw en dorps (4/5 van de vraag), de overige vraag richt zicht op het woonmilieu landelijk en woonwijk laag en hoogbouw. De vraag naar grondgebonden of appartement is gelijkwaardig verdeeld. De gemeente ziet dat 2/5 van de vraag zich richt op huurwoningen en 3/5 op koopwoningen. De helft van de vraagt richt zich op het prijssegment goedkoop en middelduur en de andere helft op het dure segment.

Conclusie 11: De woningbehoefte bestaat tot 2030 uit circa 3.400 nieuwbouwwoningen, deze is als volgt onderverdeeld: •

• •

Uit cijfers blijkt dat er grote tekorten ontstaan in de sociale sector. De afgelopen jaren is ook zichtbaar geworden dat het aan tal woonbonnen stijgt die nodig zijn om een sociale woning te bemachtigen . Dit komt onder andere doordat het aantal senioren stijgt en doordat de 55-74 jarige niet doorstroomt van ruime woning naar geschikte woning. Verder ziet de gemeente grote tekorten ontstaan naar grondgebonden koopwoningen. Dit komt deels door het aantal gezinnen toeneemt en deels omdat het aantal 55+ huishoudens niet doorstroomt naar een nieuwe (geschikte en gewenste) woning. Ook de vraag naar middeldure (huur- en koop)appartementen stijgt. In aantallen nog niet zo omvangrijk als in de sociale sector en grondgebonden koop. Toch is de vraagdruk op deze segmenten hoog, omdat er weinig van dit segment in de bestaande voorraad aanwezig is. Daarnaast is er een tekort in de beschikbaarheid doordat met name het aantal 55+ huishoudens in omvang toeneemt.

Conclusie 15: De vraag naar middeldure huur- en koopappartementen zal stijgen. •

Op dit moment is de voorraad aan middeldure huur en koopappartement gering in Hoeksche Waard. Mede door de groei van het aantal koopkrachtige 55+ huishoudens (met name de empty nester) ziet de gemeente dat de vraagdruk naar dit segment in 2030 toeneemt De verwachting is dat de vraagdruk en woningbehoefte naar dit segment ook na 2030 zal blijven stijgen.

Verder blijkt uit de provinciale woningmarktverkenning “Samenwerkingsafspraken woningbouw Zuid-Holland” dat er behoefte is aan ruim 10.000 woningen in dorpse woonmilieus. De woningmarkt is momenteel grillig. Daardoor is op dit moment elk type woning gewild. Oud-Beijerland is aangemerkt als een dorps woonmilieu. In BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

26

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” de Woonvisie van de gemeente Hoeksche Waard is er voor gekozen om de focus bij nieuwbouw te leggen op het aanbod dat ontbreekt. Daarnaast blijft het van belang om in de nieuwbouw een gevarieerd aanbod te bieden. Op basis van de huidige woningvoorraad en woonmilieus en de toekomstige vraag is er vooral behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus. Het woningaanbod binnen het plangebied beslaat in totaal 2.485 woningen met bijbehorende (infrastructurele) voorzieningen. Er is sprake in het plangebied van een gedifferentieerd woningbouwbouwprogramma, bedoeld voor uiteenlopende doelgroepen, waaronder (door)starters, gezinnen en senioren. Voor wat betreft de woningtypen gaat het om allerhande typen woningen. Wanneer het programma wordt vergeleken met de behoefte, wordt gesteld dat er sprake is van een kwalitatieve behoefte. Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stads- en dorpsgebied Het plangebied ligt net buiten het bestaande stedelijk gebied van Oud-Beijerland, aan de oostelijke zijde, maar zal hier in de toekomst (mede als gevolg van voorliggende ontwikkelingen) wel toe gaan behoren. Binnen het bestaande stedelijk gebied van Oud-Beijerland (of breder: de gemeente Hoeksche Waard) zijn geen geschikte locaties meer aanwezig om de vele woningaantallen zoals vervat in voorliggend plan te kunnen opvangen.

Ook zijn er geen gronden in de kernen meer beschikbaar die door herstructurering of transformatie als zodanig geschikt te maken zijn. Alle gronden binnen en nabij de kernen worden in de huidige situatie benut ten behoeve van een bepaalde functie en het is niet te verwachten dat op korte termijn een functie wordt beëindigd waardoor voldoende ruimte beschikbaar komt voor deze hoeveelheid gewenste woningbouw. Daarnaast is meervoudig ruimtegebruik, gezien de functie, geen optie. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat binnen het bestaand stedelijk gebied redelijkerwijs geen locaties aanwezig zijn of geschikt te maken zijn voor de ontwikkeling van 2.485 woningen en andere commerciële en maatschappelijke functies. Het uitbreiden van de bestaande kern Oud-Beijerland is dan ook noodzakelijk, teneinde te kunnen voorzien in de lokale behoefte. Het plangebied grenst aan bestaande woonwijken van Poortwijk (diverse fases), die tevens recent in ontwikkeling zijn gebracht, en vormt hierdoor een logische uitbreidingslocatie. Conclusie toetsing aan de ladder voor de woningen Gebaseerd op het bovenstaande, de prognoses en het woningbouwprogramma kan worden gesteld dat er sprake is van een kwantitatieve en een kwalitatieve behoefte aan onderhavig plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking wat betreft de commerciële voorzieningen en functies Dit bestemmingsplan voorziet naast de woningen ook in maatschappelijke functies (circa 10.000 m²) en commerciële voorzieningen (maximaal 3.000 m² bvo). De ontwikkeling is in overeenstemming met artikel 6.13 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De commerciële functies worden niet als zelfstandige perifere ontwikkeling geïntroduceerd, maar zijn integraal onderdeel van het programma binnen een nieuwe stedelijke wijk. Daarmee past de ontwikkeling binnen de uitzonderingsmogelijkheden die artikel 6.13, derde lid, onder b en c biedt voor kleinschalige en ondergeschikte detailhandel, alsmede wijkgerichte voorzieningen. Daarnaast is het plan beleidsmatig goed ingebed. Het sluit aan op de gemeentelijke detailhandelsvisie, waarin wordt onderkend dat binnen nieuwe woonwijken ruimte dient te worden geboden aan wijkgebonden voorzieningen. Het plangebied functioneert in de toekomst als nieuw stedelijk centrumgebied en wordt ontsloten via hoogwaardige openbaarvervoervoorzieningen (R-net), waardoor sprake is van een goed bereikbare locatie. Hiermee wordt aangesloten op het ontwikkelingsperspectief van "te optimaliseren centra" zoals benoemd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (artikel 6.13, tweede lid, onder a).

Ten aanzien van artikel 6.13, tweede lid, onder b geldt dat de commerciële invulling (maximaal 2.000 m² bvo) aantoonbaar voorziet in de dagelijkse behoeften van de toekomstige bewoners van de wijk. Daarmee wordt geen extra leegstand in bestaande centra veroorzaakt en wordt juist bijgedragen aan een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe wijk.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

27

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Tot slot blijft de omvang van de detailhandel onder de adviesdrempel zoals genoemd in artikel 6.13, tweede lid, onder c (maximaal 2.000 m² bvo). Het inwinnen van advies bij de Adviescommissie Detailhandel ZuidHolland is daarom niet vereist. Oók is er een laddertoets c.q. distributie planologisch onderzoek uitgevoerd, naar specifiek de commerciële voorzieningen (voor de realisatie van detailhandel specifiek een supermarkt) door adviesbureau Stec. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 16 bij deze toelichting. Locatie beoogde supermarkt ligt in nieuwe woonwijk Stougjeswijk De locatie van de supermarkt ligt in de Stougjeswijk. Hier worden de komende jaren zo’n 2.485 woningen gebouwd. Hiermee zal het aantal inwoners in de directe omgeving van de beoogde supermarkt groot zijn. Hierdoor ontstaat automatisch een aanvullende en concrete behoefte aan supermarktmeters dicht bij huis. Een fullservice supermarkt is daarbij ook de commerciële drager/trekker van een buurtwinkelcentrum. Realisatie van deze beoogde ontwikkelingen leidt tot relatief beperkt overaanbod van 785 m² wvo. Op basis van het distributie planologisch onderzoek blijkt er in het verzorgingsgebied de komende tien jaar (minimaal) behoefte te zijn aan 640 m² wvo extra supermarkt. Het beoogde initiatief in de Stougjeswijk heeft een omvang van zo’n 1.425 m² wvo.

De realisatie van deze supermarkt zal dus zorgen voor een overaanbod van zo’n 785 m² wvo in het verzorgingsgebied. Dit is een relatief beperkt overaanbod. Concreet betekent dit dat alle supermarkten samen circa 5% onder de landelijk gemiddelde vloerproductiviteit gaan functioneren. Omzeteffect verspreid zich over meerdere bestaande aanbieders Mogelijk zijn er als gevolg hiervan beperkte negatieve omzeteffecten te verwachten bij supermarkten in het verzorgingsgebied. De omzetafname zal vooral terechtkomen bij de vijf bestaande supermarkten in OudBeijerland. De lokale (buurt)supermarkten in de omliggende kleinere kernen zullen hun functie blijven behouden. We verwachten echter niet dat deze omzeteffecten voor onaanvaardbare ruimtelijke effecten (lees: leegstand) leiden. Het omzeteffect is namelijk beperkt en deze wordt verspreid wordt over meerdere supermarkten. Hierdoor is het omzeteffect per supermarkt beperkt. Conclusie toetsing aan de ladder voor de commerciële voorzieningen Het is niet te verwachten dat de beperkte omzeteffecten bij de verschillende supermarkten zorgen voor onaanvaardbare ruimtelijke effecten (lees: leegstand). De omzeteffecten zijn immers niet zo groot dat supermarkten als gevolg hiervan hun deuren moeten sluiten.

Zoals in het distributie planologisch onderzoek in bijlage 16 bij deze toelichting is aangegeven is de Lidl de supermarkt die waarschijnlijk het meeste effect zal ondervinden. Maar ook in het uiterst onwaarschijnlijke geval dat deze supermarkt zijn deuren zou moeten sluiten, heeft dit geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten. De Lidl ligt immers op een solitaire locatie en de sluiting van deze supermarkt heeft dus geen direct effect op omliggend aanbod. 4.1.3

Conclusie toetsing aan het rijksbeleid

Geconcludeerd kan worden dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen niet in de weg staat.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

28

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

4.2.1.1 Algemeen Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is op 7 augustus 2021 geactualiseerd vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in kader van de Omgevingswet die in 2022 in werking treedt. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: • • • • • •

Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: • • • • • • • • • • • •

Landschap en cultuurhistorie; Gezondheid en veiligheid; Natuur en recreatie; Ruimte en verstedelijking; Wonen; Bodem en ondergrond; Cultuurparticipatie en bibliotheken; Klimaatadaptie; Zoetwater en drinkwater; Bereikbaarheid; Regionale economie; Energievoorziening.

Naast de inleiding zijn het 'Programma Ruimte' en de 'Kwaliteitskaart' onderdeel van de Omgevingsvisie. Het 'Programma Ruimte' bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het dan om locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. De kwaliteitskaart is weergeven in de 'bijlage ruimtelijke kwaliteit' waarin vier kaartlagen afzonderlijk zijn opgenomen en toegelicht. De kwaliteitskaart bevat de volgende lagen: 1. Laag van de ondergrond. Dit gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen; 2. Laag van de cultuur-en natuurlandschappen. Dit gaat over de laag van het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut; 3. Laag van de stedelijke occupatie. Deze gaat over de steden en dorpen en hun onderlinge netwerken; 4. Laag van de beleving. Dit gaat over identiteit en (recreatieve) beleving. Deze lagen hebben een relatie met elkaar. De lagen bevatten richtpunten die de bestaande kenmerken en waarden beschrijven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten deze kenmerken en waarden een rol spelen bij de overweging, de plaatsing en de vormgeving van het initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

29

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 4.2.1.2 Doorwerking van het initiatief in de Omgevingsvisie Zuid-Holland Voorliggende ontwikkeling wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Zuid-Holland aan de hand van de regelgeving waarin de rode draden van het beleid zijn uitgewerkt. Ook in het stedenbouwkundig plan en in de laddertoetsing is uitgebreid ingegaan op het provinciale beleid en hoe dit is vertaald in het plan. Kortheidshalve wordt ook hiernaar verwezen. A. de ladder voor duurzame verstedelijking De rijksladder is getoetst in paragraaf 4.1.2. De aanvullingen zoals opgenomen in de provinciale ladder zijn getoetst in paragraaf 4.2.2. Voor de toetsing aan de ladder wordt naar deze paragrafen verwezen. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. B. de integrale kwaliteitskaart De integrale kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. De kwaliteitskaart is uitgewerkt in een aantal specifieke richtpunten per laag. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. Laag van de ondergrond Deze laag gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water.

Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. Op basis van deze laag is het plangebied gelegen in het rivierendeltacomplex in het jonge zeeklei. ‘Rivierdeltacomplex – Jonge zeeklei’ Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Richtpunt: • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Toetsing van het initiatief aan de laag van de ondergrond De oorspronkelijke kenmerken van deze laag zijn ter plaatse van het plangebied nauwelijks nog waarneembaar. Dit heeft met name te maken met het feit dat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw, glastuinbouw en diverse soorten gewassen voor de teelt. Bij de hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan is aansluiting gezocht bij de daar voorkomende landschapsstructuren en de stedenbouwkundige opzet van Oud-Beijerland, waarbij gekeken is naar een adequate inpassing van het plan in relatie tot de natuurlijke kenmerken en de geschiedenis van het gebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 3 en bijlage 1 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voldoende rekening is gehouden met de gebiedskenmerken ten aanzien van de ‘Laag van de ondergrond’. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De laag van de cultuurlandschappen is de laag van het zichtbare landschap en het (grondgebonden) nut. Het agrarisch landschap is beeldbepalend in het buitengebied van Zuid-Holland. Dicht bij de stad vinden we een veelheid aan verschillende cultuurlandschappen. Het plangebied is gelegen in het zeekleipolderlandschap.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

30

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” ‘Zeekleipolderlandschap’ Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken. Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.

• Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.

Toetsing van het initiatief aan de laag van de cultuur- en natuurlandschappen Zoals ook bij de toetsing aan de ‘Laag van de ondergrond’ is beschreven, is de hoofdopzet gebaseerd op de bestaande landschapsstructuur en de reeds gerealiseerde nieuwbouwwijken ten westen (Poortwijk met de diverse fases). Het nieuwe woon- en werkgebied is passend binnen de ruimtelijke- en functionele structuur van de omgeving. De buurten worden op een adequate wijze landschappelijk ingepast. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Laag van de stedelijke occupatie Deze laag bestaat uit het bebouwde gebied (steden en dorpen) en de doorlopende netwerken van wegen, vaarwegen, spoor en groen. Zuid-Holland is een dynamisch gebied met een veelheid aan steden en dorpen. Steden en dorpen kennen elke hun eigen karakteristiek, ontstaan door ligging in het landschap of bijvoorbeeld verschil in economisch accent. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads en dorpsgebied. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp.

Het plangebied ligt aan de rand van de bestaande dorpskern van OudBeijerland, aansluitend op bestaande woonwijken. De ontwikkeling betreft de transformatie van grotendeels ongebruikte (agrarische) gronden naar een woningbouwlocatie en past daarmee binnen de opgave ‘Ruimte en Verstedelijking en Wonen’ van de 'Opgaven Omgevingskwaliteit' van de provincie. Hiermee is tevens aangetoond dat het plan passend is binnen de kwaliteitskaart van de provincie. Het plan zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik in Oud-Beijerland, die vanwege de bestaande woningbehoefte onder druk staat (zie de laddertoets). Het plan voorziet zowel in de noodzakelijke woningen als commerciële- en maatschappelijke functies als een correcte belangenafweging voor de realisatie van woningen buiten bestaand stedelijk gebied. Na realisatie zullen de woongebieden onderdeel uitmaken van de dorpsstructuur.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

31

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland. Deze laag gaat over zorgvuldig omgaan met wat van waarde is in combinatie met het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde van de provincie. Het betreft bijzonder plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. Voorliggende ontwikkeling vormt geen belemmering voor de beleving van hetgeen waardevol is in de omgeving. Op basis van de kaart van de ‘Laag van de beleving’ bevat het plangebied namelijk geen specifieke kenmerken. C. het categoriseren van alle gebieden naar kwaliteiten gekoppeld met de aard en schaal van ontwikkelingen Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: •

• • •

De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Voorliggende ontwikkeling kan worden aangemerkt als ‘transformatie’. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied, een nieuwe gebiedsidentiteit, gebaseerd op nieuwe kwaliteiten, structuren en kenmerken. De impact van deze plannen op een gebied is enorm. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is de rol van de provincie groot omdat bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding is. De betrokkenheid van de provincie zal gericht zijn op een actieve behartiging van die doelen en op een kwalitatief zo goed mogelijk resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat.

4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Zuid-Holland Zoals in de ‘Omgevingsvisie Zuid-Holland’ is aangegeven, is het van belang dat er een nieuw integraal ontwerp ontstaat waarbij ruimtelijke kwaliteit centraal staat. Het plan zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik in Oud-Beijerland, die vanwege de bestaande woningbehoefte onder druk staat. Het plan voorziet zowel in de noodzakelijk woningen als ook commerciële- en maatschappelijke functies als een correcte belangenafweging voor de realisatie van woningen buiten bestaand stedelijk gebied. De woningbouwopgave wordt benaderd vanuit het concept landschappelijk wonen, waarbij de woon- en werkwijk en landschap (met kenmerkende landschapselementen) als het ware verweven worden. De integrale uitbreiding biedt kansen om de oostrand van het dorp verder uit te breiden, dit binnen de landschappelijke structuur van het landschap. Een van de richtpunten in de laag van de stedelijke occupatie is bijvoorbeeld dat ontwikkelingen aan de stads- en dorpsranden bij moeten dragen aan het realiseren van een

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

32

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” rand met passende overgangskwaliteit. De bestaande landschappelijke kwaliteiten worden benut als kwaliteitsimpuls en overgangskwaliteiten van de dorpsrand worden hersteld en versterkt. De nieuwe indeling van het uitbreidingsgebied volgt de landschappelijke structuur, die hiervoor in de landschapsstructuurkaart is geanalyseerd. De rand met het buitengebied in de nieuwe positie krijgt een groene, zachte invulling om zo de overgangskwaliteit contact (overlap) te herstellen. De bestaande landschapselementen (zoals de spoorbrug en te behouden water) worden versterkt en lopen als groene zones door de wijk Stougjeswijk. 4.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De Omgevingsverordening Zuid-Holland is op 7 augustus 2021 geactualiseerd vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland. De omgevingsverordening vormt het juridische fundament van de Omgevingsvisie. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. Onderstaand wordt op de van belang zijnde artikelen nader ingegaan. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1.

2.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruikt gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Toetsing van het initiatief aan artikel 6.10 De provincie Zuid-Holland beschikt over een eigen ladder voor duurzame verstedelijking. Er is besloten om de provinciale ladder grotendeels los te laten. Bestemmingsplannen zullen daarom door de provincie worden beoordeeld op de wijze van toepassing van de rijksladder. Op een aantal punten is de rijksladder echter wel toegespitst op de Zuid-Hollandse situatie. Zo wordt gebruik gemaakt van het begrip ‘bestaand stads- en dorpsgebied’. Daarnaast is in de provinciale ladder als voorwaarde opgenomen dat stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied zijn opgenomen op de zogenaamde 3 hectare kaart in het programma ruimte. Zoals blijkt uit de provinciale woningmarktverkenning “Samenwerkingsafspraken woningbouw Zuid-Holland” is er behoefte is aan ruim 10.000 woningen in dorpse woonmilieus. De woningmarkt is momenteel grillig. Daardoor is op dit moment elk type woning gewild. Oud-Beijerland is aangemerkt als een dorps woonmilieu. In de Woonvisie van de gemeente Hoeksche Waard is er voor gekozen om de focus bij nieuwbouw te leggen op het aanbod dat ontbreekt. Daarnaast blijft het van belang om in de nieuwbouw een gevarieerd aanbod te bieden. Op basis van de huidige woningvoorraad en woonmilieus en de toekomstige vraag is er vooral behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus.

Het woningaanbod binnen het plangebied beslaat in totaal 2.485 woningen met bijbehorende (infrastructurele) voorzieningen. Er is sprake in het plangebied van een gedifferentieerd woningbouwbouwprogramma, bedoeld voor uiteenlopende doelgroepen, waaronder (door)starters, gezinnen en senioren. Voor wat betreft de woningtypen gaat het om allerhande typen woningen. Wanneer het programma wordt vergeleken met de behoefte, wordt gesteld dat er sprake is van een kwalitatieve behoefte. Het plan ‘Stougjeswijk’ is dan ook nodig om gedeeltelijk te kunnen voorzien in de woningbehoefte in deze periode. Het plan is immers aangewezen als zijnde een ‘versnellingsproject’ en als ‘categorie 1 plan als zodanig aanvaar door de provincie’. Tussen de minister voor VRO en het college van GS van de provincie Zuid-Holland

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

33

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” zijn namelijk de “Samenwerkingsafspraken woningbouw Zuid-Holland”: 2022 t/m 2030” (13 oktober 2022) gemaakt over de provinciale ambitie in de nationale woningbouwopgave. Het planvoornemen is concreet en bij name genoemd in de regionale realisatieagenda’s (voorheen bekend als Woondeals). Gezien deze motivering wordt gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het gestelde uit de Omgevingsverordening.

Artikel 6.13 Detailhandel •

•

•

1.Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: o

a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;

o

b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;

o

c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.

2.De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: o

a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte en de Omgevingsvisie beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te optimaliseren centra en de overige centra;

o

b. aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat;

o

c. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlak in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto vloeroppervlak in de andere centra, is mede met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.

3.Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: o

o

o

a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: ▪

1°. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;

▪

2°. detailhandel in volumineuze goederen;

▪

3°. meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II;

▪

4°. tuincentra;

▪

5°. bouwmarkten;

b. kleinschalige detailhandel: ▪

1°. in de vorm van een gemakswinkel;

▪

2°. bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties;

c. ondergeschikte detailhandel: ▪

1°. in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf;

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

34

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” ▪

2°. bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdbestemming;

▪

3°. bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt;

o

d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties;

o

e. kringloopwinkels;

o

f. supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie.

•

4.Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder a en f, als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het derde lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto vloer oppervlak.

•

5.Een bestemmingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het derde lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: o

a. ten hoogste 20% van het netto verkoopvloeroppervlak wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en

o

b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.

Toetsing van het initiatief aan artikel 6.13 Het bestemmingsplan voorziet in de transformatie van het plangebied naar een gemengd stedelijk woon- en werkgebied met circa 2.485 woningen, maatschappelijke functies (circa 10.000 m²) en commerciële voorzieningen (maximaal 3.000 m² bvo), inclusief passende groenstructuren, speelvoorzieningen, verkeers- en mobiliteitsfuncties (waaronder een R-net-halte), en waterhuishoudkundige voorzieningen. In dit kader is ook ruimte gereserveerd voor wijkvoorzieningen, waaronder een supermarkt of andere vormen van dagelijkse detailhandel. De ontwikkeling is in overeenstemming met artikel 6.13 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De commerciële functies worden niet als zelfstandige perifere ontwikkeling geïntroduceerd, maar zijn integraal onderdeel van het programma binnen een nieuwe stedelijke wijk. Daarmee past de ontwikkeling binnen de uitzonderingsmogelijkheden die artikel 6.13, derde lid, onder b en c biedt voor kleinschalige en ondergeschikte detailhandel, alsmede wijkgerichte voorzieningen. Daarnaast is het plan beleidsmatig goed ingebed. Het sluit aan op de gemeentelijke detailhandelsvisie, waarin wordt onderkend dat binnen nieuwe woonwijken ruimte dient te worden geboden aan wijkgebonden voorzieningen.

Het plangebied functioneert in de toekomst als nieuw stedelijk centrumgebied en wordt ontsloten via hoogwaardige openbaarvervoervoorzieningen (R-net), waardoor sprake is van een goed bereikbare locatie. Hiermee wordt aangesloten op het ontwikkelingsperspectief van "te optimaliseren centra" zoals benoemd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (artikel 6.13, tweede lid, onder a). Ten aanzien van artikel 6.13, tweede lid, onder b geldt dat de commerciële invulling (maximaal 3.000 m² bvo) aantoonbaar voorziet in de dagelijkse behoeften van de toekomstige bewoners van de wijk. Daarmee wordt geen extra leegstand in bestaande centra veroorzaakt en wordt juist bijgedragen aan een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe wijk. Tot slot blijft de omvang van de detailhandel onder de adviesdrempel zoals genoemd in artikel 6.13, tweede lid, onder c (maximaal 2.000 m² bvo). Het inwinnen van advies bij de Adviescommissie Detailhandel ZuidHolland is daarom niet vereist. Ook is er een distributie planologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie hieruit is dat het niet te verwachten is dat de beperkte omzeteffecten bij de verschillende supermarkten zorgen voor onaanvaardbare ruimtelijke effecten (lees: leegstand). De omzeteffecten zijn immers niet zo groot dat supermarkten als gevolg hiervan

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

35

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” hun deuren moeten sluiten. Zoals in het distributie planologisch onderzoek in bijlage 16 bij deze toelichting is aangegeven is de Lidl de supermarkt die waarschijnlijk het meeste effect zal ondervinden. Maar ook in het uiterst onwaarschijnlijke geval dat deze supermarkt zijn deuren zou moeten sluiten, heeft dit geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten. De Lidl ligt immers op een solitaire locatie en de sluiting van deze supermarkt heeft dus geen direct effect op omliggend aanbod.

Artikel 6.9 (Ruimtelijke Kwaliteit) •

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de a.

bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a.

de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van) ▪ duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; ▪ wegnemen van verharding ▪ toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; ▪ andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

Toetsing van het initiatief aan artikel 6.9 Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw en commerciële- en maatschappelijke functies buiten bestaand stads- en dorpsgebied van Oud-Beijerland. De beoogde ontwikkeling past wel binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in wijzigingen op structuurniveau. De ontwikkeling wordt geschaard onder Ad. c ‘transformeren’, aangezien de ontwikkeling een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang betreft, dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat (zie ook paragraaf 4.2.1.3). Voor de ontwikkeling is een integraal ontwerp opgesteld, waarbij de kenmerken en kwaliteiten van het landschap en de stedenbouwkundige structuur in acht worden genomen. Het voornemen past qua fasering in ruimte en tijd in het provinciale en regionale programma. Het plangebied ligt in een gebied aangeduid met ‘beschermingscategorie 1’ en ‘beschermingscategorie 3’, van de omgevingsverordening, betreffende het NNN (voor categorie 1). Daarom worden er, gezien de omvang van het voornemen en het respect voor de natuur, aanvullende ruimtelijke maatregelen genomen in de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt een ecologische verbinding behorend tot het NNN door het plangebied aangelegd (en de NNN wordt behouden) en nu juist feitelijk en daadwerkelijk ingericht (ten opzichte van de bestaande situatie).

De kreek in Stougjeswijk is onderdeel van de ecologische verbindingszone (EVZ) Hollands Diep-Oude Maas en behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze kreek wordt in het plan verbreed wordt en krijgt een natuurlijke inrichting. Daarbij zijn de regels van de opgenomen vrijwaringszone zodanig (in de regels bij dit BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

36

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” bestemmingsplan) ingericht, dat de toegestane functies en activiteiten deze kreek niet belemmeren als natuur en daarmee geen significante nadelige effecten hebben op de kenmerken en waarden, kwaliteit en oppervlak van de kreek en de ecologische verbindingszone. In het opgenomen beeldregieplan(als bijlage 2 bij de regels) is vervolgens de EVZ daarbij ook nader beschreven, alsmede zijn de inrichtingsuitgangspunten van de kreek opgenomen. Hiermee wordt de ecologische verbindingszone adequaat juridisch planologisch beschermd. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aldaar voorkomende en/of potentiële ecologische en landschappelijke waarden als ook de instandhouding van de geomorfologische, de bodemkundige en hydrologische kenmerken. Daarnaast zijn deze gronden bedoeld voor de ontwikkeling en versterking van de ecologische structuur en voor waterhuishouding en waterberging in de vorm van waterverbindingen en waterpartijen. Tenslotte is daadwerkelijk sprake van een natuurverbetering. Immers zijn deze gronden thans nog grotendeels agrarisch of bedrijfsmatig in gebruik en wordt dit in de toekomst ook daadwerkelijk als ecologische verbindingszone ingericht als natuur en als zodanig ook planologisch bestemd.

Hiermee wordt voldaan aan de eis zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie, namelijk dat de toelichting een verantwoording moet bevatten over de kwaliteit en kwantiteit van de natuurdoelen. Deze groene corridor door het plangebied heen is het domein van flora en fauna, waarbij een deel van deze zone wordt beschouwd als niet bebouwd en niet openbaar gebied. Op de plekken waar de woningen op minimale afstand van deze bestemming zijn gelegen, dan zal de inrichting van deze zone ervoor zorgen dat er voldoende beschermende werking optreedt. Dit zal bij de planrealisatie middels bebording en fysieke afscheidingen worden aangegeven. De genoemde minimale afstand van 5 m zal worden overgenomen in de verdere planuitwerkingen tot aan kaveluitgifte. 4.2.3

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

37

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

4.3

Regionaal beleid

4.3.1 Regionale Realisatie Agenda Wonen Samenwerkende regio's Alblasserwaard, Drechtsteden, Goeree-Overflakkee en Hoeksche Waard 4.3.1.1 Algemeen Samenwerken aan een aantrekkelijke woningmarkt en een prettig woon- en leefklimaat met een plaats voor iedereen en de juiste woning op de juiste plaats. Gemeenten, provincies en Rijk zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het realiseren van de woningbouwopgave. Alle overheidslagen dragen bij aan de woningbouwopgave vanuit hun specifieke rol in aansluiting bij het huis van Thorbecke, en wet- en regelgeving zoals de Woningwet, de Huisvestingswet, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Waterwet en – wanneer deze inwerking treedt – de Omgevingswet. Het college van B&W van de gemeenten is als eerste bestuursorgaan verantwoordelijk voor de zorg voor de fysieke en sociale leefomgeving. In aansluiting daarop zetten de gemeenten zich in voor voldoende bouwlocaties in ruimtelijke plannen voor de realisatie van de woningbouwafspraken. Met inzet van de wettelijke instrumenten zorgen gemeenten voor de benodigde (harde) plancapaciteit in de verschillende prijssegmenten (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop) en voor verlening van omgevingsvergunningen. Belangrijke pijlers in dit regionale beleid zijn het bouwen van de juiste woning op de juiste plaats en een kwalitatieve goede woningvoorraad in een hoogwaardig woonmilieu voor alle inwoners.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16084763/1