CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Ontwerp Bestemmingsplan Stougjeswijk december 2023

Besluitvormende raad 11 november 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Stougjeswijk Bestemmingsplan en Exploitatieplan33.613 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Wat betreft de verharde oevers in het plan wordt opgemerkt dat deze momenteel nog niet concreet ingevuld en uitgewerkt zijn. Dit zal in samenspraak met de provincie worden opgepakt, daarbij zal ondoelmatige verharding zoveel als mogelijk worden voorkomen. Verder wordt bij de inrichting van deze oevers de voorkeur gegeven aan het gebruik van inheemse plantensoorten, zeker voor het inrichten van de natuurlijke biotopen is dit belangrijk. Bruggen worden natuurinclusief ontwerpen waar het kan. Hierdoor ontstaat er nestgelegenheid voor vleermuizen (watervleermuis) en zwaluwen onder de brugconstructie. Daarbij krijgt de rand van het plangebied aansluitend op de N217 een zorgvuldige inpassing van eventuele geluidwerende voorzieningen en daarmee een afronding van de wijk (zie aspect ‘akoestiek’ in paragraaf 5.1). Het buitengebied is verder door de ligging van de N217 niet gemakkelijk toegankelijk. De enige mogelijkheid is via de Papeweg. Deze overgang wordt dan ook belangrijk voor de nieuwe bewoners geacht. De mogelijkheden worden verkend om aansluitend op de Papeweg een pad aan te leggen richting de kreek, dat doorloopt tot aan de Buijensweg. Zo kunnen bewoners gemakkelijker een rondje lopen en het buitengebied beter beleven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

56

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het kader hiervan is door Natuurbank Overijssel een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in bijlage 9 van deze toelichting. Daarnaast is er aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Deze is als bijlage 10 bij deze toelichting bijgevoegd. In de volgende paragrafen zijn de resultaten hiervan samengevat. 5.7.3.2 Onderzoeksresultaten quickscan Het plangebied is in de periode juni 2022 tot oktober/november 2023 (aanvullingen op het onderzoek van juni 2023, dit naar aanleiding van de beoordeling van het bevoegd gezag) op verschillende momenten onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het plangebied wordt door verschillende beschermde diersoorten benut als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels in het plangebied, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied, maar benutten delen van het plangebied wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de werkzaamheden af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocatie’. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde diersoorten af. Deze afname leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming.

De Wet natuurbescherming hoeft geen belemmering te zijn voor realisatie van de voorgenomen plannen. Om de voorgenomen plannen uit te voeren, overeenkomstig Wet natuurbescherming, dient een ontheffing verkregen te worden voor het beschadigen/vernielen van de nestplaats. De volgende maatregelen dienen genomen te worden: •

Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;

In de volgende subparagraaf wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten van het nadere ecologisch onderzoek. 5.7.3.3 Onderzoeksresultaten aanvullend ecologisch onderzoek vleermuizen In het voor- en najaar van 2019 (en actualiserend in 2023) is een gebied tussen de Stougjesdijk en de N217 te Oud Beijerland onderzocht op de betekenis ervan als foerageergebied voor vleermuizen en de aanwezigheid van vliegroutes van vleermuizen. Uit het onderzoek is gebleken dat vliegroutes van vleermuizen in het onderzoeksgebied ontbreken en dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten geen negatief effect heeft op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Als gevolg van het ontwikkelen van het plangebied als woonwijk, BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

57

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” neemt de betekenis ervan als foerageergebied vermoedelijk toe. Dit geldt in ieder geval voor tolerante vleermuissoorten als gewone- en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De kreek (NNN) in het plangebied (waar geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden) is mogelijk wel een belangrijke foerageerroute voor vleermuizen, daarom zullen in het kader van natuurvriendelijk ontwikkelen, voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Dit om zo ten alle tijden donkerte gegarandeerd te hebben rondom de oever van de kreek en boven de watergang zelf Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden. Het ontwikkelen van het onderzoeksgebied als woonwijk heeft geen negatief effect op vleermuizen en leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om het gebied te ontwikkelen in overeenstemming met wet- en regelgeving voor vleermuizen. 5.7.4

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt, mits enkele maatregelen worden genomen, geen belemmering voor de voorgenomen plannen voor Stougjeswijk.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Laagland Archeologie heeft daarom in de periode van februari tot december 2022 diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd om de archeologische verwachtingen in het plangebied in kaart te brengen. De conclusies van het archeologisch onderzoek worden in de volgende paragraaf besproken. De onderzoeken zelf zijn in de bijlage 11 opgenomen. 5.8.1.2 Situatie plangebied Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is de archeologische verwachting hoog voor resten uit het LaatNeolithicum, samenhangend met de Maas estuarium 'Calais/Wormer' stroomgordel.

De afzettingen van deze stroomgordel worden gerepresenteerd door de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer/Formatie van Echteld. Het estuarium was onderdeel van een zoetwatergetijdengebied. Verder is de archeologische verwachting hoog voor archeologische resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Waarschijnlijk was met name de Binnenmaas stroomgordel favoriet voor bewoning. Later in de Middeleeuwen was de omgeving van het plangebied onderdeel van een getijdengebied. In de 11e eeuw zijn bewoners begonnen met het omkaden van de drooggevallen gronden. Vanaf de 12e eeuw traden verschillende overstromingen op, wat leidde tot een leegloop van het gebied. Tot begin 14e eeuw was er nog bewoning, maar na de St. Elisabethsvloed maakte de omgeving van het plangebied deel uit van een getijdengebied en lag ter hoogte van de voormalige Binnenmaas stroomgordel een getijdengeul. De Westmaas Nieuwland Polder waarin het plangebied ligt is ontstaan toen in 1535 een aanwas werd ingepolderd. De archeologische verwachting is eveneens hoog voor de Volle, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

58

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Veld- en booronderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht. Daartoe is aanvullend booronderzoek uitgevoerd. Op grond daarvan is een zonering voor de archeologische verwachting te maken voor het plangebied, waarbij de archeologische verwachting voor verschillende archeologische niveaus (Laat-Neolithicum, Bronstijd tot Midden-IJzertijd, Late IJzertijd tot Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd) kan worden onderverdeeld. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) voor het archeologische niveau dat de Bronstijd tot Midden-IJzertijd en Late IJzertijd tot Middeleeuwen representeert. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Met voornoemd proefsleuvenonderzoek wordt voorkomen danwel in voldoende mate beperkt dat archeologische waardevolle resten worden aangetast, het voorgestelde ‘programma van eisen’ hiervoor zoals opgesteld door Laagland is opgenomen in bijlage 12 bij deze toelichting. Conclusie Uit het archeologische onderzoek is gebleken dat nader vervolgonderzoek middels proefsleuven noodzakelijk is.

Daartoe is, in aanvulling op het programma van eisen van Laagland, door de archeoloog van de gemeente Hoeksche Waard zelf een Programma van Eisen opgesteld (opgenomen in bijlage 13 bij deze toelichting). Hierin is geregeld en beschreven hoe de nadere onderzoeken moeten worden vormgegeven, onder welke condities en voorwaarden. Deze bijlage 13 vormt dan ook de basis voor de nadere onderzoeken. Ter borging van dit nadere onderzoek en de archeologische verwachtingswaarden zijn in dit bestemmingsplan de vigerende dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, 3, 4 en 5 overgenomen. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied In het plangebied komen de drie belangrijke ruimtelijke elementen van de Hoeksche Waard samen, te weten de polder, de (historische voormalige) spoordijk en de kreek. Dit worden de ruimtelijke dragers van de zogenaamde ‘Stougjeswijk’. Naast de Stougjesdijk, die een belangrijk cultuurhistorisch element is, zijn dat de kreek en de polderverkaveling met een structuur van polderslootjes die door zal schemeren in de nieuwe hoofdstructuur van het plangebied (zie hoofdstuk 3). Het Hoeksche Waardse-landschap wordt in het plangebied gearticuleerd: het landschap van slootjes, kades, knotbomen, haksingels, jaagpaden, struweelhagen en soortgelijken worden extra ‘aangezet’ in een typisch streekeigen ruimtelijk raamwerk.

In het stedenbouwkundig ontwerp wordt daarom rekening gehouden met cultuurhistorische waarden (zoals enkele gedempte of oorspronkelijke (infrastructurele) spoordijkverbindingen) in het gebied. Het is niet noodzakelijke cultuurhistorische waarden in het gebied juridisch vast te leggen en te koppelen aan een beschermingsregeling. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

59

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er nader archeologisch onderzoek benodigd is, maar dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit planvoornemen maar juist deze waarden expliciet laat terugkomen in de vormgeving van de nieuwe woonwijk.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied bevindt zich op circa 12,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk ‘Krammer-Volkerak’. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied zal, gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling dan ook géén sprake zijn, zoals blijkt uit paragraaf 5.7.2.1 en bijlage 8. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Beoordeling Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

60

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen) kan worden geconcludeerd dat in dit geval sprake is van een directe m.e.r.-plicht, omdat er meer dan 2.000 woningen worden gerealiseerd (2.485). Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, Daarom nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In dit kader is daarom door Cauberg Huygen B.V. een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 14. Voor een inhoudelijke weergave van deze uitgebreide beoordeling wordt dan ook verwezen naar de genoemde bijlage 14. Gelet op het inzicht in de potentiële effecten, de mate en omvang waarin deze zich voordoen in relatie tot de plaats van het project en de mogelijkheid deze effecten te beperken, is de conclusie dat er geen sprake is van significante nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer. Het doorlopen van een milieueffectrapportage wordt als geen toegevoegde waarde voor de voorgenomen woonwijk aan de Stougjesdijk te Oud-Beijerland beschouwd.

5.9.3 Conclusie Gelet op het inzicht in de potentiële effecten, de mate en omvang waarin deze zich voordoen in relatie tot de plaats van het project en de mogelijkheid deze effecten te beperken, is de conclusie dat er geen sprake is van significante nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer. Het doorlopen van een milieueffectrapportage wordt als geen toegevoegde waarde beschouwd.

5.10

Spoortrillingen

5.10.1 Algemeen In gevallen waarin in de directe nabijheid van het plangebied een spoor aanwezig is, kan het raadzaam zijn om het aspect hinder door spoortrillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten te onderzoeken en af te wegen. Trillingshinder is een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. 5.10.2 Situatie plangebied In dit geval is er op korte afstand (minder dan 5 kilometer afstand) van het plangebied geen spoorlijn gelegen, het dichtstbijzijnde spoor is gelegen ten noordoosten en betreft het traject vanaf Barendrecht richting Puttershoek. Er bestaat daarom géén aanleiding rekening te houden met het aspect trillingshinder door spoor in dit geval. 5.10.3 Conclusie

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

61

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Het uitvoeren van een trillingsonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Tevens zijn geen nadelige gevolgen te verwachten als gevolg van spoortrillingen voor het woon- en leefklimaat van bewoners in het planvoornemen. In het kader van dit bestemmingsplan is geen onderzoek noodzakelijk en wordt het planvoornemen niet belemmert.

5.11

Niet geëxplodeerde explosieven (NGE)

5.11.1 Algemeen De locatie is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Het is van belang dit onderzocht te hebben, aangezien spoorwegen risicogebieden zijn voor explosieven. In verband daarmee kan het soms nodig zijn om een onderzoek naar Niet-Gesprongen Explosieven (NGE) uit te voeren. 5.11.2

Situatie plangebied

Via de VEO Bommenkaart kan voor een bepaalde locatie worden nagegaan of daar Vooronderzoek en Opsporing is uitgevoerd. Uit raadpleging van deze digitale kaart blijkt dat het plangebied is gelegen buiten het gebied waar verwachtingen zijn, al zijn er in de nabijheid van het plangebied wel geregistreerde oorlogsresten. Op voorhand worden gezien de raadpleging van de kaart en de ligging van de locatie, alsmede gebaseerd op andere ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied alsook elders in de gemeente, geen explosieven in het plangebied zelf verwacht, bij nadere planuitwerkingen zal hier echter in het gebied rekening mee worden gehouden.

5.11.3

Conclusie

In het kader van dit bestemmingsplan is geen onderzoek noodzakelijk en wordt het planvoornemen niet belemmert door niet gesprongen explosieven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

62

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. 6.1.3

Provinciaal beleid

Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: • • • • •

Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn.

Naast deze verplichte onderdelen bevat het ‘regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027’ ook nietverplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 6.1.4

Beleid waterschap Hollandse Delta

6.1.4.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050).

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

63

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die zij in 2027 bereikt willen hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: • • •

nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De uitgangspuntennotitie is als bijlage 15 bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de relevante wateraspecten in het planvoornemen voor Stougjeswijk toegelicht. 6.2.3

Toekomstige situatie in het plangebied

Algemeen Het plan betreft de realisatie van maximaal 2.485 woningen, verdeeld over de diverse deelgebieden (zie hoofdstuk 3). Het gaat om verschillende type woningen en de woningen worden gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en parkeerplaatsen. Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m², dient er

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

64

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water te worden gerealiseerd. In onderhavig geval is sprake van een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m². Het gaat niet om één aaneengesloten totale verharding van het plangebied, maar om losstaand verhard oppervlak zoals gebruikelijk in nieuwe woonwijken. In de toekomstige situatie zorgen de bouwwerken en terreinverhardingen in het plangebied voor een toename aan verhard oppervlak. Hiertoe zijn deze aspecten ‘waterhuishouding’ verwerkt in de gebiedsvisie voor voorliggend plan (zie bijlage 1 bij deze toelichting) en in het ‘Beeldregieplan’, onderdeel uitmakend van de regels van dit bestemmingsplan in bijlage 2. Verder wordt bij de nadere planuitwerking eveneens nog een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierna wordt op de belangrijkste wateraspecten voor het plangebied ingegaan. Vast staat echter dat er sprake zal zijn van voldoende compenserend oppervlaktewater (open water) en een sluitende waterbalans. Ter borging van een correcte en adequate uitvoering van het nog op te stellen waterhuishoudkundige plan, is in de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hierbinnen is geregeld dat tot een met de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen strijdig gebruik in elk geval gerekend wordt het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en in instandhouding van voldoende waterbergingscapaciteit. Deze waterbergingscapaciteit dient te zijn afgestemd met het Waterschap in de vorm van een waterhuishoudkundig rapport en dient van het Waterschap een positief wateradvies te hebben gekregen. Toetsingskader Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer wordt gevoerd door Waterschap Hollandse Delta. Het waterschap beheert de waterkeringen en in het Zuid-Hollandse deel van haar beheergebied, de wegen, niet zijnde rijks- of provinciale wegen buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Hoeksche Waard. In afbeelding 6.1 en 6.2 is zowel een uitsnede van de legger van het waterschap opgenomen, alsmede een weergave van de aspecten ‘water’, ‘groen’ als ‘ondergrond’ in het plangebied. In het kader van de watertoets wordt deze waterparagraaf ook nog overlegd met het waterschap, waarna de opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Afbeelding 6.1:

Uitsnede Legger Waterschap (Bron: Waterschap Hollandse Delta)

Waterhuishoudkundige situatie De hoofdplanstructuur van het plangebied heeft zowel een natuurlijke- en ook een ecologische waarde. Daarnaast is het inrichten van de hoofdplanstructuur gericht op het vergroten van de belevings-en gebruikswaarde. De groene hoofdstructuur wordt een belangrijk element in het plangebied. Hier komen

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

65

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” groene plekken waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en kunnen recreëren. Er is de mogelijkheid om te recreëren, zoals fietsen, spelen, wandelen etc. De groene gebieden in het plangebied sluiten op elkaar aan en staan dus allemaal met elkaar in verbinding. Er komt tevens een park op de oude spoordijk. Groen heeft naast haar recreatieve en esthetische functie ook een rol in duurzaamheid. Hoe meer groen in de wijk, hoe beter regenwater in de grond opgenomen kan worden en hoe minder water er afgevoerd hoeft te worden via het riool. Het verhard oppervlak wordt daarom zoveel mogelijk gereduceerd en door groen ingevuld. Dit kan bereikt worden door het aanleggen, behouden en verbeteren van groengebieden. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan het gebruik van inheemse plantensoorten, zeker voor het inrichten van de natuurlijke biotopen is dit belangrijk. Het Waterschap heeft specifiek beleid voor het realiseren van groen nabij watergangen, waterkeringen en wegen in beheer van het waterschap. Dit is van belang mee te nemen in de nadere planvormingen. Daarbij is een watervergunning en/of wegenvergunning wellicht noodzakelijk. Daarnaast worden speelplaatsen en pleinen zo groen mogelijk aangelegd. Het verharde oppervlak kan ook gereduceerd worden door parkeerplaatsen en verkeersruimten in te richten met groen.

Het groen dat toegepast kan worden zijn: houtwallen, knotbomen, straatbomen en laanbomen. Daarnaast kunnen er heesters, haagbiotopen, natuurlijke hagen, bodembedekkers en grasvelden worden toegepast. Bij oevers kan er nagedacht worden over natte biotopen en groene oevers. Bij het toevoegen van groen is het belangrijk dat er ook wordt gekeken naar de omgeving. het is belangrijk om biotopen aan te sluiten op het buitengebied en de groenblauwe netwerken.

Afbeelding 6.2:

Weergave bestaand ‘water’, ‘groen’ en de ‘ondergrond’ in Stougjeswijk (Bron: Gebiedsvisie Stougjeswijk)

Waterstructuur Door de nieuwe waterstructuur aan te sluiten op de bestaande watergangen ontstaan er nieuwe waterverbindingen in het gebied. Dit zorgt niet alleen voor een sterkere beleving van het water in de wijk, maar zorgt ook voor een duurzame omgeving. Omdat er meer wateroppervlak is, kan bij hevige regenval het hemelwater in oppervlaktewater gebufferd worden. Het deel van het water dat niet gebufferd wordt, of kan infiltreren in de grond, wordt afgevoerd naar het riool. Dit kan door het toepassen van molgoten in de verkeersruimten. Afvoeren kan ook door greppels en open waterlopen toe te passen, zo valt het af te voeren water meer op en wordt het opgemerkt door de inwoners. Het is niet de bedoeling dat hemelwater wordt afgevoerd naar het riool.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

66

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Hier moet er rekening gehouden worden met de verschillende peilgebieden. Het te bebouwen gebied heeft een zomer- en winterpeil, het is van oorsprong een agrarisch gebied. Bij het realiseren van een woongebied, moet er een vast peil (NAP – 1,60) worden aangehouden in plaats van een zomer- en winterpeil. Omdat er een aantal waterpartijen in het gebied worden aangelegd, kunnen de oevers een nuttige rol spelen in het infiltreren van water als deze gevarieerd beplant worden. Daarnaast kan er gevarieerd worden met het talud, door waterpartijen te verdiepen of het maaiveld te verhogen. Het toepassen van natuurlijke oevers bevorderd de gradiënten en daarmee de biodiversiteit. In deze fase is een globale watertoets (zie paragraaf 6.2.2) uitgevoerd. Hierin is in beschouwing genomen dat er (kassen-)bebouwing en verharding verdwijnt, en dat er nieuwe bebouwing en verharding in de plaats komt. Tevens is in beschouwing genomen dat er watergangen gehandhaafd blijven, maar ook dat watergangen kunnen verdwijnen en dat er nieuw water wordt toegevoegd, zie hierna een visuele weergave van vorenstaande in afbeelding 6.3. Opgemerkt wordt dat dempingen geheel worden gecompenseerd.

Afbeelding 6.3:

Weergave waterstructuur in Stougjeswijk (Bron: Gebiedsvisie Stougjeswijk)

Bruggen en duikers In het plangebied worden bruggen en duikers toegepast. Over de kreek en bij de hoofdwatergangen komen bruggen. Voor alle bruggen worden dezelfde vormgevingsprincipes toegepast. Daarmee ontstaat er een eenheid in beeld. De bruggen dienen een zodanige maatvoering te hebben, dat ze ondervaarbaar zijn. Bij de aanleg van bruggen wordt tevens rekening gehouden met de passeerbaarheid voor fauna. Alle kruisingen met overige watergangen krijgen duikers. Om eenheid, identiteit en herkenbaarheid te geven aan de hoofdplanstructuur wordt voorgesteld om de vormgeving van bruggen, duikers en andere elementen (o.a. hekwerken en taludtrappen) te laten inspireren door het Hoekschewaardse landschap. Door eenheid in vormgeving, kleur en materiaalgebruik wordt de herkenbaarheid versterkt. Bruggen krijgen een eigentijds ontwerp, geïnspireerd op de cultuurhistorische elementen van de Hoeksche Waard. Belangrijke kenmerken van bruggen en overige elementen zijn soberheid, terughoudendheid en utilitaire bouw. Hittestress Het uitgangspunt van zowel de gemeente als betrokken ontwikkelaars bij het realiseren van voorliggend plan is een zogenaamde ‘koele wijk’. Het ontwerp voor Stougjeswijk is daarom zo opgezet en uitgewerkt dat hittestress zoveel mogelijk voorkomen wordt. Allereerst hebben de woonbuurten een ontsluitingsstructuur die er op gericht is om zo weinig mogelijk te verharden.

De wijken zijn zo groen mogelijk ingetekend. Het grote aantal bomen in de wijk biedt daarbij schaduw. Watersysteemkwaliteit en ecologie

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

67

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is gekozen voor duurzame, niet-uitloogbare materialen , zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. 2. 3. 4.

hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Voor het graven van water, maken natuurvriendelijke oevers en plaatsen van stuwen en de dimensionering ervan zijn de eisen van het waterschap van toepassing. De werken zijn meldingsplichtig of vergunningsplichtig. Ook zal te zijner tijd met het waterschap moeten worden afgestemd hoe en op welke manier er sprake zal zijn van een goede onderhoudssituatie. Kunstwerken zoals bruggen of duikers zullen moeten voldoen aan het beleid van het waterschap. De werken zijn meldingsplichtig of vergunningsplichtig. Te zijner tijd zal ook met het waterschap worden afgestemd hoe en op welke manier het planvoornemen voldoet aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De ontwikkeling in het plangebied heeft geen directe negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Het aspect ‘water’ leidt op voorhand niet tot mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen, onder meer vanwege het feit dat het plangebied van voldoende omvang is om hemelwater te kunnen opvangen.

Dit zal gedurende de nadere planuitwerkingen in een waterhuishoudkundig plan worden uitgewerkt en aangetoond en is ook geborgd in de regels van dit bestemmingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

68

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

HOOFDSTUK 7

7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

69

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; • Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouw- of gebruiksmogelijkheden; In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 12) Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven en is een Wetgevingszone – woningbouwprogrammering opgenomen (zie hiervoor hoofdstuk 3 en 4 van deze toelichting waarom deze is opgenomen). Tenslotte is hier een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg van voldoende waterberging opgenomen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 14) In dit artikel wordt het strijdig gebruik beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 15) In dit artikel worden regels gesteld aan de gronden welke tot het NNN behoren. De gronden ter plaatse van aanduiding vrijwaringszone - ehs zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van landschappelijke en ecologische waarden.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 16) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 17) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven ten aanzien overschrijdingen bestemmingsgrenzen.

•

Overige regels (Artikel 18) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de werking van wettelijke regelingen opgenomen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

70

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Opgemerkt wordt dat qua aard en omvang van de regels en de systematieken is aangesloten bij de bestemmingsplannen voor de woonwijken ‘Poortwijk diverse fases’, andere recente bestemmingsplannen in de gemeente Hoeksche Waard alsmede bestemmingsplannen voor soortgelijke ontwikkelingen elders in het land welke zijn gemaakt door BJZ.nu. ‘Gemengd’ (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de nieuwe deelgebieden welke bestemd zijn voor zowel de reguliere woondoeleinden alsook voor de commerciële- en/of maatschappelijke functies. Deze gronden zijn bestemd voor gemengde functies, wonen, en overige voorzieningen. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen, verkeersontsluitingen en parkeervoorzieningen toegestaan.

Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in regels voor zowel gemengde- als woonfuncties: • • •

Hoofdgebouwen (zowel woongebouwen als andersoortige gebouwen); Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

‘Groen’ (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van groenstroken en groengebieden. Binnen deze bestemming zijn ondermeer groen- water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. ‘Maatschappelijk’ (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het deelgebied welke bestemd is voor maatschappelijke doeleinden, zoals een onderwijsinstelling en bijbehorende functies. Deze gronden zijn bestemd voor voorgenoemde functies, tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen, verkeersontsluitingen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: • •

Hoofdgebouwen; en; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

‘Verkeer’ (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de hoofdinfrastructuur, voor de realisatie en neerleggen van het R-Net, en voor de ontsluitingen van het plangebied op omliggende infrastructuur. Het gaat om de wegen die voor doorgaand verkeer geschikt zijn. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. De wegen door het plangebied heen zijn mogelijk binnen de wonen- of gemengde bestemming, de hoofdinfrastructuur die het plangebied doorkruist is voorzien van de gebiedsaanduiding ’overige zone - zoekgebied infrastructuur openbaar vervoer’. ‘Water’ (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de te behouden en de te realiseren watergangen. Deze gronden zijn bedoeld voor water en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers en bruggen. Eveneens zijn deze gronden bedoeld voor kruisingen en overbruggingen ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende bouwpercelen en verkeer. Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en ook aanlegsteigers en bruggen worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Wonen’ (Artikel 8)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

71

Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de nieuwe deelgebieden welke bestemd zijn voor reguliere woondoeleinden. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, waaronder begrepen aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of internetverkoop aan huis. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen, verkeersontsluitingen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: • • •

Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

‘Archeologie 3, 4 en 5’ (Artikel 9, 10 en 11) De voor deze bestemmingen aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

72

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een bestemmingsplan (of omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan) een exploitatieplan moet laten vaststellen indien het kostenverhaal niet anderszins verzekerd is. Op het moment van het vaststellen van dit bestemmingsplan is het kostenverhaal voor voorgenomen ontwikkelingen nog niet anderszins verzekerd en ontstaat de noodzaak om een exploitatieplan vast te laten stellen. Daarnaast zijn er bepaalde locatie-eisen in het exploitatieplan gesteld door middel van het opnemen van regels, welke een meer gedetailleerde sturing geven aan de invulling van het plangebied in vergelijking met het bestemmingsplan. Dit exploitatieplan kan niet los worden gezien van het bestemmingsplan en wordt tegelijkertijd in procedure gebracht.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

73

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Rijk

VOOROVERLEG

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze bestemmingsplanprocedure geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Zuid-Holland

Het plan is in het kader van vooroverleg reeds diverse malen aan de provincie Zuid-Holland voorgelegd. Daarbij is de provincie reeds betrokken in het kader van de woningbouwprognoses, zie hiervoor ook hoofdstuk 3 en 4 van deze toelichting. Desondanks zal dit bestemmingsplan in het kader vooroverleg via de reguliere kanalen met de provincie worden gedeeld. 9.1.3

Waterschap Hollandse Delta

De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een ‘normale procedure’. Het plan wordt aan Waterschap Hollandse Delta voorgelegd voor verdere beoordeling en bespreking.

9.2

Inspraak

Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen, de gevoerde participatiemomenten (zie hierna) in de periode juni tot en met oktober 2023, en de aanloop van het planvoornemen is een voorontwerpbestemmingsplan achterwege gelaten. Er is ervoor gekozen om direct met een ontwerpbestemmingsplan (formele procedure) in procedure te gaan, zodat mogelijke zienswijzen via de formele weg kunnen worden behandeld en beantwoord of afgewogen worden in de nadere planuitwerkingen. Op basis van de verkregen reacties en input gedurende de participatiemomenten is een uitgebreid participatieverslag opgesteld, zie hiervoor bijlage 16. Het gaat te ver om op deze plek de resultaten van de gevoerde participatie kort te behandelen, verwezen wordt dan ook naar de bijlage zelf.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage liggen. Gedurende deze periode kunnen er zienswijzen worden ingediend.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

74

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

75

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 1

Gebiedsvisie Stougjeswijk

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

76

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 2

Onderzoek verkeer en parkeren

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

77

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

78

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

79

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 5

Infiltratie bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

80

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 6

Partijkeuring bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

81

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 7

Externe veiligheidsonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

82

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 8

Aerius-berekening

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

83

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 9

Quickscan flora en fauna

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

84

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 10

Vleermuizen onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

85

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 11

Archeologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

86

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 12

Programma van Eisen nader archeologisch vervolgonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

87

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 13

Programma van Eisen (Proefsleuvenonderzoek)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

88

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 14

M.e.r.-beoordeling

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

89

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 15

Watertoets normale procedure

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

90

Bestemmingsplan “Stougjeswijk”

Bijlage 16

Participatieverslag

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

91

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16078411/5