Bijlage 4 Ontwerp Bestemmingsplan Stougjeswijk december 2023
Tekst van het document
4.4.2.3 Regionale woonvisie Hoeksche Waard In de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 is gekeken naar de vitaliteit van de regio, waarbij de toekomstige woningvoorraad kan worden ingezet als tool om onder meer krimp en vergrijzing tegen te gaan. De komende jaren is er sprake van een toenemende vergrijzing van de bevolking. Op middellange termijn betekent dit dat het aantal huishoudens eerst nog toeneemt als gevolg van de gezinsverdunning die gepaard gaat met de vergrijzing. De vergrijzing is aanleiding voor de gemeente om ervoor te zorgen dat meer 55+-inwoners van in een levensloopbestendige woning wonen en dat zij tijdig de maatregelen nemen die nodig zijn om langer zelfstandig te kunnen wonen. Ook aan nieuwbouw worden eisen gesteld: die moeten geschikt zijn voor het oudere deel van de bevolking of eenvoudig geschikt te maken zijn. Aanpasbaar bouwen wordt het credo. Het certificaat Woonkeur is hierbij behulpzaam om te bepalen aan welke eisen de woning moet voldoen. Om toekomstige krimp tegen te gaan en het draagvlak voor voorzieningen te bewaken, is instroom van jonge huishoudens noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Om te kunnen voorzien in deze volkshuisvestelijke opgave moeten tot 2025 nog circa 3.000 woningen gebouwd worden, verdeeld over de verschillende dorpen van de gemeente. Naast de hoeveelheid woningen is ook de kwaliteit van de woningvoorraad en de aantrekkelijkheid van het woonmilieu van invloed op de vitaliteit van de Hoeksche Waard. Een toekomstbestendige woningvoorraad is bij voorkeur energieneutraal, geschikt voor jonge èn oudere bewoners, bereikbaar per auto en OV, en van een hoge ruimtelijke kwaliteit. 4.4.2.4 Toetsing aan de Woningmarktanalyse Gemeente Hoeksche Waard De planlocatie Stougjeswijk in Oud-Beijerland levert een forse bijdrage aan het voorzien in de vraag naar passende woningen in Oud-Beijerland voor alle doelgroepen, zowel starters, doorstromers en senioren. Met de ontwikkeling van Stougjesdijk wordt aan de oostelijke rand van Oud-Beijerland voorzien in een actuele woonbehoefte die aansluit op de regionale woonvisie. Door deze uitbreiding van Oud-Beijerland wordt de afzetmarkt voor bestaande voorzieningen groter, waarmee wordt bijgedragen aan de vitaliteit van het dorp. Het plan maakt daarbij concreet onderdeel uit van de regionale woningbouwafspraken en het regionaal woningbouwprogramma, zoals door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zijn aanvaard.
De ontwikkeling voorziet in zowel een behoefte aan maatschappelijke-/commerciële functies als een grote behoefte aan diverse soorten woningen. 4.4.3
Detailhandelsvisie Hoeksche Waard
4.4.3.1 Algemeen De Hoeksche Waard is een eiland in de Zuid-Hollandse delta, met een uniek polderlandschap en pittoreske dorpen. Om die dorpen vitaal te houden hecht de gemeente veel waarde aan het in stand houden en waar mogelijk versterken van de detailhandel. Dit is ook een ambitie in de overkoepelende Omgevingsvisie van Hoeksche Waard. Het doel van de detailhandelsvisie is de juiste winkel op de juiste plek, voor behoud van de leefbaarheid en een vitale centra. De gemeente zet in op attractieve centra, door diverse ingrepen t.b.v. openbare ruimte, aankleding en samenwerking. De algemene verwachting is dat het recreatief winkelaanbod gemeentebreed zal krimpen. Nieuwe initiatieven kunnen zich binnen de centra vestigen. Wel is er, onder voorwaarden, ruimte voor bijzondere concepten en lokaal maatwerk. In de randgebieden kan bij structurele leegstand worden ingezet op transformatie naar andere functies. 4.4.3.2 Toetsing Het plangebied Stougjeswijk met haar diverse deelgebieden (en zowel gemengde- als woonbestemmingen) betreft hoofdzakelijk een woningbouwlocatie met gezamenlijk circa 2.485 woningen.
Tevens wordt er circa 2.000 m² BVO aan commerciële voorzieningen (kantoren, winkels of bedrijfsruimtes zoals een supermarkt) én circa 10.000 m² BVO aan maatschappelijke (wijkgebouwen, cultuurhuizen, buurttuinen, JOP’s, basisschool, kinderopvang, opvanglocaties, dagbesteding, wijk- en ambulante zorg, gezondheidscentrum (zoals huisarts, apotheek, verloskundige, consultatiebureau) gerealiseerd. Deze commerciële en maatschappelijke functies staan geheel ten dienste van de nieuwe woonwijk, en zijn gezien de aard en omvang gebruikelijk voor deze omvang van het aantal woningen in het plangebied. Daarmee sluit het plan aan op de uitgangspunten zoals beschreven in de detailhandelsvisie. 4.4.4
Duurzaamheid
4.4.4.1 Algemeen De Hoeksche Waard heeft in 2016 een regionale Energievisie opgesteld met als ambitie om in 2040 een energie neutrale regio te zijn. Dat wil zeggen dat in 2040 de energie die in de Hoeksche Waard wordt verbruikt ook lokaal duurzaam wordt opgewekt. Het uitvoeringsprogramma richt zich onder andere op energiebesparing in de bebouwde omgeving, het opwekken van duurzame energie en op duurzame mobiliteit. In het verlengde hiervan is in de nieuwe Regionale Woonvisie ook veel aandacht aan kwaliteit op het gebied van duurzaam wonen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
38
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. Met ingang van deze Regionale Woonvisie worden nieuwe woningbouwplannen uitsluitend nog uitgewerkt tot gasloze, energie neutrale projecten. Dit vraagt om maatwerk en flexibiliteit in de ontwerpfase. Vanuit de Energievisie worden in samenwerking met Stroomversnelling criteria uitgewerkt die kaderstellend worden voor alle nieuwe projecten. Regionaal wordt expertise georganiseerd die projectleiders op dit thema ondersteunt in de samenwerking en onderhandeling met de ontwikkelende partij. 4.4.4.2 Klimaatadaptie en biodiversiteit Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress.
Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland. Biodiversiteit daarentegen heeft een dempende werking op invloeden die een gebied onder druk zetten, zoals plagen, vervuiling en klimaatverandering. Een gemengd bos gaat bijvoorbeeld niet zo snel plat tijdens een storm, in tegenstelling tot een dennenplantage. Een soortenrijk wetland kan afvalwater zuiveren. In een biodiverse kustzee zullen niet zo snel kwallenplagen optreden. En een gemengd grasland met een gezonde bodem houdt regenwater vast, als buffer tegen langdurige droogte. Kansen voor het planvoornemen In de verdere planuitwerkingen zal nader worden uitgewerkt hoe kan worden omgegaan met het beperken en voorkomen van wateroverlast en overstromingen, ondermeer door het aanleggen van voldoende wadi’s, waterbuffering en groen.
Overlast zal zo veel als mogelijk voorkomen worden en in geval van extremer situaties worden beperkt, via maatregelen of voorzieningen, dan wel middels maatregelen die gericht zijn op het opvangen en zoveel mogelijk afwentelen van deze risico’s. De plannen zullen bij de nadere uitwerkingen worden afgestemd en in lijn worden gebracht met artikel 6.27a van de Omgevingsverordening. Een bestemmingsplan als deze dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, heeft daarbij eveneens kansen voor het bevorderen van de biologische diversiteit (voortvloeiend uit artikel 6.10h). In de nadere planuitwerkingen zal expliciet invulling worden gegeven aan het bevorderen van de biodiversiteit. Hittestress zal eveneens zoveel als mogelijk is worden voorkomen, dit is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Door het plangebied zodanig in te richten dat ‘teveel’ verhard oppervlak wordt voorkomen en een en ander groen wordt ingericht, wordt actief dit aspect betrokken bij de planvormingen. Daarbij zal in plan ook gekeken worden naar de biodiversiteit in de water- en groenstructuren en ook naar de verbinding met het omringende gebied.
Groen zal daarbij worden ingevuld voor recreatieve doeleinden of ontmoetingsdoeleinden ten behoeve van de woonwijk, maar zal ook groenzones kennen (nabij de waterbestemming) waar ecologie primair in beeld is en de mens zoveel als mogelijk geweerd wordt. Omdat het consortium van marktpartijen biodiversiteit wil beschermen, zal zij dat in de uitwerkingsfase met verschillende partijen in de samenleving dat samen aanpakken, met als vertrekpunt: wat zijn de karakteristieke ecologische waarden van het huidige en omringende gebied en hoe kunnen deze worden versterkt en worden aangelegd in het plan. Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water erf niet naar binnen loopt.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
39
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 4.4.4.3 Toetsing planinitiatief aan het aspect ‘Duurzaamheid’ De ontwikkelende partijen zijn overeengekomen dat de woningen/gebouwen voor commerciële- en maatschappelijke functies in het plangebied gasloos en bijna energie-neutraal worden gebouwd overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Dit betekent dat de woningen/gebouwen een neutraal 'gebouw gebonden' energiegebruik hebben. Bovenop wat er gedaan wordt voor BENG wordt er ingezet op betere isolatie onder andere van glas en dak en daarnaast wordt ook verkend of het mogelijk is dat het aantal zonnepanelen uitgebreid tot het maximaal mogelijke op de daken. Daarnaast wordt er ook op de andere thema's binnen duurzaamheid de nodige maatregelen uitgevoerd op het gebied van biodiversiteit, klimaatadaptatie en circulair bouwen zoals genoemd in de stedenbouwkundige gebiedsvisie zoals is opgenomen in bijlage 1. De ontwikkeling gaat gepaard met respect voor natuur, landschap en cultuurhistorie, het uitgangspunt is dan ook ‘dorpswonen’. Hierbij worden de wijken, de infrastructuur en het water zorgvuldig ingepast. Tevens worden er geluidswerende voorzieningen aangelegd, maar wel zodanig vormgegeven dat dit landschappelijk en stedenbouwkundig ook aanvaardbaar is.
Het plangebied wordt zodanig toekomstbestendig en klimaatadaptief ingericht, dat de verhardingstoename volledig wordt gecompenseerd middels de aanleg van oppervlaktewater en ecologische verbindingen. Tenslotte wordt er, wat eveneens duurzaam is, waar mogelijk levensloopbestendig/ toekomstbestendig gebouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
40
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage. Alsook spoortrillingen en niet-gesprongen explosieven (NGE).
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gesitueerd is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.
De zone is gelegen aan weerszijden van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- of fietspaden en vluchtstroken worden niet tot de weg gerekend en vallen binnen de zone. De zone langs een weg omvat het gebied waarbinnen extra aandacht moet worden geschonken aan het geluid afkomstig van de betrokken weg. Binnen een zone moet worden gestreefd naar een akoestisch optimale situatie. Dit betekent dat er bij nieuwe ontwikkelingen, zoals het opstellen van bestemmingsplannen, het verlenen van (individuele) bouwvergunningen en het aanleggen van infrastructurele werken, het akoestische aspect van de plannen direct in kaart moet worden gebracht. Zodoende kan in een vroeg stadium worden onderkend of plannen doorgang kunnen vinden danwel of maatregelen nodig zijn om een akoestisch gunstig klimaat te creëren.
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor : •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
41
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” •
wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
30 km uur wegen Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De toetsing moet worden uitgevoerd in verband met een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het geluidbeleid geeft dat ook aan. Deze belangenafweging moet worden gemaakt bij het wijzigen van een bestemmingsplan. De geluidbelasting wordt aan het geluidbeleid getoetst als een weg met een geluidszone.
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied wordt omringd door diverse wegen, zoals de Stougjesdijk, de Provinciale weg N217 en straks ook de nieuwe ontsluitingswegen en de mobiliteitsfuncties (R-net) in het plangebied zelf. Het plangebied ligt daarmee binnen de wettelijke geluidszone van deze wegen, hetgeen als gevolg heeft dat een akoestisch onderzoek daarmee noodzakelijk is. Er is reeds een verkennend akoestisch onderzoek voor het plangebied uitgevoerd, door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Hieruit is gebleken dat het plangebied zowel in het contourgebied 0-50 dB (westelijke deel), de 50-57 dB contour (gros van plangebied, middelste gedeelte) en deels in de zones 57-65 dB (oostelijke deel) ligt. Dit onderzoek diende echter nader uitgewerkt te worden. Daartoe is door BJZ.nu in samenwerking met Munsterhuis Geluidsadvies een wegverkeerslawaai-onderzoek uitgevoerd (opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting), gebaseerd op het geluidsbeleid van de gemeente Hoeksche Waard en op uitgevoerde verkeerskundige tellingen door Roeloefs en rekening houdend met het stedenbouwkundige plan. Dit om zo inzicht te geven in de geluidbelasting op het plangebied vanwege de omliggende en de binnen het plangebied te realiseren wegen. Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken. •
Op basis van de geluidcontouren, ten gevolge van de Stougjesdijk, de Provinciale Rondweg N217 en het wegvak N217 vanaf Stougjesdijk, kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting op de eerstelijns-bebouwing niet gaat voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB;
•
De hoogste geluidbelasting is afkomstig van de Rondweg N217, rondom het plangebied. Voor deze weg zijn geluidwallen gesitueerd om de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied te reduceren;
•
Ter plaatse van de geluidswallen voldoet de geluidsbelasting achter de geluidswallen aan de maximale waarde van 63 dB. Voor woningen die geen akoestische afscherming kennen van de geluidwal (ten noorden van het plangebied) geldt dat deze ook voldoen aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB indien de afstanden, zoals opgenomen in tabel 5, worden aangehouden (mede afhankelijk van de positionering). In dat geval zijn geen dove gevels nodig;
•
Ter plaatse van de eerstelijnsbebouwing is sprake van een hogere gecumuleerde geluidsbelasting dan 53 dB. Voor deze woningen zijn geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Dit moet in een gevelweringsonderzoek worden aangetoond. Het is op dit moment nog niet bekend wat de exacte situering van het plangebied wordt. Derhalve zijn exacte berekeningen niet mogelijk.
•
Tenslotte dient bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de aanvraag omgevingsvergunningsfase te worden aangetoond dat aan de Wet geluidhinder en het geluidbeleid goede ruimtelijke ordening voldaan wordt.
5.1.2.2 Industrielawaai en railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen als bedoeld in de Wgh aanwezig. Industrielawaai wordt derhalve buiten beschouwing gelaten. De invloed van individuele bedrijven/instellingen op het plangebied wordt beschreven in paragraaf 4.2.6 (milieuzonering). Tevens valt ligt het plangebied niet in de nabijheid van een spoorweg. Het aspect railverkeerslawaai vormt daarom geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
42
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 5.1.3
Conclusie
De gewenste ontwikkeling is in beginsel in overeenstemming met de Wet geluidshinder. Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, moet in de omgevingsvergunningsaanvraag voor bouwen worden aangetoond dat aan de Wet geluidhinder en het geluidbeleid goede ruimtelijke ordening voldaan wordt.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek te worden verricht. Ortageo heeft in het plangebied daarom een verkennend bodemonderzoek, een infiltratieonderzoek, een geotechnisch onderzoek (niet relevant voor het bestemmingsplan) en een partijkeuring verricht. Deze bodemonderzoeken zijn bijgevoegd in bijlage 4,5 en 6. Hierna wordt nader ingegaan op de conclusies uit deze onderzoeken. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek Uit het uitgevoerde bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Omdat op meerdere plaatsen binnen het onderzoeksgebied de interventiewaarde wordt overschreden, is op basis van de Wet bodembescherming bij een historische verontreiniging (ontstaan voor 1987) een nader onderzoek nodig om de omvang en risico's van de verontreiniging vast te stellen. Dit onderzoek zal bij de nadere planuitwerkingen worden uitgevoerd, voor nu is de bodemkwaliteit voldoende in beeld. Er zal dan ook bepaald worden welke delen gesaneerd gaan worden. 5.2.2.2 Infiltratieonderzoek Uit het onderzoek blijkt het volgende: • •
• •
de bovengrond van de locatie bestaat uit klei, hieronder is sprake van een zeer heterogene bodemopbouw, met veelal eerst een laag fijn zand, met daaronder klei, veen of zand; de grondwaterstand op de locatie varieert door het verloop van het maaiveld. Over het algemeen is bij het uitvoeren van de boringen het grondwater op een diepte van circa 1,0 à 1,5 m -mv aangetroffen. In de peilbuizen zijn meer representatief geachte stijghoogtes van veelal 0,8 m -mv gemeten; de zwak zandige kleiige bovengrond is slecht doorlatend. De daaronder gelegen fijne zandlaag is over het algemeen matig doorlatend; Onder de grondwaterstand is matig tot slecht doorlatend veen, klei en fijn zand aanwezig. Plaatselijk is het aanwezige fijne zand beter doorlatend, of zorgt een gelaagdheid in de bodemopbouw voor een matige doorlatendheid. Vanwege de heterogeniteit en verdichtingsgevoelige aard vormt dit echter geen goede basis voor infiltratie.
De matig tot slecht doorlatende bodem met hoge (schijn)grondwaterstanden binnen het plangebied is zeer beperkt geschikt voor het bergen en infiltreren van hemelwater. 5.2.2.3 Partijkeuring Naast de parameters van het standaardpakket is de partij aanvullend onderzocht op PFAS en organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Bij de uitvoering van de partijkeuring is visueel geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
43
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Landbodem Op basis van het generieke beleid zoals vastgelegd in het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit wordt de partij kleigrond (485 m3 / 752 ton) ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Niet toepasbaar. Waterbodem Bij toepassing als waterbodem wordt de partij ingedeeld in klasse Niet toepasbaar. Tot besluit Het uitgevoerde onderzoek heeft betrekking op de grond zoals deze tijdens de bemonstering in het terrein aanwezig was. Voor de geldigheid van de onderzoeksresultaten is het evident dat de partij te identificeren blijft en geen vermenging met materiaal van andere partijen plaatsvind. 5.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt op voorhand geen belemmering voor de gewenste ontwikkelingen. Nadere onderzoeken zullen aantonen welke gronden geschikt zijn voor hergebruik en welke gronden gesaneerd dienen te worden.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
44
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is een analyse naar de luchtkwaliteit in- en rondom het plangebied uitgevoerd. De lokale luchtkwaliteit verandert door de toename van het verkeer vanwege de verkeersgeneratie van het plangebied. Uit de verkeerskundige beoordeling volgt een verkeersgeneratie van bijna 13.000 voertuigbewegingen per weekdag, na gereed komen van de gehele woon- en werkwijk. Benoemd dient te worden dat deze wijk de komende jaren gefaseerd zal worden gerealiseerd (zie ook de beschreven fasering in het stikstofonderzoek, als bijlage 8 bij deze toelichting). Middels de NIBM-tool is de te verwachten (worst-case) bijdrage bepaald aan de lokale luchtverontreiniging.
Deze bijdragen van NO2 en PM10 zijn gecumuleerd met de heersende achtergrondconcentraties, die ontleend zijn aan Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, zie onderstaande afbeelding 5.1.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
45
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
Afbeelding 5.1:
Uitsnede kaart Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)
Cumulatie levert het volgende resultaat: 1. 2.
NO2: 8,91 μg/m3 + 18,93 μg/m3 = 27,84 μg/m3 < 40 μg/m3 PM10: 2,11 μg/m3 + 15,78 μg/m3 = 17,89 μg/m3 < 40 μg/m3
In de NIBM tool berekening is rekenkundig verondersteld dat de 13.000 voertuigbewegingen reeds allen in 2024 zullen plaatsvinden. Omdat de realisatie en ingebruikname van de ontwikkeling in de praktijk gefaseerd zal plaatsvinden (indicatief tussen 2024 en 2035), vormen de voormelde berekende concentraties luchtverontreinigende stoffen een overschatting van de werkelijk te verwachten concentraties (worst case). Immers emissiekentallen voor motorvoertuigen en achtergrondconcentraties laten een dalende trend zien in de loop der jaren. Evenwel uit de berekeningen volgt dat zelfs bij de gehanteerde worst case benadering, de concentratiegrenswaarden van 40 μg/m3 voor (zeer) fijn stof en NO2 ruimschoots gerespecteerd blijven op die locaties waar de gevolgen voor de luchtkwaliteit vanwege de beoogde ontwikkeling het grootst zijn. Er zijn geen negatieve effecten op de (lokale) luchtkwaliteit. Aannemelijk is dat een meer gedetailleerd rekenkundig onderzoek, op basis van luchtverspreidingsmodellen waarbij ook nog eens rekening gehouden wordt met de daadwerkelijke spreiding (uitwaaiering) van het planverkeer over de diverse ontsluitingswegen, niet zal niet leiden tot een andere conclusie. Opgemerkt wordt dat ook voldaan wordt aan de getalsmatige grenswaarden uit de Regeling NIBM.
De Regeling NIBM geeft categorieën van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. De NIBM grens voor woningbouwlocaties bedraagt ≤ 3000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen. Onderhavig plan omvat slechts 2.485 woningen en kent meerdere ontsluitingswegen waarover het planverkeer zich buiten het plangebied nagenoeg evenredig verspreid in noord, west en zuidelijke richting. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de hiervoor genoemde worst-case benadering, kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 5.3.3
Conclusie
Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
46
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (gele vlak) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
47
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
Afbeelding 5.2:
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Daarom is in voorliggend geval door Aviv een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. De locatie ligt binnen 200 meter afstand van de N217, die onderdeel is van de route gevaarlijke stoffen van de gemeente Hoeksche Waard. In de omgeving van de planlocatie zich ook andere risicobronnen, maar uit een eerste scan (zie het onderzoek in bijlage 7) blijkt dat de effecten van de aldaar aanwezige installaties niet tot over de planlocatie reiken. Inzicht in de externe veiligheidsrisico’s is daarom nodig. In de rapportage worden de resultaten van de risicobeoordeling gepresenteerd, hierna wordt ingegaan op de conclusies. Voor een uitgebreide weergave wordt verwezen naar de rapportage in de bijlage 7. N217 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planlocatie. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde, zowel in de huidige als de toekomstige situatie. Daarom kan de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
48
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. OT-Holding Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Formeel is vanuit het Bevi een verantwoording van het groepsrisico vereist. Echter, gelet op de beperkte toename van het aantal personen door het planvoornemen op grote afstand van de inrichting wordt gesteld dat de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven. Oude Maas De planlocatie ligt op meer dan 200 m van de Oude Maas en daarmee buiten het gebied waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden. Ook ligt de planlocatie buiten het invloedsgebied van het vervoer van giftige gassen per binnenvaartschip. Aangezien ook vervoer van gevaarlijke stoffen in zeeschepen plaatsvindt, is het raadzaam om conform artikel 7 van het Bevt de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in geval van een ongeval met giftige stoffen.
Raadpleging Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Zo kan open water in het gebied goed gebruikt worden als bluswatervoorziening, mits deze watergangen goed onderhouden worden. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Het team Veilig bouwen en gebruiken binnen de VRZHZ wil zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor woningen en de gebouwen voor eventuele verminderd zelfredzame personen zodat de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd mee kunnen worden genomen. 5.4.3
Conclusie
Bij de nadere planuitwerkingen zal de VRZHZ door de initiatiefnemers betrokken worden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan gewenste ontwikkeling.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
49
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: • • • •
stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied bevindt zich aan de oostrand van de kern Oud-Beijerland, op de grens van het bestaande stedelijke gebied naar het buitengebied. Het plangebied is momenteel nog aan te merken als buitengebied, maar gaat in de toekomst tot de bebouwde kom behoren. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “gemengd gebied”, gezien de diverse functies inen rondom het bestaande- en toekomstige plangebied. Daarbij is in delen van de nieuwe woonwijk sprake van verstoring door de aanwezigheid van andere (bestaande) functies en/of vanwege ligging aan ontsluitingswegen voor de eerstelijns bebouwing langs de weg(en). Dat geldt echter niet voor de gehele woonwijk; delen van de wijk zijn eerder te typeren als een rustige woonwijk (dit zijn de woonvelden binnen in het plangebied die zijn voorzien van alleen een woonbestemming).
Andere delen zijn daarbij ‘Gemengd’ bestemd, hierbinnen zijn diverse functies (zoals wonen of gemengde functies) toegestaan, zodat sprake is van een gemengd gebied. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven behorende bij de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
50
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” 5.1 5.2 5.3 6
500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
5.5.3
300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het mogelijk maken van een nieuwe woonwijk, met daarbinnen diverse functies. Waaronder maximaal 2.485 woningen in diverse deelgebieden en in diverse typologieën. Tevens zullen er ook bijzondere, nader te bepalen woonvormen (denk aan bijvoorbeeld een ‘knarrenhof’/woonzorginitiatief) worden gerealiseerd. Tenslotte worden er ook circa 2.000 m² BVO aan commerciële voorzieningen (kantoren, winkels of bedrijfsruimtes zoals een supermarkt) én circa 10.000 m² BVO aan maatschappelijke (wijkgebouwen, cultuurhuizen, buurttuinen, JOP’s, basisschool, kinderopvang, opvanglocaties, dagbesteding, wijk- en ambulante zorg, gezondheidscentrum (zoals huisarts, apotheek, verloskundige, consultatiebureau); deze oppervlakte is inclusief speelplaatsen/buitenruimtes et cetera) toegestaan. Daarom dient rekening te worden gehouden met het aspect ‘milieuzonering’ ten aanzien van hindergevoelige objecten in de directe nabijheid van de nieuwe panden. •
•
Het begrip 'gebied met functiemenging' wordt gebruikt om een gebied aan te duiden waar men te maken heeft met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd of waar men een grote levendigheid tot stand wil brengen. Een gebied met functiemenging wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. De VNG-brochure bevat daarvoor geen richtafstanden, maar kent drie milieucategorieën aan de hand waarvan de toelaatbaarheid van activiteiten wordt beoordeeld. Bedrijven van categorie A zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen. Bedrijven van categorie B zijn toelaatbaar wanneer bouwkundig afgescheiden van woningen en bedrijven van categorie C zijn toelaatbaar indien gesitueerd aan een hoofdweg.
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het is het voornemen (zie hoofdstuk 3) om binnen het plangebied levendigheid voor bewoners en gebruikers te creëren. Bij het toekennen van de op de plankaart van dit voorliggende bestemmingsplan opgenomen bestemmingen is daarom gebruik gemaakt van de 'A,B,C-lijst' van de VNG. Binnen een gebied waar functies met een milieubelastende activiteit van elkaar gescheiden worden, kan gebruik worden gemaakt van de VNG-lijst in bijlage 1 van de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). In deze lijst zijn indicatieve richtafstanden voor woningbouw nabij verschillende typen bedrijven opgenomen. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Binnen deze richtafstanden is hinder ten gevolge van het betreffende bedrijf niet uit te sluiten.
Woningbouw binnen deze richtafstand is inpasbaar, indien aangetoond wordt dat (eventueel na het treffen van maatregelen) voor het betreffende bedrijf een kleinere richtafstand van toepassing is.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
51
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Het plangebied omvat een toekomstige woon- en werkwijk. De woningbouw moet in de regionale behoefte voorzien. Stougjeswijk moet echter ook een buurt zijn waar een passend en onderscheidend woonmilieu wordt gerealiseerd, met een openbare ruimte waar men elkaar kan ontmoeten. Verder zijn er woon- en werkgebieden beoogd met kleinschalige en in een woonwijk passende bedrijvigheid en zijn er in en om het plangebied toegangswegen gelegen (getuige ook de realisatie van de gemengde functies (zoals supermarkten of maatschappelijke voorzieningen) en met parkeervoorzieningen ten behoeve van de omliggende functies. Om deze redenen is het totale plangebied te typeren als 'gebied met functiemenging'. De functie ‘wonen’ wordt beschouwd als een niet milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarom geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. De ‘overige functies’ (zie hoofdstuk 3) die in het plangebied worden toegestaan kunnen worden geschaard onder de 'A,B,C-lijst' van de VNG. Binnen het plangebied kan, waar van toepassing daarom gebruik worden gemaakt van deze VNG-lijst. Deze functies zijn naar aard en omvang goed inpasbaar in een gemengd gebied en vormen daarom naar verwachting geen belemmeringen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden als bewoners zowel binnen als buiten het plangebied.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Er is geïnventariseerd welke bedrijvigheid voorkomt in de (de omgeving) van het plangebied. Alle bedrijven die in de buurt van het gebied voorkomen beschikken over een milieuvergunning op grond van de Wet Milieubeheer of over een melding ingediend op grond van een Algemene Maatregel van Bestuur. Opgemerkt wordt daarnaast dat zowel is bezien of de nieuwe woningen vallen in het omgevingstype “gemengd gebied” of in een “rustige woonwijk” zoals eerder omschreven. Dit gezien de diverse functies in- en rondom het bestaande- en toekomstige plangebied (gemengd gebied). Ook is in de binnenste delen van de nieuwe woonwijk niet zozeer sprake van verstoring door de aanwezigheid van andere (bestaande) functies, en is het daarmee ook wel te typeren als een rustige woonwijk. Ten noorden van het plangebied: •
Natuurgronden en verkeersinfrastructuur.
De aanwezige functies hebben geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Het oosten van het plangebied: •
Agrarische (cultuur)gronden, met op grotere afstanden (minimaal 500 meter) agrarische bedrijfsfuncties of reguliere bedrijven; Verkeersinfrastructuur.
De aanwezige (kleinschalige) bedrijvigheid, de agrarische (cultuur)gronden of de verkeersfuncties hebben geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Het zuiden van het plangebied: •
Verkeersinfrastructuur; Agrarische (cultuur)gronden en recreatieve functies (camping) (maximaal milieucategorie 2, richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied); Horeca in de vorm van een restaurant en partycentrum (maximaal milieucategorie 2, richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied); Woonpercelen; Glastuinbouw en op grotere afstanden reguliere bedrijfsfuncties (maximaal milieucategorie 2, richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied);.
De diverse soorten aanwezige functies hebben (gezien de bijhorende richtafstanden voor categorie 2 voor zowel de functies in de kwalificering ‘gemengd gebied’ als de woningen in de kwalificering
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
52
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” ‘rustige woonwijk’ ruimschoots gehaald worden) geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet. Ten (zuid)westen van het plangebied: •
Verkeersinfrastructuur; Woonfuncties; Detailhandel (meestal milieucategorie 1 maar maximaal milieucategorie 2, maximaal een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied);
De diverse soorten aanwezige functies hebben (gezien de bijhorende richtafstanden voor maximaal categorie 2 voor zowel de functies in de kwalificering ‘gemengd gebied’ als de woningen in de kwalificering ‘rustige woonwijk’ ruimschoots gehaald worden) geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Ten (noord)westen van het plangebied: -
-
•
• •
•
•
Verkeersinfrastructuur; (grootschalig) Bedrijventerrein, met bedrijven van millieucategorie 2 (dichterbij plangebied), milieucategorie 3.2 (op circa 85 meter afstand), milieucategorie 4.1 (op circa 220 meter afstand) en milieucategorie 4.2 (op circa 320 meter afstand). Opgemerkt wordt dat de meest nabijgelegen woonvelden/gronden in het plangebied zijn te scharen in de in de kwalificering ‘gemengd gebied, dit gezien de ligging nabij bestaande functies.
Op basis van de VNG-uitgave zijn er bedrijven toegestaan op dit bedrijventerrein in de milieucategorie vanaf 1 of 2 tot en met een milieucategorie van 4.2 en met een grootste richtafstand van 300 meter normaliter. Omdat de meest nabijgelegen woonvelden/gronden in het plangebied zijn gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 200 meter. Voor 4.1 is deze richtafstand in gemengd gebied 100 meter en voor 3.2 functies 50 meter. De 3.2 functies/ dan wel daar toegestane functies liggen allen op ruim meer dan 50 meter afstand vanaf het plangebied, zeker gezien de tussenliggende groen- en verkeersfuncties. De 4.1 functies/ dan wel daar toegestane functies liggen allen op ruim meer dan 100 meter afstand vanaf het plangebied, zeker gezien de tussenliggende ‘bedrijf 3.2-functies’ of de groen- en verkeersfuncties. De 4.2 functies/ dan wel daar toegestane functies liggen allen op ruim meer dan 200 meter afstand vanaf het plangebied, zeker gezien de tussenliggende ‘bedrijf 3.2 of 4.1-functies’ of de groen- en verkeersfuncties. De diverse soorten omliggende bedrijven ten noordwesten van het plangebied hebben (gezien de bijhorende richtafstanden voor categorieën, welke één stap mogen worden verlaagd in ‘gemengd gebied’) geen invloed op het plangebied en andersom belemmert het plangebied deze functies niet.
Gezien de afstand van de hiervoor genoemde functies tot de woningen in het plangebied is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd levert dit bestemmingsplan geen beperking op voor de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven aangezien de woonpercelen op voldoende afstand zijn gelegen. Vanwege de aanwezigheid van nabijgelegen bedrijven en een bedrijfsterrein moet deze paragraaf zorgvuldig worden opgebouwd. Dit om aan te tonen dat er bij de nieuwe woningen sprake kan zijn van een goed woonen leefklimaat en dat door de nieuwe woningen de omliggende bedrijven niet extra in hun (toekomstige) bedrijfsvoering worden beperkt. 5.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
53
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.2
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3
Situatie plangebied
Er bevinden zich in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen geur producerende (vee)inrichtingen. Het aspect geur behoeft daarmee geen nadere toetsing. De nieuwe woonpercelen liggen hiermee op voldoende afstand tot veehouderijen. Ter plaatse is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden grondgebonden agrarische bedrijven door de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.5
Conclusie
De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
54
Bestemmingsplan “Stougjeswijk”
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied bevindt zich op circa 12,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk ‘Krammer-Volkerak’. Ten behoeve van het voornemen zijn, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het project, in november 2023 AERIUS-berekeningen uitgevoerd, deze zijn opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Hierna worden de uitgangspunten voor deze berekeningen en de resultaten toegelicht. Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de tijdelijke aanlegfase blijkt dat tijdens de bouwwerkzaamheden van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het gaat om de jaren 2026 t/m 2034 (zie bijlagen 1 t/m 12 van de berekening).
Echter blijkt, zoals eerder vermeld, dat als gevolg van de aanwezige N-emissie in de referentiesituatie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie (zie bijlage 14 van de berekening). De depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j, waardoor geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de verschilberekeningen wordt verwezen naar bijlagen 14 t/m 12 van de berekening. Hierin zijn de rekenresultaten weergegeven. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 13 van de berekening). Echter blijkt, zoals eerder vermeld, dat als gevolg van de aanwezige N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie (zie bijlage 13 van de berekening). Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen.
Wanneer de depositie als gevolg van de gebruiksfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie, waardoor geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de verschilberekening wordt verwezen naar bijlage 23 van de Aerius-berekening. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor de aanlegfase en gebruiksfase per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
55
Bestemmingsplan “Stougjeswijk” Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland (Voorheen EHS) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Met uitzondering van de vaart langs de Papeweg, behoort het plangebied niet tot Natuurnetwerk Nederland. De vaart en een strook van 15 meter aan weerszijde van de vaart behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5.3:
Weergave NNN zonering (Bron: Quickscan Natuurbank Overijssel)
Door het plangebied loopt een kreek (langs de Papeweg). De kreek is in het provinciaal Omgevingsbeleid aangeduid als NNN (categorie 1 beschermingsgebied). Dit betekent dat alleen inpassen is toegestaan en er geen bestemmingen worden aangewezen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Gezien het feit dat deze NNN-strook in voorliggend planvoornemen gerespecteerd wordt (de bestaande natuur en water worden gehandhaafd en voorzien van een passende ‘Water’-bestemming, en ook wordt de vigerende gebiedsaanduiding overgenomen en opgenomen in de regels) hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op welke behoren tot deze NNN, maar zal er juist een kwalitatieve verbetering optreden, tezamen met de andere aanleg van water en natuur/groen in de woonwijk Stougjeswijk. Er hoeft dan ook voor deze NNN geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren. Verder wordt recreatie in de ecologische verbindingszone beperkt om de benodigde rust te garanderen, dit komt tot uiting in de feitelijke inrichting van deze gronden.