CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 ruimtelijke onderbouwing 7 maart

Oordeelsvormende vergadering 11 april 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Realiseren van van 40 tijdelijke woningen in Numansdorp14.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS-vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

29/48

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk planmoet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.3.2

Onderzoek

RHO Adviseurs heeft Blom Ecologie verzocht het projectgebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.3Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Stikstof ( Vanwege de afstand tot de Natura 2000-gebieden zou de beoogde ontwikkeling kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfases van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De achterliggende stikstofberekening voor de aanleg- en gebruiksfase is opgenomen in bijlage 4. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. 4.3.3 Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

30/48

Tabel 4.4Overzicht van de Soortenbescherming.

4.3.4 Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, is een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd hieruit blijkt dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ● ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; ● rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. 4.4.2 Onderzoek Omdat er in de omgeving van het projectgebied voornamelijk woningen en agrarische gebieden zijn gelegen, is er sprake van een rustige woonwijk. Er worden tijdelijke woningen mogelijk gemaakt. Dit betreffen milieugevoelige functies waardoor getoetst moet worden aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Ten noorden bevindt zich een bedrijventerrein.

Aan de randen van het bedrijventerrein zijn bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 mogelijk. In een rustige woonwijk zorgt dit voor een richtafstand van 50 meter. Op een grotere afstand zijn tevens bedrijven uit milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter mogelijk. De afstand tot het projectgebied is minimaal 100 meter. Op een afstand van circa 430 meter is milieucategorie 4.1 mogelijk. Dit is de hoogste toegestane milieucategorie op het bedrijventerrein. Aan de richtafstand van 200 meter wordt voldaan. De beoogde ontwikkeling bevindt zich op voldoende afstand van het bedrijventerrein. Tevens zijn er tussen het bedrijventerrein en de beoogde ontwikkeling al woningen gelegen waardoor het bedrijventerrein al beperkt wordt in zijn bedrijfsvoering. Ten oosten en ten zuiden bevindt zich de bestemming ‘agrarisch’. De afstand tot het projectgebied is minder dan 50 meter. Er dient rekening te worden gehouden met fruitteelt ter plaatse van deze gronden. Er is in het ontwerp een bufferzone gerealiseerd van 50 meter tot de bebouwing met enkele hagen/opgaand groen om dampen van besproeiing tegen te houden.

31/48

4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.5

Kabels en leidingen

4.5.1 Toetsingskader Ter plaatse van planologisch relevante leidingen en in de directe omgeving daarvan dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.5.2 Onderzoek Binnen het projectgebied zijn geen planologische hoogspanningsverbindingen, waterleidingen, gasleidingen of rioolleidingen aanwezig. 4.5.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. 4.6.2 Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden vindt er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor of het water.

Ten westen bevindt zich de A29 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het projectgebied bevindt zich met een minimale afstand van 2,3 kilometer tot de weg niet in het invloedsgebied van 880 meter. Ten noorden bevindt zich een aardgasleiding met een invloedsgebied van 70 meter. Het projectgebied bevindt zich op een afstand van circa 760 meter en ligt daarmee niet in het invloedsgebied. Ten westen is een LPG-tankstation gelegen met een invloedsgebied van 150 meter en een effectafstand van 160 meter. De beoogde ontwikkeling is op minimaal 296 meter gelegen van de inrichting en bevindt zich daarmee niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

32/48

4.7

Water

4.7.1 Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota’s verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota’s, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: ● Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: ● ● ●

Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet

Provinciaal: ● ● ●

Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta: ● waterveiligheid (dijken en duinen) ● versterkte duinen ● meer biodiversiteit op de dijken ● minder CO2-uitstoot, vergoten ● meer innovatie ● voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur.

De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: ●

33/48

Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;

● ●

Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

4.7.2 Huidige situatie Algemeen Het projectgebied is momenteel onbebouwd en heeft de bestemming ‘Agrarisch. Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Het noorden, westen en oosten van het projectgebied bestaat uit klei. Het zuiden van het projectgebied bestaat uit zand. Het maaiveld ligt op circa 0,1 meter ten opzichte van het NAP.

Waterkwantiteit Ten westen, zuiden en oosten van het projectgebied zijn watergangen in de categorie ‘overig’ aanwezig. Voor werkzaamheden in de beschermingszone van 1 meter van de watergang dient een watervergunning aangevraagd te worden. Het projectgebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Waterkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is niet aangesloten op een rioolstelsel. 4.7.3 Toekomstige situatie Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd te worden.

Er wordt circa 4.700 m2 verhard, er moet derhalve 470 m² oppervlaktewater gecompenseerd worden. Voor de watercompensatie is een zoekgebied voor water en natuurontwikkeling aangewezen aansluitend op het projectgebied. De inrichting hiervan is nog niet bekend maar dit zal voorzien in de benodigde watercompensatie.

34/48

figuur 4.2 Toename aan verharding (bron: Rho Adviseurs)

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting, • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,

35/48

• •

afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. 4.7.4 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. De watercompensatie moet verder worden uitgewerkt, het zoekgebied voor water en natuur biedt hiervoor voldoende ruimte.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in Tabel weergegeven.

Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

36/48

4.8.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van 40 tijdelijke woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Groene Kruisweg, direct ten noordoosten van het projectgebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,1 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. 4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9

Bodem

4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.9.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van tijdelijke woningen. Momenteel is de locatie bestemd als ‘Agrarisch’, waardoor er sprake is van een functiewijziging. Middels een bodemonderzoek dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie.

Te beginnen met een historisch en verkennend bodemonderzoek. Afhankelijk van de resultaten van deze eerste onderzoeksfase, kan vervolgonderzoek nodig zijn en in het uiterste geval kan er sprake zijn van een saneringsverplichting voordat gebouwd kan worden. In opdracht van Rho adviseurs, is door DS milieu-consult een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied te Numansdorp. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het doel van het bodemonderzoek was het vastleggen van de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of de locatie geschikt is voor het toekomstige gebruik, wonen met tuin. Conclusies en Aanbevelingen Op basis van de beschikbare gegevens, als historische informatie, de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters, kan het volgende worden geconcludeerd:

37/48

• •

•

De bovengrond is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket en/of organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB); De diepere bodem in de gedempte sloot is zeer licht verontreinigd met kobalt en nikkel. In de gedempte sloot zijn geen afwijkende bodemkenmerken waargenomen waarmee deze lichte verontreinigingen in verband zouden kunnen worden gebracht. In de overige monsters van de diepere bodem zijn geen verhoogde gehalten gemeten; Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium. Het betreft vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondwaarde.

De hypothese dat de locatie verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten formeel te worden bevestigd, met dien verstande dat er geen organochloor bestrijdingsmiddelen zijn aangetroffen en dat er geen noemenswaardige verontreinigingen in de gedempte sloot zijn aangetoond. De licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel in diepere bodem, geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik, wonen met (collectieve) tuin.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie

4.10.1 Toetsingskader Regelgeving en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.10.2 Cultuurhistorie Het projectgebied maakt geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Aantasting van cultuurhistorisch en waarden is uitgesloten.

4.10.3 Archeologie De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Hoeksche waard (2009) grotendeels in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Voor een zuidelijke strook geldt een lage archeologische verwachting. Voor de zone met de middelhoge archeologische verwachting geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 centimeter onder maaiveld. Voor de zone met de lage archeologische verwachting geldt een onderzoek plicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10 hectare en een verstoringsdiepte vanaf 30 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. In December 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van het projectgebied. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

38/48

Ten tijde van de jager-verzamelaars was de omgeving van het projectgebied bewoonbaar. De top van de afzettingen uit het Weichselien bevindt zich op circa 8,80 meter -NAP. De top van het dekzand, het archeologisch niveau, is waarschijnlijk bewaard gebleven en afgedekt door het veen. Op basis van de diepte van het Pleistocene zand geldt er een middelhoge verwachting voor de periode laat-paleolithicum tot en met mesolithicum. Als gevolg van de zeespiegelstijging in het vroeg- en midden neolithicum vernatte de omgeving van het projectgebied en lag de omgeving in een waddenlandschap. Er geldt een lage verwachting voor de periode vroeg- tot midden neolithicum. De omgeving van het projectgebied bestond na deze periode uit een uitgestrekt nat veengebied. De hoger gelegen oeverwallen van de rivierlopen, veenstroompjes en crevasses zullen aantrekkelijke vestigingsplaatsen zijn geweest. De verlaten crevasses raakte na verloop van tijd bedekt met veen. Hierdoor kunnen er verschillende bewoonbare niveaus aangetroffen worden in het veen. Indien het projectgebied niet op een hoger gelegen oeverwal ligt, dan was het projectgebied vermoedelijk te nat voor permanente bewoning en geldt er een lage archeologische verwachting vanaf het laat-neolithicum tot en met vroege middeleeuwen.

Er zouden wel sporen en vondsten aanwezig kunnen zijn die samenhangen met nabijgelegen tijdelijke nederzettingen, off-site verschijnselen, of rituele deposities. Door ontginning en de ontwatering van het Hollandveen in de Romeinse tijd daalde de bodem en kreeg de zee steeds meer invloed op de omgeving van het projectgebied. Dit resulteerde in de vorming van een nieuw getijdengebied. Het projectgebied lag tot in de vroege middeleeuwen in een veengebied. Daarna zijn er getijden- en kreekafzettingen afgezet. In het zuidelijk deel van het projectgebied is een getij-kreekbedding aanwezig. Op de zandige en hoger gelegen oeverwallen kan sprake zijn geweest van gunstige bewoningsomstandigheden. Op basis hiervan geldt er een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen. De Hoeksche waard werd vanaf de 16e eeuw ontgonnen en de Numanspolder, waar het projectgebied deel van uitmaakt, werd vanaf 1642 bedijkt. Het projectgebied maakte deel uit van de agrarische gronden. Voor de periode late middeleeuwen (tot aan de bedijking) en voor de nieuwe tijd (vanaf de bedijking) geldt daarom een middelhoge verwachting. Op basis van het uitgevoerde bureau- en verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het projectgebied bestaat uit een bouwvoor op kalkrijke getijdenafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren).

Op grond van de natte omstandigheden en het ontbreken van mogelijk bewoonbare afzettingen geldt voor het projectgebied een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. Voor het projectgebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. 4.10.4 Conclusie De resultaten van het archeologische onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Hoeksche Waard), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat er al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Als gevolg hiervan, is bij het aantreffen van archeologische resten, conform de Erfgoedwet van 2016. Het aspect cultuurhistorie en archeologie geeft geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 M.e.r. procedure 4.11.1 Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiele (milieu)effecten.

39/48

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. ● Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of een MER wel of niet nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. ● Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 4.11.2 Onderzoek De beoogde realisatie maakt ontwikkelingen mogelijk die zijn genoemd in onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage). De ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarden die genoemd worden in het Besluit milieueffectrapportage. Indien een ontwikkeling onder de drempelwaarden blijft, is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dat kader dient een zogenaamde aanmeldnotitie opgesteld te worden.

Het besluit dient genomen te worden voordat de ontwerpomgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. 4.11.3 Conclusie Er is een aanmeldnotitie opgesteld. Het besluit dient genomen te worden voordat de ontwerpomgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

40/48

5. MAATSCHAPPELIJKE- EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1.1 Participatie De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12 Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn omwonenden en belanghebbenden tijdens één informatieavond en één inloopavond in de gelegenheid gesteld mee te denken en meer informatie in te winnen over de beoogde ontwikkeling. Op de eerste informatieavond van donderdag 8 december 2022 zijn de plannen toegelicht. Allereerst zijn de betrokken wethouder en de manager van HW-wonen geïnterviewd over de nut en noodzaak en de achtergronden van het project. Vervolgens zijn twee inrichtingsmodellen gepresenteerd en toegelicht. Deze modellen verschilden met name van elkaar door ligging en opzet van de woonblokken en de parkeeroplossing. Vervolgens zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen, suggesties te doen en oplossingen aan te dragen. Dit kon zowel door opmerkingen op de panelen te plakken als door gebruik te maken van een reactieformulier. Alle opmerkingen, reacties en aanbevelingen zijn samengevat en hebben gediend als input voor aanscherping van de modellen.

Op een tweede inloopavond op 14 december 2022 zijn de aangescherpte modellen wederom getoond. Omwonenden zijn wederom in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en te reageren op de modellen. De uiteindelijke keuze voor het meest optimale model (ruimtelijk en financieel) is gemaakt door het college. Dit is teruggekoppeld aan de omgeving. 5.1.2 Procedure Bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is de reguliere Wabo-procedure van toepassing. Een dergelijke procedure kent een formele doorlooptijd van 8 weken. Daarna wordt het besluit gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tegen een omgevingsvergunning kan door belanghebbenden in twee instanties beroep worden ingesteld, eerst bij de rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. De grond is in eigendom van de gemeente. HW Wonen koopt grond van de gemeente voor de realisatie van de woningen. Overige grond bedoeld voor de openbare ruimte blijft in eigendom van de gemeente. De gemeente en HW Wonen zijn dus gezamenlijk initiatiefnemer. Er is afgesproken dat er buiten de wettelijk verplichte leges verder geen kostenverhaal plaatsvindt voor de inzet van ambtelijke uren. De gemaakte afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Voor de grondverkoop wordt een verkoopovereenkomst afgesloten.

Uit het bovenstaande blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling gewaarborgd is.

41/48

6. CONCLUSIE Het planologisch mogelijk maken van 40 tijdelijke woningen ter plaatse van het projectgebied past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De diverse omgevingsaspecten leveren geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is economisch uitvoerbaar en het kostenverhaal is afgedekt door de initiatiefnemer. Het gemeentebestuur heeft de ruimtelijke relevante belangen in de omgeving betrokken in haar afweging. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het projectvoornemen voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening.

42/48

BIJLAGE 1 AKOESTISCH ONDERZOEK

43/48

BIJLAGE 2 QUICKSCAN ECOLOGIE

44/48

BIJLAGE 3 MEMO STIKSTOFDEPOSITIE

45/48

BIJLAGE 4 STIKSTOFBEREKENINGEN

46/48

BIJLAGE 5 MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK

47/48

BIJLAGE 6 ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

48/48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12522092/1