bestemmingsplan en bijlagen Ben. Oostdijk 50 OBL
Tekst van het document
Figuur 4.11: tekst paragraaf 5.4 archeologisch onderzoek
- 34 -
Figuur 4.12: afbeelding 20 uit archeologisch onderzoek
Als blijkt dat in het aangegeven westelijke deel bodemverstoringen aan de orde zullen zijn, zullen deze onder archeologische begeleiding plaatsvinden. Voor die archeologische begeleiding zal dan eerst een Programma van Eisen worden opgesteld, dat door de gemeente moet worden goedgekeurd. Cultuurhistorie De boerderij aan de Beneden Oostdijk 50 is aangewezen als gemeentelijk monument. Het pand heeft cultuurhistorische waarden, die gerespecteerd moeten worden bij de uitvoering van de bouwplannen. Over de cultuurhistorische waarde van de boerderij en bijbehorend erf is een bouwhistorische verkenning en waardestelling uitgevoerd door het Erfgoedhuis ZuidHolland. Uit dit rapport (Erfgoedhuis Zuid-Holland, november 2022) blijkt, dat het hoofdgebouw op het perceel (de oorspronkelijke boerderij) een hoge monumentwaarde heeft. Behoud van het gebouw is vanuit cultuurhistorisch oogpunt noodzakelijk. Historische elementen dienen zoveel mogelijk hersteld te worden en het historische materiaal dient behouden te worden. Als uit technisch oogpunt vervanging noodzakelijk is, dan kan dat door een vervanging door een identiek onderdeel, wat betreft materiaal en detaillering. Om deze reden zal het hoofdgebouw behouden blijven en worden gerestaureerd.
- 35 -
Het bouwplan voor de verbouwing van de boerderij wordt voorgelegd aan de gemeentelijke Erfgoedcommissie. Pas na verkregen omgevingsvergunning voor het aanpassen van dit karakteristieke gebouw zal tot uitvoering van het bouwplan worden overgegaan.
4.10 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Er zijn geen beschermingszones aanwezig in het geldende bestemmingsplan.
4.11 Milieueffectrapportage Het plan maakt ontwikkelingen mogelijk die vallen onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Een m.e.r. beoordeling is in dat geval op basis van de Wet milieubeheer verplicht. In dit plan is al ingegaan op de verschillende onderdelen. Echter hieronder motiveren wij nogmaals dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • De omvang van het project betreft de realisering van 14 studio’s voor mensen met een verstandelijke beperking en 12 boven- en benedenwoningen voor starters en senioren. Daarnaast wordt een ruimte voor dagbesteding, een landwinkel en een theehuis gerealiseerd. • Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater in de nabij gelegen watergang, er worden geen uitlogende materialen gebruikt. • De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. • Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Verwezen wordt naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.4. • Er is geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering.
Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.5. • Er zijn geen risico's voor de menselijke gezondheid. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.5. 2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • Het bestaande grondgebruik bestond uit een gebruik voor agrarische doeleinden. • Het gebied ligt niet in een beschermingszone, ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en is een herontwikkeling passend bij het bestaande gebied ter plaatse. • Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, te weten ‘Oude Maas’ ligt op ongeveer 1,3 km afstand van het gebied.
- 36 -
3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de beperkte omvang van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Op basis van de bovenstaande zullen burgemeester en wethouders voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit nemen omtrent het ontbreken van de noodzaak om een milieueffectrapport op te stellen.
- 37 -
5. Juridische plantoelichting Dit bestemmingsplanplan bestaat uit: - Toelichting; - Regels; - Verbeelding. Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Deze wet vormt het wettelijk kader voor bestemmingsplannen. Vanaf 1 januari 2010 moeten alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Het gaat om bestemmingsplannen, provinciale verordeningen, Algemene maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en structuurvisies. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten, provincies en departementen verantwoordelijk zijn voor het maken en beheren van hun eigen ruimtelijke plannen en verordeningen. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. Een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, editie 2012 (SVBP2012), die is verankerd in het Bro. De SVBP2012 is toegepast in de planregels en verbeelding. Daarnaast is in de Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de antidubbeltelregel.
Het voorliggende plan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012. Opzet verbeelding. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Binnen dit plan zijn de bestemmingen ‘Gemengd’ en Wonen’ opgenomen. Tevens is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. Opzet regels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde. De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
- 38 -
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het bouwplan omvat het intern verbouwen en aanpassen van de boerderij tot maatschappelijke bebouwing op het perceel en het toevoegen van 14 zorgappartementen en 12 boven- en benedenwoningen voor starters en senioren op het zijerf. Het perceel is in eigendom van de initiatiefnemer. Het plan wordt geheel door initiatiefnemer gefinancierd. Om de gemeentelijke kosten in verband met dit project te verhalen is een zogenaamde anterieure overeenkomst gesloten. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 omgevingsdialoog Op diverse momenten zijn er bijeenkomsten georganiseerd voor omwonenden over het voorgenomen bouwplan. Tevens is een klankbordgroep gevormd, waarin de planvorming uitvoering is besproken. Dit heeft geleid tot het doorvoeren van diverse aanpassingen in het bouwplan. In het participatieverslag is één en ander nader uiteen gezet.
6.2.2 vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit op de ruimtelijke ordening Tijdens de vooroverlegfase is dit bestemmingsplan naar de diverse vooroverlegpartners gezonden. Uitkomst vooroverleg PM.
6.2.3. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met bijbehorende stukken vanaf xx tot xx 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen.
- 39 -
Bestemmingsplan ´ Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland’, gemeente Hoeksche Waard Regels
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde – Archeologie 3 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel
Bijlage: Beeldkwaliteitsplan (RoosRos, 23 november 2023)
Ontwerp: november 2023
1
HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ´Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland´ met identificatienummer NL.IMRO.1963.BPBenO50Obl23.ON01 van de gemeente Hoeksche Waard. 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan- en uitbouw: een uitbreiding van het hoofdgebouw die, wat afmetingen betreft, ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw. 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit uitgeoefend door de hoofdbewoner, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publiekstrekkend zijn en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.
1.7 achtergevelbouwgrens: de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georienteerd. 1.8 achtergevelrooilijn: de denkbeeldige lijn die buitenwerks strak loopt langs de achtergevel van een gebouw, exclusief de aan- en uitbouwen aan deze gevel, tot aan de perceelsgrenzen. 1.9 antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.10 antennedrager: antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. 2
1.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12 bebouwingspercentage: het deel van het bouwvlak of bouwperceel uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden. 1.13 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.14 bestaand(e situatie): a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime. 1.15 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.16 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, met een aan dat hoofdgebouw ondergeschikte functie.
1.18 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.1928 bouwgrens: de grens van een bouwvlak. 1.20 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
3
1.21 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.22 bouwperceelsgrens: een grens van een bouwperceel. 1.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.25 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.26 coffeeshop: een bedrijf dat gericht is op het verstrekken van softdrugs. 1.27 dakterras: een dak of deel van een dak (daaronder inbegrepen dakterrasafscheidingen) dat rechtstreeks vanuit het gebouw of door middel van een vaste trap toegankelijk is en dat omgeven is door een vloerafscheiding. 1.28 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt. 1.29 dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een belwinkel en internetcafé.
1.30 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voorzover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt. 1.31 erfbebouwing: de bij een hoofdgebouw behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. 1.32 evenement: evenement, voor zover deze ruimtelijk relevant is, dat wil zeggen meerdaags en regelmatig terugkerend van aard is.
4
1.33 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.34 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.35 horeca: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt, de volgende categorieën horeca-instellingen worden onderscheiden: • Horeca categorie 1 (licht): horeca 1a: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (al dan niet voor consumptie ter plaatse) bereide etenswaren, ijs, koffie en thee met als nevenactiviteit het verstrekken van (alcoholhoudende) dranken ter plaatse; horeca 1b: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van (alcoholhoudende) dranken ter plaatse; • Horeca categorie 2 (middel): een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het schenken van (alchoholhoudende) dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren ter plaatse; • Horeca categorie 3 (zwaar): een horecabedrijf dat tot hoofddoel
heeft het bedrijfsmatige ten gehore brengen van muziek en het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met als nevenactiviteit de verstrekking van (alcoholhoudende) en dranken en kleine etenswaren ter plaatse. 1.36 kantoor: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van de administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en de aard daarmee gelijk te stellen instellingen. 1.37 landwinkel een winkel met verkoop van overwegend in het landelijk gebied en de omgeving daarvan gekweekte, geteelde en/of vervaardigde producten. 1.38 maatschappelijke voorziening: culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeven van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.39 overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.40 overig dienstverlenend bedrijf/dienstverlenende voorziening: een dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende voorziening dat/die geen kantoor is. 5
1.41 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.42 peil: • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van aansluitende, afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw; • indien wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m: o 1. indien de hoofdtoegang van het bouwwerk aan de weg grenst: de hoogte van de weg, waarbij dit peil zich uitstrekt tot een zone van ten hoogste 3 m achter de achtergevelbouwgrens van een op bedoeld perceel aangegeven bouwvlak, mits het een aanbouw aan het hoofdgebouw betreft; o 2. indien de hoofdtoegang van bouwwerk niet aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein; o 3. voor vrijstaande bijgebouwen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein; • indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of ander plaatselijk aan te houden waterpeil). Een en ander voor zover in deze regels niet anders is bepaald.
1.43 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: • a. een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; • b. een seksbioscoop of sekstheater; • c. een seksautomatenhal; • d. een seksclub of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel.
1.44 voorgevel: de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw, op 1 m boven peil, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt op basis van bijvoorbeeld specifieke (omgevings)kenmerken, zoals de aanwezigheid van de hoofdentree van de woning, of vanuit stedenbouwkundig oogpunt kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt. 1.45 voorgevelrooilijn: denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een bouwwerk loopt tot aan de perceelsgrenzen. 6
1.46 weg: een voor openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeerterreinen. 1.47 woning: een complex van ruimten van, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Hieronder vallen tevens bijzondere woonvormen zoals begeleid wonen door (licht-)verstandelijke gehandicapten en ex-psychiatrische patiënten.
7
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse bouwperceelsgrens: tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk waar die afstand het kortst is. 2.2 de bedrijfsvloeroppervlakte: binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.7 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.9 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.10 ondergeschikte bouwdelen: Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakkapellen, en overstekende daken en bouwlagen en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en -hoogten niet meer dan 2,5 m bedraagt.
8
HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. twee kamers voor bed&breakfast; b. wonen; c. maatschappelijke voorzieningen; d. een landwinkel met een bruto vloeroppervlakte van ten hoogste 90 m2; e. horecabedrijven tot en met categorie 1 zoals bedoeld in de begripsbepaling in artikel 1 van deze regels met een bruto vloeroppervlakte van ten hoogste 100 m2; f. kantoor-, vergader- en bijeenkomstruimten met een bruto vloeroppervlakte van ten hoogste 200 m2 g. ter plaatse van de aanduiding ''specifieke bouwaanduiding - monument 1' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; met daarbij behorende: d. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; e. erven en tuinen; f. water, groen-, parkeer- en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. nutsvoorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels: a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b.
de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan is aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'; 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van: a. maximaal 1 m voor erf- en terreinafscheidingen voor (het denkbeeldig verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw; b. maximaal 2 m voor overige erf- en terreinafscheidingen; c. maximaal 6 m voor palen en masten; d. maximaal 3 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.3 Voorwaardelijke verplichting De gebouwen en de inrichting van het erf moeten in overeenstemming zijn met het Beeldkwaliteitsplan (RoosRos, 15 september 2023), dat als bijlage bij deze regels zijn gevoegd
9
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan huis verbonden beroepen, waaronder mede begrepen gastouderopvang; c. maatschappelijke functies; met de daarbij behorende: d. tuinen en erven; e. wegen en paden; f. parkeervoorzieningen; g. verkeersvoorzieningen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; i. groenvoorzieningen; j. nutsvoorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden voor hoofdgebouwen de volgende bouwregels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd; b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; c. het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan het aantal dat bij de maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden’ aangegeven; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven; e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mogen de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven; 4.2.2 Erfbebouwing op het zij- en achtererf Bij een hoofdgebouw mag een bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd waarbij geldt dat: 1. de bouwhoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 3 m; 2. de oppervlakte van een bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 75 m2.
4.2.3 Hoogte overige bouwwerken Bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 1 m; b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 2 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m. 4.3 Voorwaardelijke verplichting a. De op te richten gebouwen en de inrichting van het erf moet in overeenstemming zijn met het Beeldkwaliteitsplan (RoosRos, 23 november 2023), dat als bijlage bij deze regels zijn gevoegd; 10
b. Binnen 6 maanden nadat de woningen in gebruik zijn genomen moet in de noordelijke voorgevelbouwgrens tussen de twee woongebouwen een aaneengesloten geluidsscherm worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, dit met een bouwhoogte vanaf maaiveld van 2 meter, waarbij dat scherm een massa moet hebben van minimaal 10 kg/m2.
4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Ten aanzien van het gebruik geldt het bepaalde in lid 4.1.
4.4.2 Binnen de bestemming is de uitoefening van een beroep aan huis toegestaan, als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels: a. de voor beroepsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 25 % per woning bedragen, tot een maximum van 45 m2; b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan; c. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan; d. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan; e. er mag geen gebruik worden gemaakt van reclame-uitingen; f. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel. 4.4.3 Onverminderd het bepaalde in lid 4.1 is het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woonruimte in strijd met het plan. 4.4.4 Onverminderd het bepaalde in lid 4.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor een seksinrichting in strijd met het plan. 4.4 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 4.4.2 voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels: • a. de voor bedrijfsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30 % per woning bedragen, tot een maximum van 75 m2; • b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan; • c.
detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel, en horeca zijn niet toegestaan; • d. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan; • e. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel.
11
Waarde – Archeologie 3 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 5 lid 1.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen op de in artikel 5 lid 1.1 bedoelde gronden bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd, mits: 1. reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; of, 2. het bouwwerken betreffen die vergunningsvrij op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kunnen worden gebouwd; of, 3. het bouwwerken betreffen die niet dieper reiken dan 0,5 m onder het maaiveld; of, 4. een planomvang hebben kleiner dan 100 m2. 5.3 Afwijken van de bouwregels a. Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 2 sub a voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen, anders dan de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 sub b, met dien verstande dat: 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarde van het gebied; of, 2.
een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft dat, onverminderd het elders in het plan bepaalde, een omgevingsvergunning voor afwijken in redelijkheid niet kan worden geweigerd. b. Bij de afweging van de omgevingsvergunning voor afwijken geven burgemeester en wethouders toepassing aan de volgende criteria: 1. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient in het belang van de bescherming van de archeologische betekenis van de gronden een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag kan worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2. burgemeester en wethouders winnen alvorens de omgevingsvergunning voor afwijken te verlenen advies in bij een archeologisch deskundige; c. in afwijking van het bepaalde artikel 5 lid 3 sub a en artikel 5 lid 3 sub b kan de omgevingsvergunning voor afwijken worden verleend indien voor de werkzaamheden voortvloeiend uit de bouwaanvraag reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5 lid 12
4 is verleend; het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemmingen blijft onverminderd van toepassing. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, van burgemeester en wethouders: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodem verlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; c. het uitvoeren van grondbewerkingen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden en of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; h. het verhogen of verlagen van de grondwaterstand. 5.4.2 Uitzondering Het in artikel 5 lid 4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a.
reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; b. het normale onderhoudswerkzaamheden betreffen die gericht zijn op en noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het plan; c. het andere werken en werkzaamheden betreffen die uit oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van ondergeschikte betekenis zijn, zoals werken en werkzaamheden die niet dieper dan 0,5 m onder het maaiveld plaatsvinden en een omvang hebben kleiner dan 100 m2; d. het werken of werkzaamheden betreffen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
5.4.3 Verlening omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 wordt slechts verleend indien is gebleken dat de genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden in de gronden.
13
5.4.4 Regels omgevingsvergunning Voor zover de genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, indien aan de orde; c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 5.4.5 Rapportage In het belang van de bescherming van de archeologische betekenis van de gronden dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag kan worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
5.4.6 Advies archeologisch deskundige Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 5.4.7 Meldingsplicht Aangetroffen archeologische waarden dienen te worden gemeld aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders informeren vervolgens de Rijksdienst Voor Archeologisch, Cultuurlandschap en Monumenten in de provincie Zuid-Holland.
14
HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), ventilatiekanalen, aircounits en warmtepompen, schoorstenen, zonnecollectoren, antennes, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt. 7.2 Dakopbouwen t.b.v. noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties Dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties mogen niet hoger zijn dan 3,50 m en mogen geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste laag van het gebouw waarop zij worden geplaatst. 7.3 Ondergronds bouwen Ondergrondse ruimten zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij in de bouwregels van de betreffende bestemming anders is bepaald. Op het bouwen van ondergrondse bouwwerken zijn de aanduidingen op de verbeelding en de bouwregels van het plan op overeenkomstige wijze van toepassing, met dien verstande dat de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m beneden peil.
7.4 Voldoende parkeergelegenheid Met betrekking tot het parkeren dient voldaan te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’ d.d. 6 juli 2021, dan wel een nadien vastgestelde beleidsregel. 7.5 Antenne-installaties 7.5.1 Algemeen De oprichting van antenne-installaties en antennedragers is niet toegestaan. 7.5.2 Afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van lid 7.5.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het oprichten van antenne-installaties en antennedragers met in achtneming van het bepaalde in onderstaande (lid 7.5.2 en 7.5.4).
15
7.5.3 Algemene criteria a. Antenne-installaties en antennedragers dienen zoveel mogelijk aan het karakter van de directe omgeving te worden aangepast door gebruikmaking van bestaande bouwwerken, zoals reclamemasten of –zuilen, hoogspanningsmasten, schoorstenen, windmolens en degelijke; b. Bij de plaatsbepaling binnen het plangebied en voor zover geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande gebouwen en bouwwerken, dient plaatsing op de bedrijventerreinen en kantoorlocaties de voorkeur te krijgen; c. Aangetoond moet zijn dat de advieswaarden van de Gezondheidsraad voor blootstelling aan elektromagnetische velden ter plaatse van de objecten, waar zich gedurende langere tijd mensen bevinden, niet worden overschreden; d. Het aantal antennedragers mag niet meer zijn dan strikt noodzakelijk is voor de realisering van een adequaat netwerk met voldoende capaciteit. Bij het bepalen van het strikt noodzakelijke aantal antennedragers wordt het principe van site-sharing gehanteerd; e. Bij de plaatsing van antenne-installaties en antennedragers dient het beginsel van sitesharing te worden gehanteerd tenzij dit, blijkens een voldoende onderbouwde motivering, technisch niet mogelijk is of in redelijkheid niet kan worden verlangd. 7.5.4 Bouwregels a.
antenne-installaties kleiner dan 5 m en voor het overige niet voldoen aan het bepaalde in artikel 2 lid 15 onder b van Bijlage II uit het Besluit omgevingsrecht zijn niet toegestaan; b. en antenne-installatie mag uitsluitend worden geplaatst op gebouwen hoger dan 12 m; c. ten aanzien van de plaatsing van een antennedrager op het dak van een gebouw geldt het volgende: 1. deze dient bij een op het dak aanwezig object te worden geplaatst; 2. in het midden van het dak te worden geplaatst, of, 3. elders op het dak, mits de afstand tot de voorgevellijn minimaal 2 m bedraagt; d. een antennedrager, welke meer dan 5 m hoog is en niet op een gebouw is geplaatst, mis niet toegestaan; e. de afstand tussen twee woongebouwen waarop één of meerdere antenne-installaties zijn geplaatst dient minimaal 300 m te bedragen; f. de bedrading van de antenne-installatie dient inpandig, in of direct langs de antennedrager te worden aangebracht dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot ten minste 1 m achter de voorgevellijn is geplaatst; g. per gebouw mogen ten hoogste drie antennedragers worden geplaatst en/of maximaal zes antenne-installaties; h. antenne-installaties mogen niet op bouwwerken met specifieke bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument 1' worden geplaatst; i.
de afstand van een antennedrager welke meer dan 5 m hoog is, inclusief de daarop geplaatste antennes, tot een woning of een monumentaal pand dient minimaal 100 m te bedragen; j. van het bepaalde onder f kan slechts worden afgeweken indien plaatsing op een locatie, als bedoeld f in redelijkheid niet kan worden verlangd in verband met het realiseren van een landelijk dekkend netwerk, mist de antennedrager landschappelijk wordt ingepast;
16
k. antenne-installaties mogen niet worden opgericht in landschappelijk waardevol gebied of in kwetsbare natuurgebieden, tenzij gekoppeld aan bestaande hoogspanningsmasten, lichtmasten of andere bestaande verticale elementen; l. de maximaal toegestane hoogte van antenne-installaties is 40 m; m. ten aanzien van de plaatsing van de techniekkast bij een antenne-installatie gelden de volgende bepalingen: 1. deze dient inpandig of ondergronds te worden geplaatst. Inpandige plaatsing is slechts mogelijk indien voldaan wordt aan de ten tijde van de indiening van de omgevingsvergunning voor het bouwen geldende advieswaarden van de Gezondheidsraad voor blootstelling aan elektromagnetische velden ter plaatse van objecten waar zich gedurende langere tijd mensen bevinden; 2. indien de techniekkast op een gebouw wordt geplaatst, dient deze niet groter te zijn dan 2 m2 en minimaal 1 m achter de dakrand te worden geplaatst.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels Het is verboden de gronden en/of bouwwerken, zoals bedoeld in de in hoofdstuk 2 opgenomen regels, te gebruiken ten behoeve van: • a. een seksinrichting; • b. een coffeeshop.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 9.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van: a. de gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de bouwregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. de bouwregels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van de boverige bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 10,00 m; d. de bouwregels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de hoogte van overige bouwwerken ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40,00 m; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits: o 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 5 m2 bedraagt; o 2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt; f.
de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen en overige bouwwerken met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een goothoogte van niet meer dan 4 m (ten dienste van het openbaar nut), zoals schakelhuisjes, transformatorhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen, muurtjes, standbeelden en straatmeubilair; 17
g. het overschrijden van de aangeduide bouwgrenzen voor de bouw van bouwwerken van ondergeschikte aard zoals loggia's, erkers, keldertoegangen, dakoverstekken, luifels en balkons, die qua aard en afmetingen bij de bestemming passen tot maximaal 2,50 m in de richting van de weg, onverminderd het elders in deze regels bepaalde, indien de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en het past binnen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving. 9.2 Randvoorwaarden toepassing omgevingsvergunning voor afwijken Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan een omgevingsvergunning voor het afwijken mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels 10.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op: a. de situering en de vorm van de aangegeven bouwvlakken in nieuwe bouwvlakken;
10.2 Randvoorwaarden toepassing wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan een wijziging mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
18
HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken 11.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 11.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 11.1.1 omgevingsvergunning verlenen van lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 11.1.1 met maximaal 10%. 11.1.3 Lid 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 11.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
11.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 11.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in het lid 11.2.1 na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.2.4 Lid 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
19
Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ´Beneden Oostdijk 50 OudBeijerland’ van de gemeente Hoeksche Waard.
20
F4A865 B 1688 B 1674
277A 277
F 914
B 731 B 1689
B 1556
281A
F 935
Plangebied
4B
Beneden Oostdijk 50, Oud-Beijerland
279 281
B 836
B 1675
283
287
B 1542
Bestemmingen
6
285
B 1557
F 153 289
F 150
F 151
F 913
F 154
291
GD
Gemengd
W
Wonen
293
F 152
295 297
F 155
Dubbelbestemmingen F 484
F 239
Waarde - Archeologie 3
WR-A3
Oos tdijk
Bene
den
Bouwvlakken Oost
dijk
bouwvlak
B 1656
1657
Bouwaanduidingen 72
4
48
B 1768
B 1683
Maatvoeringen
50
B 1320
GD
B 1655
specifieke bouwaanduiding - monument 1
[sba-m1]
10
[sba-m1]
4
12
maximum aantal wooneenheden
3
maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)
4 74
B 1663
4
F 20
6 B 1767 10
4 WR-A3 70
9
14
4
12
4 6
B 1654
10 Dokter Kr
oesenr ing
W
Verklaringen 32-44
B 1573
84
B 1660
B 1659
B 1658 B 1656
B 1657 82
80 78
72
B 1683
76
B 1679
B 1655
74
46-58
B 1680
31-43
B 1572
topografische en kadastrale gegevens (BGT, BRK versie september 2023)
70
60-68
B 1681
GEMEENTE HOEKSCHE WAARD BESTEMMINGSPLAN Beneden Oostdijk 50, Oud-Beijerland tek.
0609.371-B-01
blad
1 van 1
B 1574 Ontwerp
december 2023
schaal 1 : 1.000
NL.IMRO.1963.BPBenO50Obl23.ON01
versie ON01 42
gew.
04-12-2023
JK
get.
12 september 2023
pmw.
J.Konings
t. 0180 - 61 31 44
Bijlagen bij bestemmingsplan Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland: - akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch adviesbureau, 23 oktober 2023, nr.VL.2219.R0. rev.1) - quick scan Flora & Fauna (Breur Ecologie&Onderzoek, 08-04-2022, nr. QS22018v1) - Soortgericht onderzoek (Breur Ecologie&Onderzoek, 29-11-2022, nr. SO22023v02) - stikstof (AERIUS) berekening (Ad Fontem, 17 oktober 2023 nr. 22AF060) - archeologisch onderzoek (SOB Research, 09-2022, kenmerk 2934-2203) - verkennend bodem(asbest)onderzoek (Inventerra, 17-05-2022, kenmerk 22-2078-R01JV) - verkeersonderzoek (IV Infra, 7 november 2023, kenmerk INFR230617, versie C) - beeldkwaliteitsplan (RoosRos, 23 november 2023) - bouwhistorische verkenning en waardestelling (Erfgoedhuis Zuid-Holland, november 2022) - participatieverslag
Akoestisch Onderzoek “Even Buiten” Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland
Akoestisch Onderzoek “Even Buiten” Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland
Projectnummer
: VL.2219.R01
Revisie
:2
Rapportdatum
: 23 oktober 2023
Auteur
: xx
Opdrachtgever
: Trivestor Groep Stougjesdijk 278 3261 KW Oud-Beijerland
Contactpersoon
: de heer xx de heer xx (R3)
Kraaij Akoestisch Adviesbureau Frisodonk 5 4707 VG Roosendaal T: 0165 544833 M: 06 10078854 E: info@kraaijbv.nl
Akoestisch onderzoek Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 4
2
WETTELIJK KADER ..................................................................................................................................... 6 2.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................... 6 2.2 WEGVERKEERSLAWAAI.................................................................................................................................... 6 2.2.1 Zones langs wegen............................................................................................................................. 6 2.2.2 Nieuwe situaties ................................................................................................................................ 7 2.2.3 30 km/u wegen .................................................................................................................................. 7 2.3 CUMULATIE .................................................................................................................................................. 8 2.4 REKEN- EN MEETVOORSCHRIFT GELUID 2012...................................................................................................... 8 2.5 GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING ........................................................................................................................
8 2.6 GEMEENTELIJK HOGERE WAARDENBELEID .......................................................................................................... 9
3
UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................................. 10 3.1 3.2 3.3 3.4
4
REKENRESULTATEN ................................................................................................................................. 15 4.1 4.2 4.3
5
ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 10 VERKEERSGEGEVENS ..................................................................................................................................... 12 REKENMETHODE .......................................................................................................................................... 13 MODELLERING ............................................................................................................................................ 13 GELUIDBELASTING VANWEGE DE BENEDEN OOSTDIJK.......................................................................................... 15 GELUIDBELASTING VANWEGE DE JAN VAN DER HEIJDENSTRAAT ............................................................................. 15 GECUMULEERDE GELUIDBELASTING WEGVERKEERSLAWAAI................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 18 5.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 18 5.2 TOETS AAN DE WET GELUIDHINDER ................................................................................................................. 18 5.2.1 Beneden Oostdijk ............................................................................................................................. 18 5.2.2 Jan van der Heijdenstraat ................................................................................................................ 18 5.3 AKOESTISCH WOON- EN LEEFKLIMAAT/ GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING .................................................................. 19
6
MAATREGELENONDERZOEK .................................................................................................................... 20 6.1.1 6.1.2 6.1.3
Bronmaatregelen ............................................................................................................................. 20 Overdrachtsmaatregelen ................................................................................................................. 20 Maatregelen bij de ontvanger ......................................................................................................... 20
7
GEMEENTELIJK HOGERE WAARDENBELEID .............................................................................................. 22
8
SAMENVATTING EN ADVIES .................................................................................................................... 23
Bijlagen
Bijlage I : Bijlage II : Bijlage III :
Figuren
Figuur 1 : Figuur 2 :
VL.2219.R0.rev1
Modelgegevens Rekenresultaten vanwege de Beneden Oostdijk Rekenresultaten vanwege de Jan van der Heijdenstraat
Overzicht modellering Detailweergave met ligging toetspunten
pagina 3
23-10-2023
Akoestisch onderzoek Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland
1
INLEIDING
In opdracht van Trivestor Groep en in samenwerking met Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd in verband met een nieuw- en verbouwplan, genaamd ‘Even Buiten’, aan de Beneden Oostdijk 50 in Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard. De opdrachtgever is voornemens om de verdieping van de bestaande boerderij te verbouwen tot twee B&B appartementen, vergaderruimtes en op de begane grond een theehuis met landwinkel. Daarnaast is het voornemen om op het erf, ten oosten van de boerderij, 14 zorgappartementen met twee huiskamers te realiseren en zes senioren en zes startersappartementen. Om de hele ontwikkeling mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd, aangezien deze niet binnen het huidig bestemmingsplan past, omdat bij de boerderij het aantal woningen toeneemt en voor de nieuwbouw nog geen bouwvlak aanwezig is. Op grond van de Wet geluidhinder is het verplicht bij wijziging van een bestemmingsplan, waarbij nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, die zijn gelegen binnen een geluidzone, de geluidbelasting middels een akoestisch onderzoek vast te stellen. Het nieuw- en verbouwplan ligt binnen de geluidzones van de Beneden Oostdijk en de Jan van der Heijdenstraat. De planlocatie ligt niet binnen de geluidzone van een spoorlijn of industrieterrein.
De Wet geluidhinder is dus alleen van toepassing voor wegverkeerslawaai. De enige nabij gelegen 30 km/u wegen zijn het einde van de Oostdijk, ten noorden van de planlocatie en van de Dokter Kroesenring, ten zuid(westen) van de planlocatie. Dergelijke wegen hebben volgens de Wgh geen geluidzone en formeel dus ook geen toetsingsplicht aan de Wgh. Op basis van jurisprudentie kan het, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, wenselijk zijn om de geluidbelasting van dergelijke wegen wel inzichtelijk te maken en te beoordelen of deze relevant zijn voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde ontwikkeling. Beide wegen hebben echter een dermate lage verkeersintensiteit in relatie tot de afstand van de planlocatie, dat ervan uit kan worden gegaan dat deze wegen niet relevant zijn voor het woonmilieu in onderhavige situatie. In dit onderzoek worden daarom geen 30 km/u wegen meegenomen in de beschouwing op een goede ruimtelijke ordening. Het akoestisch onderzoek maakt dus onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure en heeft tot doel de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai te bepalen en deze te toetsen aan de normen uit de Wet geluidhinder. Daarnaast zal de geluidbelasting kwalitatief worden beschouwd op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat oftewel op de aanwezigheid van een goede ruimtelijke ordening.
Voor onderhavig onderzoek is gebruikt gemaakt van de volgende informatie: • Digitale ondergronden van het onderzoeksgebied, via het Nationaal Georegister; • Planstudie van de ontwikkeling ‘Even Buiten’ van RoosRos Architecten (kenmerk 4497 dd. 06-09-2023), ontvangen via Juridisch Planologisch Adviesbureau R3; • Google Earth/Streetview; • Ruimtelijke plannen; • Knip met modelitems van 3Ddatalab NL, aangeleverd door DGMR/Geodan/4DWaveLab; • Verkeersgegevens Beneden Oostdijk (wegvak bij Texaco), verkregen van de gemeente Hoeksche Waard; • Verkeersgegevens Beneden Oostdijk (wegvak bij BP), ontleend aan akoestisch rapport met kenmerk VL.1553.R01_rev1 dd. 29-9-2020 van Kraaij Akoestisch Adviesbureau; • Gemeentelijk geluidbeleid Hoeksche Waard ‘Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening gemeenten Hoeksche Waard’, kenmerk D-17-1667776/JAL dd. 22 augustus 2017; De genoemde geluidbelastingen in dit rapport zijn voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai inclusief aftrek ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder, tenzij anders is vermeld. Deze aftrek is geregeld in artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.
VL.2219.R0.rev1
pagina 4
23-10-2023
Akoestisch onderzoek Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland
Leeswijzer In hoofdstuk 2 van deze rapportage wordt het wettelijk kader beschreven. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de uitgangspunten voor het onderzoek uiteengezet. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven en in hoofdstuk 5 de conclusie met de toetsing aan de Wgh en de beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat. In hoofdstuk 6 is het maatregelenonderzoek beschreven en in hoofdstuk 7 de toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een samenvatting van de bevindingen met daarbij het advies.
VL.2219.R0.rev1
pagina 5
23-10-2023
Akoestisch onderzoek Beneden Oostdijk 50 Oud-Beijerland
2
WETTELIJK KADER 2.1
Algemeen
De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een industrieterrein, weg of spoorweg, zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeerslawaai is hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing, voor industrielawaai geldt dat hoofdstuk V van de Wgh van toepassing is en voor spoorweglawaai is hoofdstuk VII van de Wgh van toepassing. De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen een conform deze wet geldende geluidszone. De grenswaarden (voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare waarde) uit de Wet geluidhinder zijn van toepassing op de geluidsbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (o.a. woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen in het water, scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen). In artikel 1 en artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder is de volgende definitie opgenomen voor het begrip gevel: de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak. In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan: a.
een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in de NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.
b.
Daarnaast gelden voor de verschillende geluidgevoelige ruimten in de verschillende geluidgevoelige bestemmingen, afhankelijk van het gebruik van de ruimte, afwijkende normen met betrekking tot de toelaatbare geluidbelasting binnen deze ruimten. 2.2