CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid

Beeldvormende bijeenkomst 30 september 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Initiatiefvoorstel Dierenwelzijn (presentatie)17.141 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een onafhankelijke gedragstest kan uitsluitsel geven over de vraag of een dier een risico vormt voor de omgeving. Naast dat het protocol zich richt op de directe betrokkenen van een (dreigend) bijtincident, is het van belang dat er voor de gemeente zelf heldere stappen doorlopen worden voor goede registratie van incidenten en daaraan gerelateerde informatie over het voorval, de omstandigheden, de betrokkenen, de ernst van het letsel etc. Deze gegevens zijn essentieel voor analyse en het treffen van preventieve maatregelen. Mocht er in de toekomst sprake zijn van een landelijk meldpunt, zorg dan dat de lokale registratie hierop aansluit. Dit ondersteunt een uniforme aanpak en verbetert inzicht in de omvang en aard van bijtincidenten. Aanbeveling 4.22: Stel een protocol op waarin helder wordt wat betrokken partijen kunnen doen en verwachten na een bijtincident. Aanbeveling 4.23: Zorg voor een heldere en gestructureerde registratie van bijtincidenten inclusief relevante omstandigheden van het voorval.

4.6. Handhaving bij overlast of gevaar van dieren Handhaving van dierenwelzijn is in principe geen verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente kan wel eisen stellen op het gebied van openbare orde en veiligheid die indirect hun weerslag hebben op het dierenwelzijn via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Deze eisen kunnen worden vastgelegd in de vergunningverlening voor bijvoorbeeld een evenement waarbij dieren worden gebruikt (zie paragraaf 5.1). Bij overtreding van deze eisen kan een volgende keer de vergunning niet verstrekt worden. Het is daarnaast gebruikelijk om in de APV een verbod op overlast door dieren op te nemen, zoals kraaiende hanen of blaffende honden. Hierop kan zo nodig rechtstreeks worden gehandhaafd, zonder tussenkomst van vergunningen. Om de openbare orde te handhaven, kan de gemeente een gevaarlijk dier in beslag nemen, in samenspraak tussen burgemeester en politie. Dit kan opgenomen zijn in de APV, maar ook rechtstreeks op last van de burgemeester gebeuren (artikel 172 lid 3 Algemene wet bestuursrecht).

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

25/46

De Wet aanpak woonoverlast, in de volksmond ook wel de ‘Aso-wet’ genoemd, biedt ook een mogelijkheid om op te treden. In het geval van langdurige overlast kan de burgemeester officiële waarschuwingen en gedragsaanwijzingen geven, als bemiddeling met de buren niets heeft opgeleverd. Stank- en geluidsoverlast kan dan de aanleiding zijn voor de gemeente om effectief in te grijpen in situaties waarbij het welzijn van huisdieren in het geding is. Aanbeveling 4.24: Gebruik de mogelijkheden binnen de Wet aanpak woonoverlast om op basis van stank- en geluidsoverlast in te grijpen als het welzijn van huisdieren in gevaar is.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

26/46

5. VERMAAK WAARBIJ DIEREN ZIJN BETROKKEN Onder ‘dieren ter vermaak’ verstaan we enerzijds dieren in dierentuinen en kinderboerderijen. Anderzijds vallen hier dieren onder die gebruikt worden voor evenementen van tijdelijke aard zoals bij kunst, reclame, promotieactiviteiten, circussen, volksvermaak en tentoonstellingen.

5.1. Evenementen in de gemeente De Dierenbescherming is tegen het gebruik van dieren voor evenementen, omdat het in strijd is met de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en het daarmee degradeert tot een spelobject. Het geeft volwassenen en kinderen bovendien een slecht voorbeeld van de omgang met dieren. Voor educatieve activiteiten kan een uitzondering worden gemaakt, mits de integriteit, gezondheid en het welzijn van de dieren behouden blijven. Volgens de Wet dieren kunnen evenementen met dieren niet zomaar worden gehouden. Zo is het verboden om dieren als prijs, beloning of gift uit te reiken (artikel 2.13) en dierengevechten te organiseren (artikel 2.14). Dit komt boven op de algemene regels rondom dierenmishandeling, waarbij het verboden is om dieren onnodig pijn te doen of hun gezondheid of welzijn aan te tasten (artikel 2.1). Ook kunnen evenementen verstorend zijn voor in het wild levende dieren. Zoals bij een festival of kermis, waarbij er vanaf het moment van opbouwen tot afbouwen geluids- en lichtoverlast is en verstoring door mensen. Geluidsvervuiling kan de communicatie tussen dieren verstoren of onmogelijk maken. Denk hierbij niet alleen aan harde muziek van een evenement, maar ook aan extra verkeersstromen, maai- en snoeiwerkzaamheden en het op- en afbouwen van podia.

Voor veel soorten, zoals vogels, zoogdieren, amfibieën en insecten, is geluid van levensbelang. Zij communiceren via akoestische signalen. Ze kunnen hierdoor moeite hebben met het vinden van prooien, het horen van predatoren of het vinden van een partner. Ze slagen er hierdoor niet in zich voort te planten of hun jongen groot te brengen en trekken soms zelfs weg uit hun oorspronkelijke gebied. Dit kan ongunstig zijn voor hun voortbestaan. Ook is bekend dat bijvoorbeeld vogels door het licht en geluid tijdelijk hun nest verlaten, waardoor eieren mogelijk niet uitkomen of jongen te weinig voedsel krijgen. Het is ook niet voor niets dat binnen en aan de randen van Natura2000 gebieden strengere regels gelden voor geluid, om zo de soorten binnen het gebied te beschermen. Vergunningen Vrijwel alle gemeenten hebben in hun APV een vergunningsplicht voor evenementen opgenomen. De gemeente kan een evenement met dieren verbieden op grond van de openbare orde en veiligheid, of gevaar voor de volksgezondheid. De Dierenbescherming pleit ervoor dat de gemeente bij het verlenen van vergunningen een voorkeursbeleid hanteert voor evenementen waar geen dieren bij betrokken zijn. De gemeente kan dit in de eerste plaats vastleggen in het evenementenbeleid waarop zij haar vergunningverlening baseert. Maar ook verankering in de APV of een aparte beleidsnota voor dierenwelzijn is mogelijk.

De gemeente kan daarin regels opnemen over het aantal toegestane evenementen met dieren of in een natuurgebied, de verhouding tussen evenementen met en zonder dieren, en de periode waarin evenementen zijn toegestaan. Daarnaast kan de gemeente bij het verlenen van een vergunning actief informatie verstrekken over dierenwelzijn op evenementen. De Dierenbescherming kan hierover meedenken.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

27/46

Aanbeveling 5.1: Hanteer een voorkeursbeleid voor evenementen zonder dieren. Aanbeveling 5.2: Wijs geschikte evenementenlocaties aan binnen de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met in het wild levende dieren. Aanbeveling 5.3: Verstrek informatie over dierenwelzijn op evenementen bij een vergunningaanvraag.

5.1.1. Circussen Op grond van de Wet dieren is het verboden om bepaalde wilde zoogdieren in een circus of een ander optreden te gebruiken (zie artikel 4.14 Besluit houders van dieren). Dit is geen totaalverbod: huisdieren, paarden, kamelen en diverse andere soorten zijn vooralsnog wel toegestaan. De Dierenbescherming vindt dat dieren geen plek hebben in het circus en bepleit dat gemeenten de voorkeur geven aan circussen zonder dieren. Aanbeveling 5.4: Hanteer een voorkeursbeleid voor circussen zonder dieren.

5.1.2. Levende kerststallen Bij levende kerststallen is er meestal sprake van een provisorisch, zeer beperkt onderkomen. Door de tijdelijke huisvesting raken de behoeften van de dieren in gedrang. Ze kunnen zich bijvoorbeeld niet op natuurlijke wijze gedragen en raken gestrest door muziek, drukte en lawaai. Daarnaast voldoen kerststallen vaak niet aan veiligheidsnormen, waaronder die voor brandveiligheid. Het risico op brand is groot door de aanwezigheid van stro en hooi, met mogelijk gruwelijke gevolgen voor mensen en dieren. Kerststallen krijgen de dieren vaak aangeleverd door dierenverhuurbedrijven, die soms geen professionele begeleiding hebben of het dier vaker verhuren dan het aankan. De Dierenbescherming pleit ervoor dat gemeenten kiezen voor alternatieve kerststallen zonder levende dieren. Wanneer de gemeente toch een kerststal met levende dieren toestaat, moeten er strenge voorwaarden gelden voor de huisvesting en verzorging van de dieren. Dit om het dierenwelzijn te borgen. Aanbeveling 5.5: Sta alleen kerststallen zonder levende dieren toe. Indien het gebruik van dieren toch wordt toegestaan, dan alleen onder strenge voorwaarden voor huisvesting en verzorging.

5.1.3. Vuurwerk Veel dieren ondervinden ieder jaar weer angst en stress van het vuurwerkgeknal en de lichteffecten. Ieder jaar zijn er (dodelijke) slachtoffers te betreuren onder zowel huisdieren en voor de hobby gehouden landbouwdieren, als voor dieren die in het wild leven. In het voorjaar van 2025 stemde een meerderheid van de Tweede Kamer voor een (totaal-)verbod op consumentenvuurwerk. Een enorme winst voor de dieren. Het verbod zal echter nog niet in 2025 ingaan. Voor de jaarwisseling 2025/2026 kunnen gemeenten nog vuurwerkvrije zones aanwijzen, zoals plekken waar veel dieren bij elkaar zitten. Denk aan dierenopvangcentra, kinderboerderijen en maneges, maar ook aan parken en andere recreatiegebieden. Als alternatief kan de gemeente op een geschikte plek een centraal aftelmoment organiseren met feestelijke alternatieven voor vuurwerk, zoals een droneshow. Er wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om het afsteken van vuurwerk mogelijk te maken voor speciale verenigingen. Aanbeveling 5.6: Houd rekening met dieren bij het aanwijzen van vuurwerkvrije zones.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

28/46

5.2. Overig vermaak met dieren Jaarlijks worden tal van evenementen, zoals kermissen of braderieën, ‘opgeleukt’ met dieren. Voorbeelden hiervan zijn kamelen- en struisvogelraces, roofvogelshows, paardenmarkten en ponyritjes voor kinderen. Bij huwelijken laat men soms sierduiven los, die vaak hun weg niet terugvinden, onderweg gewond raken of totaal uitgeput ergens aankomen. Al deze vormen van vermaak met dieren hebben ernstige gevolgen voor het dierenwelzijn. Vergunningen voor dit soort evenementen zouden dan ook niet verleend mogen worden. Gemeenten kunnen via de APV wel specifieke aanvullende voorwaarden stellen aan evenementen als roofvogelshows en paardenmarkten. Helaas heeft de gemeente op dit moment niet rechtstreeks een bevoegdheid op grond van ‘dierenwelzijn’. Dergelijke aanvullende regels zullen dus meer indirect beargumenteerd moeten worden op grond van openbare orde (overlastbeperking), veiligheid of volksgezondheid. Ook kan de gemeente evenementen met dieren uitsluiten van subsidies. Aanbeveling 5.7: Ontmoedig de organisatie van evenementen met dieren, zoals levende kerststallen, struisvogelraces, roofvogelshows en paardenmarkten door via de APV aanvullende voorwaarden te stellen. Paardenmarkten Specifiek op het gebied van paardenmarkten heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een aangescherpt protocol beschreven, bedoeld als handvat voor de gemeenten.

Aanbeveling 5.8: Gebruik bij het afgeven van een vergunning voor een paardenmarkt het door de Raad van Dierenaangelegenheden aangescherpte protocol voor paardenmarkten.

5.3. Kinderboerderijen Er zijn in Nederland een kleine 600 kinderboerderijen, met naar schatting tussen de 25 en 30 miljoen bezoekers per jaar6. Ze hebben een recreatieve en educatieve functie en brengen hun bezoekers in aanraking met gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren, de natuur, hun omgeving en elkaar. De Dierenbescherming is voorstander van het bestaan van kinderboerderijen of stadsboerderijen, mits het welzijn van de aanwezige dieren leidend is voor de inrichting en het educatieve gebruik. Het in contact brengen van kinderen en volwassenen met dieren is dan ook belangrijk voor het leren omgaan met en het denken over dieren. Een goed ingerichte kinderboerderij kan namelijk worden benut voor educatie en als voorbeeld fungeren voor het houden van huisdieren. Denk aan de omvang en inrichting van een knaagdierenverblijf en de sociale behoeften van een dier waarmee huisdierbezitters rekening moeten houden. Dierenwelzijnsproblemen Het is van belang dat de gezondheid, het welzijn en de integriteit van de dieren in een kinderboerderij niet worden aangetast. Op kinderboerderijen of stadsboerderijen kunnen zich gemakkelijk dierenwelzijnsproblemen voordoen, door de belangen van het dier ondergeschikt te maken aan die van de mens.

Het gaat hierbij onder andere om huisvesting, verzorging, toezicht, hygiëne, fokbeleid en de 6 vSKBN, Brancheorganisatie voor kinderboerderijen, september 2017. Meer info: www.kinderboerderijen.nl.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

29/46

vraag of het dier geschikt is om op een kinderboerderij te houden. De verzorging van de dieren moet dan ook in handen zijn van een gediplomeerd en vakbekwaam medewerker, die ook toezicht houdt op het contact tussen mensen en dieren. Afspraken hierover staan in een protocol. Door goede voorlichting, begeleiding en toezicht, kan de omgang met de dieren op een diervriendelijke manier verlopen. Uitsluitend huis- en hobbydieren Niet iedere diersoort is geschikt om op een kinderboerderij te houden. Exotische en wilde (niet gedomesticeerde) dieren horen hier bijvoorbeeld niet thuis. De Dierenbescherming vindt dat alleen de bekende huis- en hobbydieren, zoals cavia’s, konijnen, pony’s, varkens, kippen en ganzen op kinderboerderijen mogen worden gehouden. De dieren moeten een geschikt karakter hebben en gewend zijn aan het contact met mensen, anders levert dit te veel angst en stress op voor de dieren. Het is onacceptabel om door middel van ingrepen de dieren geschikt te maken voor het gebruik op een kinderboerderij. De Dierenbescherming is geen voorstander van de uitzondering die landelijk is gemaakt voor het laten voortbestaan van hertenkampen (terwijl betreffende hertensoorten niet zijn opgenomen op de huis- en hobbydierenlijst voor te houden zoogdiersoorten - ‘positieflijst').

We bevelen dus aan, géén (nieuwe) situaties met in gevangenschap gehouden herten te creëren, Afspraken Omdat er veel komt kijken bij het verantwoord runnen van een kinderboerderij, dient de gemeente het oprichten en beheren van een kinderboerderij slechts onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Los van de formele voorwaarden in de betreffende vergunning, kunnen er nog aanvullende afspraken worden gemaakt in het kader van een subsidierelatie. Ook kan de gemeente een overeenkomst sluiten met de exploitant met aanvullende afspraken zoals: Aanbeveling 5.9: Sta het oprichten en beheren van een kinder- of stadsboerderij slechts onder bepaalde voorwaarden toe, waaronder het uitsluitende gebruik van bekende hobbydieren. Zie erop toe dat het welzijn, de gezondheid en lichamelijke integriteit van de dieren zijn gewaarborgd. Aanbeveling 5.10: Er worden geen nieuwe oprichtingen van hertenkampen gestimuleerd, daar zij momenteel uitsluitend bij uitzondering van de wet een bestaansrecht hebben. Aanbeveling 5.11: Zet structurele interdisciplinaire samenwerkingen op en ontwikkel een robuust educatieplan, waarbij ook controle op uitvoering, preventie en tijdige bijsturing integraal onderdeel uitmaken van het beleid.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

30/46

6. IN HET WILD LEVENDE DIEREN Ook voor het welzijn van in het wild levende dieren kan de gemeente een belangrijke rol spelen. De kwaliteit en kwantiteit van de leefgebieden, maar ook directe mens- dierinteracties zijn bepalend voor het welzijn van wilde dieren binnen gemeentegrenzen. Denk hierbij aan handelingen zoals bouw, groenbeheer, jacht en omgang met ‘overlast’ en schade door wilde dieren. Rol van de gemeente Gemeenten zijn in bezit van eigen gronden en kunnen rekening houden met het welzijn van wilde dieren die leven op deze gronden. Bijvoorbeeld door het opstellen van pachtcontracten waarin eisen gesteld worden aan het gebruik en de inrichting van het gebied. Daarnaast kan een gemeente beperkingen stellen aan handelingen die het welzijn van in het wild levende dieren aantasten. Tot slot kan een gemeente in haar beleid rekening houden met dierenwelzijn, bijvoorbeeld als het gaat over de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte en de omgang met dieren die zich hierin bevinden. Hierbij kan de gemeente ook inzetten op informatievoorziening richting haar inwoners.

6.1. Jacht, faunabeheer en schadebeperking 6.1.1. Wetgeving Jacht De Omgevingswet beschrijft wie mag jagen en met welke middelen dit is toegestaan. Onder jacht wordt volgens de Omgevingswet verstaan: het bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild, of een poging daartoe doen. De Omgevingswet merkt vijf diersoorten aan als vrij bejaagbaar: haas, fazant, wilde eend, konijn en houtduif. Tijdens de periode van openstelling van de jacht is het toegestaan op deze soorten te jagen. De gemeente kan ‘het genot van de jacht’ op gemeentegronden verhuren. Uitvoeringsregels over de jacht c.q. ‘jachtgeweeractiviteiten’ zijn te vinden in het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling, Faunabeheer en schadebeperking In principe genieten alle in het wild levende dieren enige basisbescherming op grond van de algemene zorgplichten7. Een groot aantal (inheemse) diersoorten valt daarnaast onder een van de drie verschillende (hoofd)beschermingsregimes in de natuurbeschermingswetgeving. Daaruit volgen specifieke beschermingsregels, die kunnen variëren van een ‘lichter’ beschermingsregime tot ‘zware’ bescherming. Dit laatste met name voor inheemse vogels en bepaalde, vanuit internationaal perspectief gezien bedreigde soorten. Voor zowel beheer als schadebeperking is daarmee het ‘nee, tenzij’-beginsel leidend in de Omgevingswet, waarin soortenbescherming het uitgangspunt is.

In het geval van schadebeperking betekent dit dat dieren niet gedood worden, tenzij er redelijkerwijze echt geen enkele andere mogelijkheid is.

7 In de Wet dieren (artikelen 1.4 en 2.1 lid 6 en 7), alsmede op grond van de Omgevingswet (artikel 1.3 benoemt de

‘intrinsieke waarde van de natuur' waaronder begrepen dieren, en artikel 1.6 legt een algemene zorgplicht neer, daarnaast artikelen 11.6 lid 1 en 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving) en de regels over dierenmishandeling (inclusief de hiervoor vermelde plicht om hulpbehoevende dieren te helpen) in artikel 2.1 van de Wet dieren.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

31/46

De verantwoordelijkheid voor het bepalen van het wolvenbeleid ligt primair bij de provincies. Zij maken in het Interprovinciaal Wolvenplan gezamenlijk afspraken over monitoring, tegemoetkoming bij landbouwschade. De uitvoering van dit beleid ligt bij BIJ12/IPO. Gemeentes krijgen met wolven te maken als een wolf een acute bedreiging voor de veiligheid is. In dat geval kan de burgemeester op grond van de Gemeentewet de politie vragen het agressieve dier te doden8. Vergunningen, vergunningvrije gevallen en opdrachten Ten behoeve van beheer en schadebestrijding kan van de wettelijk geldende bescherming worden afgeweken als bepaalde belangen in gevaar zijn. Voorbeelden van mogelijke uitzonderingsgronden zijn de verkeers- en vliegveiligheid, volksgezondheid of het voorkomen van schade aan gewassen en dieren. Dit wordt middels vergunningen en vrijstellingen geregeld op landelijk en provinciaal niveau.

6.1.2. Jacht, beheer en schadebeperking in de gemeente Gemeenten verhuren gronden voor de benuttingsjacht. Vaak omdat het als enig alternatief voor schadebeperking wordt gezien Er zijn echter voldoende alternatieven om via diervriendelijke maatregelen gewasschade tegen te gaan. Bovendien bestaat er een wettelijk afwegingskader waardoor het doden van dieren ten behoeve van schadebestrijding mogelijk is, zonder daarbij gebruik te (‘hoeven') maken van de jacht. De benuttingsjacht is niet nodig om mensen van voedsel te voorzien. Bovendien verkeren alle op de wildlijst voorkomende vrij bejaagbare soorten in een ongunstige staat van instandhouding. De Dierenbescherming neemt, net zoals wettelijk is gesteld, bescherming van dieren als vertrekpunt, waar bij dusdanige overlast en/of schade het doden van dieren het allerlaatste inzetbare middel mag zijn. Jacht, schadebestrijding, populatiebeheer en alle hieraan gerelateerde activiteiten, veroorzaken onrust onder de bejaagde soort én andere diersoorten; verstoring ten tijde van rust voor de dieren of juist tijdens het foerageren. Ook het meemaken van een schot geeft stress voor de dieren in de nabije omgeving. Jacht op ouderdieren kan ertoe leiden dat jongen zonder ouders een langzame dood sterven. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn brengt jacht veel negatieve gevolgen met zich mee.

Zie ook (Diervriendelijkere aanpak dieren in het wild. Omgang met schade en overlast van dieren moet gericht zijn op preventie in plaats van op het doden van dieren. Zie de preventiekit van BIJ12 voor alternatieven en preventieve maatregelen. Aanbeveling 6.1: Sta benuttingsjacht op de eigen gemeentegronden niet toe door het jachtrecht in pachtcontracten uit te sluiten, en verleng geen aflopende jachthuurovereenkomsten.

8 Zie hierover de VNG-brochure Wolf in uw gemeente https://vng.nl/sites/default/files/2024-03/handelingsperspectief-

wolf-in-uw-gemeente.pdf en het artikel in VNG Magazine De burgemeester en de wolf | VNG En en De wolf in Nederland | Dossiers | Kennispunt lokale politieke partijen.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

32/46

6.1.3. Alternatieven De gemeente heeft als taak de openbare ruimte te beheren en te onderhouden. Wanneer mensen eventuele overlast ervaren door dieren die in deze ruimte in het wild leven – zoals boerenganzen, bruine ratten, stadsduiven, meeuwen, steenmarters, verwilderde katten en konijnen – is het aan de gemeente om dit op te pakken. Het voert te ver om elke diersoort en de daarvoor beschikbare diervriendelijke oplossingen te bespreken. Voor meer specifieke (diergerichte) aanbevelingen kunnen gemeenten contact opnemen met de Dierenbescherming. Allereerst is het belangrijk dat een gemeente bepaalt of er daadwerkelijk sprake is van overlast. De gemeente kan eventuele gevoelens van overlast bij burgers wegnemen door goede voorlichting te geven over aanwezige diersoorten en hun positieve kanten. Dit draagt bij aan een harmonieuze co-existentie van mensen en dieren binnen gemeentegrenzen.

Voor de publiekscampagne ‘Verrekte nuttig die dieren’ van de gemeente Groningen werd een handboek opgesteld met dierenpaspoorten van de meest voorkomende ‘overlastgevende’ dieren in de gemeente (Handboek mens-dierrelaties). Het handboek wordt gebruikt door de 'plaagdierenbestrijding' van de gemeente, maar geeft ook een handleiding aan inwoners over hoe zij (preventief) met mens-dierconflicten om kunnen gaan. Van elk dier wordt beschreven wat hun eigenschappen zijn, hun nut in het ecosysteem, de mens-dierrelatie en hoe wij mensen met deze dieren omgaan. Preventieve maatregelen, zoals het vergroten van kennis, zijn het meest effectief. Door het creëren van begrip voor het gedrag van dieren wordt (ervaren) overlast voor mens en dier in veel gevallen voorkomen.

Mocht er toch sprake zijn van het ervaren van overlast, dan zijn vaak simpele maatregelen al voldoende om ervaren overlast te beperken. Sommige gemeenten kiezen bijvoorbeeld voor een voerverbod. Op plekken waar veel voedsel is, zoals een snackbar waar mensen etensresten laten slingeren, kan advies over het gebruik van betere prullenbakken of ondergrondse containers overlast verminderen. Overlast door knaagdieren in woningen vermindert door woningen goed na te lopen op gaten en kieren en deze te dichten. Aanpassingen aan de leefomgeving kunnen uitkomst bieden. Gemeenten kunnen hier voorlichting over geven. Hierdoor worden dieren rondom de woning meer geaccepteerd worden en door preventief handelen ervaren mensen minder overlast. Vangen en verplaatsen Als alle preventieve omgevingsmaatregelen genomen zijn, maar de overlast niet voldoende is weggenomen, kan de gemeente overwegen om dieren te vangen en te verplaatsen. In het geval van beschermde diersoorten is hiervoor een vergunning nodig. Voor het welzijn van de dieren en ter voorkoming van publieke verontwaardiging en onvrede, is het belangrijk te zoeken naar een betrouwbare uitvoerder die de dieren onderbrengt op een goede plek. Bovendien is het, zoals bij boerenganzen, van belang om te voorkomen dat de populatie weer uitgroeit. Dit kan door nesten van deze dieren diervriendelijk te laten beheren.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

33/46

Neutraliseren in plaats van doden Het neutraliseren van dieren om de populatie te stabiliseren of af te laten nemen, is ook een methode om overlast van kleine populaties dieren te beperken. Het neutraliseren van verwilderde katten en de duivenpil zijn hier voorbeelden van (zie hierna paragraaf 6.2).

6.1.4. Geïntegreerde plaagdierbeheersing (Integrated Pest Management, IPM) Het doden van knaagdieren, zoals ratten en muizen, gebeurt door particulieren en dierplaagbeheersers. Sinds 2023 is het voor particulieren niet meer toegestaan om gif te gebruiken, en kan gif enkel onder voorwaarden worden ingezet door een gecertificeerd dierplaagmanagementbedrijf. Het inzetten van middelen die onnodig leed veroorzaken, zoals gif en lijmplaten, is onacceptabel, ook vanwege de risico’s voor andere dieren zoals huisdieren (honden en katten) en andere wilde dieren zoals roofvogels. De gemeente kan haar inwoners informeren over geïntegreerde plaagdierbeheersing, het nemen van preventieve maatregelen en het diervriendelijk oplossen van overlast. Ook kan ze met de inrichting van het gemeentelijk groen rekening houden met de aantrekkende of juist afschrikkende werking op wilde dieren. Zie voor meer informatie onze dossierpagina Diervriendelijk overlast van muizen en ratten bestrijden. De gemeente Utrecht informeerde haar inwoners met de campagne ‘Rat in de stad’. Op de website van Milieu Centraal is de toolkit ‘Voorkom een plaag, begin vandaag’ te downloaden, met voorlichtingsmateriaal om burgers te informeren. Deze toolkit is speciaal ontwikkeld voor gemeenten en woningbouwcoöperaties vanuit het overheidsprogramma IPM door diverse organisaties, waaronder de Dierenbescherming.

Aanbeveling 6.2: Voorzie inwoners van informatie over dieren in hun omgeving. Aanbeveling 6.3: Neem waar mogelijk als alternatief voor het doden van dieren, diervriendelijke maatregelen ten behoeve van het voorkomen van schade en verkeersongevallen binnen de gemeente. Aanbeveling 6.4: Geef informatie aan burgers over diervriendelijke manieren van het beperken van schade en overlast en leg daarbij de nadruk op acceptatie van dieren en het nemen van preventieve maatregelen.

6.2. Verwilderde katten In Nederland leven in het wild geboren en verwilderde huiskatten die buitenshuis leven en geen eigenaar hebben of niet door een eigenaar worden opgeëist. Ze zijn mensenschuw en leven op plekken waar voedsel te vinden is, zoals woonwijken, vakantieparken, restaurants, industrieterreinen en in natuurgebieden. Vaak worden ze gevoerd door mensen uit de buurt. Hoe meer voedsel en nestplekken, hoe meer katten. Waar meer voedsel is, leven deze katten meestal in groepen (sociaal). In het buitengebied is het voedselaanbod vaak beperkt en leven verwilderde katten meestal alleen (solitair) en in lage dichtheden.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

34/46

TNR-methode Binnen de bebouwde kom kan de zogeheten TNR-methode bijdragen aan het voorkomen en verminderen van overlast door verwilderde katten: het vangen (Trap), castreren of steriliseren (Neuter) en weer terugzetten (Return) van katten. Hierbij kan het plaatselijke asiel ondersteuning bieden. Het vangen gebeurt met speciale vangkooien tijdens gerichte acties . Voorafgaand worden buurtbewoners verzocht om de zwerfkatten niet te voeren en hun eigen kat binnen te houden of te onderscheiden met een halsbandje. De gecastreerde of gesteriliseerde katten worden bij voorkeur weer teruggeplaatst in hun oude leefomgeving. Teruggeplaatste dieren veroorzaken veel minder overlast en voorkomen dat er plaats komt voor nieuwkomers. Indien de methode consequent wordt toegepast, kan de populatie stabiel worden gehouden. Het is hierbij echter wel van belang dat aanwas zoveel mogelijk wordt beperkt door het chippen en castreren van huiskatten. Voorlichting kan hierbij helpen. Aanbeveling 6.5: Bied financiële ondersteuning aan de TNR-methode om te zorgen dat verwilderde kattenpopulaties niet verder uitbreiden en stabiliseren.

6.3. Hengelsport In Nederland is hengelen op veel zoetwatervissen toegestaan en populair. Hierbij is – vaak door onwetendheid – het dierenwelzijn in het geding. Hoewel de intentie veelal is om de vis levend terug te plaatsen, blijkt uit onderzoek dat gemiddeld 18% van de gevangen vis sterft. Vissen ervaren, net als mensen en andere gewervelde dieren, pijn en stress. De Dierenbescherming is dan ook tegen hengelen en is van mening dat de hengelsport een vorm is van niet-noodzakelijk dierenleed. Vissen moeten zoveel mogelijk met rust worden gelaten.

6.3.1. Hengelsport en dierenwelzijn Vissen ervaren – net als andere dieren en mensen – stress, angst en pijn. Het vangen van vissen met een hengel heeft directe gevolgen voor het welzijn van een vis. De haak veroorzaakt pijn, met name wanneer deze wordt ingeslikt of hardhandig wordt verwijderd. Ook kan het beetpakken van de vis de slijmlaag aantasten en leidt het bewaren van vis in leefnetten, net als het (onkundig) doden, tot pijn en angst. Daarnaast heeft hengelen indirecte gevolgen voor dierenwelzijn, zoals het verboden gebruik van levend aas, het veroorzaken van loodvergiftiging bij vogels bij loodgebruik en het risico voor vogels en andere dieren op verstrikking in losgeraakt of verloren visdraad of het inslikken van een vishaak. Elke gevangen vis valt onder de beschikkingsmacht van de mens. Daarom is de Wet dieren van kracht vanaf het moment dat een vis wordt gevangen en deze letterlijk ‘in handen’ is van de hengelaar. De zorgplicht die volgt uit de Wet dieren is dan ook van toepassing en het is verboden om zonder redelijk doel bij een vis pijn of letsel te veroorzaken of de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

6.3.2. De gemeente en hengelsport De hengelsport is door de Rijksoverheid in de Visserijwet 1963 geregeld. Dit betekent dat de gemeente geen nadere regels ten aanzien van hengelen kan stellen, maar wel kritisch kan zijn bij het afgeven van een vergunning voor een visevenement. De gemeente kan daar waar ze eigenaar is van water of oevers, het hengelen verbieden en een overeenkomst met een hengelsportvereniging niet verlengen. De gemeente kan in het kader van natuur- en milieueducatie in samenwerking met natuur- en dierenbeschermingsorganisaties voorlichting geven over het onderwaterleven. De Dierenbescherming pleit ervoor dat deze educatie plaatsvindt zonder de vissen daarbij te verstoren.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

35/46

Aanbeveling 6.6: Verpacht geen (vis)water aan hengelsportverenigingen. Aanbeveling 6.7: Organiseer samen met natuur- en dierenbeschermingsorganisaties voorlichting over de leefwijze en het gedrag van vissen.

6.4. Ruimtelijke ingrepen In iedere gemeente, zelfs binnen de bebouwde kom, leeft een groot aantal dieren in het wild. Deze dieren dragen bij aan een levendige en groene gemeente en dit is een reden om hun aanwezigheid te bevorderen door het nemen van indirecte maatregelen zoals de aanleg en het onderhoud van een diervriendelijke omgeving. Iedere diersoort stelt specifieke eisen aan zijn leefomgeving. Er zijn soorten die hun hele leven doorbrengen in bossen en struwelen. Andere dieren gebruiken deze plekken bijvoorbeeld alleen om in te broeden en zoeken hun voedsel bijvoorbeeld in open gebieden. Weer andere dieren zijn te vinden bij grazige vegetaties, bij water of voelen zich bijzonder goed in en bij gebouwen. In de praktijk komen veel dieren in het nauw door nieuwbouw van bedrijven, woningbouw, sloop, wegaanleg en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het is echter ook mogelijk ruimtelijke ingrepen zo vorm te geven dat deze de leefomstandigheden van dieren verbeteren en op termijn een positief effect hebben op de diersoort. Denk hierbij ook aan de invloed van lichtvervuiling op het welzijn van dieren. Rol van de gemeente Wanneer de gemeente plannen ontwikkelt voor ruimtelijke ingrepen of, is het belangrijk vooraf goed mogelijk nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten te onderzoeken.

Het is belangrijk dat de gemeente goed veldonderzoek laat verrichten naar de aanwezigheid van dieren in en nabij het plangebied. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van het Natuurloket 9 en de soortendatabase van het ministerie van LVVN kunnen een hulpmiddel zijn ter voorbereiding op het veldonderzoek10. Naast het in kaart brengen van beschermde planten en diersoorten dient het plan in overeenstemming te zijn met de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. In aanvulling hierop zijn de geldende gedragscodes van groot belang voor de borging van optimaal dierenwelzijn 11. Aanbeveling 6.8: De gemeente zorgt ervoor dat diegenen die ruimtelijke ingrepen doen of hierbij betrokken zijn, goed op de hoogte zijn van de geldende gedragscode en volgens deze gedragscode werken.

9 https://www.ndff.nl/. 10 De overheid heeft een gedetailleerde brochure opgesteld over soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Hierin

staat stapsgewijs beschreven wat met het oog op soortenbescherming, nodig is in het geval van bijvoorbeeld bouwplannen of onderhoudswerkzaamheden in de openbare ruimte. In het kader van de omgevingsvergunningverlening (loketfunctie) en het onderhoud van de openbare ruimte, speelt de gemeente op dit gebied een belangrijke rol. WUR002 Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen v1.3 Basis voor online 2016-12-14. 11 Overzicht gedragscodes | RVO.nl.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

36/46

Aanbeveling 6.9: De gemeente treft bij ruimtelijke ingrepen zo veel mogelijk compenserende en/of mitigerende maatregelen, waardoor schade aan flora en fauna verder wordt beperkt.

6.4.1. Omgevingsplan en -visie en bevordering van het dierenwelzijn In een omgevingsplan en -visie (voorheen: bestemmingsplan) moet de gemeente alle relevante belangen inventariseren en tegen elkaar afwegen. De bescherming van dieren die in het plangebied voorkomen, is hier onderdeel van. Aanbeveling 6.10: Besteed in omgevingsplan en -visie aandacht aan soortenbescherming.

6.4.2. Kappen, snoeien en maaien Inheemse vogels en hun nesten en eieren zijn beschermd op grond van de Omgevingswet. Dit betekent dat het te allen tijde verboden is om bomen en struiken te kappen of snoeien als hierin een nest in gebruik is (nestelen, broeden, jongen aanwezig), of dat er een jaarrond beschermd nest – in de betekenis van ‘vaste rust-, broed- of verblijfplaats’ – aanwezig is12. Voorafgaand aan werkzaamheden moet worden onderzocht of er broedende/nestelende vogels of eventueel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. In de praktijk blijkt echter dat het moeilijk is om de nesten tijdig op te sporen en dat invloeden van kap- en snoei-activiteiten niet beperkt blijven tot de betreffende boom of struik zelf. In aanvulling op de inventarisatie pleit de Dierenbescherming daarom voor een algeheel kap- en snoeiverbod in de periode van tenminste 15 maart tot en met 15 juli. Dit is de periode waarin de meeste vogels broeden. De Omgevingswet kent verder dus nadrukkelijk niet een ‘vast broedseizoen’. Aanbeveling 6.11: Inventariseer altijd voorafgaand aan kap- en snoeiwerkzaamheden of er broedende vogels of jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Aanbeveling 6.12: Neem in het eigen groenbeleid op dat er geen snoei- en kapactiviteiten plaatsvinden van tenminste 15 maart tot en met 15 juli.

6.4.3. Maatregelen rondom (water)wegen Verkeersmaatregelen ter bescherming van dieren Met het oog op de bescherming van in het wild levende dieren kunnen gemeenten verkeersbesluiten nemen voor de wegen die zij beheren. De gemeente kan bijvoorbeeld wegen afsluiten in verband met de paddentrek, hekwerken of wildsignaleringssystemen plaatsen of de maximumsnelheid beperken om overstekende dieren te beschermen. Met tunnels en bruggen (ecoducten) kan de gemeente versnipperde natuur weer ‘ontsnipperen’ zodat dieren zich veilig kunnen verplaatsen en naar andere gebieden kunnen trekken. Ook het aanwijzen van rustgebieden kan helpen tegen wildaanrijdingen 13.

12 Zie: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/Lijst-jaarrond-beschermde-vogelnesten.pdf. 13 Zie voor meer informatie

www.dierenbescherming.nl/wildaanrijdingen, www.ontsnippering.nl en https://www.dierenbescherming.nl/actueel/samenwerking-en-maatwerk-sleutel-tot-verlagen-aantal-aanrijdingenree%C3%ABn.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

37/46

Hoge stoepranden kunnen worden aangepast zodat ze geen barrière meer vormen voor reptielen en amfibieën. Mocht aanpassing van de stoep (nog) niet mogelijk zijn, kunnen er in goten en putten maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat reptielen en amfibieën vast komen te zitten of juist in straatkolken wegspoelen. Ook wordt er jaarlijks tijdens de paddentrek in heel het land door vrijwilligers geholpen met het veilig laten oversteken van de dieren. Gegevens die verzameld worden door paddenwerkgroepen zijn te vinden op Padden.nu. Ook rondom waterwegen binnen gemeentegrenzen kan de gemeente zich inzetten voor het welzijn van dieren. Bij waterwegen met een steile kant bestaat het risico dat dieren vast komen te zitten en het water niet uitkomen. Dit kan ertoe leiden dat dieren verdrinken. Om dit te voorkomen en dieren te helpen het water uit te komen, kunnen uittreedmogelijkheden geboden worden, zoal trappetjes of touwen. Niet alleen is een veilige omgeving rondom waterwegen van belang voor dieren die onbedoeld te water raken, dit geldt ook voor dieren die in het water leven en te maken hebben met (permanente) obstakels in hun leefomgeving zoals sluizen. Paddenhoektrap - Gemeente Westland biedt inwoners de mogelijkheid gratis een faunatrap of touw aan te vragen. Ook gemeente Lelystad plaatste bijvoorbeeld trapjes en touwen na het verdrinken van meerdere katten.

Gemeente Utrecht installeerde een visdeurbel. Vissen kunnen de Utrechtse Weerdsluis vanaf nu passeren dankzij de visdeurbel. De wereldprimeur moet vissen helpen om makkelijker door de sluis te zwemmen tijdens hun tocht naar een plek om eitjes te leggen en zich voort te planten. Online zijn livebeelden van een onderwatercamera te zien. Bezoekers van de website kunnen op een digitale deurbel drukken als er vissen in beeld zijn. Dit sein gaat naar de sluiswachter, die de deuren kan openen als er veel vissen liggen te wachten.

Aanbeveling 6.13: Neem maatregelen op/in/om (water)wegen en in goten in eigen beheer met het oog op het beschermen van dieren in het wild.

6.4.4. Baggeren Bij de voorbereiding van baggerwerk is het noodzakelijk rekening te houden met de aanwezige (beschermde) dieren en planten. Samenwerking met een ecoloog kan helpen om kwetsbare punten te inventariseren. Vervolgens moet de gemeente een plan maken dat beschrijft wanneer en hoe het best gebaggerd kan worden, afhankelijk van een inventarisatie van de aanwezige fauna. Een vergunning is nodig wanneer het gaat om regulier beheer, gebruik en onderhoud in een gebied waarin andere dan uitsluitend algemene soorten voorkomen, tenzij de gemeente werkt volgens een door het ministerie (RVO) goedgekeurde gedragscode14. Uitvoering van baggerwerkzaamheden kan het beste plaatsvinden in september of oktober; een periode tussen de voortplanting en winterrust van vissen en amfibieën in. Het is belangrijk om gefaseerd en gericht te baggeren, zodat dieren kunnen wennen en rustig naar een andere plek kunnen gaan. Dieren

14 Overzicht gedragscodes | RVO.nl.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

38/46

moeten ontsnappingsmogelijkheden hebben. Vissen kunnen eventueel worden teruggezet of verplaatst, als afdoende rekening wordt gehouden met de temperatuur van het water. Aanbeveling 6.14: Verplicht de baggeraar contractueel om preventieve maatregelen te nemen die leed ten aanzien van vissen en andere dieren in de sloot voorkomen, bij het geven van een opdracht tot het droogleggen of uitbaggeren van een sloot.

6.4.5. Beschermen van flora en fauna in de gemeente Een gemeente kan als beheerder van parken, plantsoenen en overig openbaar groen allerlei maatregelen nemen ter bescherming van de dieren die in deze gebieden leven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan diervriendelijke middelen voor het bestrijden van onkruid, uittreedplaatsen bij grachten en het creëren van aflopende oevers in plaats van een hoge beschoeiing. Bloeiende oevers en wegbermen vormen een thuis voor veel soorten insecten wat weer allerlei vogels aantrekt. Ook kan een gemeente de aanwezigheid bevorderen van insecten- en slakkenetende dieren, zoals egels. Met zulke maatregelen stemt een gemeente het beheer van het gemeentelijk groen af op natuurontwikkeling en op de bescherming van de dieren en hun leefgebieden. Tot slot kan de gemeente haar inwoners informeren en helpen mee te helpen door het geven van voorlichting over het samenleven met wilde dieren, of een subsidie voor het vergroenen van de tuin. Zie hiervoor ook onze tips op www.dierenbescherming.nl/tuintips. Bijdragen aan ecologische structuur Het beheer van openbaar groen kan ook bijdragen aan de vorming van een ecologische infrastructuur tussen terreinen die uit natuuroogpunt waardevol zijn. Verbindingszones waarlangs dieren zich kunnen verplaatsen zijn onmisbaar voor de natuur in het stedelijke gebied.

Het kunnen wisselen van gebied is niet alleen van belang voor het overleven van individuele dieren, maar ook voor de instandhouding van de populatie. Voorbeelden van ecologische infrastructuur zijn lintvormige beplantingen, niet gemaaide oeverkanten en bermen voor insecten en kleine dieren, viaducten en tunnels voor dieren bij drukke verkeerswegen. Integrale visie openbaar groen vastleggen in plan De gemeente dient haar integrale visie voor de langere termijn voor het openbaar groen vast te leggen in een plan, zoals een natuurontwikkelingsplan of een groenstructuurplan. Een belangrijk onderdeel van zo’n plan is een inventarisatie van de verschillende in de gemeente levende dieren en hun leefgebieden. Op basis van deze inventarisatie is het mogelijk de natuurwaarde van de verschillende gebieden in de gemeente vast te stellen en doelstellingen te formuleren. Bovendien zal het plan maatregelen en voorstellen moeten bevatten om deze doelstellingen te realiseren. Aandacht voor het ecologisch ontwerpen van nieuwbouwwijken is hier een voorbeeld van. Maar ook het aanpassen van groenbeheer en groeninrichting, zodat natuurlijke processen een kans krijgen en bestaande groenvoorzieningen natuurlijker worden, draagt bij aan het behalen van de doelstellingen.

Aanbeveling 6.15: Gebruik geen gif ter bestrijding van ongewenste kruidengroei en geef prioriteit aan natuurontwikkeling door bijvoorbeeld de aanleg van bloemrijke bermen, plaatsing van nestkasten en het creëren van ecologische infrastructuur.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

39/46

Aanbeveling 6.16: Leg een integrale visie op openbaar groen voor de langere termijn vast in bijvoorbeeld een natuurontwikkelingsplan of groenstructuurplan.

6.4.6. Natuurinclusief bouwen Een omvangrijke en kwalitatief goede groenvoorziening binnen de gemeente draagt bij aan een gezonde leefomgeving voor dier en mens. Het is daarom van belang dat de gemeente investeert in uitbreiding en/of verbetering van groen binnen haar grenzen. Stedelijk groen, zoals natuurinclusieve bebouwing, draagt hieraan bij. De gemeente dient integraal om te gaan met natuur inclusief bouwen, door bij haar eigen bouwprojecten rekening te houden met aspecten zoals begroeiing op muren en daken, natuurlijk ingerichte tuinen met insectvriendelijke vegetatie en nest-, slaap-, en foerageerplekken voor vogels en zoogdieren. Meer informatie over natuurinclusief bouwen is te vinden op www.bouwnatuurinclusief.nl. Daarnaast kan de gemeente haar bewoners ondersteunen in – en aansporen tot – het vergroenen van hun eigen woonomgeving door bijvoorbeeld voorlichting over en het subsidiëren van vergroenende dier- en insectvriendelijke maatregelen.

Een voorbeeld van een landelijk project waaraan gemeenten kunnen deelnemen, is het NK Tegelwippen. Bewoners van deelnemende gemeenten kunnen zich aanmelden voor het laten uitwippen van een tegel en krijgen hiervoor een insectvriendelijke plant terug. Niet alleen draagt dit direct bij aan vergroening van de leefomgeving, ook helpt het inwoners bij de bewustwording van het belang van vergroening.

Aanbeveling 6.17: Pas de ambities voor natuurinclusief bouwen integraal toe in de eigen bouwprojecten. Aanbeveling 6.18: Stimuleer en ondersteun bewoners bij het nemen van natuur-, insect- en diervriendelijke maatregelen rondom hun woning door voorlichting, subsidieverstrekking en actieve deelname aan (landelijke) projecten.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

40/46

BIJLAGE I: OVERZICHT VAN ALLE AANBEVELINGEN In deze bijlage treft u een overzicht van alle aanbevelingen uit de nota ‘Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030'. Deze zijn weergegeven per hoofdstuk. Hoofdstuk 2 van de nota omvat een omschrijving van de relevante wetgeving en bevat daarom geen aanbevelingen. Daarom ontbreekt dit hoofdstuk in deze bijlage.

1. Inleiding Aanbeveling 1.1: Stel diervriendelijk beleid op en leg dit vast in een Nota Dierenwelzijn. Aanbeveling 1.2: Benoem een wethouder dierenwelzijn, die verantwoordelijk is voor dierenbeleid en die dierenwelzijn waarborgt. Aanbeveling 1.3: Zorg dat een ambtenaar als aanspreekpunt functioneert. Aanbeveling 1.4: Neem bij het vernieuwen van pachtcontracten voorwaarden op die het dierenwelzijn op gemeentelijke pachtgronden bevorderen.

3. Dierenhulp Aanbeveling 3.1: Maak kostendekkende afspraken in de vorm van dienstverleningsovereenkomsten met dierenopvangcentra en ambulancediensten over de opvang en het vervoer van dieren. Aanbeveling 3.2: Faciliteer het maken van financiële afspraken tussen hulpdiensten en dierenopvangcentra over de opvang van huisdieren in geval van een (gedwongen) opname, arrestatie of huiselijk geweld. Aanbeveling 3.3: Zorg voor financiële ondersteuning voor opvang en vervoer van in het wild levende dieren. Aanbeveling 3.4: Start een publiekscampagne zodat inwoners weten wat ze moeten doen als ze wilde dieren in nood aantreffen. Aanbeveling 3.5: Regel de ruiming van kadavers, onder andere om verspreiding van vogelgriep te beperken. Aanbeveling 3.6: Maak bij het opstellen van beleid rond dierenhulp gebruik van het Dienstenboek van de Dierenbescherming. Aanbeveling 3.7: zorg voor een laagdrempelig aanspreekpunt voor dierenmishandeling enverwaarlozing en communiceer hierover richting inwoners. Aanbeveling 3.8: zorg voor heldere protocollen over de omgang met meldingen en stimuleer

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

41/46

samenwerking met partijen die kunnen helpen bij signalering van misstanden. Aanbeveling 3.9: Neem in het rampen(bestrijdings)plan een passage op over hulp aan dieren. Aanbeveling 3.10: Maak afspraken met de veiligheidsregio en het crisisteam over dierenhulp.

4. Gehouden dieren Aanbeveling 4.1: Zorg voor voorlichting over het houden van huisdieren om dierenleed te voorkomen. Aanbeveling 4.2: Geef op de gemeentelijke website voorlichting over regelgeving en het diervriendelijk houden van hobbydieren. Aanbeveling 4.3: Zorg dat hobbydierhouders de juiste vergunningen krijgen om een schuilgelegenheid/stal te bouwen. Aanbeveling 4.4: Zorg voor een goede informatievoorziening voor dierhouders over adequate bescherming van hun dieren tegen roofdieren en signaleer het gebrek hieraan. Aanbeveling 4.5: Draag actief bij aan de transitie richting een duurzame, dierwaardige veehouderij en faciliteer boeren die hun bedrijf dierwaardig willen maken bij de vergunningverlening. Aanbeveling 4.6: Leg ambities met betrekking tot verduurzamen van de veehouderij binnen gemeentegrenzen vast in beleid. Aanbeveling 4.7: Begeleid veehouders die willen stoppen en faciliteer hen hierbij. Aanbeveling 4.8: Zet waar mogelijk in op het vergroten van de afzet van duurzaam en diervriendelijk geproduceerde producten. Aanbeveling 4.9: Hanteer vanuit een voorbeeldfunctie een inkoopbeleid dat uitsluitend gericht is op duurzaam en diervriendelijk geproduceerde producten. Aanbeveling 4.10: De gemeente informeert en faciliteert sociale hulpverleners om te signaleren en te acteren bij verminderd dierenwelzijn.

Aanbeveling 4.11: De gemeente zorgt ervoor dat signalen, zowel vanuit de hulpverlening als vanuit de gemeenschap, adequaat worden opgevangen en op een veilige en effectieve manier worden opgevolgd. Aanbeveling 4.12: Gemeenten kunnen in hun minimabeleid of in de richtlijnen van de Bijzondere bijstand vastleggen dat inwoners met een laag inkomen een regeling kunnen treffen voor noodzakelijke medische kosten voor hun huisdier. Aanbeveling 4.13: Gemeenten kunnen initiatieven voor een dierenvoedselbank ondersteunen en stimuleren of humane voedselbanken uitbreiden met diervoeding en andere benodigdheden.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

42/46

Aanbeveling 4.14: Gemeenten stimuleren een goede samenwerking met en tussen lokale dierenartsen door het bevorderen van ondernemingskansen en het vastleggen van duidelijke afspraken voor gevallen waarin huisdieren de financiële ondergrens bereiken. Aanbeveling 4.15: Ondersteun het project Dierenbuddy door een financiële bijdrage en promotie binnen het sociale domein. Aanbeveling 4.16: Neem actief deel aan ‘Chip je kat’-acties met financiering, publiekscommunicatie en afstemming met betrokken partijen. Aanbeveling 4.13: Zorg voor een goede registratie van meldingen met betrekking tot overlast, verwaarlozing en mishandeling van dieren. Aanbeveling 4.14: Stel concrete beleidsdoelen op ten aanzien van aanwezigheid, omvang en bereikbaarheid van hondenlosloopgebieden en zorg voor de realisatie hiervan. Aanbeveling 4.15: Zorg ervoor dat bestaande losloopvoorzieningen goed onderhouden worden. Aanbeveling 4.16: Monitor en evalueer regelmatig de effecten van nieuwe of aangepaste losloopgebieden. Aanbeveling 4.17: Investeer in voorlichting en educatie voor hondenbezitters en buurtbewoners over verantwoorde omgang met honden. Aanbeveling 4.18: Indien hondenbelasting wordt geïnd, gebruik deze dan om de openbare voorzieningen voor honden te verbeteren.

Aanbeveling 4.19: Voorzie inwoners van informatie door voorlichting en educatie over de omgang met honden, bijvoorbeeld in de vorm van (gast)lessen op basisscholen of hondencursussen. Aanbeveling 4.20: Betrek sociale instanties bij het signaleren van potentiële risicosituaties. Aanbeveling 4.21: Zorg voor een laagdrempelig meldpunt voor risicosituaties en communiceer hierover naar inwoners. Aanbeveling 4.22: Stel een protocol op waarin helder wordt wat betrokken partijen kunnen doen en verwachten na een bijtincident. Aanbeveling 4.23: Zorg voor een heldere en gestructureerde registratie van bijtincidenten inclusief relevante omstandigheden van het voorval. Aanbeveling 4.24: Gebruik de mogelijkheden binnen de Wet aanpak woonoverlast om op basis van stank- en geluidsoverlast in te grijpen als het welzijn van huisdieren in gevaar is.

5. Vermaak waarbij dieren zijn betrokken

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

43/46

Aanbeveling 5.1: Hanteer een voorkeursbeleid voor evenementen zonder dieren. Aanbeveling 5.2: Wijs geschikte evenementenlocaties aan binnen de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met in het wild levende dieren. Aanbeveling 5.3: Verstrek informatie over dierenwelzijn op evenementen bij een vergunningaanvraag. Aanbeveling 5.4: Hanteer een voorkeursbeleid voor circussen zonder dieren. Aanbeveling 5.5: Sta alleen kerststallen zonder levende dieren toe. Indien het gebruik van dieren toch wordt toegestaan, dan alleen onder strenge voorwaarden voor huisvesting en verzorging. Aanbeveling 5.6: Houd rekening met dieren bij het aanwijzen van vuurwerkvrije zones. Aanbeveling 5.7: Ontmoedig de organisatie van evenementen met dieren, zoals levende kerststallen, struisvogelraces, roofvogelshows en paardenmarkten door via de APV aanvullende voorwaarden te stellen. Aanbeveling 5.8: Gebruik bij het afgeven van een vergunning voor een paardenmarkt het door de Raad van Dierenaangelegenheden aangescherpte protocol voor paardenmarkten. Aanbeveling 5.9: Sta het oprichten en beheren van een kinder- of stadsboerderij slechts onder bepaalde voorwaarden toe, waaronder het uitsluitende gebruik van bekende hobbydieren. Zie erop toe dat het welzijn, de gezondheid en lichamelijke integriteit van de dieren zijn gewaarborgd.

Aanbeveling 5.10: Er worden geen nieuwe oprichtingen van hertenkampen gestimuleerd, daar zij momenteel uitsluitend bij uitzondering van de wet een bestaansrecht hebben. Aanbeveling 5.11: Zet structurele interdisciplinaire samenwerkingen op en ontwikkel een robuust educatieplan, waarbij ook controle op uitvoering, preventie en tijdige bijsturing integraal onderdeel uitmaken van het beleid.

6. In het wild levende dieren Aanbeveling 6.1: Sta benuttingsjacht op de eigen gemeentegronden niet toe door het jachtrecht in pachtcontracten uit te sluiten, en verleng geen aflopende jachthuurovereenkomsten. Aanbeveling 6.2: Voorzie inwoners van informatie over dieren in hun omgeving. Aanbeveling 6.3: Neem waar mogelijk als alternatief voor het doden van dieren, diervriendelijke maatregelen ten behoeve van het voorkomen van schade en verkeersongevallen binnen de gemeente.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

44/46

Aanbeveling 6.4: Geef informatie aan burgers over diervriendelijke manieren van het beperken van schade en overlast en leg daarbij de nadruk op acceptatie van dieren en het nemen van preventieve maatregelen. Aanbeveling 6.5: Bied financiële ondersteuning aan de TNR-methode om te zorgen dat verwilderde kattenpopulaties niet verder uitbreiden en stabiliseren. Aanbeveling 6.6: Verpacht geen (vis)water aan hengelsportverenigingen. Aanbeveling 6.7: Organiseer samen met natuur- en dierenbeschermingsorganisaties voorlichting over de leefwijze en het gedrag van vissen. Aanbeveling 6.8: De gemeente zorgt ervoor dat diegenen die ruimtelijke ingrepen doen of hierbij betrokken zijn, goed op de hoogte zijn van de geldende gedragscode en volgens deze gedragscode werken. Aanbeveling 6.9: De gemeente treft bij ruimtelijke ingrepen zo veel mogelijk compenserende en/of mitigerende maatregelen, waardoor schade aan flora en fauna verder wordt beperkt. Aanbeveling 7.10: Besteed in omgevingsplan en -visie aandacht aan soortenbescherming. Aanbeveling 6.11: Inventariseer altijd voorafgaand aan kap- en snoeiwerkzaamheden of er broedende vogels of jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Aanbeveling 6.12: Neem in het eigen groenbeleid op dat er geen snoei- en kapactiviteiten plaatsvinden van tenminste 15 maart tot en met 15 juli.

Aanbeveling 6.13: Neem maatregelen op/in/om (water)wegen en in goten in eigen beheer met het oog op het beschermen van dieren in het wild. Aanbeveling 6.14: Verplicht de baggeraar contractueel om preventieve maatregelen te nemen die leed ten aanzien van vissen en andere dieren in de sloot voorkomen, bij het geven van een opdracht tot het droogleggen of uitbaggeren van een sloot. Aanbeveling 6.15: Gebruik geen gif ter bestrijding van ongewenste kruidengroei en geef prioriteit aan natuurontwikkeling door bijvoorbeeld de aanleg van bloemrijke bermen, plaatsing van nestkasten en het creëren van ecologische infrastructuur. Aanbeveling 6.16: Leg een integrale visie op openbaar groen voor de langere termijn vast in bijvoorbeeld een natuurontwikkelingsplan of groenstructuurplan. Aanbeveling 6.17: Pas de ambities voor natuurinclusief bouwen integraal toe in de eigen bouwprojecten.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

45/46

Aanbeveling 6.18: Stimuleer en ondersteun bewoners bij het nemen van natuur-, insect- en diervriendelijke maatregelen rondom hun woning door voorlichting, subsidieverstrekking en actieve deelname aan (landelijke) projecten.

Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030

46/46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16036616/1