Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid
Tekst van het document
AANBEVELINGEN GEMEENTELIJK DIERENWELZIJNSBELEID 2026-2030
Datum
30 mei 2025
Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren Regulusweg 11 2516 AC Den Haag T 088 811 3000 www.dierenbescherming.nl © Copyright Dierenbescherming 2025 Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
2/46
Voorwoord Fijn dat u onze aanbevelingen voor een gemeentelijke dierenwelzijnsnota voor u heeft genomen. Met een dierenwelzijnsnota laat u als gemeente zien dat dieren ertoe doen. Niet alleen in woorden, maar in concrete maatregelen, samenwerking en keuzes. Ook in moeilijke omstandigheden, zoals in het ravijnjaar 2026, toont u daarmee daadkracht. En dat verdient lof. Ik nodig u uit om contact met ons op te nemen om samen dat ravijn te overbruggen, voor de dieren en mensen in en rond uw gemeente. Want een samenleving waarin we goed omgaan met dieren, is ook een samenleving waarin we beter omgaan met elkaar. De Dierenbescherming ondersteunt u graag bij het opstellen van uw gemeentelijke nota, want samen kunnen we meer impact maken voor dier en mens, juist op gemeentelijk niveau. Dieren maken onlosmakelijk deel uit van onze samenleving. Ze leven bij ons thuis, op onze boerderijen, in onze natuur en in onze dorpen en steden. Ze geven troost, gezelschap, voedsel en inspiratie. Maar dieren zijn bovenal wezens met het vermogen tot pijn, angst, plezier en het ervaren van welbevinden. Dat brengt een verantwoordelijkheid met zich mee, voor iedereen. Ook voor gemeenten, die dicht bij mens én dier staan. Belangrijk is ook dat deze verantwoordelijkheid niet vrijblijvend is.
Gemeenten hebben volgens de Wet dieren en de Gemeentewet onder andere een zorgplicht voor gevonden en hulpbehoevende dieren. Ze dienen bijvoorbeeld te zorgen voor adequate opvang, toezicht en handhaving. Deze wettelijke taken vormen mede de basis van lokaal dierenwelzijnsbeleid. Met deze nota willen we u concrete handvatten bieden voor uw dierenwelzijnsbeleid, met juridische onderbouwing, praktische voorbeelden en verwijzingen naar meer informatie. Als Dierenbescherming zetten wij ons dagelijks in voor dieren in nood, maar ook voor het verbeteren van de structurele omstandigheden waarin dieren leven. Wat ons daarbij steeds duidelijker wordt: dierenwelzijn begint lokaal. In de inrichting van een losloopgebied, in de ondersteuning van een dierenambulance, in diervriendelijk groenbeheer, of in de manier waarop handhaving wordt georganiseerd. Iedere gemeente kan daarbij het verschil maken, mag ik ook op u rekenen? Dank u wel. Ellen Bien Directeur Dierenbescherming.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
3/46
INHOUD 1.
INLEIDING
6
2.
RELEVANTE WETGEVING VOOR GEMEENTEN
8
2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7.
Wet dieren Omgevingswet Wet op de dierproeven Ruimtelijke ordening in de Omgevingswet APV/evenementen Bewaarplicht gevonden dieren Burgerlijk Wetboek Zelfregulering
8 8 9 9 10 10 10
3.
DIERENHULP
11
3.1.
De gemeente en hulpbehoevende dieren
11
3.1.1. 3.1.2. 3.2. 3.3.
Opvang en vervoer Dienstenboek Dierenbescherming Dierenmishandeling Rampenplan
11 14 14 15
4.
GEHOUDEN DIEREN
16
4.1.
Huis-, hobby- en landbouwdieren in de gemeente
16
4.1.1. 4.1.2. 4.1.3. 4.2.
Huisdieren Hobbydieren Landbouwdieren Dierenwelzijn en sociaal beleid
16 17 18 19
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3. 4.4. 4.5.
Sociale hulpverlening Minimabeleid Dierenbuddy Identificatie en registratie Castratie van katten Hondenbeleid
19 20 21 21 22 22
4.5.1. 4.5.2. 4.5.3. 4.5.4. 4.6.
Hondenlosloopgebieden Voorlichting Hondenbelasting Bijtincidenten Handhaving bij overlast of gevaar van dieren
23 23 24 24 25
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
4/46
5.
VERMAAK WAARBIJ DIEREN ZIJN BETROKKEN
27
5.1.
Evenementen in de gemeente
27
5.1.1. 5.1.2. 5.1.3. 5.2. 5.3.
Circussen Levende kerststallen Vuurwerk Overig vermaak met dieren Kinderboerderijen
28 28 28 29 29
6.
IN HET WILD LEVENDE DIEREN
31
6.1.
Jacht, faunabeheer en schadebeperking
31
6.1.1. 6.1.2. 6.1.3. 6.1.4. 6.2. 6.3.
Wetgeving Jacht, beheer en schadebeperking in de gemeente Alternatieven Geïntegreerde plaagdierbeheersing (Integrated Pest Management, IPM) Verwilderde katten Hengelsport
31 32 33 34 34 35
6.3.1. 6.3.2. 6.4.
Hengelsport en dierenwelzijn De gemeente en hengelsport Ruimtelijke ingrepen
35 35 36
6.4.1. 6.4.2. 6.4.3. 6.4.4. 6.4.5. 6.4.6.
Omgevingsplan en -visie en bevordering van het dierenwelzijn Kappen, snoeien en maaien Maatregelen rondom (water)wegen Baggeren Beschermen van flora en fauna in de gemeente Natuurinclusief bouwen
37 37 37 38 39 40
BIJLAGE I: OVERZICHT VAN ALLE AANBEVELINGEN
41
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
5/46
1. INLEIDING Dieren in de gemeente In een gemeente wonen allerlei soorten dieren. Mensen hebben honden, katten en konijnen als huisdier en in het buitengebied leven koeien, paarden en kippen. Maar denk ook bijvoorbeeld aan geiten en cavia’s op een kinderboerderij. De meeste dieren, waaronder vogels, eekhoorns, egels en muizen, leven in het wild. Goed zorgen voor dieren Alle dieren verdienen onze zorg en aandacht. Dieren horen bij de samenleving. Waar mensen leven, zijn dieren, en veel mensen beschouwen een huisdier als een volwaardig gezinslid. We hebben de plicht om goed voor ze te zorgen. Dierenwelzijn gaat over het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag, over integriteit en het hebben van een intrinsieke waarde. Maar ook over het hebben van een passende leefomgeving, het krijgen van een goede verzorging en uiteindelijk ook het bereiken van tevredenheid en blijdschap (Raad voor Dierenaangelegenheden, De staat van het dier, 2024: p.11). De Dierenbescherming stelt het welzijn van het individuele dier centraal. Gemeenten hebben daarbij een belangrijke rol: ze zijn op een aantal punten medeverantwoordelijk voor de dieren binnen hun grenzen en veel beleid is van invloed op het welzijn van dieren. Daarom is het belangrijk dat de gemeente aandacht besteedt aan dierenwelzijn en een diervriendelijk beleid opstelt.
Om hierbij te helpen heeft de Dierenbescherming dit stuk opgesteld met aanbevelingen voor gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid. Voor wie is deze nota bedoeld? Gemeenteambtenaren die zich bezighouden met dierenwelzijnsbeleid kunnen de aanbevelingen gebruiken voor een eigen dierenwelzijnsnota. Maar ook raadsleden en wethouders kunnen dit document gebruiken ter inspiratie of als naslagwerk. Wij zijn graag bereid tot een nadere toelichting of meedenken bij het opstellen van dierenwelzijnsbeleid. Hiervoor kunt u contact met ons opnemen1. Opbouw Deze notitie begint met een weergave van de meest relevante wetgeving in een hoofdstuk 2. De vier daarop volgende hoofdstukken zijn gecentreerd rond een bepaald thema. We beginnen bij Dierenhulp, gevolgd door Gehouden dieren. Aan Vermaak met dieren besteden we apart aandacht, gevolgd door In het wild levende dieren. Per hoofdstuk bespreken we de meest voorkomende situaties, de belangrijkste uitdagingen en geven we aan wat de rol van de gemeente kan zijn, gevolgd door concrete aanbevelingen. Waar het kan, verwijzen we naar goede voorbeelden. We sluiten de notitie af met een overzicht van alle aanbevelingen. Rol van de gemeente Een gemeente heeft vanuit haar rol de taak en verantwoordelijkheid om zich met allerhande dierenwelzijnsvraagstukken bezig te houden.
Denk hierbij aan het formuleren en uitvoeren van diervriendelijk beleid binnen gemeentegrenzen. Het zou mooi zijn als elke gemeente een eigen Nota Dierenwelzijn opstelt en een wethouder en ambtenaar verantwoordelijk maakt voor dit thema. Dit zorgt voor duidelijke politieke aansturing en voorkomt versnippering van beleid. Naast het formuleren en uitwerken van beleid aangaande dierenwelzijn, is een gemeente in het bezit van panden en gronden voor eigen gebruik. Het is aan gemeenten om op hun eigen terreinen invulling te geven aan
1
Kijk voor de contactgegevens op: Gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
6/46
diervriendelijk beleid door bijvoorbeeld natuur- en dierinclusief te bouwen. Daarnaast kan een gemeente haar gronden verpachten aan derden. Door middel van pachtcontracten kan een gemeente pachters houden aan de gestelde voorwaarden. Hierbij kunnen criteria worden opgenomen die het dierenwelzijn bevorderen, zoals het verplichten van preventieve maatregelen om schade aan vee en gewassen te voorkomen en het uitsluiten van gebruik van het jachtrecht. Deze pachtcontracten zijn vaak langlopend en slechts vatbaar voor wijzigingen wanneer deze vernieuwd moeten worden. Het is daarom van belang dat de gemeente nadenkt over diervriendelijke en natuurinclusieve pachtregels die zij universeel van belang vindt om integraal mee te nemen in haar pachtcontracten bij vernieuwing. Aanbeveling 1.1: Stel diervriendelijk beleid op en leg dit vast in een Nota Dierenwelzijn. Aanbeveling 1.2: Benoem een wethouder dierenwelzijn, die verantwoordelijk is voor dierenbeleid en die dierenwelzijn waarborgt. Aanbeveling 1.3: Zorg dat een ambtenaar als aanspreekpunt functioneert. Aanbeveling 1.4: Neem bij het vernieuwen van pachtcontracten voorwaarden op die het dierenwelzijn op gemeentelijke pachtgronden bevorderen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
7/46
2. RELEVANTE WETGEVING VOOR GEMEENTEN Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de belangrijkste bestaande Nederlandse wetgeving die van belang is voor dieren ‘in de gemeente’. Daarnaast gaan we kort in op gemeentelijke vergunningen, die bijvoorbeeld gaan over veehouderij, evenementen met dieren of schuilstallen, en tot slot op de rol van zelfregulering. Deze informatie biedt achtergrond bij de wet- en regelgeving per onderwerp, zoals die in de volgende hoofdstukken aan bod komt.
2.1. Wet dieren Op 1 januari 2013 is de Wet dieren in werking getreden. Hierin is voor het eerst de erkenning van de intrinsieke waarde (eigenwaarde) van het dier expliciet als uitgangspunt vastgelegd in de belangrijkste wet voor gehouden dieren (artikel 1.3) en is de algemene zorgplicht voor dieren geïntroduceerd (artikel 1.4). De Wet dieren is een kaderwet. Dit betekent dat deze een beperkt aantal (hoofd-)regels stelt en daarnaast vooral de mogelijkheid biedt om allerlei deelonderwerpen te regelen via Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De Wet dieren is de belangrijkste wet voor gehouden (landbouw- en huis-)dieren en bundelt alle dierenwelzijns- en gezondheidsregels ten aanzien van deze dieren in één wet. De belangrijkste uitvoeringsregels op het gebied van dierenwelzijn zijn opgenomen in drie regelingen: (1) Het Besluit houders van dieren, (2) De Regeling houders van dieren, en (3) Het Besluit diergeneeskundigen. Hierin zijn regels opgenomen voor het particulier- en bedrijfsmatig mogen houden van dieren, het doden van dieren en het houden van evenementen met dieren. Daarnaast zijn er aanvullende regels opgenomen ten aanzien van dierenmishandeling. Tot slot worden de bevoegdheden van de dierenarts, het uitvoeren van lichamelijke ingrepen bij dieren en in hoeverre deze zijn toegestaan, hier geregeld.
Een belangrijk onderdeel van de Wet dieren is de ‘huis- en hobbydierenlijst’ (positieflijst) voor zoogdieren (sinds 1 juli 2024). Dit is een lijst van zoogdieren die in Nederland gehouden mogen worden. Deze regelgeving omvat tevens een overgangsregeling voor eigenaren die bij inwerkingtreding al in bezit zijn van een dier dat niet op de lijst staat. Op termijn komen er ook huis- en hobbydierenlijsten voor vogels, reptielen, amfibieën en vissen. Een en ander zal ook gevolgen hebben voor het huisdierbezit en de verkoop en handel van dieren binnen de gemeente.
2.2. Omgevingswet Op 1 januari 2024 trad de Omgevingswet in werking. Deze wet verving de Wet natuurbescherming uit 2017. Het is daarmee de belangrijkste wet voor de bescherming van in het wild levende dieren en hun leefomgeving. In de Omgevingswet is de bescherming vooral gericht op soorten die vanuit internationale afspraken beschermd moeten worden door Nederland (o.a. EU Vogel- en Habitatrichtlijn). Voor de ‘overige’ soorten is er een basisbeschermingsregime en geldt voor alle soorten een zorgplicht. De Omgevingswet is, net als de Wet dieren, een kaderwet.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
8/46
Belangrijke uitvoeringsregels staan onder meer in: (1) Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), (2) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en in (3) Het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling. Deze regels gaan bijvoorbeeld over de uitvoering van de jacht, beheer en schadebestrijding. Net als onder de Wet natuurbescherming zijn veel bevoegdheden voor natuur- en soortenbescherming onverminderd gedecentraliseerd naar de provincies. In hoofdstukken 7 en 8 van deze wet wordt verder ingegaan op de regels in de Omgevingswet. In relatie tot de hengelsport moet in dit verband de Visserijwet 1963 nog genoemd worden: de gemeente heeft een belangrijke rol in het verstrekken van visvergunningen op haar gronden.
2.3. Wet op de dierproeven Dierproeven zijn in principe verboden. Om dierproeven te mogen uitvoeren heeft een instelling (bijvoorbeeld een universiteit of farmaceutisch bedrijf) een instellingsvergunning van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) nodig en de onderzoekers een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat beschreven in de Wet op de dierproeven (Wod) en in het bijbehorende Dierproevenbesluit. In deze wet- en regelgeving is ook vastgelegd voor welke limitatieve doeleinden dierproeven wel of niet verricht mogen worden. Gemeenten kunnen te maken krijgen met dierproeven doordat zich binnen hun gemeentegrenzen bijvoorbeeld zo’n vergunde universiteit of farmaceutisch bedrijf bevindt. Daar kunnen vragen over zijn, bijvoorbeeld van bezorgde bewoners. Kijkend naar de hiervoor beschreven bevoegdhedenverdeling hebben gemeenten hier echter geen formele rol in toebedeeld gekregen.
2.4. Ruimtelijke ordening in de Omgevingswet De gemeente is uiteraard verantwoordelijk voor een groot aantal lokale onderwerpen, inclusief het afgeven van vergunningen die daarmee samenhangen. Een aantal daarvan is direct relevant voor onderwerpen in deze nota. Bijvoorbeeld in relatie tot de vestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven en het realiseren van schuilstallen. De hiervoor al aangehaalde Omgevingswet regelt de inrichting van het land. Zowel de Rijksoverheid, de provincies als gemeenten dienen hierover beleid op te stellen in omgevingsvisies en –verordeningen, die betrekking hebben op hun eigen grondgebied. De verdere uitvoering van deze visie geschiedt via omgevingsplannen. Daarin staat concreet beschreven welke doeleinden zijn toegewezen aan de verschillende gebieden en wijken (zoals recreatie, landbouw of wonen), en wat daar onder welke voorwaarden mag gebeuren. Bijvoorbeeld in hoeverre uitbreiding van een veehouderijbedrijf is toegestaan (aantal dieren of anderszins). Dit kan ook relevant zijn voor het al dan niet mogen plaatsen van een schuilstal (lees: een bouwwerk) in het buitengebied. De Omgevingswet verving ook hier eerdere wetgeving. Te noemen zijn: (1) De Wet ruimtelijke ordening (Wro), en (2) De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
9/46
2.5. APV/evenementen Op grond van artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op ‘openbare samenkomsten en vermakelijkheden’. Dit raakt aan aspecten van openbare orde en veiligheid, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Vaak wordt deze bevoegdheid nader uitgewerkt in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en stelt de gemeente in dit kader ook een evenementenbeleid op. Daarin is onder meer bepaald voor welke evenementen een vergunning nodig is. Hier ligt een link naar evenementen met de beoogde inzet van dieren, zie voor meer informatie hoofdstuk 4. In globale zin is de algemene regelgevende bevoegdheid van gemeenten van belang, zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de lokale APV. In de Model-APV van de VNG staan meerdere voorbeeldbepalingen over dieren, bijvoorbeeld over het omgaan met het ervaren van overlast door gehouden dieren en over gevaarlijke honden.
2.6. Bewaarplicht gevonden dieren Burgerlijk Wetboek In het kader van de gevonden-voorwerpenregeling in het Burgerlijk Wetboek heeft de gemeente een bewaarplicht voor de duur van veertien dagen met betrekking tot zwervend aangetroffen huisdieren met een vermoedelijke eigenaar (zie in het bijzonder art. 5:8 lid 3 Burgerlijk Wetboek). In dit overzicht met belangrijkste wet- en regelgeving in relatie tot dieren(welzijn) in de gemeente, mag dit niet onvermeld blijven, ook omdat het de basis vormt van het particuliere dierenambulancevervoer en het opvang/asielwerk van (huis)dieren in Nederland. Zie voor meer informatie hoofdstuk 2 over dieren in nood.
2.7. Zelfregulering Het is bij dit alles goed om te beseffen, dat er nadrukkelijk méér van belang is dan wat er in de (belangrijkste) wetgeving precies wordt bepaald en voorgeschreven over de relatie tussen dieren(welzijn) en de gemeente. Bij de geschetste kaderwetgeving met ‘open normen’ en de ‘terugtredende (Rijks)overheid’ hoort ook, dat lagere overheden een eigen, passende rol voor zichzelf formuleren. Zoals uit deze nota blijkt, kan en mag een gemeente van alles doen wat dienstbaar is aan dierenwelzijn binnen de eigen gemeentegrenzen en -bevoegdheden. Dat kan dus ook zijn: het maken van passend beleid en (het stimuleren van) zelfregulering op allerlei diergerelateerde terreinen. De Dierenbescherming kan hierbij helpen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
10/46
3. DIERENHULP Volgens de wet is iedere burger verplicht om hulp te bieden aan dieren in nood 2 (dit betekent dat handelingen die een dier kunnen schaden achterwege moeten blijven). Schade aan het dier moet zoveel mogelijk worden beperkt. Hoewel de natuurwetgeving voorschrijft dat in het wild levende dieren in principe met rust moeten worden gelaten (de zogeheten ‘afblijfplicht'), is er een uitzondering in geval van nood: ook dan is iedere burger verplicht om te helpen. Dit kan bijvoorbeeld door het dier naar een opvang te brengen of een dierenambulance te bellen.
3.1. De gemeente en hulpbehoevende dieren 3.1.1. Opvang en vervoer Zwervend aangetroffen dieren, waarvan de eigenaar niet direct bekend is en die zorg en opvang nodig hebben, kunnen door dierenambulances worden vervoerd naar een dierenopvangcentrum. Dit geldt niet alleen voor honden en katten, maar ook voor andere huisdieren waaronder reptielen, knaagdieren, konijnen en vogels. Hobbydieren (dit zijn als hobby gehouden landbouwdieren) kunnen niet vervoerd worden door dierenambulances en daarvoor is bovendien niet altijd opvang beschikbaar. Het is hierbij belangrijk dat de gemeente het gehele traject van dierenhulp kostendekkend vergoedt. Dit bevordert de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening. De Dierenbescherming heeft een dienstenboek opgesteld waar gemeenten keuzes kunnen maken om hun wettelijke verplichting en aanvullende diensten vorm te geven. Deze kunt u hier vinden. Zwervende dieren Gemeenten hebben specifieke wettelijke verplichtingen met betrekking tot het opvangen van dieren die op straat zwerven, terwijl het vermoeden is dat ze een eigenaar hebben3 (de gemeente moet deze dieren veertien dagen voor de vermeende eigenaar opvangen, juridisch: ‘bewaren'). Als die zich niet binnen veertien dagen meldt, bepaalt de burgemeester wat er met het dier gebeurt.
Bij voorkeur draagt de burgemeester het eigendom van het dier over aan een dierenopvangcentrum dat het dier vervolgens bij een nieuwe particuliere eigenaar plaatst. Afstandsdieren Behalve zwervende dieren, waarvoor de gemeente een wettelijke opvangplicht heeft, komen er ook veel gezelschapsdieren in het opvangcentrum terecht die niet per se onder deze opvangplicht vallen. Veel mensen willen afstand doen van hun dier en brengen het naar het dierenopvangcentrum. Bijvoorbeeld omdat ze het in een impuls hebben aangeschaft en niet goed weten hoe ze het dier moeten verzorgen of omdat ze de kosten hebben onderschat. Opvangcentra beheren indien nodig de instroom met het hanteren van wachtlijsten. Aanbeveling 3.1: Maak kostendekkende afspraken in de vorm van dienstverleningsovereenkomsten met dierenopvangcentra en ambulancediensten over de opvang en het vervoer van dieren.
2 Artikel 1.4 van de Wet dieren en in diezelfde lijn artikelen 11.6 lid 1 (natuurgebieden) en artikel 11.27
(natuurbescherming) van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3 Burgerlijk Wetboek, Boek 5 boek 5, artikel 8 lid 3.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
11/46
Opvang na huisontruiming In geval van een gedwongen huisontruiming of een opgelegde last onder bestuursdwang dient de gemeente de achtergelaten inboedel mee te nemen en op te slaan voor een periode van dertien weken voordat deze mag worden verkocht. Hier horen regelmatig dieren bij, waar opvang voor nodig is. De gemeente is verantwoordelijk voor de kosten hiervan. De Dierenbescherming kan met de gemeente duidelijke afspraken maken over de voorgenomen opvangtermijn van de dieren én de te verwachten kosten4. Opvang na gedwongen opname, arrestatie, overlijden of huiselijk geweld Als mensen worden opgenomen of gearresteerd, of er is sprake van huiselijk geweld, is opvang of herplaatsing van hun huisdieren van groot belang. Soms kunnen familie of kennissen van de eigenaar voor de dieren zorgen, maar dit is niet altijd het geval. Het komt helaas regelmatig voor dat in dergelijke situaties niets is geregeld voor de huisdieren. Dan kan een dierenopvangcentrum uitkomst bieden. Om de opvang of herplaatsing goed te regelen, is het van belang dat de betrokken hulpdiensten, zoals politie, sociale hulpdiensten en dierenopvangcentra, hier afspraken over maken. De gemeente kan hierin een faciliterende rol spelen en financiële ondersteuning bieden.
Aanbeveling 3.2: Faciliteer het maken van financiële afspraken tussen hulpdiensten en dierenopvangcentra over de opvang van huisdieren in geval van een (gedwongen) opname, arrestatie of huiselijk geweld. In het wild levende dieren Ook in het wild levende dieren kunnen hulp nodig hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld vastzitten in prikkeldraad, gewond raken in het verkeer of slachtoffer zijn van vergiftiging. In veel gevallen komen in het wild levende dieren in de problemen door menselijk handelen. De ‘bewaarplicht’ die gemeenten hebben voor gevonden huisdieren geldt niet voor in het wild levende dieren, maar er is in algemene zin wel een zorgplicht voor deze dieren5. Vanuit de eigen invulling van deze zorgplicht kan de gemeente een bijdrage leveren aan opvangcentra en vervoerders die deze dieren helpen. Ook kan zij burgers informeren over dit onderwerp.
4 De gemeente dient bij gedwongen huisontruiming de kosten voor de opvang, het vervoer van het dier en eventuele
medische kosten te voldoen aan het opvangcentrum. Deze kosten kan de gemeente op haar beurt verhalen op de executant, die op zijn beurt de kosten weer kan verhalen op de inwoner van de woning (zie voor deze regeling: artikel 556 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit is anders dan bij bestuursdwang. Bij bestuursdwang dient de gemeente de kosten direct te verhalen op de overtreder (artikel 5:25 lid 1 Algemene wet bestuursrecht). 5 Artikel 2.1 lid 6 en 7 Wet dieren: “Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg” (lid 6) hetgeen “tevens van toepassing is ten aanzien andere dan gehouden dieren” (lid 7).
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
12/46
De RDA maakte een Zienswijze Dilemma's in de wildopvang. De RDA vindt dat een wild dier geholpen moet worden, als het zich niet meer zelfstandig kan aanpassen aan de situatie en als er een kans is op herstel en terugplaatsing in de natuur. Dat geldt bijvoorbeeld voor gewonde, vervuilde of verstrikte dieren. Voor verzwakte, uitgeputte en zieke dieren moet in de afwegingen naast het belang van het individuele dier ook het effect op de populatie en het ecosysteem worden meegewogen. Het maken van de goede afweging is voor de meeste mensen onmogelijk. De RDA vindt dat de wettelijke zorgplicht moet worden opgevat als ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies. De dierenambulances en wildopvangcentra zijn voor hun voortbestaan afhankelijk van financiële ondersteuning van o.a. gemeenten.
Het is van belang dat inwoners voldoende informatie krijgen om te weten wat zij moeten doen als zij een hulpbehoevend wild dier aantreffen. Gemeenten kunnen hierbij een rol spelen door het opzetten van een publiekscampagne.
De Dierenbescherming maakt deel uit van de Spreekbuis Wildopvang en Dierenambulances. De spreekbuis is opgericht voor het waarborgen van kwalitatieve wildopvang- en vervoerscapaciteit in Nederland en daarnaast voor het behartigen van de collectieve belangen van Nederlandse wildopvangcentra en dierenambulances. Dit samenwerkingsverband heeft geen officiële status, maar ondersteunt het werkveld van wildopvangen en dierenambulances.
Vogelgriep In toenemende mate krijgen dierenambulances en wildopvangcentra te maken met vogelgriep. De dierenambulance is er om dieren die zorg nodig hebben (ziek/gewond) te vervoeren naar een dierenarts of opvang. Hier vallen ook dieren onder die mogelijk besmet zijn met vogelgriep. Als onze medewerkers bij zo'n situatie betrokken zijn, houden ze zich aan de protocollen van LVVN. Zo dragen ze onder andere beschermende kleding bij meldingen van verdachte vogels. De dierenambulance is er primair om dieren te vervoeren die hulp/zorg nodig hebben. Dode dieren vallen daar niet onder, tenzij er is afgesproken met instanties dat een dierenambulance dit als dienstverlening uitvoert. Dit geldt ook voor watervogels. Aanbeveling 3.3: Zorg voor financiële ondersteuning voor opvang en vervoer van in het wild levende dieren. Aanbeveling 3.4: Start een publiekscampagne zodat inwoners weten wat ze moeten doen als ze wilde dieren in nood aantreffen. Aanbeveling 3.5: Regel de ruiming van kadavers, onder andere om verspreiding van vogelgriep te beperken.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
13/46
3.1.2. Dienstenboek Dierenbescherming De Dierenbescherming heeft een Dienstenboek ontwikkeld om de gemeente te helpen bij een professionele en efficiënte dierennoodhulp. Dit document biedt een volledig productenpakket, van melding tot herplaatsing of hereniging. Een uitgewerkte versie van het Dienstenboek is verkrijgbaar bij de Dierenbescherming. Aanbeveling 3.6: Maak bij het opstellen van beleid rond dierenhulp gebruik van het Dienstenboek van de Dierenbescherming.
3.2. Dierenmishandeling Vanuit een integrale benadering van dierenwelzijn en veiligheid is het cruciaal om mishandeling en verwaarlozing van dieren, zowel in openbare ruimtes als op privéterrein, grondig aan te pakken. Hierbij staat de bescherming van dieren centraal en wordt er zorg gedragen voor een laagdrempelig en anoniem meldsysteem, zodat potentiële melders zich vrij voelen om onrecht te signaleren. Laagdrempelige, anonieme meldkanalen en voorlichting Het is essentieel dat iedereen zonder terughoudendheid melding kan maken van dierenmishandeling of verwaarlozing. Als een inwoner getuige is van verwaarlozing of mishandeling, kan er direct een melding bij 144 gemaakt worden. De stap naar het melden van dergelijke voorvallen is soms groot. De gemeente kan daarom zorgen voor een aanspreekpunt waar inwoners laagdrempelig terecht kunnen en waar de anonimiteit van de melder geborgd is. Dit verlaagt de algehele drempel voor het signaleren van zowel openbare als privé-incidenten. Het is hierbij van belang dat de registratie en communicatie van en tussen lokale en landelijke meldkanalen op orde is. Potentiële melders, zoals buurtbewoners, professionals en omwonenden, moeten goed geïnformeerd zijn over wat wordt verstaan onder mishandeling of verwaarlozing en hoe zij dit kunnen melden.
Voorlichtingscampagnes en informatiebijeenkomsten dragen bij aan een verhoogd bewustzijn en stimuleren een proactieve houding richting dierenwelzijn. Aanbeveling 3.7: Zorg voor een laagdrempelig aanspreekpunt voor dierenmishandeling en verwaarlozing en communiceer hierover richting inwoners. Duidelijke protocollen voor meldingen Er dienen concrete protocollen aanwezig te zijn voor de afhandeling van meldingen van dierenmishandeling en -verwaarlozing. Deze protocollen omvatten: o Een vast proces voor de ontvangst en registratie van meldingen. o Een initiële beoordeling van de melding om urgentie en aard van het incident vast te stellen. o Het inschakelen van de juiste experts, zoals dierenartsen, gedragstherapeuten en juridische adviseurs, om de situatie grondig te beoordelen en passende maatregelen te nemen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
14/46
Samenwerking met diverse afdelingen en experts: Een effectieve aanpak vereist multidisciplinaire samenwerking: o Sociaal domein: De samenwerking met afdelingen die zich richten op maatschappelijke zorg kan helpen om de achterliggende sociale problematiek in kaart te brengen. o Dierenartsen en gedragstherapeuten: Deze deskundigen kunnen de ernst van de situatie beoordelen en geven advies over de noodzakelijke interventies. o Handhaving en juridische ondersteuning: Politie en juridische instanties spelen een cruciale rol in het vervolgen van overtreders en het waarborgen van de rechtspositie van de betrokken partijen. Aanbeveling 3.8: Zorg voor heldere protocollen over de omgang met meldingen en stimuleer samenwerking met partijen die kunnen helpen bij signalering van misstanden.
3.3. Rampenplan De gemeente is verantwoordelijk voor rampenbestrijding en moet daarvoor iedere vier jaar een plan opstellen volgens de Wet veiligheidsregio’s (art. 2). Het is hierbij van belang dat er goede afspraken gemaakt worden met betrokken partijen zoals de veiligheidsregio en het crisisteam. De brandweer moet bij rampen zorgen voor de veiligheid van mens én dier. Om ervoor te zorgen dat dieren professionele hulp krijgen is het dan ook belangrijk dat de gemeente in het rampenbestrijdingsplan maatregelen opneemt over dieren. Voor het redden van grote dieren, zoals paarden en koeien, is specifieke ervaring en kennis nodig. De brandweer kan hier tijdens oefeningen extra aandacht aan besteden. Meer informatie is ook te vinden op Stichting Dieren in Rampen. Aanbeveling 3.9: Neem in het rampen(bestrijdings)plan een passage op over hulp aan dieren. Aanbeveling 3.10: Maak afspraken met de veiligheidsregio en het crisisteam over dierenhulp.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
15/46
4. GEHOUDEN DIEREN In Nederland leven miljoenen huis- en hobbydieren. Zij kunnen in de knel komen binnen het sociale domein, zoals bij huisuitzettingen of in het kader van armoede. De gemeente heeft hier direct mee te maken, ook vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening en de bewaarplicht voor zwervend aangetroffen dieren in het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast heeft het kleine, dichtbevolkte Nederland een veehouderij van enorme omvang. Jaarlijks worden er meer dan 450 miljoen dieren gehouden die eindigen in de slachterij. Vissen in aquacultuur zijn daarbij nog niet meegerekend. Het grootste deel van deze dieren leeft in de intensieve veehouderij. Deze houderijsystemen hebben voor de dieren negatieve bijeffecten. Dierenwelzijn kan worden aangetast door lichamelijke problemen zoals eenzijdig fokken, staartcouperen en gezondheidsproblemen door hoge ziektedruk. Andere negatieve effecten zijn stress door ongeschikte leefomstandigheden, het niet kunnen vervullen van natuurlijke behoeften, en lange, stressvolle transporten slachtprocessen. Er is ook een negatieve impact op het milieu, de natuur en het landschap, en de volksgezondheid. Veel gemeenten (ook steden) hebben hiermee te maken op hun grondgebied en in hun omgeving. Binnen het stelsel van pachten, vergunningen en in de toezichthoudende en handhavende taken van de gemeente vragen gehouden dieren om aandacht.
Denk bijvoorbeeld aan de taken van de lokale politie en de inzet van gemeentelijke boa’s.
4.1. Huis-, hobby- en landbouwdieren in de gemeente Dieren hebben een positieve impact op de leefbaarheid van een stad of dorp en de zorg voor kwetsbare inwoners. Hoewel dieren voor een gemeente misschien niet altijd centraal staan, kan een gemeente met goed beleid bijdragen aan dierenwelzijn en een omgeving waarin dier en mens samen passen. Dat is wat mensen tegenwoordig verwachten. Het gaat dan het niet alleen om dieren binnenshuis, maar ook om dieren in de wei en om het huis. Regels met betrekking tot gezelschapsdieren zijn vastgelegd in de Wet dieren. Het Besluit houders van dieren, een uitvoeringsbesluit bij deze wet, bevat algemene regels over het houden en de verzorging van dieren. Ook zijn hierin regels opgenomen over het bedrijfsmatig houden, fokken en verhandelen of verkopen van gezelschapsdieren. Zo mogen gezelschapsdieren bijvoorbeeld niet verkocht worden aan kinderen onder de 16 jaar en mogen dierenwinkels geen dieren in de etalage hebben (beide om impulsaankopen tegen te gaan), en zijn er regels voor het maximale aantal nestjes dat een dier mag krijgen.
4.1.1. Huisdieren Vaak weten mensen niet genoeg over het bezit van huis- en hobbydieren en de wettelijke regels die hierbij gelden. Daarnaast is een gedeelte van de huisdieren exoot, wat een goede voorziening in de zorgbehoefte bemoeilijkt, onder andere door afwijkend klimaat en inrichting van leefruimte. Dit kan leiden tot strafbare verwaarlozing, dumping of het afstaan van aangeschafte dieren. De gemeente kan inwoners helpen met goede informatievoorziening en voorlichting over veelvoorkomende problemen. Bijvoorbeeld hoe de lokale dierenopvang is geregeld, waar losloopgebieden zijn of wat te doen bij bijtincidenten. De Dierenbescherming helpt hier graag bij. Daarnaast is er bij het LICG goede en per soort en ras gedetailleerde informatie beschikbaar over het verantwoord houden van huisdieren. Aanbeveling 4.1: Zorg voor voorlichting over het houden van huisdieren om dierenleed te voorkomen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
16/46
4.1.2. Hobbydieren Hobbydieren zijn landbouwdieren die in kleine aantallen en zonder commercieel doel worden gehouden zoals geiten, paarden, varkens en kippen. Nederland telt naar schatting vijftig- tot honderdduizend particulieren die hobbymatig landbouwdieren houden. Hiervoor gelden vaak andere (en meer) regels dan voor het houden van een regulier huisdier. Hobbydieren vallen namelijk op sommige punten onder de regels voor commercieel gehouden landbouwhuisdieren. Denk hierbij onder andere aan regels omtrent besmettelijke dierziekten, vervoer en huisvesting. Iemand die een hobbydier houdt moet bijvoorbeeld bij het vermoeden van een besmettelijke dierziekte een dierenarts inschakelen. Die kan constateren of het eventueel gaat om een ziekte die moet worden gemeld bij de NVWA. Ook hier biedt het LICG goede informatie over bijvoorbeeld weidedieren. Paarden In Nederland worden zo’n 450.000 paarden gehouden. Ongeveer de helft hiervan is particulier bezit en staat gestald in een pensionstal of aan huis. De andere helft wordt bedrijfsmatig gehouden op bijvoorbeeld maneges, sportstallen of fokkerijen. Alle paarden zouden toegang moeten hebben tot de 3Fs (forage, freedom and friends), oftewel ruwvoer, vrije beweging en sociaal contact, maar voor de meeste paarden is dit niet het geval.
Zelfregulering van de paardensector kan worden gestimuleerd door het versterken van samenwerking tussen verschillende paardenhouders in de gemeente en het beschikbaar stellen van subsidie voor dierenwelzijn verbeterende maatregelen, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam. Schuilstallen De meeste hobbydieren zijn kuddedieren. Een weide met tenminste één soortgenoot is daarom de beste plek voor hobbydieren, zowel uit het oogpunt van dierenwelzijn als gezondheid. Een weide alleen is niet voldoende. Wanneer het hard regent of de zon de hele dag op het weiland staat, moeten dieren ergens kunnen schuilen. Bovendien draagt adequaat gebruik van schuilstallen bij aan de bescherming van dieren tegen roofdieren. Het Besluit houders van dieren verplicht huisdierbezitters dan ook tot het bieden van bescherming tegen zowel slechte weersomstandigheden als tegen roofdieren (art. 1.6 lid 3 Besluit houders van dieren). De gemeente moet vanwege haar bevoegdheden op het gebied van de fysieke leefomgeving (voorheen: ‘ruimtelijke ordening’) de aanleg van schuilgelegenheden en -stallen goed regelen, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. De meeste gemeenten lijken dit overigens inmiddels op orde te hebben. Indien het niet mogelijk is om een schuilstal te bouwen, zou de gemeente dierhouders moeten informeren over alternatieven, zoals mobiele schuilstallen.
Bescherming tegen roofdieren Iedere dierhouder heeft de plicht om zijn of haar dieren te beschermen bij een reële dreiging van roofdieren (artikel 1.6 lid 3 Besluit houders van Dieren). Deze verplichting geldt voor alle gehouden dieren ten aanzien van alle roofdieren, zoals vossen, marters etc. Echter, met de terugkeer van de wolf in Nederland staan houders van (weide)dieren voor de uitdaging om effectieve en passende manieren van bescherming te vinden en toe te passen. Een gemeente kan dierhouders binnen haar grenzen actief informeren over de verschillende mogelijkheden om dieren te beschermen tegen roofdieren, en de verplichting daartoe. Daarnaast kan een gemeente voorzien in actuele informatie over het voorkomen van wolven en doorverwijzen naar helpende instanties. Uitvoeringsorganisatie BIJ12 geeft adviezen over wolfwerende maatregelen en in veel provincies zijn wolvenconsulenten actief. Samen met hen kan een houder kijken welk type bescherming gepast is. Daarnaast kan een gemeente bij signalering van gebrekkige bescherming een dierhouder wijzen op haar verplichtingen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
17/46
Voor het houden van landbouw(huis)dieren op gemeentelijke pachtgronden, geldt dat aanvullende voorwaarden gesteld kunnen worden in pachtcontracten. Dit kan vorm geven aan de algehele bestemming van de gronden, maar ook specifieke eisen aan de grondgebruiker stellen gedurende de pachtperiode. Denk hierbij aan het verplicht treffen van diervriendelijke maatregelen ter voorkoming van schade aan gewassen of vee, zoals het plaatsen van roofdierwerende rasters. Aanbeveling 4.2: Geef op de gemeentelijke website voorlichting over regelgeving en het diervriendelijk houden van hobbydieren. Aanbeveling 4.3: Zorg dat hobbydierhouders de juiste vergunningen krijgen om een schuilgelegenheid/stal te bouwen. Aanbeveling 4.4: Zorg voor een goede informatievoorziening voor dierhouders over adequate bescherming van hun dieren tegen roofdieren en signaleer het gebrek hieraan.
4.1.3. Landbouwdieren De Dierenbescherming stelt in het Deltaplan Veehouderij 2025 voor om (stapsgewijs, langs verschillende ‘transitiepaden’) te komen tot een veehouderij die goed is voor mens, milieu en dier. Dit plan beschrijft vier transitiepaden, die gezamenlijk bijdragen aan de beoogde transitie naar een dierwaardige veehouderij. Zie voor meer achtergrondinformatie en hoe de Dierenbescherming dit ziet en zelf aanpakt, en ter inspiratie voor gemeenten om meer werk te maken van verduurzaming: www.deltaplanveehouderij.nl. Een gemeenten kan boeren die maatregelen willen treffen om het bedrijf dierwaardig te maken ondersteunen, en belemmeringen voor vergunningverlening wegnemen. Gemeenten zijn daarmee een essentiële schakel in de landbouwtransitie. Het beleid van de gemeente moet aansluiten bij het beleid van de EU, het Rijk en de Provincies. Het kan dit beleid ook versterken door extra stappen te zetten. In 2024 heeft Tilburg University een onderzoeksrapport gepubliceerd met goede voorbeelden van hoe (ook) gemeenten onder de Omgevingswet met dierenwelzijn in de veehouderij aan de slag kunnen (Over megastallen en megawetten). De gemeente kan zich richten op de ondersteuning van verdere verduurzaming en op ondersteuning bij afbouw en beëindigen van traditionele bedrijven.
Denk hierbij aan het aanstellen van een relatiemanager of gebiedsmakelaar, het inperken van het bestemmingsplan en de milieuruimte, het uitkopen van veehouderijbedrijven, het creëren van ruimte voor functieverandering en het coördineren van vrijwillige kavelruil. Daarnaast kan de gemeente zelf het goede voorbeeld geven in het eigen consumptiegedrag. Inclusief inkoop en catering, door in gesprek te gaan met lokale schakels uit de keten, en door het creëren van een afzetmarkt voor regionale, duurzame, diervriendelijke producten. Aanbeveling 4.5: Draag actief bij aan de transitie richting een duurzame, dierwaardige veehouderij en faciliteer boeren die hun bedrijf dierwaardig willen maken bij de vergunningverlening.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
18/46
Aanbeveling 4.6: Leg ambities met betrekking tot verduurzamen van de veehouderij binnen gemeentegrenzen vast in beleid. Aanbeveling 4.7: Begeleid veehouders die willen stoppen en faciliteer hen hierbij. De echte verandering in de veehouderij moet uit de markt komen en meer specifiek: uit de keten ‘van boer tot bord’. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de markt geen natuurverschijnsel is dat ons overkomt: alle betrokkenen en ook de gemeente kunnen de markt met hun doen en laten beïnvloeden. De gemeente treedt op dit vlak dan ook actief op en kan daarbij verschillende instrumenten inzetten. In sommige gevallen is het zinvol om samen te werken met andere partijen zoals de Provincie. Bijvoorbeeld als het gaat om de reconstructie van een gebied met veel veehouderijbedrijven. De gemeente gaat in gesprek met verschillende spelers in de keten van binnen en buiten de gemeente zoals veevoederfabrieken, slachterijen en supermarkten. Om de afzet voor duurzame en diervriendelijke producten te vergroten voert de gemeente een actieve lobby voor het goedkoper maken van duurzamer geproduceerde producten, of juist het duurder maken van niet-duurzaam geproduceerde producten. In dit licht is het van belang dat de vraag naar duurzaam voedsel toeneemt en het besef dat consumptie van minder en betere dierlijke eiwitten daarin een belangrijke rol speelt.
Voorlichting en educatie vanuit de gemeente kunnen hierbij helpen. Daarbij kan de gemeente zelf het goede voorbeeld geven door een duurzaam en diervriendelijk inkoopbeleid te hanteren, bijvoorbeeld voor de eigen kantine en het organiseren van recepties. Aanbeveling 4.8: Zet waar mogelijk in op het vergroten van de afzet van duurzaam en diervriendelijk geproduceerde producten. Aanbeveling 4.9: Hanteer vanuit een voorbeeldfunctie een inkoopbeleid dat uitsluitend gericht is op duurzaam en diervriendelijk geproduceerde producten.
4.2. Dierenwelzijn en sociaal beleid 4.2.1. Sociale hulpverlening Sinds de veranderingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2015, komt de sociale hulpverlener vaker ‘achter de voordeur’. Zo vindt in veel gemeenten het ‘keukentafelgesprek’ plaats, dat vaak is uitbesteed aan sociale wijk- of buurtteams. De Dierenbescherming ervaart dat sociale hulpverleners een belangrijke rol kunnen spelen bij het signaleren van dierenwelzijnsproblemen. Dierenwelzijnsproblemen kunnen door veel verschillende oorzaken ontstaan. Denk hierbij aan het onthouden van medische zorg of voeding aan het huisdier door geldzorgen, of een gebrek aan aandacht en verzorging vanwege fysieke beperkingen of psychische aandoeningen van de eigenaar. De sociaal hulpverlener kan dit tijdig opmerken en actie ondernemen. De gemeente kan een faciliterende rol spelen door informatie en trainingen aan te bieden aan hulpverleners. Hulpverleners kunnen ook bij de Helpdesk Hulpverleners van de Dierenbescherming terecht voor advies en overleg. Aanbeveling 4.10: De gemeente informeert en faciliteert sociale hulpverleners om te signaleren en te acteren bij verminderd dierenwelzijn.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
19/46
Aanbeveling 4.11: De gemeente zorgt ervoor dat signalen, zowel vanuit de hulpverlening als vanuit de gemeenschap, adequaat worden opgevangen en op een veilige en effectieve manier worden opgevolgd.
4.2.2. Minimabeleid Voor huisdierbezitters met een laag inkomen kunnen problemen ontstaan door bijvoorbeeld een onverwacht hoge rekening van de dierenarts. Veel gemeenten hebben speciaal beleid voor mensen die niet genoeg inkomen hebben om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Mensen met een laag inkomen kunnen dan bepaalde vergoedingen of kortingen krijgen. Volgens de Dierenbescherming is medische zorg voor huisdieren een noodzaak binnen het minimabeleid en de Bijzondere bijstand, waarbij vergoedingen beschikbaar moeten zijn. Ook kan de gemeente lokale initiatieven zoals een dierenvoedselbank ondersteunen of de humane voedselbank uitbreiden met het verstrekken van diervoeding.
De gemeente Amsterdam heeft bijvoorbeeld de ADAM-regeling (‘Amsterdamse Dierenhulp aan Minima’- regeling). Deze zorgt ervoor dat minima één keer per jaar gratis een dierenarts kunnen bezoeken. Als een medische behandeling noodzakelijk is, vergoedt de gemeente de helft van de kosten tot een maximum van € 300,- per stadspasjaar (van 1 augustus tot en met 31 juli), op voorwaarde dat het dier gechipt is. Mocht dit niet het geval zijn, dan betaalt de gemeente dit ook. Ook voor de castratie van katten heeft de gemeente een vergoeding beschikbaar gesteld. De vergoeding is 50 procent, zolang het binnen het maximumbedrag van € 300,- valt. Blijvend onvruchtbaar maken van andere huisdieren wordt niet vergoed. In Rotterdam (en een deel van de omliggende gemeenten) kunnen minima en AOW-gerechtigden, onder bepaalde voorwaarden gebruikmaken van een regeling waarmee zij via de Rotterdampas € 450,- per jaar (2025) kunnen besteden aan onder meer dierbenodigdheden en dierenartskosten. Aanbeveling 4.12: Gemeenten kunnen in hun minimabeleid of in de richtlijnen van de Bijzondere bijstand vastleggen dat inwoners met een laag inkomen een regeling kunnen treffen voor noodzakelijke medische kosten voor hun huisdier. Aanbeveling 4.13: Gemeenten kunnen initiatieven voor een dierenvoedselbank ondersteunen en stimuleren of humane voedselbanken uitbreiden met diervoeding en andere benodigdheden.
Aanbeveling 4.14: Gemeenten stimuleren een goede samenwerking met en tussen lokale dierenartsen door het bevorderen van ondernemingskansen en het vastleggen van duidelijke afspraken voor gevallen waarin huisdieren de financiële ondergrens bereiken.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
20/46
4.2.3. Dierenbuddy Voor veel ouderen, chronisch zieken of mensen met een anderszins lichamelijke beperking, zijn huisdieren van groot belang voor hun kwaliteit van leven. Echter kunnen eigenaren soms niet meer goed voor hun huisdier zorgen. De vrijwilligers van Dierenbuddy ondersteunen deze mensen op het thuisadres bij de verzorging van hun huisdier. Dit kan ook in een zorginstelling zijn, als die huisdierbezit toestaat. Zo helpen de vrijwilligers om eenzaamheid te bestrijden én onbedoeld dierenleed te voorkomen. Het project Dierenbuddy van de Dierenbescherming is nu in meer dan veertig gemeenten actief. Ook andere gemeenten kunnen dit initiatief als pilotproject of structureel ondersteunen met een subsidie en het onder de aandacht te brengen in de wijknetwerken en binnen het sociale domein. Aanbeveling 4.15: Ondersteun het project Dierenbuddy door een financiële bijdrage en promotie binnen het sociale domein.
4.3. Identificatie en registratie Veel huisdieren hebben een goed thuis, waar zij de verzorging en aandacht krijgen die zij nodig hebben. Toch komt het regelmatig voor dat dieren ontsnappen of gedumpt worden. Deze dieren – voornamelijk honden en katten, maar ook konijnen, knaagdieren, (mini)varkens, vogels en reptielen – komen dan bij een dierenasiel of -opvangcentrum terecht. De dierenopvang gaat in eerste instantie op zoek naar de eigenaar van deze dieren. Wanneer de eigenaar niet wordt gevonden of het dier niet meer wil verzorgen, wordt er een nieuwe eigenaar gezocht. Het structureel verzamelen van gegevens over het aantal dieren en meldingen over overlast, verwaarlozing, mishandeling en dergelijke, kan dierenleed in de toekomst helpen voorkomen. Daarmee is het mogelijk patronen en verbanden in aard en herkomst van bepaalde problemen te identificeren en vervolgens tot een gerichte aanpak te komen. Daarbij is het van belang dat er verbinding wordt gelegd met andere domeinen en instanties die relevante informatie registreren over dierenwelzijn, zoals zorginstellingen, woningcorporaties, politie en maatschappelijke organisaties. De gemeente kan hierin een actieve en verbindende rol vervullen om bestaande informatie beter met elkaar te delen. Dit zorgt voor een vollediger en accurater inzicht in situaties van mogelijke overlast, verwaarlozing of mishandeling van dieren.
Chipplicht voor honden Om eigenaren op te sporen, meer honden te herenigen met hun eigenaar en malafide hondenhandel te ontmoedigen, is het chippen van honden sinds 2013 verplicht. Daarnaast moeten hondenbezitters vanaf 2021 ook een hondenpaspoort hebben. Voorheen was dit alleen nodig bij reizen naar het buitenland. Van alle gevonden honden gaat uiteindelijk 72 procent terug naar de eigenaar. Bij katten is dat slechts 13 procent. Dit komt onder andere omdat het registreren en chippen van katten nog niet verplicht is. De Dierenbescherming bepleit een nationale chipplicht voor katten om de problemen met zwerfkatten en verwilderde katten (zie paragraaf 7.2) aan te pakken en overvolle dierenopvangcentra te voorkomen. Momenteel wordt zowel op nationaal als Europees niveau (eindelijk) uitwerking gegeven aan de door de Dierenbescherming bepleite chipplicht voor katten. Naar verwachting zal de plicht in 2026 in Nederland in werking treden.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
21/46
‘Chip je kat’-acties In afwachting van een chipplicht voor katten kunnen gemeenten nu al een belangrijke rol vervullen door inwoners voor te lichten over het belang van identificatie en registratie en hen aan te moedigen hun kat te laten chippen. Elk jaar organiseren verschillende dierenorganisaties, dierenartsen en dierenspeciaalzaken chipacties. Ook de Dierenbescherming zet hier proactief op in met ‘Chip je kat’acties. Dit gebeurt in nauwe samenwerking en afstemming met de gemeente en betrokken dierenartsen. De Dierenbescherming faciliteert, de gemeente financiert en dierenartsen voeren het chippen uit. Aanbeveling 4.16: Neem actief deel aan ‘Chip je kat’-acties met financiering, publiekscommunicatie en afstemming met betrokken partijen. Aanbeveling 4.13: Zorg voor een goede registratie van meldingen met betrekking tot overlast, verwaarlozing en mishandeling van dieren.
4.4. Castratie van katten De Dierenbescherming vindt de castratie van katten een belangrijk onderdeel van verantwoord houderschap. Gecastreerde katten lopen minder risico op verwondingen en ziektes, leven daardoor langer en vertonen minder gedragsproblemen. Bovendien veroorzaken gecastreerde katten minder
In 2023 werden in de gemeente Groningen bijna 250 katten gecastreerd met behulp van vouchers die de gemeente verstrekte aan inwoners met een smalle beurs. Katten die nog geen chip hadden werden hier direct van voorzien. Hier vindt u meer informatie.
overlast, doordat ze minder vechten en sproeien. Als laatste dragen gehouden ongecastreerde katten bij aan de instandhouding van zwerfkattenpopulaties en de daarbijkomende problemen. Castratie, en dan voornamelijk vroegcastratie (<6 maanden), kan helpen de zwerfkattenproblematiek te verminderen. De Dierenbescherming pleit daarom voor een castratieplicht bij katten. Zolang deze plicht er nog niet is, is het belangrijk katteneigenaren op andere manieren te stimuleren en te ondersteunen bij het castreren van hun kat. Gemeenten kunnen in samenwerking met de Dierenbescherming of andere dierenwelzijnsorganisaties een castratieactie opzetten, waarbij inwoners hun kat gratis of tegen gereduceerd tarief kunnen laten castreren (https://kattencastratie.nl/).
4.5. Hondenbeleid Honden in de wijk zorgen voor sociale cohesie tussen bewoners en dieren en dragen bij aan het welzijn van mens en dier. Soms leidt de aanwezigheid van huisdieren echter ook tot onenigheid of irritaties. Eigenaren zijn altijd eindverantwoordelijk voor hun hond en het voorkomen van ongewenste situaties, maar een duidelijk lokaal hondenbeleid is belangrijk om het welzijn van honden, eigenaren en andere buurtbewoners te borgen. In veel gemeenten geldt bijvoorbeeld al een algehele opruimplicht voor hondenpoep. Daarbij is het wel van belang dat er voldoende plekken zijn waar honden hun behoeften kunnen doen en hun energie kwijt kunnen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
22/46
4.5.1. Hondenlosloopgebieden De aanlijnplicht voor honden begon als een begrijpelijke maatregel, maar tegenwoordig zijn losloopgebieden voor honden nauwelijks nog te vinden. Het landschap voor onze viervoeters en hun eigenaren is ingrijpend veranderd. Waar honden ooit konden rennen en spelen, zien we nu dat deze vrijheden steeds meer worden ingeperkt. Voor het welzijn van zowel hond als huisdiereigenaar is het van belang dat honden voldoende in staat zijn om hun energie kwijt te raken en hun behoefte te kunnen doen. Dit kan in veel gemeenten in speciale losloopgebieden. Daarbij zal aanwezigheid van adequate losloopvoorzieningen mogelijk leiden tot een afname van ongewenste aanwezigheid van honden in andere gebieden, bijvoorbeeld kwetsbare natuurgebieden. Bij het bestemmen van een losloopgebied, dient rekening gehouden te worden met veiligheidsaspecten, zoals de aanwezigheid van drukke wegen. Het is van belang dat een gemeente begint met het formuleren van heldere beleidsdoelen met betrekking tot aanwezigheid, bereikbaarheid en omvang van losloopgebieden, bijvoorbeeld door te kijken naar maximale (loop)afstand vanuit woonwijken. Reageer daarnaast proactief op signalen uit de praktijk over het gebrek aan voldoende, veilige losloopgebieden. Werk daarbij actief samen met bewoners, hondenverenigingen en andere relevante partijen om breed gedragen oplossingen te realiseren.
Door dialoog te stimuleren, worden gezamenlijke belangen behartigd en evenwichtige maatregelen genomen. Het is naast het signaleren van behoeften en de realisatie/uitbreiding van hondenlosloopgebieden van belang dat deze goed onderhouden worden. Daarnaast helpt het regelmatig monitoren en evalueren van nieuwe of aangepaste losloopgebieden – op zowel sociale interacties als ervaren van overlast – bij het tijdig kunnen bijsturen van de effecten en het treffen van aanvullende maatregelen waar nodig. Op https://www.doggydating.com/losloopgebieden is een overzicht te vinden van losloopgebieden. Aanbeveling 4.14: Stel concrete beleidsdoelen op ten aanzien van aanwezigheid, omvang en bereikbaarheid van hondenlosloopgebieden en zorg voor de realisatie hiervan. Aanbeveling 4.15: Zorg ervoor dat bestaande losloopvoorzieningen goed onderhouden worden. Aanbeveling 4.16: Monitor en evalueer regelmatig de effecten van nieuwe of aangepaste losloopgebieden.
4.5.2. Voorlichting Naast een adequaat aanbod in hondenlosloopvoorzieningen binnen gemeentegrenzen, kan voorlichting bijdragen aan een goede co-existentie van inwoners en huisdieren. Investeer daarom actief als gemeente in educatie en voorlichting voor zowel hondenbezitters als buurtbewoners over de omgang met honden en het belang van goede socialisatie. Door begrip en verdraagzaamheid aan beide kanten te bevorderen, vermindert de kans op conflicten en overlast. Bij voorkeur plaatst de gemeente informatie over het hondenbeleid goed zichtbaar op haar website. Van belang is ook dat de gemeente duidelijk aangeeft waar uitlaatstroken, losloopgebieden en speelweides zijn. Ook via hondenscholen leren eigenaren om vertrouwd te raken en verantwoord om te gaan met hun hond. De gemeente kan welzijnsgerichte hondenscholen actief onder de aandacht brengen, bijvoorbeeld als mensen hun hond aanmelden voor belasting.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
23/46
Aanbeveling 4.17: Investeer in voorlichting en educatie voor hondenbezitters en buurtbewoners over verantwoorde omgang met honden.
4.5.3. Hondenbelasting Gemeenten mogen hondenbelasting heffen op basis van de Gemeentewet, artikel 226. Hier is al jaren weerstand tegen, omdat velen dit discriminatie van hondenbezitters vinden. Het aantal gemeenten dat hondenbelasting heft neemt dan ook steeds verder af. Hoewel hondenbelasting geen doelbelasting is, kan de gemeente ervoor kiezen de inkomsten uit hondenbelasting (deels) te besteden aan voorzieningen voor honden of de praktische uitwerking van hondenbeleid. Dit is ook wat de Dierenbescherming bepleit. De gemeente kan bijvoorbeeld uitlaatplaatsen, losloopgebieden en speelweides creëren en afvalbakken plaatsen. Een alternatief is dat de gemeente geen hondenbelasting heft, maar iets terugvraagt van hondeneigenaren. Bijvoorbeeld dat zij altijd hondenpoep opruimen en zo zelf de verantwoordelijkheid nemen en bijdragen aan het schoonhouden van de openbare ruimte. De gemeente Ridderkerk heeft al sinds lange tijd een dergelijk beleid. Aanbeveling 4.18: Indien hondenbelasting wordt geïnd, gebruik deze dan om de openbare voorzieningen voor honden te verbeteren.
4.5.4. Bijtincidenten Vanuit een integrale benadering van dierenwelzijn en veiligheid is het belangrijk om bijtincidenten met honden zowel preventief als reactief aan te pakken. Een goed beleid op dit gebied richt zich op het vroegtijdig herkennen van risicosituaties en het organiseren van duidelijke protocollen voor de afhandeling van incidenten. Voor de inzet op het voorkomen van bijtincidenten dient de gemeente zich te richten op preventiebeleid. Zij kan hierbij een faciliterende rol spelen door onder meer aandacht te besteden aan goede voorlichting en educatie. Denk hierbij aan het voorlichten van inwoners vanaf jonge leeftijd. Bijvoorbeeld door het verzorgen van voorlichtingslessen op basisscholen. Leer kinderen veilig omgaan met honden en informeer daarnaast inwoners via lokale campagnes, informatiemateriaal en bijeenkomsten. Dit vergroot de algemene kennis over omgang met honden en vermindert het risico op bijtincidenten. Ook het opleiden en informeren van hondeneigenaren helpt om kennis over omgang met honden te vergroten door bijvoorbeeld het aanbieden of promoten van welzijnsgerichte hondencursussen. Aanbeveling 4.19: Voorzie inwoners van informatie door voorlichting en educatie over de omgang met honden, bijvoorbeeld in de vorm van (gast)lessen op basisscholen of hondencursussen.
Het vroegtijdig signaleren van risicosituaties is cruciaal in het voorkomen van bijtincidenten. Een goede samenwerking met het sociaal domein kan hierin een belangrijke rol spelen. Stimuleer en faciliteer samenwerking en informatie-uitwisseling met en tussen instanties binnen het sociaal domein om snel te kunnen reageren op signalen van potentieel gevaarlijke situaties. Mocht er sprake zijn van risicovolle situaties, dan is het van belang dat men zich kan wenden tot een laagdrempelig meldpunt of digitaal platform waar eenvoudig overlastsituaties of knelpunten gemeld kunnen worden. Het is belangrijk dat de gemeente hierin voorziet en het bestaan ervan helder communiceert aan haar inwoners. Dit kan de gemeente helpen bij het tijdig ingrijpen en bieden van passende oplossingen.
Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid 2026-2030
24/46
Aanbeveling 4.20: Betrek sociale instanties bij het signaleren van potentiële risicosituaties. Aanbeveling 4.21: Zorg voor een laagdrempelig meldpunt voor risicosituaties en communiceer hierover naar inwoners. Net als in veel gevallen is het voorkomen van bijtincidenten beter dan genezen. Toch is het van belang om goed na te denken over hoe om te gaan met een incident of de dreiging ervan. Hierbij horen duidelijke protocollen voor registratie, beoordeling en opvolging van incidenten, zodat niet alleen de veiligheid van inwoners gewaarborgd wordt, maar ook het welzijn van de betrokken honden verbetert en herhaling kan worden voorkomen. Betrek hierbij deskundigen, zoals dierenartsen en gedragsspecialisten. Dit start met een gedegen registratie en het opstellen van een protocol. Zowel het slachtoffer als de hond en zijn eigenaar zijn gebaat bij een zorgvuldige omgang met incidenten. De basis van een protocol omvat dan ook wat hondeneigenaren en slachtoffers kunnen doen na een bijtincident. Zo kan een slachtoffer bijvoorbeeld aangifte doen. De gemeente kan vervolgens bepalen wat er met de hond gebeurt. De Dierenbescherming pleit ervoor dat na een aangifte de hond pas in het uiterste geval in beslag wordt genomen. Mogelijk kan een aanlijn- en muilkorfgebod, eventueel gecombineerd met een cursus, al een oplossing bieden.