3.1 ro tijdelijke huisvesting Goudswaard nov 2023.docx - Bevroren versie
Tekst van het document
4.2
Wegverkeerslawaai
4.2.1 Toetsingskader Woningen zijn geluidgevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder (Wgh). Omdat de woningen liggen binnen de wettelijke geluidzone van de Molendijk en de Noordweg wordt getoetst aan de grenswaarden Wgh in het akoestisch onderzoek (zie bijlage 1). 4.2.2 Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat: ● Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Noordweg; ● Vanwege de Molendijk wordt op drie woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden maar de maximale ontheffingswaarde niet; ● Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren vanwege de Molendijk zijn om verkeerskundige-, landschappelijke-, stedenbouwkundige en financiële redenen ongewenst; ● Er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid voor het aspect geluidluwe gevel, ook is er een geluidluwe collectieve buitenruimte aanwezig; ● Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig vanwege de Molendijk. 4.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig voor 3 woningen. De nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.3
Ecologie
4.3.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
25/46
Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: ● alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; ● het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en ● de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS-vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.3.2 Onderzoek RHO Adviseurs heeft Blom Ecologie verzocht het projectgebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
26/46
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het projectgebied bevindt zich op circa 955 meter van het Natura 2000-gebied Haringvliet. Dit is ook het meest dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied betreft Krammer-Volkerak op circa 10,6 kilometer. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de grote afstand tot natuurgebieden en de geringe ontwikkeling kunnen ook verstoring, verandering van de waterhuishouding en vermesting/verzuring worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten.
Figuur 4.1 Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming
Stikstof Vanwege de afstand tot de Natura 2000-gebieden zou de beoogde ontwikkeling kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfases van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De achterliggende stikstofberekening voor de realisatie- en gebruiksfase is opgenomen in bijlage 4. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. 4.3.3 Soortenbescherming Het projectgebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Wel is het mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
27/46
Tabel 4.3 Overzicht van de Soortenbescherming.
4.3.4 Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) geeft daarbij de volgende voorschriften mee: -
De start van de werkzaamheden dient plaats te vinden buiten de broedperiode van vogels (globaal van maart t/m juli). Indien dit onverhoopt niet mogelijk is, dan dient ten laatste twee weken voor de werkzaamheden aanvangen het terrein door een deskundige te worden gecontroleerd op mogelijke broedvogels. Een broedsel is altijd beschermd ook buiten broedperiode. Indien uit dit onderzoek blijkt dat er zich in het projectgebied nest-indicerende of broedende vogels bevinden, dan mogen de werkzaamheden niet zondermeer uitgevoerd worden. In dat geval dreigt overtreding van de Wet natuurbescherming en loopt u het risico dat het toezichthoudend bevoegd gezag handhavend zal optreden. Dit kan onder meer bestaan uit het stilleggen van de werkzaamheden. Indien uit het deskundig onderzoek blijkt dat er zich nest-indicerende of broedende vogels in het projectgebied bevinden en het wenselijk is dat de werkzaamheden zonder uitstel doorgang vinden, dan dient u dit onderzoek met spoed te mailen naar ecologie@ozhz.nl, zodat wij met u kunnen afstemmen of- en welke passende oplossingen mogelijk zijn en u zo voorkomt dat de Wnb overtreden wordt.
-
4.4
De werkzaamheden dienen zoveel mogelijk overdag te worden uitgevoerd (buiten schemerperioden). Als (in afwijking van voorschrift 2) het onvermijdelijk is werkzaamheden in de schemer of nachtperiode uit te voeren, dient gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting (op bouwplaats gerichte geconvergeerde lichtbundels, niet zijwaarts gericht, gebruik van de juiste kleur verlichting, bijv. amberkleurig).
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ● ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; ● rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
28/46
4.4.2 Onderzoek Omdat er in de omgeving van het projectgebied voornamelijk woningen en agrarische gebieden zijn gelegen, is er sprake van een rustige woonwijk. Er worden tijdelijke woningen mogelijk gemaakt. Dit betreffen milieugevoelige functies waardoor getoetst moet worden aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Ten zuiden bevindt zich een bedrijventerrein. Hier zijn bedrijven uit ten hoogste categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘Bedrijventerreinen’ mogelijk. Bedrijven uit milieucategorie 3.1 hebben een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. De afstand tot het dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming is circa 300 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Het bedrijf Coorndijck VOF ligt ten noorden van het plangebied en valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Met een afstand van circa 150 meter tot het bedrijf wordt er aan de richtafstand voldaan. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Kabels en leidingen
4.5.1 Toetsingskader Ter plaatse van planologisch relevante leidingen en in de directe omgeving daarvan dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.5.2 Onderzoek Binnen of in de nabijheid het projectgebied zijn geen planologische hoogspanningsverbindingen, waterleidingen, gasleidingen of rioolleidingen aanwezig. 4.5.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: ● bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; ● vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water.
Ten noorden van het projectgebied aan de Noordweg 1 is een risicovolle inrichting gelegen. Het betreft Coorndijck Exploitatiemaatschappij B.V. met een bovengrondse propaantank met een inhoud van 5 m3. De locatie is buiten de veiligheidszone gelegen. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
29/46
4.6.2
Onderzoek
Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart met het projectgebied rood omkaderd
4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Water
4.7.1 Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota’s verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota’s, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
30/46
Europees: ● Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: ● ● ●
Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet
Provinciaal: ● ● ●
Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta: ● ● ● ● ● ●
waterveiligheid (dijken en duinen) versterkte duinen meer biodiversiteit op de dijken minder CO2-uitstoot, vergoten meer innovatie voldoende schoonwater
Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: ● ● ●
Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
4.7.2 Huidige situatie Algemeen Het projectgebied is momenteel onbebouwd en heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse van het projectgebied uit poldervaaggronden. In het projectgebied is sprake van grondwatertrap IVc. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 75
31/46
centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op circa 139 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld is gelegen op circa 0,2 meter boven NAP. Waterkwantiteit Ten noorden en oosten wordt het projectgebied begrensd door hoofdwatergangen. Ten zuiden bevindt zich een watergang in de categorie ‘overig’. Voor werkzaamheden in de beschermingszones van respectievelijk 5 en 1 meter van de watergangen dient een watervergunning aangevraagd te worden.
Figuur 3.3 Uitsnede legger waterschap Hollandse Delta
Waterkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is momenteel onbebouwd en niet aangesloten op een rioolstelsel.
4.7.3 Toekomstige situatie Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd te worden.
32/46
Er wordt circa 2.615 m2 verhard, er moet daarom 261 m² oppervlaktewater gecompenseerd worden. Voor de watercompensatie is een plek voor extra water en natuurontwikkeling aangewezen tussen de Boomgaard en de planlocatie. Op deze plek wordt zowel het water voor de Boomgaard als de nieuwe ontwikkeling van de tijdelijke woningen gecompenseerd. De watergang wordt gekoppeld met de omliggende watergangen om doorstroming te bevorderen ten behoeve van de waterkwaliteit. De inrichting hiervan zal natuurvriendelijk worden ingezet met voldoende flauwe oevers. Dit is reeds in het ontwerp opgenomen (zie figuur 2.1 stedenbouwkundig plan op pagina 11). Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: ● hemelwater vasthouden voor benutting, ● (in-) filtratie van afstromend hemelwater, ● afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, ● afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. 4.7.4 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. De watercompensatie is in het plan uitgewerkt. Er wordt voorzien in voldoende waterberging.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de
33/46
grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: ● een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); ● een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.8.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van 20 tijdelijke woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven.
Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2022 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Krommedijk, ten noorden van het projectgebied. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 13,9 µg/m³ voor NO2, 14,9 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. 4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.9
Bodem
4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
34/46
4.9.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van tijdelijke woningen. Momenteel is de locatie bestemd als ‘Agrarisch’, waardoor er sprake is van een functiewijziging. Middels een bodemonderzoek dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In opdracht van Rho adviseurs, is door DS milieu-consult in juni 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied nabij Goudswaard. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het doel van het bodemonderzoek was het vastleggen van de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of de locatie geschikt is voor het toekomstige gebruik, wonen met tuin. Conclusies Op basis van de beschikbare gegevens, als historische informatie, de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters, kan het volgende worden geconcludeerd: ● De bovengrond is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket. ● De bodem ter plaatse van de gedempte sloot is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket. ● Het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 is zeer licht verontreinigd met dichloormethaan. De oorzaak is niet achterhaald.
De hypothese dat de locatie niet verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten van het grondwater, formeel te worden verworpen. De hypothese dat de bodem ter plaatse van de gedempte sloot verdacht is van het voorkomen van bodemvreemde materialen die tot een verontreiniging kunnen hebben geleid, dient te worden verworpen. Aanbevelingen Het licht verhoogde gehalte aan dichloormethaan in het grondwater geeft geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik, wonen met tuin. Onzes inziens bestaan er geen milieu-hygiënische bezwaren tegen de afgifte van een Omgevingsvergunning voor nieuwbouw.
4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Toetsingskader Regelgeving en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.10.2 Cultuurhistorie Het projectgebied maakt geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
35/46
4.10.3 Archeologie In opdracht van de gemeente Hoeksche Waard is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Daarbij zijn op twee plekken proefsleuven gegraven: in de noordhoek (archeologische vindplaats) en centraal in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
De aanbevelingen uit dit onderzoek zijn als volgt: Geadviseerd wordt om de archeologische dubbelbestemming te handhaven voor de archeologische vindplaats, ter plaatse van het noordoostelijke deel van het projectgebied (zie figuur 4.4). Binnen deze zone worden in het kader van de voorgenomen planrealisatie geen graaf- of inrichtingswerkzaamheden verwacht (zie figuur 4.5), zodat aanvullend archeologisch onderzoek op dit moment niet noodzakelijk wordt geacht. Voor het grootste deel van het projectgebied geldt dat de uitvoering van de geplande inrichtingswerkzaamheden niet zal leiden tot de verstoring van behoudenswaardige archeologische resten. Voor het overige deel van het plangebied kan de archeologische dubbelbestemming worden beperkt tot de dieper en zeer diep gelegen geologische horizonten (de Afzettingen van Calais en de Pleistocene afzettingen).
figuur 4.4. Contouren van de archeologische vindplaats (de gearceerde zone) en de ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI, 2023. Schaal 1: 5.000.
36/46
Figuur 4.5. De contouren van de archeologische vindplaats (geel omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het
bouwplan.
4.10.4 Conclusie Voor het grootste deel van het projectgebied geldt dat de uitvoering van de geplande inrichtingswerkzaamheden niet zal leiden tot de verstoring van behoudenswaardige archeologische resten. Voor het deel in de noordelijke hoek, waar de archeologische vindplaats ligt geldt dat hier geen werkzaamheden zullen plaatsvinden.
4.11 M.e.r. procedure 4.11.1 Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. ● Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of een MER wel of niet nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de
37/46
●
kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
4.11.2 Onderzoek De beoogde realisatie maakt ontwikkelingen mogelijk die zijn genoemd in onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage). De ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarden die genoemd worden in het Besluit milieueffectrapportage. Indien een ontwikkeling onder de drempelwaarden blijft, is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dat kader dient een zogenoemde aanmeldnotitie opgesteld te worden. Het besluit dient genomen te worden voordat de ontwerpomgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. 4.11.3 Conclusie Er is een aanmeldnotitie opgesteld. Het besluit dient genomen te worden voordat de ontwerpomgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.
38/46
5. MAATSCHAPPELIJKE- EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1 Participatie De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12 Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn omwonenden en belanghebbenden tijdens één informatieavond en één inloopavond in de gelegenheid gesteld mee te denken en meer informatie in te winnen over de beoogde ontwikkeling. Op de eerste informatieavond van 22 maart 2023 is het plan toegelicht. Allereerst zijn de betrokken wethouder en de manager van HW-wonen geïnterviewd over de nut en noodzaak en de achtergronden van het project. Vervolgens is het inrichtingsplan gepresenteerd en toegelicht. Vervolgens zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen, suggesties te doen en oplossingen aan te dragen. Dit kon zowel door opmerkingen op de panelen te plakken als door gebruik te maken van een reactieformulier. Alle opmerkingen, reacties en aanbevelingen zijn samengevat en hebben gediend als input voor enkele aanscherpingen van het plan. Op een tweede inloopavond op 12 april 2023 is het aangepast plan wederom getoond. Omwonenden zijn wederom in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en te reageren.
De uiteindelijke dit doorontwikkeld naar een optimaal ontwerp waarbij vanuit de aspecten geluid en wateropgave enkele beperkte aanpassingen in het plan zijn doorgevoerd. 5.1.2 Procedure Bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is de uitgebreide Wabo procedure van toepassing. Dit betekent dat de gemeenteraad besluit over het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Daarnaast wordt er een ontwerp besluit voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage termijn kunnen zienswijzen ingediend worden bij het college van burgemeester en wethouders. Met in acht name van de ingekomen zienswijzen besluit het college van burgemeester en wethouders over het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Een besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tegen een omgevingsvergunning kan in twee instanties beroep worden ingesteld, eerst bij de rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. De grond is in eigendom van de gemeente. HW Wonen koopt grond van de gemeente voor de realisatie van de woningen. Overige grond bedoeld voor de openbare ruimte blijft in eigendom van de gemeente. De gemeente en HW Wonen zijn dus gezamenlijk initiatiefnemer. Er is afgesproken dat er buiten de wettelijk verplichte leges verder geen kostenverhaal plaatsvindt voor de inzet van ambtelijke uren. De gemaakte afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Voor de grondverkoop wordt een verkoopovereenkomst afgesloten. Uit het bovenstaande blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling gewaarborgd is.
39/46
6. CONCLUSIE Het planologisch mogelijk maken van maximaal 20 tijdelijke woningen ter plaatse van het projectgebied past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De diverse omgevingsaspecten leveren geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is economisch uitvoerbaar en het kostenverhaal is afgedekt door de initiatiefnemer. Het gemeentebestuur heeft de ruimtelijke relevante belangen in de omgeving betrokken in haar afweging. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het projectvoornemen voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening.
40/46
BIJLAGE 1 AKOESTISCH ONDERZOEK
41/46
BIJLAGE 2 QUICKSCAN ECOLOGIE
42/46
BIJLAGE 3 MEMO STIKSTOFDEPOSITIE
43/46
BIJLAGE 4 STIKSTOFBEREKENINGEN
44/46
BIJLAGE 5 MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK
45/46
BIJLAGE 6 ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK
46/46