CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

122690 bijlage 5 - Laagdrempelige-langdurige-hulp-aan-slachtoffers-van-complex-huiselijk-geweld

Beeldvormende bijeenkomst 18 november 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Inspreken mevr. Kubbe24.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Procesevaluatie Filomena

Laagdrempelige en langdurige hulp aan slachtoffers van complex huiselijk geweld Milou Lünnemann - Jildou van der Ploeg - Katinka Lünnemann - Roos de Wildt

Laagdrempelige en langdurige hulp aan slachtoffers van complex huiselijk geweld Procesevaluatie Filomena

Milou Lünnemann Jildou van der Ploeg Katinka Lünnemann Roos de Wildt Met medewerking van Youp Dusault Mieke Buijs Minka te Molder Majone Steketee

Utrecht, oktober 2024

Inhoud 1 Inleiding 1.1. Achtergrond 1.2. Verantwoording van het onderzoek 1.3. Opzet van het rapport

4 4 11 11

2 Filomena in de praktijk 2.1. Doelgroep 2.2. Instroom en trajecten 2.3. Conclusie

12 12 13 15

3 Werkwijze van Filomena 3.1. Ervaring met werkwijze van Filomena in de praktijk 3.2. Kernteam en structurele samenwerkingspartners 3.3. Meerwaarde en resultaten van Filomena 3.4. Uitdagingen voor nu en in de toekomst 3.5. Conclusie

16 16 20 22 23 24

4 Ervaringen van cliënten 4.1. Achtergrond geïnterviewde cliënten 4.2. Kennismaking Filomena 4.3. Ervaren hulp van Filomena 4.4. Resultaten en verbeterpunten 4.5. Conclusie

25 25 27 28 32 33

5 Samenwerking met netwerkpartners 5.1. Samenwerking netwerkpartners 5.2. Wat gaat goed 5.3. Uitdagingen voor in de toekomst 5.4. Plek van Filomena in huidige aanpak huiselijk geweld 5.5. Conclusie

35 35 37 37 38 38

6 Conclusie en aanbevelingen 6.1. Werkwijze van Filomena 6.2. Aanbevelingen

41 41 45

7

47

Bijlage 1: Methodologische verantwoording

3

1

Inleiding

1.1.

Achtergrond

1.1.1.

Ontstaan Filomena

Filomena, het Centrum huiselijk geweld en kindermishandeling in Rotterdam, biedt een laagdrempelig inloopspreekuur voor slachtoffers van ernstig en complex huiselijk geweld en onderscheidt zich daarmee van alle andere voorzieningen die hulp en ondersteuning bieden aan deze doelgroep. Het centrum is daarnaast, als een specialistische afdeling van Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, actief bij gevallen van ernstige vormen van huiselijk geweld, seksueel geweld en kindermishandeling in de regio. Ze bieden hierbij intensieve en langdurige begeleiding en casemanagement en geven advies. Bovendien is Filomena een Kennis en expertisecentrum waarbinnen partnerorganisaties samenwerken, verschillende expertise inzetten in casuïstiek, en expertise delen en genereren. Het centrum Filomena is vernoemd naar SintFilomena, de beschermheilige van kinderen, toekomstige moeders, gefolterden en gevangenen.

Rotterdam kent al decennialang een aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling waarbij een integrale aanpak en het bieden van systeemgerichte hulp centraal staat (Actieprogramma Huiselijk Geweld 2008-2011). In de periode 2008-2015 vormden 14 Lokale Teams Huiselijk Geweld (LTHG) op deelgemeenteniveau de infrastructuur voor deze aanpak. Verschillende organisaties werkten samen, waaronder de politie, en er was sprake van een laagdrempelig hulpaanbod. Met de oprichting in 2015 van Veilig Thuis door een fusie van het AMK (Advies en Meldpunt Kindermishandeling) met het ASHG (Advies en Steunpunt Huiselijk Geweld) verdwenen de LTHG’s; de specifieke kennis over huiselijk geweld en kindermishandeling werd geconcentreerd in Veilig Thuis en een deel van de mensen uit de LTHG’s kwam terecht in de 42 wijkteams. Deze wijkteams werken generalistisch voor iedereen van 0 tot 100; zij bieden kortdurende hulp, en verwijzen door naar specialistische zorg.

Het Verwey-Jonker Instituut voerde een evaluatieonderzoek uit naar de werkwijze van Filomena. In deze inleiding staan we in paragraaf 1.1 allereerst stil bij de achtergrond van Filomena, welke interventies ingezet kunnen worden (ook wel werkwijzen genoemd), en hoe Filomena is georganiseerd en samenwerkt met netwerkpartners. We sluiten deze paragraaf af met een beschrijving van de nieuwste ontwikkelingen bij Filomena. In paragraaf 1.2 geven we een korte beschrijving van de onderzoeksopzet. Daarna beschrijven we de verdere opbouw van dit rapport (paragraaf 1.3), waarin de werkwijze van Filomena in de praktijk centraal staat, vanuit de ervaring van professionals, cliënten en netwerkpartners.

Bewoners kunnen niet zelf bij deze wijkteams aankloppen. Dit gaat via de Vraagwijzer, Veilig Thuis, Centrum voor Jeugd en Gezin en de huisarts. Deze veranderingen in het sociaal domein, die samengingen met de verandering bij de politie naar een landelijke politie met een generalistische aanpak, hadden onder meer tot gevolg dat kennis omtrent huiselijk geweld versnipperd raakte of verdween. Bovendien verslechterde de bereikbaarheid van de wijkteams voor deze doelgroep (in vergelijking met de LTHG’s) en de slagkracht in de aanpak van huiselijk geweld verminderde. Door de verkokerde loketten en het ontbreken van samenwerking tussen de verschillende organisaties duurde het traject om uiteindelijk de juiste hulp te krijgen erg lang of kwam niet van de grond. Bovendien had de fusie van AMK en ASHG weliswaar een positief effect op een meer geïntegreerde aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, maar 4

de aandacht voor geweld tegen vrouwen in relaties verminderde. Dit veranderde toen in 2018 binnen één jaar drie (jonge) vrouwen na een periode van stalking door geweld om het leven werden gebracht. Er kwam meer aandacht voor stalking, en meer besef dat de bovenstaande infrastructuur ondermijnend was voor een laagdrempelige hulp aan slachtoffers van ernstig en controlerend geweld (Lünnemann et al., 2020). Een verandertraject kwam op gang waarin zowel op bestuursniveau als beleids- en uitvoerend niveau de samenwerking tussen netwerkpartners wordt versterkt en de schotten om hulp te ontvangen worden verminderd (Lünnemann & Voorwinden, 2021). Filomena kan worden beschouwd als een van de uitkomsten van bovenstaande ontwikkeling. Mede gestimuleerd door het landelijke programma van VWS ‘Geweld Hoort Nergens Thuis’ (2018-2021) wordt een Multidisciplinaire aanpak (MDA++) voor de regio Rotterdam-Rijnmond ontwikkeld. Oorspronkelijk was de zoektocht hoe een MDA++ naast de multidisciplinaire samenwerking huiselijk geweld binnen het Zorg en Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond (ZVHRR) een plek zou krijgen en had men geen specifieke doelgroep voor ogen.

Gaandeweg het proces is gekozen voor een laagdrempelige voorziening, een one-stopshop; een multidisciplinaire manier van samenwerken vanuit een vaste plek waar volwassenen en jongeren binnen kunnen lopen als zij slachtoffer zijn van ernstig (seksueel) geweld thuis, geïnspireerd op het Family Justice Center en het Chadwick Center in San Diego (Sondeijker et al., 2023). Filomena komt tegemoet aan de wens en noodzaak om laagdrempelig toegankelijk te zijn voor slachtoffers van ernstig en complex geweld in afhankelijkheidsrelaties. Bovendien onderscheidt Filomena zich ten opzichte van andere overleg en/of samenwerkingsvormen huiselijk geweld, waar geen binnenloop functie is, geen (medisch) onderzoek plaatsvindt en geen directe hulp wordt geboden. Filomena biedt één plek waar alle faciliteiten aanwezig zijn voor letselonderzoek, sporenonderzoek, traumascreening en (gezins-)diagnostiek.

1.1.2.

Doel en doelgroep

Filomena richt zich nadrukkelijk op slachtoffers (vrouwen, mannen en kinderen) uit de regio Rotterdam Rijnmond die zeer ernstig, complex geweld hebben meegemaakt of meemaken. Er is sprake van letsel en/of seksuele dwang in combinatie met huiselijk geweld, psychosociaal trauma of ernstige vormen van dwang en controle (intieme terreur). Het gaat om casuïstiek waarbij hoog-specialistische inzet (zoals van forensische artsen, traumaspecialisten en/of politie) nodig is en die te complex is om op lokaal niveau te organiseren. Indien sprake is van minder ernstig of complex geweld, is het lokale veld de juiste plek. De focus van Filomena ligt op het vergroten van de veiligheid van het slachtoffer, en zo mogelijk ook de veiligheid van hun gezin/systeem via een systeemgerichte aanpak. Door deze systeemgerichte aanpak, vormgegeven via de uitgangspunten van de multi-focus aanpak, is er aandacht voor alle betrokkenen in het relatie/gezin/familiesysteem; dus ook de kinderen en de (ex-)partner (pleger) krijgen hulp en begeleiding. Filomena stelt zich tot doel geweld in afhankelijkheidsrelaties duurzaam te doorbreken door een laagdrempelige plek te zijn waar alle organisaties als één team samenwerken om de benodigde zorg-, straf- en/of behandeltrajecten in gang te zetten. Ze willen een integrale specialistische aanpak bieden met korte lijnen en een snelle afstemming.

Filomena moet een plek zijn waar begeleiding, onderzoek en hulp rondom de cliënt wordt georganiseerd en de cliënt de regie behoudt.

5

1.1.3.

Werkwijze Filomena

Filomena kenmerkt zich door: 1. 2. 3. 4.

Schematische weergave van de werkwijze van Filomena (handboek 2024) Inloopspreekuur

De inloopfunctie, waardoor mensen zonder verwijzing of indicatie kunnen binnenlopen. Een vast gezicht doordat één professional (de intensief casemanager, ICM) betrokken blijft tot herstel plaatsvindt Een one-stop-shop waardoor zoveel mogelijk op één plek verschillende onderzoeken plaatsvinden en De afwezigheid van een wachtlijst.

Naast het inloopspreekuur zijn er twee trajecten: een snelle onderzoeksfase, de SOF-7 en een duurzame interventie gericht op veiligheid en herstel, de DMFI. DMFI staat voor een Duurzame Multisectorale Filomena Interventie. De Intensief Casemanager (ICM’er) speelt een cruciale rol. ICM’ers zijn verantwoordelijk voor de coördinatie van de trajecten van Filomena. Zij zijn van begin tot eind het vaste gezicht en aanspreekpunt en begeleiden het slachtoffer. Er zijn twee routes naar Filomena. Cliënten kunnen binnenlopen tijdens het inloopspreekuur, of ze kunnen via de mail en telefonisch contact opnemen, eventueel omdat een hulpverlener of organisatie hen heeft gewezen op Filomena. Daarnaast kunnen cliënten door andere professionals of organisaties uit de Regio Rotterdam-Rijnmond (zoals Veilig Thuis, CSG, lokale wijkteams, ZVHRR en CIT) bij Filomena terechtkomen. Op grond van een aanmeldformulier en een gesprek met de doorverwijzende instantie beslist een weegteam of het een casus is voor Filomena1.

1

Figuur 1.

Zelfmelder

Externe verwijzing

Via telefoon of mail

Door andere organisatie

Gastvrouw

Intake Door ICM & evt. PR VTRR

Intersectoraal overleg (ISO)

Accuut

Weging exerne verwijzing

Structureel

SOF7

DMFI

Terug- of doorverwijzing

ICM vast contactpersoon

ICM vast contactpersoon

lokale veld/specialistische hulp

MDO of casusoverleg

Het NICHD is een wetenschappelijk onderbouwd interviewprotocol voor kinderen die mogelijk slachtoffer zijn van mishandeling met als doel het verkrijgen van zoveel mogelijk accurate informatie. Rekening wordt gehouden met de cognitieve en emotionele ontwikkeling van kinderen met een leeftijd tussen drie en zeventien jaar.

6

Slachtoffers kunnen zonder afspraak en anoniem binnenlopen bij Filomena. Er is geen doorverwijzing nodig. Het slachtoffer en eventuele kinderen of personen die het slachtoffer ondersteunen worden door één van de gastvrouwen opgevangen op een warme en zorgvuldige manier. Er wordt informatie gegeven over de werkwijze van Filomena. Daarnaast informeert de gastvrouw de dienstdoende ICM-er. Een slachtoffer dat zichzelf meldt via het inloopspreekuur wordt een binnenloper genoemd. Slachtoffers worden zelfmelders genoemd als zij via email of telefonisch contact opnemen met Filomena buiten de tijden van het inloopspreekuur. De gastvrouw pakt dit op en geeft voorlichting over Filomena. Het inloopspreekuur is tweemaal per week een ochtend. De bedoeling is dat dit wordt uitgebreid. De ICM-er haalt de binnenloper op en doet de intake. Het slachtoffer heeft zelf de regie; de behoefte en het tempo van het slachtoffer staat centraal in de stappen die gezet zullen worden. Tijdens de intake wordt de hulpvraag verduidelijkt en wordt nagegaan of er meer nodig is dan een advies. Als er meer nodig is dan een advies wordt in overleg met het slachtoffer besloten of een intersectoraal overleg (ISO) nodig is. Toestemming tot een ISO betekent ook het doen van een melding bij Veilig Thuis.

Bij ernstig en urgent gevaar of als kinderen in gevaar zijn kan tot een ISO worden overgegaan zonder toestemming van het slachtoffer en wordt door de ICM’er ambtshalve een melding bij Veilig Thuis gedaan. Als tot een ISO wordt besloten, vindt dit direct na het inloopspreekuur plaats. Aan dit ISO nemen altijd de ICM’er (kennis van de casus en heeft casusregie), gedragswetenschapper (expertise gedragsproblematiek) en politieliaison (veiligheidsaspecten) deel. Zo nodig schuift de vertrouwensarts aan met medische kennis en/of de procesregisseur van Veilig Thuis als betrokkenen bekend zijn bij Veilig Thuis. Ook kan iemand van het wijkteam aansluiten als deze reeds betrokken is.

Op basis van de beschikbare informatie wordt besloten of eerst nader onderzoek moet worden gedaan, de SOF7, of dat een DMFI wordt gestart. Ook kan worden besloten tot overdracht naar (bestaande) hulpverlening. De partnerorganisatie die een casus aanmeldt dient vooraf de gedragswetenschapper of ICM’er te spreken en het aanmeldformulier in te vullen. Op basis van het ingevulde formulier en gesprek wordt door de ICM’er en gedragswetenschapper besloten of Filomena de casus aanneemt. Zo nodig wordt de vertrouwensarts van Veilig Thuis geconsulteerd. Trajecten Snelle onderzoeksfase (SOF-7) De SOF-7 is een 7-daagse onderzoeksfase om snel extra onderzoek te doen als er sprake is van acuut geweld of als meer informatie nodig is om de complexiteit van de geweldsproblematiek te doorgronden en te beslissen of een DMFI traject passend is. Acuut geweld betekent dat er sprake is van (een vermoeden van) geweld en/of seksueel misbruik dat kortgeleden plaatsvond (binnen de voorgaande week) en letsel of sporen veilig gesteld moeten worden. Ook bij (vermoedens van) kindermishandeling met complexe medische signalen en bij (vermoedens van) intieme terreur is sprake van acuut geweld. Bij SOF-7 zijn in elk geval betrokken: de ICM’er, de gedragswetenschapper, vertrouwensarts en politieliaison. De ICM’er blijft betrokken als onderzoeken plaatsvinden.

Daarnaast kan de ICM’er andere onderzoekpartners benaderen. De forensisch arts van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR) kan worden gevraagd om een forensisch medisch onderzoek uit te voeren. Het CSG kan worden betrokken in geval van seksueel geweld in intieme relaties en seksueel misbruik van kinderen. Als het gaat om het zeker stellen van sporen en vergaren van bewijs, medische behandeling en traumascreening wordt aangesloten bij de werkwijze van het CSG.

7

Het Erasmus Universitair Medische Centrum Rotterdam kan worden betrokken als acute medische en psychosociale hulp voor kinderen en jongeren nodig is. Het slachtoffer kan direct ter plekke, of in elk geval binnen 7 dagen, gesprekken en onderzoeken hebben, en indien nodig kan snel in de veiligheid worden voorzien. Voor slachtoffers is het prettig als zij niet steeds opnieuw hun verhaal hoeven te doen en bij bedreiging niet over straat hoeven naar de verschillende instanties. Ook kunnen er gesprekken met kinderen vanaf 4 jaar zijn waarbij het NICHD interviewprotocol wordt gehanteerd. Kinderen jonger dan 4 jaar worden onderzocht door het Erasmus Medisch Centrum.

Sinds 2024 worden vijf fasen onderscheiden:

DMFI Als er sprake is van structureel geweld biedt Filomena de interventie DMFI aan: een langdurig traject gebaseerd op de uitgangspunten van de multifocus interventie en gericht op duurzame veiligheid. Het DMFI-traject kan volgen op een SOF-7 traject, maar een cliënt kan ook direct met een DMFI-traject starten. Een ICM, gedragswetenschapper, vertrouwensarts en politieliaison zijn betrokken, waarbij de casusregie in handen is van de ICM’er.

Achtereenvolgens gaan we in op het vaste team van Filomena en samenwerkingspartners, zowel onderzoekpartners als expertisepartners.

Alle gezinsleden worden betrokken en geholpen, maar het belang van het slachtoffer staat centraal. Eerst wordt de directe veiligheid geborgd en vervolgens wordt gewerkt aan duurzame veiligheid en herstel. De politieliaison houdt de veiligheid in de gaten, waaronder gedragingen van stalking. Er worden veiligheidsafspraken gemaakt in afstemming met politie en justitie. Zo nodig vindt traumascreening plaats. Er wordt maatwerk geboden en samengewerkt met geëigende organisaties, waarbij het uitgangspunt is dat het slachtoffer de regie heeft. Als er een overdracht is naar andere hulpverlening, is het slachtoffer, en eventueel andere betrokkenen, daarbij in principe aanwezig. Het streven is te begeleiden tot het geweld stopt.

1. 2. 3. 4. 5.

Voorbereiding door politieliaison. Eerste contact en onderzoeksfase. Een plan van aanpak- op weg naar duurzame veiligheid. Ketenregie en hulpverlening door ketenorganisaties. Afsluiting en overdragen.

1.1.4.

Het team en samenwerkingspartners

Het vaste team Het vaste team van Filomena wordt gevormd door de Intensief Casemanagers (ICM’ers), de gedragsdeskundigen, de gastvrouwen en de manager van Filomena. Daarnaast zijn de politieliaison, de procesregisseur van Veilig Thuis en vertrouwensarts onderdeel van Filomena. We staan kort stil bij ieders verantwoordelijkheden. De manager is verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing binnen Filomena, het opbouwen en onderhouden van samenwerkingsafspraken en het uitdragen van de visie en werkwijze van Filomena. De Intensief Casemanagers (ICM) bieden begeleiding en hulp aan het slachtoffer (en andere betrokkenen), doen zelf onderzoek en betrekken anderen, en coördineren de trajecten. Zij zijn het gezicht en het vaste aanspreekpunt voor de cliënt en organisaties. Ook zijn zij verantwoordelijk voor het bijhouden van het dossier. Zij werken nauw samen met de politieliaison tijdens het DMFI traject, met de procesregisseur van Veilig Thuis en de vertrouwensarts van Veilig Thuis. De ICM’ers worden inhoudelijk op casusniveau ondersteund door een gedragswetenschapper. 8

De gedragswetenschapper is verantwoordelijk voor de inhoudelijke ondersteuning en adviseert de ICM’er over de aanpak en gewenste vervolgstappen (diagnostiek en hulpverlening). Daarnaast doet de gedragswetenschapper zelf onderzoek door bijvoorbeeld kindgesprekken volgens het NICHDinterviewprotocol, en of het afnemen van de MASIC bij volwassenen23. Ook is de gedragswetenschapper verantwoordelijk voor deskundigheidsbevordering, intervisie en contacten met samenwerkingspartners. De gastvrouwen zijn belangrijk in het eerste contact met slachtoffers en betrokkenen tijdens het inloopspreekuur. Zij ontvangen de slachtoffers en geven voorlichting over Filomena, ook aan de mensen die naar Filomena bellen of mailen. Daarnaast hebben zij ondersteunende taken bij (casuïstiek)overleggen, vergaderingen en werkbezoeken.

Naast het team van Filomena is de politie een vaste samenwerkingspartner, behorende tot de onderzoekpartners. Twee politieliaisons maken deel uit van het vaste team; dagelijks is een politieagent aanwezig. De politie heeft toegang tot het politiesysteem en kan informatie delen met Filomena omdat Filomena onderdeel is van Veilig Thuis. Zij doen een veiligheidscheck in het politieregi stratiesysteem en zijn medeverantwoordelijk voor de veiligheidsinschatting. Zij zijn onderdeel van het ISO en doen mee aan de casuïstiekbesprekingen. De politieliaison vormt de verbinding met de strafrechtsketen. De politie doet niet mee aan overleggen waar het slachtoffer bij is betrokken omdat dit een eventueel strafproces negatief beïnvloedt.

Samenwerkingspartners Er wordt een onderscheid gemaakt tussen onderzoekpartners en expertisepartners, deze lichten wij toe, te beginnen met de onderzoekspartners.

Ook de procesregisseur en vertrouwensarts van Veilig Thuis zijn vaste samenwerkingspartners die tot de onderzoekpartners behoren. De procesregisseur van Veilig Thuis denkt mee over de aanpak en het vergroten van de veiligheid, mede op grond van informatie uit het registratiesysteem van Veilig Thuis. Op aanvraag sluit de procesregisseur aan bij de intake en/of het ISO en adviseert de ICM’er gedurende de trajecten SOF-7 en DMFI. De vertrouwensarts van Veilig Thuis geeft medisch advies aan de ICM’er. Zo nodig doet de vertrouwensarts ook zelf onderzoek, bijvoorbeeld een top-teen onderzoek. Vertrouwensartsen kunnen de vertaling maken van medische factoren naar wat nodig is om de veiligheid te vergroten en hebben een brugfunctie tussen Veilig Thuis, de forensisch artsen, politie, OM en gezondheidszorg. Ook zijn ze betrokken bij deskundigheidsbevordering binnen Filomena.

2 Het NICHD is een wetenschappelijk onderbouwd interviewprotocol voor kinderen die mogelijk slachtoffer zijn van mishandeling met als doel het verkrijgen van zoveel mogelijk accurate informatie. Rekening wordt gehouden met de cognitieve en emotionele ontwikkeling van kinderen met een leeftijd tussen drie en zeventien jaar.

Tenslotte zijn CSG en Erasmus Universitair Medische Centrum Rotterdam (Erasmus UMC) belangrijke onderzoekpartners. Het CSG screent, onderzoekt en ondersteunt melders die slachtoffer zijn van seksueel geweld en heeft een rol in de SOF-7. Sinds 2024 is het Erasmus UMC betrokken met een poliklinisch spreekuur voor kinderen en jongeren die te maken hebben (gehad) met kindermishandeling (Goofyspreekuur).

Binnen Filomena zijn verschillende overlegmomenten. Deze overlegmomenten hebben enerzijds tot doel de kwaliteit van het werk te vergroten, zoals de teamoverleggen, intervisie en casuïstiekbesprekingen. Het MDO (multidisciplinair overleg) en het ISO zijn gericht op het bespreken van de juiste aanpak voor de specifieke casus.

3 De MASIC is een gevalideerde vragenlijst gericht op het achterhalen van patronen van geweld en dwingende controle. Het werken met de MASIC kan alleen als de medewerker erin is getraind. Zie: www.conflictscheiding.eu/masictraining/.

9

Naast de vaste onderzoekpartners, VTRR, politie, FARR, CSG en Erasmus UMC, heeft Filomena verschillende expertisepartners. Deze partners hebben elk een bepaalde specialistische kennis en expertise waar zo nodig gebruik van wordt gemaakt. Op casusniveau wordt samengewerkt. De ICM’er voert binnen de DMFI aanpak de regie op het betrekken van expertisepartners. De expertisepartners zijn: het wijkteam; Antes (psychiatrie en verslaving); Enver (gespecialiseerd in jeugd- en opvoedhulp); Stichting Fier (ambulante behandeling en opvang); De Piergroep Rotterdam Rijnmond (mensen met een beperking); Stichting Kesslerperspektief (werkonderdeel Arosa); De Waag (ambulante forensische GGZ); Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR); Raad voor de Kinderbescherming (RvdK); Slachtofferhulp Nederland; ZVHRR; Openbaar Ministerie (OM); Reclassering Nederland. 1.1.5.

Ontwikkelingen bij Filomena

Vanaf juni 2024 is Filomena onderdeel van het Kennis- en Expertisecentrum Huiselijk Geweld, Seksueel Geweld en Kindermishandeling: Via225. Dit fysieke centrum is een samenwerking tussen Filomena, het Erasmus Universitair Medisch Centrum en het Centrum Seksueel Geweld Rotterdam (CSG). Voor die tijd, ten tijde van het onderzoek, was Filomena gevestigd bij de GGD op de Schiedamsedijk evenals het CSG, en ook toen al werd samengewerkt met het CSG. Sinds 2024 is de governance van Filomena gewijzigd. Oorspronkelijk was Filomena een netwerkorganisatie. Filomena was verbonden met Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond en de medewerkers waren via een detacheringsconstructie bij Filomena werkzaam. Dit had als voordeel dat de samenwerking met de moederorganisaties zoals bijvoorbeeld Enver was geborgd; de samenwerkingsorganisaties voelden zich betrokken. Deze constructie leverde echter ook nadelen op, bijvoorbeeld rond de informatie-uitwisseling. Daarom is gekozen voor Filomena als een specifieke afdeling van Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond. Hiermee is ook een juridische basis gelegd voor uitwisseling van informatie met de politie en andere samenwerkingspartners.

De aanpak en werkwijze van Filomena heeft zich vanaf de start verder ontwikkeld. Het inloopspreekuur heeft zich ontwikkeld tot de kern van Filomena: dit is een unieke functie waar grote behoefte aan is. Slachtoffers van ernstig geweld en dwingende controle die moeilijk kunnen ontsnappen aan de macht van hun partner kunnen bij Filomena binnenlopen en (anoniem) hun verhaal doen. Zo mogelijk kan direct (integraal) onderzoek worden gedaan. Ook andere slachtoffers van huiselijk geweld kunnen binnenlopen. Zij worden na een adviesgesprek niet verder geholpen binnen Filomena, en verwezen naar de juiste instelling. De bescherming van slachtoffers met hun eventuele kinderen staat voorop, waarbij een integrale aanpak en een systeemgerichte benadering het uitgangspunt is. Oorspronkelijk werd gewerkt vanuit de DMFI als Duurzame MultiFocusInterventie, waar meervoudige partijdigheid en één intensief casemanager voor het gezin of relatie voorop staat. Deze aanpak blijkt in geval van intieme terreur en complexe geweldsproblematiek niet (altijd) de meest aangewezen methode. Momenteel werkt Filomena nog grotendeels volgens de uitgangspunten van de methodiek multifocus, maar ze hebben de methodiek ook deels losgelaten. De betekenis van DMFI is daarmee ook veranderd en staat nu voor Duurzame Multisectorale Filomena Interventie. Ook de werkwijze van Filomena heeft zich verder ontwikkeld.

Er zijn nu nader omschreven fasen van het DMFI traject en de taken van de verschillende medewerkers zijn verder uitgekristalliseerd (zie Handboek versie juni 2024). Daarnaast is de hulp en behandeling aan gezinnen verstevigd. Er heeft een doorontwikkeling plaatsgevonden wat betreft het kindspoor. De gedragswetenschapper en politie trekken meer samen op en het NICHD-interviewprotocol is ingevoerd. Ook is in samenwerking met het Erasmus UMC een poliklinisch spreekuur (Goofy) voor kinderen en jongeren en kan er overbruggingszorg worden ingezet voor het kind als er wachtlijsten zijn. Daarnaast is Filomena sinds juni 2023 aangesloten bij de Pilot ‘Laagdrempelige specialistische zorg bij HGKM’.. Deze pilot is een initiatief van Enver en de Waag om specialistische hulp te bieden in de zin van behandeling aan gezinnen met kinderen 10

waar sprake is van huiselijk geweld. De geboden behandeling en begeleiding wordt geboden vanuit een samenwerking van specialisten op het gebied van plegers, slachtoffers en jeugd. Er wordt samengewerkt in risicotaxatie gericht op het hele gezin, diagnostiek en behandeling. De aansluiting van Filomena bij de pilot heeft tot doel cliënten direct te kunnen doorverwijzen zonder wachtlijst (direct matched care). Het kernteam van de pilot dat tweewekelijks bij elkaar komt bestaat uit een regiebehandelaar van de Waag, twee ambulante medewerkers van Enver, en een medewerker van Filomena (Van der Horst & Meijvogel, 2023, interne publicatie). 4 Tot slot heeft Filomena sinds 2024 goed contact met advocaten. Slachtoffers kunnen gebruik maken van een poule van slachtofferadvocaten als er een juridische advies (civiel recht, familierecht of bestuursrecht) nodig is (Filomena Q2 bericht, 2024).

1.2.

Verantwoording van het onderzoek

Het Verwey-Jonker Instituut is gevraagd om een evaluatieonderzoek te doen naar de werkwijze van Filomena. Doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in de doelgroep, hoe de werkwijze eruit ziet in de praktijk, de ervaring van het kernteam, cliënten en netwerkpartners, werkzame elementen en verbeterpunten. Dataverzameling vond plaats in de periode december 2022 tot en met juni 2024 en bestond uit: een documentanalyse, oriënterende gesprekken met sleutelfiguren (n=3), interviews met het kernteam (n=3; ICM’ers en gedragswetenschapper) en onderzoekspartners (n=5; procesregisseur Veilig Thuis, vertrouwensarts Veilig Thuis, FARR, politieliaison), observaties van teamoverleggen, dossieronderzoek (n=93), cliëntgesprekken die we overwegend tweemaal spraken (n=9), interviews met expertisepartners (n=10; CSG, De Waag, reclassering, Fier, Arosa, JBRR, het wijkteam, de politie, Veilig Thuis en het Zorg- en Veiligheidshuis), een reflectiesessie met het kernteam en interviews

met gemeentebeleidsmakers (n=3). De indeling van de netwerkpartners naar onderzoekspartners en expertisepartners die sinds 2024 wordt gemaakt is net iets anders dan in de periode van het onderzoek. Met de kennis van toen is de keuze voor de gesprekken gemaakt. Voor een volledige beschrijving van de methode, zie bijlage 1. Het onderzoek duurde in totaal anderhalf jaar, waarbij het onderzoek vooral langer duurde dan verwacht omdat het lastiger bleek cliënten te werven en het langer duurde voordat voldoende cliënten gesproken waren. Gezien de doorontwikkeling van Filomena, zoals bespreken in paragraaf 1.4, betekent dit dat een deel van de knelpunten die in het onderzoek naar voren kwamen ondertussen al zijn opgepakt door Filomena. Deze ontwikkelingen zijn meegenomen bij het schrijven van dit rapport.

1.3.

Opzet van het rapport

Hoofdstuk 1 ging in op de doelen, beoogde doelgroep en werkwijze van Filomena zoals beschreven in het handboek. In de volgende hoofdstukken bespreken we hoe deze werkwijze vorm krijgt in de praktijk. In hoofdstuk 2 staan we stil bij de doelgroep die bij Filomena binnenkomt, op welke manier cliënten binnenkomen en welk traject zij volgen. In hoofdstuk 3 staat het perspectief van het kernteam en onderzoekspartners centraal over de werkwijze, samenwerking, meerwaarde en knelpunten. Hoofdstuk 4 beschrijft de ervaringen van cliënten met de werkwijze; hoe was het eerste contact, welke hulp en ondersteuning kregen ze, wat heeft het cliënten opgeleverd en welke verbeterpunten zien zij. In hoofdstuk 5 staan de ervaringen van de expertisepartners en gemeentebeleidsmakers beschreven over de samenwerking met Filomena, meerwaarde en uitdagingen voor in de toekomst. We sluiten in hoofdstuk 6 af met een conclusie en aanbevelingen voor de doorontwikkeling van Filomena.

4 Oorspronkelijk was de bedoeling dat een medewerker van Arosa zou aansluiten.

11

2

Filomena in de praktijk

2.1.1.

In dit hoofdstuk gaan we in op de doelgroep die bij Filomena binnenkomt, hoe cliënten bij Filomena binnenkomen en welk traject zij volgen bij Filomena. Hierbij wordt vooral gebruikt gemaakt van het dossieronderzoek, aangevuld met de interviews met het kernteam.

2.1.

Doelgroep

Uit het dossieronderzoek (N=93) blijkt dat bijna alle cliënten van Filomena vrouwen waren en slechts twee keer verliep het eerste contact via de man. De gemiddelde leeftijd van cliënten was 35 jaar (range 17 tot 64 jaar). Ruim de helft van de cliënten woonde zonder partner (n=49). In 4 casussen was een nieuw partner in beeld. De meeste van de cliënten hadden thuiswonende kinderen (n=64), bij 22 casussen waren geen kinderen en bij 7 casussen woonden kinderen niet meer thuis (zie tabel 1). Tabel 1.

Gezinssamenstelling van de cliënt en wel of geen (thuiswonende) kinderen Thuiswonend

Niet thuiswonend5

Geen

Totaal

Alleenstaand

38

2

5

45

LAT relatie

2

0

2

4

Samenwonend

24

5

15

44

Totaal

64

7

22

93

5 Uitwonend of uithuisgeplaatst.

Geweldsproblematiek

Medewerkers van Filomena benoemden dat complexe en ernstige casussen bij Filomena terecht komen, waarbij sprake is van ernstig letsel, intiem terreur, seksueel geweld of stalking. Het gaat volgens hen altijd om geweld vanuit een bekende, waarbij sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Dit bleek ook uit de interviews met cliënten (zie hoofdstuk 4). De dossiers lieten zien dat in 83 van de 93 casussen (94%) sprake was van partnergeweld, waarbij in de helft (41 casussen) partners uit elkaar waren. In 61 van deze 83 casussen waren kinderen, waarvan in 9 casussen naast partnergeweld ook sprake was van directe kindermishandeling. Bij de meeste casussen duurde het geweld al meerdere jaren, bij 62 casussen6 (81%) duurde het geweld al minimaal drie jaar. Meestal was sprake van fysiek geweld (n=64, 77%) en/of psychisch geweld (n=53, 64%) en in een deel was (daarnaast ook) sprake van seksueel geweld (n=22, 27%), stalking (n=21, 25%) of op financieel vlak (n=8, 10%). Bij de overige 10 dossiers was geen sprake van partnergeweld. In 4 casussen vond geweld van een ouder naar het kind plaats, waarbij enkele kinderen al volwassen waren, in 3 casussen was sprake van geweld van een kind naar ouder(s) en in de overige 3 casussen kwam het geweld vanuit een ander familielid of huisgenoot.

6 Bij zes casussen was de informatie onbekend, die zijn niet meegenomen bij het berekenen van het percentage.

12

2.1.2.

Tabel 3. Overzicht van betrokken zorg- en veiligheidspartners voor de aanmelding bij Filomena

Andere problematiek en betrokken netwerkpartners

Bij de cliënten van Filomena bleek dat veel problematiek speelde naast het geweld (tabel 2). Cliënten, kinderen en/of partner hadden gemiddeld op drie andere gebieden problemen met een range van 0 tot en met 7 gebieden. De problematiek die het meeste voorkwam was psychische problematiek, gevolgd door traumaklachten, middelengebruik, een kwetsbaar sociaal netwerk, geen of onregelmatig betaald werk en laag of onregelmatig inkomen. Uit de meeste dossiers blijkt dat bij aanmelding al tussen de één en zeven zorgpartners betrokken waren (90%) en bij bijna 60% tussen de één en vier strafpartners (zie tabel 37). Professionals van het kernteam benoemden dat vaak alles al geprobeerd was en de hulpverlening vastliep, waardoor de casus bij Filomena werd aangemeld. Tabel 2. Overzicht van bijkomende problematiek naast het geweld Bijkomende problematiek

Percentage

Aantal

Psychische problematiek

47%

44

Trauma

43%

40

Middelengebruik

35%

33

Kwetsbaar sociaal netwerk

28%

26

Geen/laag of onregelmatig werk/ inkomen

27%

25

Kwetsbare woonsituatie

24%

22

Anders8

24%

22

LVB

22%

20

Echtscheiding

18%

17

Schulden

11%

10

Armoede

3%

3

Wapens

1%

1

7 Bij 9 van de 93 casussen is deze informatie onbekend, deze zijn niet meegenomen bij de analyse. 8 Bv. persoonlijkheidsstoornis zoals narcisme of borderline, niet aangeboren hersenletsel (NAH), dreiging tot kindontvoering of detentie.

Zorgpartner

Percentage

Aantal

Veilig Thuis

62%

52

Anders (o.a. SCG, CJG, GI, SMW)

30%

25

GGZ

26%

22

Hulp gespecialiseerd in huiselijk geweld

23%

19

Wijkteam

23%

19

Huisarts/POH

21%

18

Jeugdhulp

13%

11

LVB

8%

7

Politie

43%

36

Reclassering

25%

21

Zorg en Veiligheidshuis

18%

15

Raad voor de Kinderbescherming

12%

10

Veiligheidspartner

2.2.

Instroom en trajecten

Bij Filomena kan een organisatie een cliënt aanmelden, of een cliënt kan zichzelf aanmelden. Van de 93 dossiers zochten 30 cliënten zelf contact9, waarvan 18 cliënten binnen liepen bij het inloopspreekuur en 12 cliënten telefonisch contact zochten. Bij de andere 60 casussen werd de aanmelding door een organisatie gedaan, meestal door het ZVHH10 (n=39, 65%), gevolgd door Veilig Thuis (n=10, 17%) en wijkteam/maatschappelijk werk (n=5, 8%).

9 In de tweede kwartaalrapportage van 2024 blijkt dat het aandeel zelfmelders groter is geworden, wat laat zien dat cliënten Filomena zelf beter weten te vinden. 10 Destijds was de route dat een aanmelding via het ZVVH ging. Dit bleek niet goed werkzaam, aangezien het veel tijd koste om altijd via die route te moeten aanmelden, ook als cliënt nog niet bij het ZVHH liep. De route is daarom gewijzigd in dat samenwerkingspartners direct kunnen aanmelden bij Filomena. Bij Filomena wordt daarna gekeken of de casus geschikt is voor Filomena, door de GW’ers en vaak ook een ICM’er en/of politieliaison.

13

Andere aanmeldingen werden gedaan door het ziekenhuis, het CSG, de politie, de advocaat, de verloskundige of een vertrouwenspersoon. Bij 3 casussen die een organisatie aanmeldde kwam de cliënt alsnog op het inloopspreekuur. In totaal maakten 21 van de 93 cliënten gebruik van het inloopspreekuur. Cliënten die (via een organisatie of zelf) bij Filomena komen kunnen een SOF-7 traject en/of DMFI-traject volgen.11 In totaal is bij 43 van de 93 casussen een SOF-7 traject geweest. Bij de SOF-7 gaat het bijvoorbeeld om een taxatiegesprek, psychodiagnostiek onderzoek, medisch onderzoek, foto’s door de FARR of een studioverhoor. Als we kijken naar zelfmelders en cliënten die zijn doorverwezen, zien we dat de meeste zelfmelders een SOF-7 traject volgde, namelijk 24 van de 30 cliënten die worden doorverwezen, gaan minder vaak het SOF-7 traject in, namelijk 19 van de 60. Na het SOF-7 traject kan een cliënt het DMFI-traject in, worden afgesloten of doorverwezen worden naar andere hulpverlening. Bij iets minder dan de helft van de SOF-7 trajecten (18 van de 43) werd na de SOF-7 een DMFI traject ingezet. Van de 25 casussen waar in het dossier alleen een SOF-7 traject stond, waren 10 casussen overgedragen aan andere hulpverlening zoals FIER of Arosa, of afgesloten omdat cliënt geen hulp meer wilde en/of de situatie voldoende veilig leek.

De andere 15 casussen waren ten tijde van het dossieronderzoek nog lopend. Dat betekent dat het onbekend is van deze 15 casussen of zij wel of niet een DMFI traject in zijn gegaan. Bij minimaal 6712 van de 93 casussen werd een DMFI traject ingezet, waarvan 18 dus ook een SOF-7 hebben gehad en 49 direct een DMFI ingingen. Bij deze 18 ging het in ruim de helft om een zelfmelder (10 van de 24 zelfmelders) en bij de 11 Cliënten kunnen ook doorverwezen worden naar een andere organisatie, zoals het wijkteam. In het dossieronderzoek is alleen gekeken naar degene die daadwerkelijk in een SOF-7 of DMFI traject zijn gekomen, omdat bij andere casussen vrijwel geen informatie beschikbaar was. Zie ook bijlage 1 voor een toelichting op het dossieronderzoek. 12 Bij 3 casussen was dit onbekend.

andere 8 om cliënten die werden doorverwezen (van de 19). Van de 49 casussen die direct een DMFI-traject ingingen, waren 6 zelfmelders en 43 werden aangemeld vanuit een andere organisatie. De meeste aangemelde casussen kwamen vanuit het ZVHH waardoor al veel informatie beschikbaar was (37 van de 43). Over zelfmelders die direct een DMFI-traject ingaan, vertelden ICM’ers dat tijdens de ISO na het binnenloopspreekuur soms direct duidelijk is dat er grote zorgen zijn rondom de veiligheid en dat iedereen vindt dat het een casus voor Filomena is. In dat geval wordt direct een DMFI ingezet. Daarnaast hebben we gekeken naar het type geweld en of cliënten via een organisatie binnenkomen of zelf contact zoeken en welk traject ze daarna volgen (zie tabel 4). Van de 83 cliënten die partnergeweld meemaakten, werd twee derde aangemeld via een organisatie en een derde zocht zelf contact met Filomena. Vrijwel alle casussen waarbij zowel partnergeweld als kindermishandeling speelde, zochten zelf contact met Filomena. Van de 83 dossiers werd in 34 dossiers (eerst) een SOF-7 traject ingezet. Dit gold voor de meeste zelfmelders (19 van de 25) en daarnaast voor 15 cliënten die aangemeld waren bij via een organisatie. Bij de andere 48 dossiers werd direct een DMFI-traject ingezet.

Een SOF-7 traject werd vaker ingezet als partners nog bij elkaar waren, terwijl bij ex-partners vaker direct een DMFI-traject werd ingezet. Als sprake was van ander geweld, werd de helft via een organisatie aangemeld en de andere helft zocht zelf contact. Vrijwel al deze casussen (9 van de 10) kregen (eerst) een SOF-7, ongeacht of cliënt zelf contact zocht of via een organisatie binnen kwam. Die andere casus ging direct een DMFI traject in. Als ander geweld speelt dan partnergeweld lijkt het erop dat Filomena niet voldoende informatie heeft om de situatie voldoende in te schatten en dient dit eerst verder uitgezocht te worden middels een SOF-7. Bij 4 van de 9 casussen werd na de SOF-7 afgesloten13 en 3 casussen gingen daarna een DMFI-traject in.

13 Van de 6 casussen waar (tot nu toe) alleen een SOF-7 in het dossier stond, waren 4 casussen ondertussen afgesloten. Van de andere 2 casussen is onbekend of ze daarna alsnog een DMFI ingegaan zijn.

14

Tabel 4.

Overzicht geweldsproblematiek gesplitst naar zelfmelders, SOF-7 en DMFI Iedereen (100%)

Zelfmelder

Alleen SOF-7*

SOF-7 & DMFI

Totaal

93

30

25

18

Partnergeweld Partners Ex-partners Ook kindermishandeling

83 42 41 9

25 14 11 8

19 13 6 2

15 10 5 2

Ander geweld Van ouder naar kind Van kind naar ouder Ander familielid/huisgenoot

10 4 3 3

5 3 1 1

6 2 1 3

3 2 0 1

Alleen DMFI14

Een derde van de cliënten zocht zelf contact met Filomena, waarvan ruim de helft via het inloopspreekuur is binnengelopen en de andere cliënten telefonisch contact zochten. Het aandeel zelfmelders groeit als de kwartaalcijfers van Filomena bekeken worden, wat laat zien dat cliënten Filomena goed weten te vinden. De andere twee derde is aangemeld via een organisatie. De meeste cliënten die zelf contact zoeken gaan eerst een SOF-7 traject. Ook wordt een SOF-7 traject vrijwel altijd ingezet op het moment dat sprake is van ander geweld dan partnergeweld. Ongeveer de helft van de SOF-7 trajecten gaan door naar een DMFI-traject. Voor de cliënten waar een DMFI-traject wordt ingezet zonder SOF-7 is vaak al veel informatie bekend.

* Ten tijde van het dossieronderzoek was alleen nog sprake van een SOF-7 maar dit kan later zijn aangevuld met een DMFI.

2.3.

Conclusie

Bij de doelgroep die bij Filomena binnenkomt is sprake van ernstige en complexe (gewelds)problematiek. Bij de meeste cliënten is sprake van partnergeweld, soms in combinatie met directe kindermishandeling. Bij ongeveer 10 procent is sprake van ander geweld, namelijk alleen kindermishandeling, van kind naar ouder, of vanuit een ander familielid of huisgenoot. Naast de geweldsproblematiek is vaak sprake van een of meerdere problemen op andere gebieden, zoals psychische problematiek, traumaklachten, middelengebruik, kwetsbaar sociaal netwerk, of geen/laag of onregelmatig werk of inkomen. Bijna alle casussen waren ook al bekend bij (meerdere) zorgpartners en twee derde bij (meerdere) strafpartners. Voordat een casus bij Filomena komt is door andere netwerkpartners vaak al van alles geprobeerd en loopt men daar vast. Bij ongeveer twee derde van de casussen zijn thuiswonende kinderen.

14 Bij 1 casus is onbekend of een DMFI traject gestart is, maar heeft geen SOF-7 plaatsgevonden.

15

3

Werkwijze van Filomena

In dit hoofdstuk staat het perspectief van de professionals van het kernteam en onderzoekspartners centraal. Indien we het over zowel het kernteam en onderzoekspartners hebben, dan spreken we over professionals. Wat is hun ervaring met het inloopspreekuur en het SOF-7 en DMFI traject? Lukt het om (ex)partners en kinderen te bereiken en tot een gezamenlijk plan te komen? Wanneer wordt een casus afgesloten? Deze vragen staan in de eerste paragraaf (3.1) centraal. Vervolgens gaan we in op de samenwerking binnen het kernteam (3.2), de meerwaarde en resultaten van Filomena (3.3) en wat als uitdagingen voor de toekomst worden beschouwd (3.4). We sluiten af met een conclusie (3.5).

3.1.

Ervaring met werkwijze van Filomena in de praktijk

De ervaring met het inloopspreekuur, de SOF-7 en DMFI staat eerst centraal. Daarna gaan we in op hoe professionals de veiligheid inschatten, hoe zij de (ex-) partner15 en eventuele kinderen van de cliënt betrekken en hoe de afsluiting van casussen in de praktijk gaat.

3.1.1.

Inloopspreekuur

Ten tijde van het onderzoek was Filomena gevestigd in het gebouw van de GGD. Cliënten die voor het inloopspreekuur kwamen, meldden zich bij de algemene receptie van de GGD en moesten eerst wachten in een algemene ontvangruimte. De gastvrouw haalde haar zo snel mogelijk op om naar de verdieping te gaan waar Filomena zich bevond.16 Vervolgens werd door een ICM’er, het liefste samen met de procesregisseur van Veilig Thuis, het gesprek gevoerd. Het gesprek gaat vooral over waarom iemand naar Filomena is gekomen, wat er aan de hand is en welke zorgen er zijn, waarbij gevraagd wordt naar het geweld en andere levensgebieden. Soms is al voorinformatie bekend, maar meestal niet. Na een gesprek wordt altijd een overleg gehouden met het team, waarbij duidelijk moet worden of direct actie ondernomen dient te worden, bijvoorbeeld het regelen van een opvangplek, of dat iemand naar huis kan en het daarna bijvoorbeeld een SOF-7 of DMFI traject wordt. Volgens de professionals zijn het vaak lange gesprekken, van minimaal 2 uur, waarbij al een band wordt opgebouwd en de nood van cliënt gevoeld wordt. De medewerker, die het gesprek heeft gedaan, vindt het daarom soms lastig als de rest van het team vindt dat het toch een casus voor het wijkteam is.

Het mooie van het inloopspreekuur is volgens medewerkers dat een cliënt zelf kan binnenlopen op het moment dat het haar uitkomt en dat vervolgens direct actie ondernomen kan worden vanuit Filomena. Als er bijvoorbeeld letsel is, kan de FARR ingeschakeld worden om foto’s te nemen. En als een plek in de vrouwenopvang geregeld moet worden, kan de procesregisseur van Veilig Thuis dit regelen.

15 In huidige onderzoek lag de focus voornamelijk op partnergeweld in de gesprekken met professionals en cliënten en niet op het kleine aandeel casussen waar ander geweld speelt. Daarom spreken we over (ex-)partner.

16 Filomena is ondertussen verhuisd, daar melden cliënten zich ook aan bij een portier/receptie, maar worden direct naar de ontvangstruimte van Filomena gebracht.

16

3.1.2.

SOF-7 traject

De SOF-7 wordt heel wisselend ingezet volgens medewerkers. Eigenlijk staat het voor onderzoek dat binnen 7 dagen moet gebeuren en hebben ze in totaal 24 uren beschikbaar voor het traject, wat verdeeld kan worden over meerdere dagen. In de praktijk kan een SOF-7 ook enkele weken duren, als het bijvoorbeeld lastig is om informatie te krijgen. Dat de SOF-7 vaak veel langer duurt, bleek ook uit het dossieronderzoek. Slechts bij een klein aantal cliënten wordt tijdens een SOF-7 traject de FARR gevraagd vanwege letsel dat door de FARR gefotografeerd moet worden. Het direct kunnen vastleggen van letsel bij Filomena is volgens medewerkers echt een meerwaarde, omdat cliënten op dezelfde locatie kunnen blijven, en ze begeleid worden door de ICM’er met wie ze ook het gesprek gedaan hebben. Hierdoor hoeven zij niet telkens hun verhaal opnieuw te doen. Meestal wordt de SOF-7 volgens professionals ingezet op het moment dat er nog niet genoeg informatie is. Het is bijvoorbeeld onduidelijk of Filomena betrokken moet blijven door het inzetten van een DMFI traject of dat het passender is over te dragen naar een netwerkpartner, zoals het wijkteam. Meerdere medewerkers gaven aan dat een SOF-7 vooral bij intiem terreur wordt ingezet, om informatie te verzamelen.

Dan wordt uitgezocht welke zorgen er zijn rondom de veiligheid, wat er speelt qua geweld en wat nodig is om het veilig te krijgen; moet er een veiligheidsplan gemaakt worden en welke afspraken moeten dan gemaakt worden, welke netwerkpartners zijn al betrokken en welke missen er. Volgens professionals is de meerwaarde hiervan dat eerst een goede analyse gemaakt wordt wat er aan de hand is en wat nodig is om het geweld te stoppen. Als dat niet gebeurt dan ‘blijf je vissen’. Een SOF-7 zorgt ervoor dat multidisciplinair een goede afweging gemaakt kan worden. Vertragen is hierbij belangrijk om met elkaar te bespreken wat de gevolgen zijn van handelen en de verschillende perspectieven met elkaar af te wegen.

Soms wordt een SOF-7 ingezet om uit te zoeken naar wie het beste kan worden doorverwezen als een cliënt naar het inloopspreekuur is gekomen. In dat geval is wel duidelijk dat het niet door Filomena zal worden opgepakt, maar nog niet duidelijk waar de cliënt het beste terecht kan. 3.1.3.

DMFI

Als Filomena langdurig betrokken blijft, wordt een DMFI traject ingezet. Professionals gaven aan dat ze over het algemeen lang betrokken zijn bij een casus, vaak minimaal een jaar tot anderhalf jaar, en soms zelfs langer. Dit komt ook uit het dossieronderzoek naar voren, gemiddeld is Filomena een jaar betrokken, waarvan de meeste casussen tijdens het dossieronderzoek nog lopend waren. Deze lange betrokkenheid is volgens professionals ook essentieel, want het kost tijd om een band op te bouwen. Pas als die band er is kan gezamenlijk gewerkt worden aan verandering. Dit geldt ook voor contact met de pleger want “voordat je iemand kan aanspreken moet je echt in contact zijn anders haken ze af”. Daarbij is het belangrijk om niet volgens protocollen te werken, maar juist out-of-the box, en “te kijken waar de cliënt dan wel voor open staat”. Professionals gaven aan dat de intensiteit van het contact heel wisselend is en fluctueert. Factoren die de intensiteit beïnvloeden zijn bijvoorbeeld of er contact is met beide partners, of kinderen aanwezig zijn, of dat veel netwerkpartners betrokken zijn. Bij de meeste casussen besteedden professionals veel tijd in het begin en dit wordt in de loop van de maanden minder. Aan het einde van het traject is meestal sporadisch contact, dan gaat het vooral om monitoren.

De ervaring van de ICM’ers is dat het geen 9 tot 17 baan is, appjes kunnen ook binnenkomen tijdens avonduren. Dat wil niet zeggen dat er dan op het appje gereageerd moet worden. Zo zei een ICM’er: “Ik vind het belangrijk dat cliënten altijd een appje kunnen sturen als ze crisis ervaren, omdat ze dit een dag later niet meer doen. Maar cliënten weten ook dat ik ’s avonds niet meer reageer”.

17

Bij een DMFI traject bewegen professionals vooral mee met de casus, ze bouwen een band op en komen naast de cliënt staan. Het is belangrijk om niet te oordelen, vooral een luisterend oor te bieden, mee te denken en soms psycho-educatie te geven, aldus ICM’ers. ICM’ers hebben vooral een regiefunctie; ze hebben het overzicht en contact met alle netwerkpartners, maar staan tegelijk ook dichtbij de cliënt door gesprekken te voeren. Daardoor weten ze vaak het beste hoe de geweldspatronen in elkaar zitten, maar daarvoor hebben ze wel de informatie en kennis van netwerkpartners nodig, ook om te bepalen wat er nodig is. Ze bieden zelf geen behandeling, dus bijvoorbeeld voor traumabehandeling worden cliënt en kinderen aangemeld bij FIER. Dan wordt afgestemd welke volgorde qua traumabehandeling van ouder of kinderen het meest wenselijk is, waarbij de regie bij Filomena ligt. “In een casus bekeek ik bijvoorbeeld de ochtendstructuur en dacht hierin mee. Meedenken in hoe de kinderen bijvoorbeeld naar school gaan en wat er moet gebeuren. Zo kwam er een beloningssysteem voor de kinderen waardoor het beter ging.” De ICM’ers hebben een training gevolgd in het voeren van gesprekken, contact maken, de geweldspatronen in kaart brengen en welke problematiek er nog meer speelt.

Zo maken ze bijvoorbeeld een genogram om inzicht te krijgen in het netwerk om de cliënt heen en welke rol dit netwerk speelt. Ook hebben ze instrumenten beschikbaar om traumaklachten bij volwassenen en kinderen te kunnen signaleren. De meeste ICM’ers mogen geen traumascreening doen, maar deze instrumenten helpen bij het signaleren van traumaklachten en geven handvatten wat de ICM’er dan het beste kan doen. Daarnaast benoemde een ICM’er dat het vaak helpend is voor een cliënt om haar te kunnen bevestigen dat er iets speelt en ze doorverwezen kan worden naar traumatherapie.

3.1.4.

Inschatten van veiligheid

De professionals geven aan dat direct gestart wordt met het inschatten van de veiligheid en de aard en ernst van het geweld, of dit nu gaat om zelfmelders of casuïstiek die is doorverwezen. Door de politie wordt een veiligheidscheck gedaan door in het politiesysteem te kijken wat al bekend is en er wordt gekeken wat bekend is bij Veilig Thuis (via de procesregisseur) en het Zorg- en Veiligheidshuis. Uitgezocht wordt waar de (gewelds)patronen vandaan komen en wat nodig is om het geweld te doorbreken. Hiervoor wordt een risicotaxatie gebruikt en de informatie vanuit alle verschillende kanten bij elkaar gelegd; de gesprekken met de vrouw, man en kinderen die de ICM’ers voeren, informatie van andere netwerkpartners zoals de Waag, reclassering, maar ook de school of een behandelaar Professionals benoemden dat het hierbij belangrijk is om echt samen te werken, open te staan voor elkaars visie en van elkaar te willen leren. Volgens professionals worden regelmatig multidisciplinaire overleggen gepland of er is telefonisch contact om de lijnen kort te houden en met elkaar af te wegen welke stappen gezet moeten worden. In principe is dit altijd in overleg met en toestemming van de cliënt en (ex-)partner. Echter, als sprake is van een hoog risico op onveiligheid, is het mogelijk om zonder toestemming informatie op te vragen en te delen.

De informatie wordt altijd multidisciplinair besproken en de cliënt wordt hierover geïnformeerd, volgens de professionals. 3.1.5.

Betrekken (ex-)partner en kinderen

Het uitgangspunt bij een DMFI traject is dat beide (ex-)partners die betrokken zijn bij het geweld, betrokken worden in het traject, want zoals een ICM’er zei: “Als je onderdeel van het probleem bent, moet je ook onderdeel worden van de oplossing”. Daarnaast vinden professionals het belangrijk dat ook de (ex-)partner de juiste hulp krijgt. Als partners nog bij elkaar zijn, spreken de ICM’ers eigenlijk altijd met beide partners, maar als het om een ex-partner gaat, blijkt dit lastiger. ICM’ers benoemden dat dit komt omdat alles vanuit het vrijwillig kader is, dus als een ex-partner echt niet wil, dan moeten ze dat loslaten. 18

Wel heeft Filomena korte lijnen met veel strafpartners, dus als bijvoorbeeld OM of reclassering betrokken is, probeert de ICM’er via hen in contact te komen met de ex-partner. Het kost vaak veel tijd om contact te krijgen en de ICM’er moet stevig in haar schoenen staan. Het kan ook zijn dat het contact met de (ex-)partner door een andere organisatie wordt gedaan en Filomena daar contact mee heeft en afstemt. ICM’ers benoemden als redenen middelengebruik of persoonlijkheidsproblematiek waardoor het niet lukt om de pleger te betrekken. Ook andere instanties, zoals de Waag, lukt het vaak niet om contact te krijgen met de (ex-)partner. Een andere reden is de grote onveiligheid voor de cliënt. Volgens professionals krijg je het beste resultaat als beide partners betrokken zijn in het traject, omdat je het verhaal van beide kanten hoort. Dit maakt het echter ook ingewikkelder, want ze hebben ieder hun eigen verhaal en dat kan flink verschillen. Volgens een professional is de kracht van Filomena juist dat als er tegenstrijdigheid is, daarover in gesprek wordt gegaan met beide partners. Als het lukt om beide partners te betrekken is het van de ICM’er (en casus) afhankelijk of twee ICM’ers in de casus zitten, waarbij de een contact heeft met de ene partner en de andere ICM’er met de andere partner, of dat één ICM’er het contact met beide heeft.

Als één ICM’er contact heeft met beide partners is het belangrijk dat de ICM’er het belang van beide partners meeneemt en werkt volgens meerzijdige partijdigheid, in plaats van aan de kant van één van de partners gaat staan. Het hebben van twee ICM’er helpt vaak om het vertrouwen te krijgen van de ex-partner aangezien hij dan een eigen ICM’er heeft. Het nadeel van twee ICM’ers in een casus is dat de ICM’ers tegenover elkaar komen te staan, omdat de ene ICM’er aan kant van de vrouw staat en de andere ICM’er aan de kant van de man.17

Het is dus heel wisselend of het lukt om de (ex-)partner te betrekken, maar het lukt volgens professionals beter om de kinderen te betrekken. Als (een van de) ouders niet willen dat kinderen hulp krijgen, gaan de professionals daar altijd over in gesprek. Soms zijn er bijvoorbeeld praktische redenen of hebben ouders bezwaren. Psycho-educatie kan ouders over de streep trekken. Een professional: “Door uit te leggen waarom het belangrijk is, lukt het vaak wel om ouders mee te krijgen”. Als het niet lukt om van beide gezaghebbende ouders toestemming te krijgen, mag officieel niet worden gesproken met kinderen onder de 16 jaar. Maar als de veiligheid in het geding is en het besluit wordt multidisciplinair genomen, kan wel worden gesproken met kinderen zonder toestemming. Uit de interviews en observaties blijkt dat wisselend gedacht wordt over het spreken met kinderen zonder toestemming. Er wordt verschillend mee omgegaan; de een vindt veiligheid voorop staan en belang van het kind en de ander houdt zich meer vast aan het krijgen van toestemming. 3.1.6.

Afsluiten van casussen

Uit het dossieronderzoek blijkt dat er verschillende redenen zijn voor het (vroegtijdig) afsluiten van een casus. Bij 4 van de 38 afgesloten casussen staat als reden dat het geen casus is voor Filomena. Dit was vooral bij kortdurende casussen het geval en werd dan na een ISO besloten. In sommige gevallen bleef Filomena wel als consultant betrokken en dan bleef het dossier langer open. In 9 casussen was de reden slecht contact met de cliënt, waren er geen ernstige zorgen en meestal ook andere hulpverlening in beeld. Bij 15 casussen heeft Filomena de casus overgedragen naar een andere instelling of zat ondertussen voldoende hulpverlening in het gezin dat Filomena geen rol meer had. Bij 9 casussen speelde geen onveiligheid meer in het gezin. Tot slot was in 1 casus het gezin naar het buitenland verhuisd.

17 Sinds zomer 2023 is de insteek van Filomena dat de ex-partner meestal een eigen ICM’er krijgt (als de ex-partner begeleid wil worden door Filomena). Als gekozen wordt voor 1 ICM’er, wordt dit inhoudelijk onderbouwd.

19

Vanuit de interviews benoemden professionals dat ze een casus afsluiten als er bijvoorbeeld lang geen geweldsincidenten zijn geweest, de trauma behandeling is gestart en goed loopt, dingen die geregeld moeten worden ook zijn geregeld, het contact veel minder is geworden, of als het goed gaat met de cliënt en ze weet waar ze naartoe kan als ze vragen heeft of problemen opspelen. Het afsluiten van een casus is echter ook lastig volgens professionals, want ze bouwen een vertrouwensrelatie op met de cliënt. Overdragen naar een wijkteam is niet zo makkelijk, omdat de cliënt daar geen band mee heeft en veel cliënten hechtingsproblematiek hebben en dus niet makkelijk over te dragen zijn. De ICM’ers hebben geen monitorfunctie, dus als een casus echt wordt overgedragen verdwijnen de gezinnen vaak uit beeld. Dit maakt het ook lastiger om af te sluiten volgens de ICM’ers. Gemerkt wordt dat het contact vaak langzaam wordt afgebouwd, eerst eens in de drie weken nog bellen, dan eens in de vijf weken. Enkele cliënten blijven behoefte hebben aan een vast iemand waar ze altijd op terug kunnen vallen. “Bij een van mijn cliënten gaat het periodes heel goed maar dan laat ze bijvoorbeeld weer een verkeerde mannen binnen in haar leven. Soms is een aantal weken geen contact en dan belt ze opeens weer. Vaak is een luisterend oor genoeg en zeggen wat wel goed gaat.

Dit is dus out-of-the-box, want ze had al eerder afgesloten kunnen worden maar het blijft ook kwetsbaar.” Het afsluiten van een casus gebeurt ook op het moment dat cliënt wordt aangemeld vanuit een netwerkpartner, maar de cliënt verder geen hulp wil van Filomena. Op het moment dat er kinderen zijn, kan Filomena de casus verwijzen naar het jeugdbeschermingsplein. Als er geen kinderen zijn, kan Filomena geen rol spelen omdat gewerkt wordt vanuit het vrijwillig kader. Als Filomena geen rol kan hebben wordt dit teruggekoppeld aan de aanmelder, meestal het zorg en veiligheidshuis.

3.2.

Kernteam en structurele samenwerkingspartners

Het kernteam bestaat (bij het schrijven van het rapport) uit twee gedragswetenschappers, 15 ICM’ers en een manager. De ICM’ers begeleiden en ondersteunen de cliënten. Volgens de ICM’ers zijn ze regiehouder en hebben contact met zowel de cliënt, (ex-)partner, eventuele kinderen en alle netwerkpartners. Door deze regierol en contacten met alle betrokkenen, hebben ze in vergelijking met andere netwerkpartners vaak het beste zicht op de veiligheid en korte lijnen met alle betrokkenen. Vanwege het vele contact met de cliënt worden ze ook een vertrouwenspersoon. Ze voeren veel gesprekken met de cliënt over hoe het met haar gaat, hoe het zit met de veiligheid en hoe deze vergroot kan worden, welke zorgen er zijn bij de cliënt en wat de cliënt nodig heeft. Ook geven ze psycho-educatie. Het intensieve contact is daarmee ook een vorm van hulpverlenen, naast het zijn van regiehouder. ICM’ers kunnen echter geen behandeling of bijvoorbeeld traumatherapie geven. Daarvoor moet een cliënt worden doorverwezen. De gedragswetenschappers denken op casusniveau vooral mee met ICM’ers vanuit hun helikopter view en sluiten aan bij casuïstiek overleggen, en hebben soms ook contact met cliënten. Zo kan de gedragswetenschapper aansluiten bij afspraken die de ICM’ers hebben als daar behoefte aan is of om psycho-educatie te geven aan cliënten.

Daarnaast voert de gedragswetenschapper gesprekken met kinderen, vooral als ook feitenonderzoek moet worden gedaan. Ze zijn daarvoor getraind in het NICHD protocol. Ook kunnen ze traumascreening doen en het begin van de traumabehandeling. Naast werkzaamheden op casusniveau gaat de gedragswetenschaper ook op werkbezoek bij het OM of in andere regio’s bij organisaties die geïnteresseerd zijn in de werkwijze van Filomena om over Filomena te vertellen of te spreken over onderwerpen als intieme terreur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16247678/1