CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

1. toelichting obp Nieuweweg 22 's Gravendeel

Besluitvormende raad 23 april 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Nieuweweg 's-Gravendeel22.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

27

buiten de 200 meter zone bevindt van de beschouwde vaarweg, volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, waarbij het plangebied binnen het invloed gebied van brandbare gassen ligt, is een wolkbrand, gaswolkexplosie en plasbrand. Het effect van een wolkbrand is een kortdurende vlammenzee. Wanneer de brandbare wolk ingesloten is en ontstoken raakt, kan naast hittestraling ook een drukeffect ontstaan: een gaswolkexplosie. Een plasbrand ontstaat doordat de tank van de binnenvaarttanker openscheurt na bijvoorbeeld een aanvaring. Hierdoor ontstaat een gat en stroomt een groot deel van de benzine in korte tijd uit. De benzine verspreidt zich over het water en bereikt de kade. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand. Naast brand en explosie kunnen er bij een incident met een tanker toxische stoffen vrijkomen, in de vorm van een plas. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.

Bevt, artikel 7 In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan worden op: 1.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; 2. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Ad 1: Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten, ten gevolge van het incident, te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, na verdamping van de toxische stoffen, op gang komen om repressieve maatregelen te nemen en hulp te verlenen. Zo kan getracht worden obstakels te gebruiken om de gifwolk te vertragen of kan turbulentie gecreëerd worden om de gifwolk te laten mengen met de omringende lucht. Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de hulpdiensten.

De brandweer van ‘s-Gravendeel bevindt zich ten westen van het plangebied, op ongeveer één kilometer afstand. Ad 2: Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de bron, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan vanuit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn en er voldoende volwassenen aanwezig zijn, die voor begeleiding van de kinderen kunnen zorgen. Bij het scenario toxische wolk is het advies om binnen te schuilen en de ramen, deuren en ventilatiesystemen te sluiten. Vanuit de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid is eveneens het advies uitschakelbare mechanische ventilatie toe te passen binnen de gebouwen in het plangebied. Toetsing beleid gemeente In de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard wordt de nadruk gelegd op de omgang met bestaande en toekomstige vraagstukken met betrekking tot externe veiligheid. Hier worden voornamelijk uitgangspunten opgesteld met betrekking tot de toevoeging van risicobronnen. Binnen het plangebied is sprake van een ontwikkeling op kleine schaal. Er vindt gedurende de

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

28

nachtperiode een kleine verhoging van de personendichtheid plaats ten opzichte van de huidige situatie. Binnen het initiatief is geen sprake van de toevoeging van een risicobron. Hiernaast bevindt het plangebied zich niet in dichte nabijheid van risicobronnen, zoals blijkt de Quickscan Externe Veiligheid. Derhalve zijn er voor het initiatief geen knelpunten met de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard. 4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ''s-Gravendeel' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

29

kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 4.10.3

Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is op 14-01-2022 een digitale watertoets doorlopen. Het resultaat is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 6). Op basis van de watertoets blijkt het voornemen een beperkte invloed op het watersyteem te hebben, die tevens ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Op 14-01-2022 is het voornemen met het waterschap Hollandse Delta gedeeld. Uit reactie van het waterschap blijkt dat vorliggend initiatief geen waterschapsbelang raakt. Het plangebied ligt niet in beschermingszones van waterkeringen en er lopen geen watergangen door het plangebied. Daarnaast blijt de toename verhard oppervlak onder de meldingsplichteneisen. 4.10.4

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen. 4.11

Duurzaamheid

4.11.1

Duurzame leefomgeving

Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

30

4.11.2

Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en als er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Om voorliggend initiatief klimaatbestendig te maken, is het platte dak van de nieuw te bouwen woning voorzien van een groen sedum dak. Een dergelijke maatregel heeft naast een klimaatadaptieve werking ook een positieve invloed op de biodiversiteit en kan gezien worden als een natuurinclusieve maatregelen. Een groen dak is een aantrekkelijke plek voor vogels, insecten en andere kleine organismen. 4.11.3

Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie; de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd. Ten behoeven van de energietransitie worden er op het dak van de bestaande schuur zonnepanelen geplaatst. Aanvullend zal de woning voorzien worden van warmtepomp. Op deze wijze kan het initiatief voorzien in een zo veel mogelijk zelfvoorzienend circulair warmteysteem. De combinatie van de zonnepanelen en de warmtepomp zorgen ervoor dat er flink bespaart kan worden op de inname van gas en elektriciteit. Als aanvullende maatregelen op het gebied van duurzaamheid en energietransitie is het gebruik van hoogwaardige bouwmaterialen zoals keramische dakpannen en bakstenen.

Dit zorgt voor een langere levensduur en maakt de kans kleiner dat op korte termijn renovatie plaats moet vinden. 4.12

M.e.r.-beoordeling

4.12.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.12.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Kenmerken van het project

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

31

Het project betreft de planologische omzetting van een bedrijfswoning naar reguliere woning en de bouw van een vrijstaande woning. Plaats van het project Het project is gelegen in de bestaande bebouwde kom met gemengde functies, waarbij er mix van woon en bedrijfsfuncites bestaan. Het plangebied is niet gelegen in een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat ligt op een afstand van circa 4,6 kilometer. Kenmerken van het potentiële effect De in dit plan beschreven ontwikkeling zal geen negatieve effecten hebben op omliggende natuurgebieden, gezien de aard van de nieuwe activiteiten en de grote afstand tot natuurgebieden. Dit beeld komt overeen met de conclusies van de motivering en onderzoeken uit de voorgaande paragrafen in Hoofdstuk 4 van deze toelichting. 4.12.3

Conclusie

De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

32

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ''s-Gravendeel'. Het bestemmingsplan 'Nieuweweg 22 - 's Gravendeel' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.

Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Nieuweweg 22 - 's Gravendeel' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2

Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1

Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

33

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2

Bestemmingen

Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en aan huis verbonden beroepen en bedrijven in categorie 1 van de bij dit bestemmingplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten. Hierbij horen gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. 5.4

Algemene regels

5.4.1

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2

Overige algemene regels

Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5

Overgangs- en slotregels

5.5.1

Overgangsregel

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

34

5.5.2

Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

35

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeenten en de initiatiefnemer. Het plan wordt economisch haalbaar geacht. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1

Overleg met omwonenden

Initiatiefnemer heeft draagvlakfomulieren uitgedeeld bij de omwonenden om te peilen hoe de omwonenden over het initiatief denken. In Bijlage 7 is het verslag te vinden. 6.2.2

Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Schetsontwerp Nieuweweg 22 s'-Gravendeel

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

36

Bijlage 2 ER20211222v01_QS_Nieuweweg_22_'s-Gravendeel_EcoresultBV

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

47

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland Plangebied: Nieuweweg 22, Opsteller(s): G.S. Posthuma

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland Colofon Plangebied

Nieuweweg 22,

Opsteller(s)

G.S. Posthuma

Datum

11-01-2022

Versienummer

01

Rapportkenmerk

ER20211222v01 27

Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon

D. Meis

Kwaliteitscontrole

K.J. van Veen

Wijze van citeren

Posthuma, G.S., 2022. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland. Plangebied: -Gravendeel. Kenmerk: ER20211222v01. Ecoresult B.V., Alblasserdam

Ecoresult B.V. Edisonweg 10- unit 320 2952 AD Alblasserdam 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl

© copyright Ecoresult B.V. 2022

2

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel

5

1.3

Onderzoeksmethodiek

5

1.4

Leeswijzer

6

Toelichting onderzoekskader

7

2.1

Wet natuurbescherming

7

2.1.1

Bescherming van gebieden

7

2.1.2

Bescherming van soorten

7

2.1.3

Bescherming van houtopstanden

8

2.1.4

Omgevingsverordening Zuid-Holland

10

3.1

Algemeen

10

3.2

Beschrijving

10

3.3

Geplande ingrepen

10

3.3.1

Omschrijving werkzaamheden

10

3.3.2

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode

11

3.3.3

(Ontwerp)tekening

11

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

12

4.1

Wet natuurbescherming

12

4.1.1

Natura 2000

12

4.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

13

4.2.1

Natuurnetwerk Nederland

13

4.2.2

Belangrijk weidevogelgebied

13

4.2.3

Strategische reservering natuur

14

Beschermde houtopstanden 5.1

6

7

9

Omschrijving plangebied

Wet natuurbescherming

15 15

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

16

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

16

6.1.1

Bronnenonderzoek

16

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

16

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

18

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

19

6.2.1

Bronnenonderzoek

19

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

19

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

20

6.3

Nationaal beschermde soorten

20

6.3.1

Bronnenonderzoek

20

6.3.2

Verkennend veldonderzoek

21

6.3.3

Effectbeoordeling en toetsing

21

6.4

Invasieve exoten

21

Conclusies en aanbevelingen

22

3

8

7.1

Algemeen

22

7.2

Beschermde gebieden

22

7.3

Beschermde soorten

23

7.4

Aanbevelingen

23

Geraadpleegde bronnen

24

8.1

Literatuur

24

8.2

Internet

24

Ecoresult B.V. Januari 2022

4

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd:

-Gravendeel. De aanleiding voor dit verzoek zijn de

voorgenomen sloop- en nieuwebouwwerkzaamheden binnen het plangebied (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2

Doel Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur). In het kader van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

1.3

Onderzoeksmethodiek De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 2-12-2021 door G.S. Posthuma en F.V. van der Lans, ecologisch deskundigen1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is

daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een

zaklamp onderzocht. Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF-database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Figuur 1). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarischondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/ruimtelijke-ingrepen/ontheffing-vrijstelling/ecologischdeskundige 1

Ecoresult B.V. Januari 2022

5

habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken. Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd een actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Figuur 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.

1.4

Leeswijzer In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waaraan getoetst wordt. Vervolgens wordt

het

plangebied en de

geplande

activiteiten beschreven. Hierna

worden

per

beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samengevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk nader onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.

Ecoresult B.V. Januari 2022

6

2

Toelichting onderzoekskader

2.1

Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelt tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.

2.1.1

Bescherming van gebieden De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag de oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.

2.1.1.1

Toetsing stikstofemissies Natura 2000 Sinds 2 november 2022 is de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door bij AMvB aangewezen activiteiten van de bouwsector komen te vervallen. Als gevolg hiervan is de werkwijze van vóór 1 juli 2021 omtrent stikstofdepositie in de aanlegfase weer actueel geworden. De effecten van stikstofuitstoot, en de daarbij behorende stikstofdepositie

dienen

daarom

weer

getoetst

te

worden

aan

de

Natura

2000

instandhoudingsdoelstellingen, al dan niet door middel van een AERIUS-berekening. Ook stikstofemissies als gevolg van de gebruiksfase zoals bewoning, gebruik van een utiliteitsgebouw of verkeersaantrekkende werking dienen wel getoetst te worden aan de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen, al dan niet door middel van een AERIUS-berekening. Indien er sprake is van stikstofdeposities (>0,00 mol/ha/jaar) op stikstofgevoelige habitats in Natura2000-gebieden is er sprake van een vergunningsplicht.

2.1.2

Bescherming van soorten De

Wnb

onderscheidt

drie

verschillende

beschermingsregimes,

met

elk

hun

eigen

verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op

Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen 2.

2

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

Ecoresult B.V. Januari 2022

7

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten Habitatrichtlijn § 3.2 soorten (andere soorten) § Wnb 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Het is verboden vogels opzettelijk Het is verboden dieren te storen, tenzij de storing niet opzettelijk te verstoren. van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom,

Ecoresult B.V. Januari 2022

8

Houtopstanden op erven of in tuinen, Fruitbomen en windschermen om boomgaarden, Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar, Kweekgoed, Uit populieren of wilgen bestaande: o

Wegbeplantingen,

o

Beplantingen langs waterwegen, en

o

Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden,

Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o

Ten minste eens per tien jaar worden geoogst,

o

Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.1.4

Omgevingsverordening Zuid-Holland In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving

worden

beschermd.

Onderdeel

van

de

beschermd

gebieden

in

de

Omgevingsverordening is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn verwerkt.

ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden heb en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Zuid-Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Zuid-Holland betreft dit Belangrijk weidevogelgebieden en de Strategische Reservering Natuur. In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader.

Ecoresult B.V. Januari 2022

9

3

Omschrijving plangebied

3.1

Algemeen Het plangebied voor deze quickscan omvat een opslagterrein gelegen achter een woning aan de Nieuweweg, - Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, provincie Zuid-Holland (zie Figuur 2).

Figuur 2: Ligging plangebied en het onderzochte gebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven. (Bron: PDOK)

3.2

Beschrijving Het plangebied omvat een opslagplaats achter een woonhuis gelegen aan de Nieuweweg. Achter het woonhuis staat een schuur/garage waar de nieuwe woning aan zal grenzen. Deze garage is opgetrokken uit baksteen met gevelbetimmering over het grootste gedeelte van de gevel heen. Aan de bovenkant van de garagegevel zijn boeiborden aanwezig. Het dak van de garage is afgewerkt met dakpannen. Net buiten het plangebied staat een haag van coniferen van ongeveer vijf meter hoog. Op de opslagplaats staan onder andere drie aanhangers, houten pallets met dakpannen, een

laag

schuurtje

met

houtopslag,

hekwerken,

metalen

staven,

kruiwagens,

afvalcontainers en rijplaten. Aan de zuidkant van het plangebied grenst een lage bebouwing opgetrokken uit baksteen met een pannendak. De grond van de opslagplaats is voorzien van betonnen platen, de oprit is belegd met klinkers. Lantaarnpalen zijn binnen het plangebied afwezig, wel is er plaatselijk gevelverlichting.

3.3

Geplande ingrepen

3.3.1

Omschrijving werkzaamheden De werkzaamheden betreffen: De sloop en verwijdering van de opslagplaats. Nieuwbouw van een woning op de plek van de opslagplaats grenzend aan de al bestaande garage. De oprit blijft in huidige staat.

Ecoresult B.V. Januari 2022

10

3.3.2

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar. De planning is afhankelijk van de resultaten uit voorliggend onderzoek.

3.3.3

(Ontwerp)tekening

Figuur 3. Plattegrond nieuwe situatie. Bron: Kubiek Ruimtelijke Plannen.

Ecoresult B.V. Januari 2022

11

4

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Biesbosch op 4,6 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (zie Figuur 4). Dit gebied heeft verschillende stikstofgevoelige habitats. De aanlegfase van deze ontwikkeling valt onder de partiële vrijstelling zoals benoemd staat in paragraaf 2.1.1.1. Een nadere toetsing is voor de aanlegfase op het component stikstofdepositie niet nodig.

Figuur 4: Plangebied (blauwe speld) en de nabijgelegen Natura 2000 gebieden (groen, geel en blauw) en stikstofgevoelige habitats (paars). Bron: AERIUS 2020

4.1.1.1

Stikstof Gezien de werkzaamheden, de beoogde functie van het plangebied en de afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000initiatieven bij woningbouwprojecten (versie 22 februari 2023)

Uit tabel 1 blijkt dat de

maximale afstand van twee vrijstaande woningen maximaal 3,5 kilometer. Dit is lager dan de werkelijke afstand van 4,6 kilometer. Een toename in stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is vooraf uit te sluiten. Een Aerius-berekening is niet noodzakelijk. 4.1.1.2

Overige verstoringsvormen Negatieve effecten als gevolg van andere verstoringsvormen dan stikstofdepositie (zoals geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid) zijn uitgesloten wegens de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

Ecoresult B.V. Januari 2022

12

4.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

4.2.1

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie Figuur 5Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is Polder Groot Koninkrijk aan de noordkant van het plangebied3. Deze polder ligt op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt niet overtreden.

Figuur 5. Ligging plangebied (zwarte stip) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen en paars). Bron: https://pzh.maps.arcgis.com

4.2.2

Belangrijk weidevogelgebied Het plangebied is niet gelegen in een Belangrijk weidevogelgebied (Figuur 6Figuur 6). Polder zuidzijde ten noordoosten van

, op een afstand van ca. 8,9 km, is bestemd als

Belangrijk weidevogelgebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.

https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199& extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1124%2C28992 3

Ecoresult B.V. Januari 2022

13

Figuur 6. Ligging plangebied (zwarte stip) ten opzichte van Belangrijke Weidevogelgebieden (licht groen). Bron: https://pzh.maps.arcgis.com

4.2.3

Strategische reservering natuur Dichtstbijzijnde gebieden die aangewezen zijn voor Strategische reservering natuur betreft de Grote of Achterwaterschap, op een afstand van circa 11,7 kilometer ten noorden van het plangebied4. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt niet overtreden.

4

Vanwege de grote afstand niet op figuur 6 en 7 weergegeven.

Ecoresult B.V. Januari 2022

14

5

Beschermde houtopstanden

5.1

Wet natuurbescherming Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van

(zie Figuur 7). Vanwege

de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Figuur 7: Het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom van

Ecoresult B.V. Januari 2022

15

6

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

6.1.1

Bronnenonderzoek

6.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Tabel 2. Waargenomen vogels met jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 21-12-2021. Soort

Beschermingscategorie

Boomvalk

Categorie 4

Buizerd

Categorie 4

Gierzwaluw

Categorie 2

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Havik

Categorie 4

Huismus

Categorie 2

Kerkuil

Categorie 3

Ooievaar

Categorie 3

Ransuil

Categorie 4

Slechtvalk

Categorie 3

Sperwer

Categorie 4

Steenuil

Categorie 1

Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen ook buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing. Categorie 3: Nesten van vogels (niet-koloniebroeders), die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

6.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Er zijn geen geschikte openingen voor huismus en gierzwaluw in de garagebebouwing of de opslagplaats, zie Figuur 8Figuur 8. De bedrijfswoning is wel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor huismus onder de dakpannen, hier vinden echter geen werkzaamheden aan plaats. Functioneel leefgebied voor huismus kan aanwezig zijn binnen het

Ecoresult B.V. Januari 2022

16

plangebied. Er is in de directe omgeving van het plangebied genoeg ander functioneel leefgebied van dezelfde kwaliteit.

Figuur 8. Daklatten en vogelwering onder de onderste rij dakpannen van de garage. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.

Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen (geen steenuil- en kerkuilnestkasten aanwezig, sterk urbane omgeving). Voor ooievaar zijn geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig. Ooievaarsnesten zijn afwezig. Voor slechtvalk is het plangebied ongeschikt. De bebouwing is voor deze soort te laag en er bevinden zich in het plangebied geen nestkasten gericht op deze soort. Grote gele kwikstaart wordt niet verwacht binnen het plangebied wegens het ontbreken van snelstromende watergangen. Nestplaatsen bevinden zich vaak onder bruggetjes of duikers nabij dit habitat. Een incidenteel foeragerende vogel op het dak kan niet worden uitgesloten. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen grote bomen, of bosschages aanwezig. Daarnaast bevindt het plangebied zich in druk stedelijk gebied. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de conifeerhaag direct grenzend aan het plangebied geen nesten waargenomen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, boomvalk, buizerd, havik, sperwer en roek worden uitgesloten. 6.1.2.2

Niet jaarrond beschermde nesten Het plangebied is ongeschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals boomkruiper, spreeuw, koolmees en pimpelmees (zogenaamde Categorie 5-soorten). Er zijn geen geschikte holten, scheuren of kieren aanwezig binnen het plangebied waar deze soorten gebruikt van kunnen maken. De directe omgeving van het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals ekster.

6.1.2.3

Algemene broedvogels Het plangebied is ongeschikt voor algemene gebouwbewonende broedvogels zoals de kauw. Er zijn geen grote holen waar deze soort gebruik van kan maken. De directe omgeving van het plangebied is geschikt voor andere algemene broedvogels, bijvoorbeeld houtduif, Turkse tortel en merel.

Ecoresult B.V. Januari 2022

17

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten zijn in het plangebied afwezig. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk (zie Hoofdstuk Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.).

6.1.3.2

Niet jaarrond beschermde nesten Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten zoals de spreeuw, boomkruiper, pimpelmees en koolmees. Er zijn geen holten, kieren of scheuren in het plangebied waar deze soorten gebruik van kunnen maken. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden.

6.1.3.3

Algemene vogels Het plangebied is ongeschikt als voortplantingsplaats voor algemene broedvogels zoals de kauw. Direct grenzend aan het plangebied is wel potentie voor voortplantingsplaatsen voor bijvoorbeeld houtduif, merel en Turkse tortel. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart

15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch

deskundige.

Ecoresult B.V. Januari 2022

18

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

6.2.1

Bronnenonderzoek

6.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Tabel 3. Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 21-12-2021. Soort

Soortgroep

Baardvleermuis

Zoogdieren

Bever

Zoogdieren

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren

Laatvlieger

Zoogdieren

Muurhagedis

Reptielen

Noordse woelmuis

Zoogdieren

Platte schijfhoren

Weekdieren

Rivierrombout

Libellen

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

Teunisbloempijlstaart

Nachtvlinders

Watervleermuis

Zoogdieren

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

6.2.2.1

Vleermuizen De garage in het plangebied is ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. Er zijn geen ruimtes tussen de gevelbetimmering, tussen de boeidelen en de gevel, tussen de dakgoot en de gevel en geen overhangende kantpannen. De bebouwing rondom het plangebied is wel potentieel geschikt voor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen onder overhangende kantpannen. De bomen direct grenzend aan plangebied zijn ongeschikt voor boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis en watervleermuis. De bomen bevatten geen holten of scheuren welke door deze soorten gebruikt kunnen worden als vaste rust- en verblijfplaats. Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit vliegroutes5 en foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het plangebied zijn alternatieve mogelijkheden van een vergelijkbare kwaliteit aanwezig. Binnen het plangebied is derhalve geen sprake van essentieel leefgebied.

5 Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute te veel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Een foerageergebied is van essentieel belang voor het functioneren van de verblijfplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen.

Ecoresult B.V. Januari 2022

19

6.2.2.2

Reptielen Voor de muurhagedis is het plangebied ongeschikt, rotswanden of oude stadsmuren zijn in het plangebied afwezig. Daarnaast komt deze soort van nature alleen voor in de omgeving van Maastricht wat betekent dat de waargenomen muurhagedis waarschijnlijk een ontsnapt individu betreft.

6.2.2.3

Overige Habitatrichtlijn soorten Open water, rivieren en poelen zijn in het plangebied afwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van watergebonden zoogdieren als bever, weekdieren als platte schijfhoren en libellen als rivierrombout worden uitgesloten. Voor de teunisbloempijlstaart is het plangebied ongeschikt. Deze soort is gebaad bij bossen en bosranden en is afhankelijk van waardplanten als wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Deze planten zijn niet aanwezig in het plangebied. Het plangebied is ongeschikt voor noordse woelmuis door het ontbreken van hoge vegetatie zoals riet in het plangebied.

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen is binnen het plangebied uit te sluiten. De garage binnen het plangebied heeft geen scheuren, kieren of gaten waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De werkzaamheden (opslag verwijderen en de bouw van een nieuwe woning) hebben geen negatieve effecten op vleermuizen. Er is geen vervolgonderzoek nodig, de Wet Natuurbescherming wordt niet overtreden

6.3

Nationaal beschermde soorten

6.3.1

Bronnenonderzoek

6.3.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Tabel 4. Waargenomen Nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de provincie ZuidHolland (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 21-12-2021. Soort

Soortgroep

Provinciale vrijstelling

Soort

Soortgroep

Provinciale vrijstelling

Damhert

Zoogdieren

Nee

Kartuizer anjer

Vaatplanten

Nee

Alpenwatersalamander

Amfibieën

Nee

Muurbloem

Vaatplanten

Nee

Grote vos

Dagvlinders

Nee

Ruw Parelzaad

Vaatplanten

Nee

Kleine ijsvogelvlinder

Dagvlinders

Nee

Wilde ridderspoor

Vaatplanten

Nee

Ecoresult B.V. Januari 2022

20

6.3.2

Verkennend veldonderzoek

6.3.2.1

Vaatplanten Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Ook zijn geen oude (kalk-)muren

geschikt voor muurbloem of andere muurvegetatie

aanwezig in het

plangebied. Daarnaast zijn er ook geen akkers, kalkgraslanden, bermen, braakliggende grond, stroomruggen en oeverwallen aanwezig binnen het plangebied waardoor het ongeschikt is voor beschermde vaatplanten als kartuizer anjer, ruw parelzaad en wilde ridderspoor. 6.3.2.2

Zoogdieren Het plangebied en de directe omgeving zijn alleen potentieel geschikt voor algemene soorten waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de egel en verschillende soorten (spits-)muizen. Het plangebied is ongeschikt voor overige soorten wegens het ontbreken van bosgebieden, anderzijds dekkende vegetaties of grotere openingen in de bebouwing voor steenmarter.

6.3.2.3

Amfibieën Het plangebied is enkel geschikt als terrestrisch habitat voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals gewone pad en bruine kikker. Overige beschermde amfibieën zijn uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt habitat (open water en poelen).

6.3.2.4

Overige soorten Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos en kleine ijsvogelvlinder. Grote vos komt voor in vochtige bossen en boomgaarden en is afhankelijk van wilgenbossen als waardplant. Populaties zijn in West-Nederland niet aanwezig. De soort heeft een sterk zwervend karakter en waarnemingen rondom het plangebied hebben betrekking op zwervende exemplaren. Ook de kleine ijsvogelvlinder is afhankelijk van bossen als leefgebied en geschikte waardplanten (kamperfoelie) die groeien in de halfschaduw. Op basis van het ontbreken van geschikt habitat komen deze vlindersoorten hier niet voor.

6.3.3

Effectbeoordeling en toetsing Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie ZuidHolland een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, gewone pad en bruine kikker. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Voor overige niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt.

6.4

Invasieve exoten Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten vastgesteld in het plangebied. Uitheemse duizendknopen, reuzenberenklauw en/of andere invasieve exoten zijn niet aanwezig.

Ecoresult B.V. Januari 2022

21

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Algemeen In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd:

. De aanleiding voor dit verzoek zijn de

voorgenomen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden binnen het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. In voorliggend hoofdstuk zijn de aangetroffen potenties en vervolgstappen uitgesplitst in Tabel 5 en Tabel 6. In deze tabellen staan de potenties uit de vorige hoofdstukken en eventueel bijbehorende

vervolgstappen

weergegeven.

Voor

een

nadere

uitwerking

van

de

effectenbeoordeling wordt verwezen naar Hoofdstuk 4 (Beschermde gebieden), Hoofdstuk 5 (Beschermde houtopstanden) en Hoofdstuk 6 (Beschermde soorten).

7.2

Beschermde gebieden Tabel 5. Effectentabel beschermde gebieden. Type

Afstand tot plangebied

Negatief Nader effect onderzoek

Mitigerende Ontheffing maatregelen

Natura 2000

4,6 km

Nee

Nee

Nee

Nee

Natuurnetwerk Nederland

1,4 km

Nee

Nee

Nee

Nee

Weidevogelleefgebied 8,9 km

Nee

Nee

Nee

Nee

Strategische Reservering Natuur

11,7 km

Nee

Nee

Nee

Nee

Beschermde houtopstanden

N.V.T.

Nee

Nee

Nee

Nee

Ecoresult B.V. Januari 2022

22

7.3

Beschermde soorten

Vogelrichtlijn

(Mitigerende) maatregelen (aantal)

Ontheffing nodig

Nader onderzoek

Negatief effect*

Functie

Geschikt / aanwezig

Soort

Soortgroep

Beschermingsregime

Tabel 6. (mogelijk) aanwezige beschermde soorten. * Een negatief effect is bepaald op basis van de aanwezige potenties en de getoetste maatregelen uit paragraaf 3.3.

Jaarrond beschermd Alle nest

Nee n.v.t.

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

n.v.t.

Cat. 5 vogels

Diverse

Nee n.v.t.

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

n.v.t.

Algemene vogels

Diverse

Ja

Mogelijk Nee Nee

Ja

Habitatrichtlijn

Diverse

Diverse

Nee n.v.t.

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

n.v.t.

Nationaal beschermd

Niet vrijgesteld

Nee n.v.t.

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

n.v.t.

Vrijgesteld

Invasieve exoten

7.4

Diverse

Ja

Vaste rusten verblijfplaats

Vaste rustMogelijk Nee Nee en verblijfplaats/ Essentieel leefgebied

Nee n.v.t.

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

Ja

n.v.t.

Aanbevelingen vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Gebruik bijvoorbeeld inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels binnen het plangebied. Tevens kan worden ingespeeld op te verwachten ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

Ecoresult B.V. Januari 2022

23

8

Geraadpleegde bronnen

8.1

Literatuur Cardinaals J.T.B., J. Daamen, G.F.J. Smit & H. van Ziel, 2019. Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie. Bureau Waardenburg Rapportnr. 19246. Bureau Waardenburg, Culemborg.

8.2

Internet Beschermde gebieden & soorten https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=698b578f8bf34f5ab624e 1f2ae687199&extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1124%2C28 992 https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl Beoordelingskader-stikstofdepositie-woningbouw-2023-versie-22022023.pdf (ozhz.nl) Kadastrale Kaarten https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer/index.html Kennisdocumenten soorten https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/ Nationale Databank Flora en Fauna https://ndff-ecogrid.nl/ Natuurwetgeving www.rvo.nl https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/aanvraag-wet-natuurbescherming.html PDOK

Publieke Dienstverlening op de Kaart http://pdokviewer.pdok.nl

Vleermuisprotocol 2021 https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/category/20?download=812

Ecoresult B.V. Januari 2022

24

Bijlage 1 Foto-impressie plangebied

De garage met pakken dak binnen het plangebied

Ecoresult B.V. Januari 2022

25

Opslag van stalen buizen in het plangebied

Laag afdak met houtopslag. Op de achtergrond de grote coniferenhaag.

Ecoresult B.V. Januari 2022

26

Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek

Nieuweweg 22 - 's Gravendeel

74

Verkennend bodemonderzoek Conform NEN 5740 LOCATIE

KADASTRALE GEMEENTE

Hoeksche Waard SECTIE F , NUMMERS 4629 & 4630

OPDRACHTGEVER

Kubiek Ruimtelijke Plannen B.V. Kerkewijk 117 3904 JB Veenendaal

DATUM

22 augustus 2022

DOCUMENTNUMMER

P21-0868-007

OPGESTELD DOOR

mevrouw C.C. van Egmond

GEAUTORISEERD

ing. E.A. van Dam

PROJECTLEIDER

ing. E.A. van Dam

GEZIEN

BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal WEBSITE

www.buroboot.nl

E-MAIL

info@buroboot.nl

Titelpagina SOORT ONDERZOEK

Verkennend bodemonderzoek

ONDERZOEKSLOCATIE

Nieuweweg 22 's-Gravendeel Kubiek Ruimtelijke Plannen B.V.

OPDRACHTGEVER

Kerkewijk 117 3904 JB Veenendaal Telefoon: 0318-519268 CONTACTPERSOON

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13931270/1