CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Handboek Openbare Ruimte gemeente HW 2024 - Bijlage 3 (Bijlage 6 AOK)

Besluitvormende raad 8 juli 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Concept anterieure overeenkomst Stougjeswijk27.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

b. c.

d. e. f. g. h. i.

3.7.4

Heesters

a.

Afstand eerste rij vanaf rand plantvak bedraagt een halve plantgrootte van een volgroeide heester. De gekozen maatvoering van de beplanting en de plantafstanden dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor start aanplant. De maximale hoogte van beplanting bij uitzichthoeken is 0,75 meter. De maximale hoogte van beplanting is 0,50 meter op plaatsen waar de aanwezigheid van kinderen te verwachten is. Heesters moeten passen binnen de maat van het plantvak. Gebruik van lage sierheesters is gewenst. Bij het aanplanten van planten uit de rand van de verharding rekening houden met het volledige wasdom van het gekozen assortiment. Bij soortkeuze rekening houden met beheerbaarheid en de lokale grondsoort. Geen vruchtdragende of luisgevoelige bomen en planten langs de openbare weg of parkeerplaatsen. Langs wegen en fietspaden soorten kiezen die goed bestand zijn tegen invloed van dooizouten. Bij het toepassen van solitaire struiken zorgen voor voldoende hoogteverschil tussen solitairen en vakbeplanting. Geen soorten toepassen die niet of nauwelijks sluiten.

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

Pagina 43 van 133

R R

R R

R A A

R A R R A R A

R R R R A R A R R A R

l.

n.

Zwarte grond met teelaarde gewenst op ongeveer 50 cm. diepte tot 20 cm. boven grondwaterpeil om zo te zorgen voor goede doorwortelbaarheid. Langs wegen en fietspaden geen soorten kiezen welke doornen bevatten, dit wegens het lekrijden van banden. De minimale plantmaat is 80-100 (mits leverbaar).

3.7.5

Hagen en blokhagen

a.

f.

Hagen en blokhagen worden minimaal en zeer terughoudend in een ontwerp opgenomen. Het toepassen van (blok)hagen kan uitsluitend met instemming vanuit team Beleid en Beheer Openbare Ruimte Hagen en blokhagen bestaan als uitgangspunt uit minimaal 2 plantrijen, voorzien van paal met draad Plantvakken zijn minimaal 50cm breed. De gekozen maatvoering van de beplanting en de plantafstanden dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor start aanplant. Langs wegen en fietspaden geen soorten kiezen welke doornen bevatten, dit wegens het lekrijden van banden. De minimale plantmaat is 80-100 (mits leverbaar).

3.7.6

Vaste planten, éénjarigen, bakken en perkrozen

a.

Toepassing bevorderen van onderhoudsarm assortimenten en (zeer) terughoudend zijn met de toepassing van alle soorten rozen. Bij het aanplanten van planten uit de rand van de verharding rekening houden met het volledige wasdom van het assortiment. De gekozen maatvoering van de beplanting en de plantafstanden dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor start aanplant. Geen soorten toepassen die niet of nauwelijks sluiten. Plantenbakken mogen gebruikt worden als planten in de volle grond niet mogelijk zijn, of als de vaste beplanting niet gewenst is, bijvoorbeeld i.v.m. evenementen. Het gekozen model, maatvoering en plaatsing dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor het plaatsen van de plantenbakken. De minimale plantmaat voor vaste planten is P15/C2. De uitgangsnorm voor de plantafstand van vaste planten is 9 stuks per m2. Bollen, knollen en stinzenplanten worden alleen opgenomen in een ontwerp na overleg met en met goedkeuring van team Beleid en Beheer Openbare Ruimte

m.

b. c. d. e.

b. c. d. e. f. g. h. i.

3.7.7

Bermen

a. b.

Vermijd taluds steiler dan 1:3. Voor lang gras geldt dat de afstand tussen twee obstakels groter moet zijn dan 250 cm. Bredere stroken groen > 150 cm tussen een voet/fietspad en de rijbaan. Bij de aanleg van bermen schrale grond gebruiken, met maximaal 3% organische stof, afhankelijk van het toe te passen assortiment en/of zaadmengsel. Bij de aanleg van bermen bloemrijk bermenmengsel toepassen. Het bloemenmengsel moet voor het zaaien eerst goedgekeurd worden door de beheerder.

c. d. e.

3.7.8

Gazon

a.

Het soortmengsel afstemmen op de lokale omstandigheden. Leg een nieuw gazon aan met een bloemrijk mengsel “Nectar on het maaimes” om de ecologische waarde te vergroten. Het maaiveld moet egaal zijn. Er moet rekening worden gehouden met minimaal 1 plaats waar de maaimachine het gras kan oprijden (vrij van parkeren en obstakels, de transportbreedte van een maaier bedraagt ca. 2,50 m, maaibreedte is ca. 3,50m).

b. c.

Pagina 44 van 133

R R R

R R R R R R

R R R R R R R R R

R R A A R

R R R R

d. e. f. g. h. i. j. k. l.

Bij voorkeur geen hekken plaatsen in gazons in verband met maaien. En als er al een hek geplaatst wordt is de vrije ruimte tussen het hek en het maaiveld 5 cm. Zo min mogelijk obstakels plaatsen in gazons. De afstand tussen obstakels in gras is > 250 cm. Bij taluds steiler dan 1:3 geen gazon toepassen, maar lang (ruw) gras. Waar steile taluds onvermijdelijk zijn, rekening houden met voldoende werkruimte voor machines. Bij de aanleg van gazons schrale grond gebruiken, met 5-7% organische stof, afhankelijk van het toe te passen zaadmengsel. Brede stroken groen tussen een voet/fietspad en de rijbaan van > 250 cm. Grasstroken hebben een minimale breedte van 250 cm. Voor lang gras geldt dat de afstand tussen 2 obstakels groter moet zijn dan 200 cm. dit is de breedte van een klepelbak. Onder een hek (mits geplaatst in een groenvak of gazon) ligt een aaneengesloten tegelrij van 30x30x4 grijze betontegels of vergelijkbaar. De verhardingselementen worden geplaatst op een zandcunet van tenminste 20 cm dikte en wordt opgesloten met betonnen kantplanken.

3.7.9

Ecologisch groenkaart van de gemeente Hoeksche Waard die is gemaakt door Tauw’’

a. b.

Ecologisch groen wordt bij voorkeur toegepast. Bij nieuw of te renoveren groen wordt rekening gehouden met de (toekomstige) ecologische waarde/structuren van het groen en wordt er door de initiatiefnemer van het project terdege rekening gehouden met de aanwezige of gewenste fauna en flora. Vooruitlopend de werkzaamheden wordt altijd getoetst op aanwezige flora en fauna en (potentiële) ecologische waarde van het groen door een ter zake kundige. Het natuurvriendelijk inrichten moet gericht zijn op het handhaven en of versterken van de natuurlijke variatie in natuurdoeltypen en of ecosystemen. Zie hiervoor documenten op blzj12 en laat je adviseren door een ecoloog. Inrichting is dusdanig dat er een onderhoudsvriendelijk beheer kan worden toegepast ten gunste van de aanwezige of gewenste biodiversiteit. Bij voorkeur toepassen van een rijke mix aan gebiedseigen en inheemse plantensoorten (kruidachtigen, heesters en bomen). Hierbij wordt gelet op meerdere ecologische functies. Voorbeelden hiervan zijn schuilgelegenheid, voedselvoorziening en waardplant. Het toepassen van wadi’s is in principe mogelijk. E.e.a. i.o.m. team Beleid en Beheer Openbare Ruimte

c. d.

e.

R A R R A A R R A

R R

R R

A

3.7.10 Natuur flora & fauna a. b. c. d. e. f.

Gebieden die binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN) vallen moeten voldoen aan de landelijke, provinciale en gemeentelijke eisen en wordt er rekening gehouden met micro- en macro ecologische corridors. Kappen van beplantingen conform het bepaalde in de Wet natuurbescherming (Wn) en de gemeentelijke (beleids)bepalingen. Bij herinrichting van gebieden de bestaande natuurlijke waarden conform de Wet natuurbescherming checken en de Nationale databank voor fauna en flora (NDFF) raadplegen Bij natuurontwikkeling in een vroeg stadium overleggen met de beheerder en ecoloog. Optimaal gebruik maken van de aanwezige natuurwaarden of groenstructuren. Houtakkers/houtwallen: belangrijke landschapselementen handhaven. Provinciaal en gemeentelijk structuurplan volgen, rekening houden met ecologische verbindingen en steppingstones. Afstemmen met het groenstructuurplan en de plannen vanuit andere beleidsprogramma’s zoals Uitvoeringsprogramma Biodiversiteit.

Pagina 45 van 133

W W R R R R

3.7.11 Water- en oeverplanten a. b. c. d.

e.

Gericht op natuurlijke ontwikkeling. De gekozen maatvoering en soorten van de waterplanten dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor start aanplant. Rekening houden met taluds en onderhoudswerk. Goed bereikbaar en niet steiler dan 1:3. Langs watergangen, bij voorkeur, wordt overgangszone tussen water en land gecreëerd door ruimte te maken voor natuurvriendelijke oevers met een helling 1:4 of flauwer. Stabiliteit van deze oevers wordt bereikt door oever beschermende plantengroei. Bij de beplanting wordt zoveel mogelijk voor gebiedseigen en inheemse beplanting gekozen. Bij voorkeur geen riet. Langs watergangen is altijd "in het platte vlak" (bovenaan het talud) een obstakelvrije ruimte voor onderhoud machines (b.v. tractor met klepelmaaier) aanwezig van tenminste 350 cm breed.

Bronnen: - Plannen voormalige gemeenten - Handboek Bomen 2018, 2022 en diens addenda

3.8

OPENBARE VERLICHING

De volgende onderdelen worden besproken in dit hoofdstuk. • Algemeen • Lichtmasten • Armaturen • Specials 3.8.1

Algemeen

Gemeente Hoeksche Waard vindt duurzaamheid in zowel ontwikkeling als beheer belangrijk. Voor de openbare verlichting gelden de volgende algemene uitgangspunten: • Toepassing van de hoogste energie-efficiëntie bij de keuze van apparatuur en bedrijfsvoering. • Een milieubewuste, duurzame en onderhoudsvriendelijke keuze van de toe te passen materialen. a. Uitgangspunt voor het ontwerp is: Het verkrijgen van een kwalitatief R hoogwaardige, energiezuinige en onderhoudsvriendelijke verlichtingsinstallatie die voldoet aan de laatste stand van de techniek. b. Gemeente Hoeksche Waard is de beheerder van de openbare verlichting. Beheer R impliceert het uitvoeren van de rol van eigenaar met betrekking tot de aanleg, het functioneren en de instandhouding van het bovengrondse deel van de installatie. c. Het ondergrondse deel van de installatie is eigendom van Stedin Netbeheer. Het R ontwerp, de aanleg en het beheer van de energie-infrastructuur wordt uitgevoerd door Stedin Netbeheer. d. In de ontwerpfase moet een verlichtingsplan worden gemaakt en ter beoordeling R en goedkeuring worden ingediend bij de gemeente. Een verlichtingsplan bestaat uit lichtberekeningen, specificatie van toe te passen materialen en een mastenplan (tekeningen bovengrondse lay-out). Voor de nieuwe indeling van mastposities zoveel mogelijk de bestaande posities gebruiken.

Hier wel rekening houden met de eventueel aanwezige bomen. e. Van de verlichtingsberekeningen worden ten minste de volgende gegevens R verstrekt: de ontwerpuitgangspunten, het verlichtingsniveau (min, max, gem), de luminantie (min, max, gem), gelijkmatigheid van de verlichting, de mate van verblinding en een isolux diagram.

Pagina 46 van 133

R R R R

R

f.

g.

h.

i.

j.

k. l. m.

n. o. p. q. r. s.

t.

Functionele eisen: In bestaande gebieden of bij nieuwbouw in aansluiting met oude gebieden, moeten afgeschreven materialen waaraan gewerkt wordt, worden vervangen. Normatieve eisen: 1. Masten ouder dan 40 jaar moeten worden vervangen inclusief het kabelaansluitkastje (bevindt zich achter de servicedeur in de mast). 2. Verlichtingsarmaturen ouder dan 20 jaar moeten worden vervangen inclusief de aansluitkabel tussen het zekeringskastje en het verlichtingsarmatuur. Voordat begonnen wordt met het ontwerp moet in overleg met de beheerder van de Openbare Verlichting gemeente Hoeksche Waard uitgangspunten worden geformuleerd zoals wegcategorie, verkeers- of verblijfsfunctie, toe te passen materialen, enzovoorts. In centrumgebieden en op een klein aantal bijzondere locaties wordt afgeweken van de standaardlichtpunten. Hier is gekozen voor exclusieve armaturen en masten. De decoratieve vormgeving moet passen bij de sfeer van het gebied en is te bepalen in overleg met de beheerder van de Openbare Verlichting gemeente Hoeksche Waard. In gebieden met een verblijfsfunctie of een verkeersfunctie (woonstraten en gebiedsontsluitingswegen) streeft de gemeente naar een licht gevarieerd beeld met functioneel/decoratieve armaturen en blanke aluminium lichtmasten. Voor de armaturen op lage masten (4,00 m) is doorgaans een paaltopmodel leidend.

Als een kleur wordt toegepast, de kleur van de lichtmasten per deelgebied uniform houden. In de Hoeksche Waard worden armaturen met LED-lichtbron inclusief dimmen toegepast. In Verblijfsgebieden een statisch dimprotocol 3A toepassen. Verkeerswegen en Verblijfsgebieden worden voorzien van City Touch beheersysteem. Binnen de grenzen van de bebouwde kom is voor de kleur 830 of 3000K (warm wit) en 840 of 4000K (neutraal wit) gekozen, deze kleuren passen goed in het sfeerbeeld van een dorp. Lichthinder in huizen moet zoveel mogelijk worden voorkomen door lichtmasten slim te plaatsen en/of voorzieningen in het armatuur te treffen. Openbare verlichting en groenvoorzieningen moeten in het ontwerpstadium al op elkaar afgestemd worden om te voorkomen dat een lichtmast en een boom te dicht bij elkaar staan. Het uitgangspunt is dat het ontwerp van de openbare verlichting als eerste moet worden vastgelegd. Daarna kan het inrichtingsplan van de beplanting worden opgepakt. In bestaande situaties gaan de bomen voor nieuwe verlichtingsmasten. In dat geval lichtmasten op minimaal 8 meter uit de stam van de boom plaatsen. Boomkronen mogen de verlichtingsarmatuur niet belemmeren. Achterpaden die niet in beheer, onderhoud en/of in eigendom van gemeente Hoeksche Waard zijn, worden niet door de gemeente verlicht.

Parkachtige gebieden en of recreatieve paden worden niet verlicht tenzij het een doorgaande hoofd- of toegangsroute betreft. De beheerder van de gemeente moet worden uitgenodigd voor de oplevering van het werk. Hierbij dient de verlichting te worden ingeschakeld zodat de verlichting brandend, en dus werkend, opgeleverd wordt. Aangetoond moet worden dat de aansluit-/voedingskabels van de openbare verlichting door Stedin Netbeheer B.V. in beheer worden genomen. (Revisie)Tekeningen moeten worden vervaardigd in AutoCAD of Microstation en digitaal (ook in pdf) worden aangeleverd. Verder moet de door de gemeente verstrekte Exellijst ten behoeve van het beheersysteem worden ingevuld en worden ingeleverd bij de gemeente. Beplanting mag het uitgestraalde licht niet wegnemen.

Ontwerp a. Het verlichtingsplan moet voldoen aan de geldende richtlijnen van de NPR 132011:2017 (Nederlandse Praktijk Richtlijn), de uitgegeven richtlijnen van de NSVV Pagina 47 van 133

R

R

R

R

R

R R R

R R R R R R

R

R

b. c.

(Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde) en gecombineerd met de reeds opgedane ervaringen binnen de openbare verlichting. . Voor het aanbrengen van tijdelijke verlichting geldt voor gebieden die toegankelijk blijven voor publiek dat deze eveneens moeten voldoen aan de ontwerprichtlijnen zoals hierboven is omschreven. Natuurwaarden in gebieden met veel groen zoals parken, beschermen we tegen lichtvervuiling door openbare verlichting tot een minimum te beperken.

Situatie a. Openbare verlichting wordt aangebracht: 1. Langs wegen met een verkeersfunctie (gebiedsontsluitingswegen) binnen de bebouwde kom. Hier wordt doorgaans neutraal wit licht (840 of 4000k) toegepast. Deze soorten licht zijn zeer geschikt voor hoofdwegen waar de verkeersfunctie voorop staat. 2. Langs gebieden met een verblijfsfunctie binnen de bebouwde kom wordt doorgaans warm wit licht (830 of 3000k) toegepast. Openbare verlichting wordt niet aangebracht op recreatieve voet- en fietspaden en sociaal onveilige fiets- en voetpaden, daar waar een alternatieve sociaal veilige route voorhanden is. b. Er wordt in de openbare verlichting onderscheid gemaakt tussen openbare ruimte met een verblijfsfunctie en openbare ruimte met een verkeersfunctie. In de openbare ruimte met een verblijfsfunctie ligt het zwaartepunt voor de verlichting op de openbare en sociale veiligheid. In de openbare ruimte met een verkeersfunctie ligt het zwaartepunt voor de openbare verlichting op de verkeersveiligheid. c. De openbare verlichtingsinstallatie wordt geplaatst op openbaar terrein. d. De verlichtingsinstallatie en vooral de plaats van de lichtmasten moeten worden afgestemd met het inrichtingsplan van de beplanting en omgekeerd om een verlichtingsinstallatie te verkrijgen die vrij blijft van afscherming door beplanting (zie ook algemeen: m). e.

Lichtmasten bij voorkeur plaatsen in tegelverharding in verband met het voorkomen van scheefzakken f. Masten die zijn gesitueerd aan een weghelft in een rechte lijn plaatsen. g. De afstand tussen de masten en de trottoirband moet 30 cm bedragen. Afwijking hiervan alleen met goedkeuring van de gemeente. Er moet zoveel mogelijk worden gestreefd naar een vrije doorgang op het voetpad van 1,5 m met een minimum van 1 m. h. De afstand tussen lichtmasten en bomen moet minimaal 8 m bedragen. i. De afstand tussen een mast en een verzinkbare (afval)container of een ander object van straatmeubilair moet minimaal 1,5 m bedragen. j. De eerste mast in een straat mag maximaal op een afstand van 5 m uit het snijpunt van de straathoek worden geplaatst. k. In het tangentpunt van de buitenbocht voor rechts afslaand verkeer een lichtmast plaatsen. l. Bij een T–splitsing de mast achter het kruisingsvlak van de splitsing plaatsen. m. Bij een verkeersdrempel en/of wegversmalling en bij een VOP (Zebrapad) een lichtpunt plaatsen. n. Masten bij parkeerplaatsen moeten zo worden geplaatst dat de portieren van de auto open kunnen. o. In geval van “gestoken” parkeerplaatsen moet de plaats van een mast worden gekozen op de kop van de overgang van de parkeervakken. p.

Langs een trottoir waar langs-parkeervakken zijn geprojecteerd moeten de lichtmasten zoveel mogelijk op de scheiding tussen de vakken worden geplaatst. q. Nabij voetganger – en fietsoversteekplaatsen een lichtmast plaatsen. r. Bij plaatsing van lichtmasten lichthinder zoveel mogelijk voorkomen. s. Bij de plaatsbepaling van lichtmasten in woonstraten moet lichthinder voorkomen worden en daarom moet rekening worden gehouden met erfscheidingen, inritten en de positie van deuren en ramen in woningen en gebouwen. De masten zoveel Pagina 48 van 133

R R

R

R

R R

R R R

R R R R R R R R R R R R

t. u. v. w.

mogelijk op erfscheidingen plaatsen. Verder rekening houden met het vrijhouden van inritten en parkeervoorzieningen op eigen erf. De nummering van de lichtmasten in nieuwe straten of wegen start steeds met het nummer 1. Bij plaatsing van wandarmaturen de lichtpunthoogte aanhouden van de aangrenzende lichtpunten. Daar waar armaturen door het wegverkeer kunnen worden aangereden een minimum hoogte aanhouden van 4,5m. De masten zijn dragers van straatnaam- en verkeersborden. Bestaande bebording weer zichtbaar overzetten op de nieuwe masten. Alle Verkeerswegen worden voorzien van een Citytouch puck (beheersysteem Interact) . Dit systeem monitort en bestuurd de openbare verlichting, hiermee wordt een energie besparing bewerkstelligd.

3.8.2

Lichtmasten

a.

Verkeerswegen (50 km wegen) • Standaard conische niet-gelakte aluminium masten (fabricaat Nedal of Hydro of gelijkwaardig) met dubbele uithouder of enkele masten met enkele uithouder of gebogen eindstuk. • Masthoogtes van 8 m Plaatsing: • in middenbermen masten met dubbele uithouder • in zijligging masten met enkelvoudige uithouder in zigzag opstelling of portaalopstelling Woon- en verblijfsgebieden (30 km zones) • Standaard conische niet-gelakte aluminium masten (fabricaat Nedal of Sapa of gelijkwaardig). • Masthoogtes van 4 tot 6 m.

b.

f.

Plaatsing: • In trottoirs van woonstraten. Bij voorkeur in zigzag opstelling. 1 tegel (30cm) uit de band Pleinen en doorgaande routes in parken • Standaard aluminium masten (fabricaat Nedal of Sapa of gelijkwaardig) • Masthoogtes van 4 tot 6 m Industrieterreinen idem als bij Verkeerswegen (lid a) Bij plaatsing in elementenverharding, gebruik maken van speciale obstakeltegels, ter voorkoming van onkruidgroei bij de mast. Uitleggerlengte 750 mm. hoek 5 graden.

3.8.3

Armaturen

a.

Verkeerswegen (50 km wegen) Armatuur:

c. d. e.

Armaturen: • Functioneel model • Fabricaat Signify, Lightronics, Orange lichting of gelijkwaardig • Lamp: LED – lichtbron met bijbehorende driver of EVSA Modellen: • Luma en Digistreet (Signify) • Buran (Lightronics) • Fortika (Orange Lighting)

Pagina 49 van 133

R R R

R

R

R R R R

R

b.

Alle Verkeerswegen worden voorzien van een Citytouch puck (beheersysteem Interact). Dit systeem monitort en bestuurd de openbare verlichting, hiermee wordt een energie besparing bewerkstelligt. Woon- en verblijfsgebieden (30 km zones) Armatuur: Woon- en verblijfsgebieden (30 km zones)

R

Armaturen: • Functioneel of functioneel-decoratief model • Fabricaat Signify, Lightronics, Schreder of gelijkwaardig • Lamp: LED – lichtbron met bijbehorende driver of EVSA Modellen: • Kegel 2000 en Mithra (Signify) • Buran (Lightronics) • Prunus A2 en A3, KFK (Lightonics) • Ekra en Fortika (Orange Lighting)

c.

In woon- en verblijfsgebieden een statisch dimprotocol 3A toepassen en een Citytouch puck (beheersysteem Interact). Dit systeem monitort en bestuurd de openbare verlichting, hiermee wordt een energie besparing bewerkstelligt. Pleinen en doorgaande routes in parken Armatuur: • Functioneel of functioneel-decoratief model • Fabricaat Signify, Lightronics, of gelijkwaardig • Lamp: LED – lichtbron met bijbehorende driver of EVSA

R

Modellen: • Kegel 2000 en Mithra (Signify) • Buran, Buran bike en Buran bat (Lightronics) • Prunus A2 en A3 (Lightonics) • Ekra en Fortika(Orange Lighting)

d.

Op pleinen en doorgaande routes in parken een statisch dimprotocol 3A toepassen en een Citytouch puck (beheersysteem Interact). Dit systeem monitort en bestuurd de openbare verlichting, hiermee wordt een energie besparing bewerkstelligt. Industrieterreinen: idem als bij Verkeerswegen (lid a)

3.8.4

Specials

a.

In overleg met de beheerder te bepalen. Worden meestal toegepast in historische gebieden en op pleinen die een hoogwaardige uitstraling moeten hebben.

3.9

STRAATMEUBILAIR

De volgende onderdelen worden besproken in dit hoofdstuk. • Algemeen • Banken • Hekken • Fietsklemmen • Straatprullenbakken • Paaltjes • Vlaggenmasten • Sculpturele kunstwerken

Pagina 50 van 133

R

R

3.9.1

Algemeen

a.

Het aan te brengen straatmeubilair moet voldoen aan de geldende wettelijke en functionele eisen die eraan gesteld worden. Het straatmeubilair moet aansluiten bij het omringend stedenbouwkundig kader. Straatmeubilair moet onderhoudsvriendelijk, duurzaam(C2C, FSC enz.) en vandalisme bestendig zijn. Zorg dat rondom de plaatsing van straatmeubilair machinaal kan worden geveegd en gemaaid. Houd bij de plaatsing rekening met de toegankelijkheid en de verkeersveiligheid. De afstand tussen straatmeubilair en parkeervakken moet ter voorkoming van onveilige situaties en beschadiging ten minste 1 m bedragen. Zorg voor een goede aansluiting van straatmeubilair op de bestrating zodat onkruidgroei wordt tegengegaan. Indien straatmeubilair van hout wordt toegepast moet dit van hout met FSC keurmerk zijn. Voor de inpassing van objecten zoals straatmeubilair in de inrichting moeten de volgende principes worden toegepast: • Plaats objecten zoals banken, fietsklemmen, afvalbakken in combinatie met bomen en lichtmasten zo veel mogelijk in één lijn. • Plaats objecten buiten de looplijnen. • Plaats objecten op logische locaties. • Plaats objecten zo dat er altijd 1,5 m vrije doorgang is. • Plaats alleen objecten met een lange levensduur. Om rust, samenhang en duurzaamheid te creëren werken we met standaardmodellen om uit te kiezen.

Sommige locaties hebben een eigen standaard die past bij de sfeer van het gebied. Bij de keuze voor nieuw meubilair wordt altijd de beheerder van de gemeente betrokken. Producten toepassen die uit voorraad binnen 2 weken leverbaar zijn. Toepassen van losse boom- en bloembakken is niet toegestaan, tenzij als antiparkeermaatregel.

b. c. d. e. f. g. h. i.

j. k. l. m.

3.9.2

Banken

a. b. c. d.

h.

Plaats banken afwisselend in zon, schaduw en beschut tegen regen en wind. Maak de zitplek goed bereikbaar voor minder validen. Banken uitsluitend plaatsen op verharding, niet in gazon. Reserveer 1,5 meter verharde ruimte naast de bank voor invalidenwagens en kinderwagens. Leg verharding onder de bank aan in verband met onderhoud, dus geen banken op het gras plaatsen. Zorg voor rugdekking tegen gevel of haag. Voorkom het plaatsen van banken onder beplanting om natte banken, overgroei en algenaanslag te voorkomen. Zorg voor een zithoogte tussen de 45 en 50 cm hoogte

3.9.3

Hekken

a. b.

Plaats verharding onder hekwerken in verband met maaiproblemen. Zorg dat kinderwagens en rolstoelen de doorgang kunnen passeren. Indien ook onderhoudsmaterieel de doorgang gebruikt, pas de breedte daarop aan. Gebruik RVS voor een langere levensduur.

e. f. g.

c.

Pagina 51 van 133

W R R R R A R R R

A R A A

A R R A R A R

R R R

3.9.4

Fietsklemmen

a.

c. d. e. f.

Plaats fietsklemmen volgens richtlijnen ASVV en houd onder andere rekening met een vrije doorloop- en uitrijruimte achter de fietsen. Plaats voldoende fietsparkeerplaatsen. Om uit te rekenen hoeveel fietsparkeerplaatsen nodig zijn, gebruik de CROW publicatie (Leidraad Fiets parkeren). Houd rekening met veegbaarheid en onkruidvrijhouden. Pas fietsklemmen toe met het keurmerk “Fietsparkeur”. Pas fietsklemmen toe met een aanbindmogelijkheid voor extra sloten. Situeer de fietsenstalling zo dat deze goed zichtbaar is (veiligheid)

3.9.5

Afvalbakken

a.

Afvalbakken in het (ruw) gras worden zoveel mogelijk gemonteerd op (bestaande) puntobjecten zoals lichtmasten, flespalen etc. in verband met het maaien. Afvalbakken zijn herkenbaar en met de hand te legen. Situering van afvalbakken in overleg met de beheerder van de gemeente. Maak de afvalbak bereikbaar voor minder valide mensen door de bovenkant op een hoogte van maximaal 1,00 m hoogte te stellen. Plaats afvalbak op een voor het legen toegankelijke plaats, een auto moet op maximaal 50 m. afstand geparkeerd kunnen worden. De Bammens Capitole prestige, Capitole prestige L of Citypole Curve of gelijkwaardig. Kleur afstemmen met beheerder verkeersvoorzieningen.

b.

b. c. d. e. f.

R R A R R A

R R R R R A

3.9.6

Paaltjes

a.

e. f.

Paaltjes op verkeerseilanden moeten overrijdbaar zijn. Type en uitvoering in overleg met de beheerder. Bij uitneembare palen een apart blok plaatsen naast het pad waar de paal op gezet kan worden tijdens de uitneming/winterperiode. Type en uitvoering in overleg met de beheerder van de gemeente. Anti-rampalen zijn niet standaard, elk type moet aan de gemeente worden voorgelegd en beheerlasten moeten worden berekend. Gebruik RVS voor een langere levensduur. Type sleutel in overleg met de gemeente en hulpdiensten.

3.9.7

Vlaggenmasten

a.

Vlaggenmasten dienen van Polyester te zijn gemaakt, en 6 meter in hoogte

R

b.

Kleur: Wit, RAL 9010

R

c.

Geproduceerd onder ISO 9001 en 14001

R

d.

Conisch verloop van 115mm naar 65mm

R

e.

20 jaar breukgarantie

R

3.9.7

Sculpturele kunstwerken

a.

De beheerder verkeersvoorzieningen heeft een tekening waarop staat aangegeven hoe het kunstwerk op de sokkel gemonteerd is, hoe de fundering is geconstrueerd en wie de kunstenaar van het project is. Er is een overeenkomst met de kunstenaar of er zijn speciale afspraken. De beheerderverkeersvoorzieningen is hierover geïnformeerd. Het is duidelijk of, en zo ja welke, speciale onderhoudsmaatregelen gewenst zijn.

b. c. d.

b. c.

Pagina 52 van 133

R R R R R R

R R R

d. e. f. g. h. i. j.

Bij situering uitgaan van de interactie met het publiek. De beoogde interactie maar ook de ongewenste. Rekening houden met bereikbaarheid voor machines en bereikbaarheid van de ondergrondse infrastructuur. Bij plaatsing in water uitgaan van vorstvrije oplossingen of ijsbestendige oplossingen. Letten op de mogelijkheid van overgroeiende beplanting. Het toe te passen materiaal voor sculpturele kunstwerken is onderhoudsvrij. Bij watervoerende elementen kiezen voor vorstvrije oplossingen en hergebruik van eigen water waardoor het waterverbruik minimaal is. Alle objecten moeten veilig zijn.

R R R R R R R

3.10 BEBORDING EN WEGMARKERING De volgende onderdelen worden besproken in dit hoofdstuk. • Algemeen • Infoborden • Plaatsnaamborden • Straatnaamborden • Verkeersborden • Wegmarkering 3.10.1 Algemeen a.

b. c.

d. e. f. g. h. i.

j.

Voor het aanbrengen en verwijderen van verkeerstekens, wegbebakening en wegmarkering en de duurzame instandhouding daarvan wordt de geldende weten regelgeving gehanteerd: • Wegenverkeerswet • Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV-1990) • Besluit Administratieve Bepalingen Wegverkeer uitvoeringsvoorschriften (BABW) • NEN Normen • CROW richtlijnen Gebruik de richtlijnen voor bebakening van wegen uit de RVV van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Gebruik duurzame materialen om de levensduur te verlengen (bijvoorbeeld print i.p.v. zeefdruk). Het wegontwerp van nieuwe wegen en straten is zodanig dat er voor de weggebruiker, met de geldende verkeersregels, een veilig gebruik mogelijk is. Het ontwerp dwingt een vlot en veilig gedrag af. We gaan terughoudend om met het plaatsen van verkeersborden maar overwegen in eerste instantie infrastructurele maatregelen. Plaatsing of verwijdering van verkeerstekens kan in sommige gevallen alleen na het nemen van een Verkeersbesluit. Zo’n besluit moet door de wegbeheerder worden genomen (gemeente). Combineer de bebording waar mogelijk met ander straatmeubilair. De verkeersbordpaal (getrokken paal) moet ook geschikt zijn voor het bevestigen van straatnaamborden. Opstellen en vaststellen van bewegwijzeringsplannen voor auto- en fietsbewegwijzering moet uitgevoerd worden door de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBd).

Bij plaatsing rekening houden met onkruid werende maatregelen aan de basis van de palen (o.a. speciale obstakeltegels, epoxy voegmiddel). Streef naar de bevestiging van borden aan lichtmasten om te voorkomen dat extra palen ten behoeve van bebording moeten worden geplaatst. Bij bevestiging van bebording aan een lichtmast wordt er een rubber strip aangebracht tussen het bevestigingmateriaal en de lichtmast. Afstand zijkant bord tot rand rijweg: Pagina 53 van 133

W

R R

R R R R R R

R

k. l. m. n. o.

• binnen de bebouwde kom 0,75 cm • buiten de bebouwde kom 1,00 m Doorgangshoogte minimaal 2.20m onderzijde bord. Minimaal in reflectieklasse III. Gebruik aluminium bordbeugels, verschillende types. Gebruik roestvaststalen bevestigingsmaterialen zoals klemband, sluitklemmen, enz. Zorg dat palen vandalismebestendig en onderhoudsvriendelijk zijn. De gemeente gebruikt standaard thermisch verzinkte getrokken palen van 76 / 48 mm in diverse lengtes. Ze zijn voorzien van een plaatanker en dichte kop (geen dop). Flessenhalspalen worden niet gebruikt.

R R R R R

3.10.2 Infoborden a. b. c. d.

Plaatsing van een plattegrond gebeurt volgens inrichtingsplan. Plaats een plattegrond nabij een (nog aan te leggen) parkeerhaven. Plaats een plattegrond direct nabij de bebouwde kom grens. Stem vormgeving/grootte af met de gemeente.

R R R R

3.10.3 Plaatsnaamborden a. b. c. d. e.

Pas het zogenaamde ‘frame’ toe. Stem vormgeving/grootte af met de gemeente. verkeersvoorzieningen Plaatsing van plaatsnaamborden is afhankelijk van bebouwing en de inrichting van het gebied. Gebruik van materiaal, kleur en vormgeving geschiedt in overleg met de gemeente. Reflectieklasse III .

R R R R R

3.10.4 Straatnaamborden (conform BAG Basisadministrsatie Adressen en Gebouwen)en lokale bewegwijzering a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o.

Plaats straatnaamborden langs alle wegen in de bebouwde kom, langs polderwegen (buiten de bebouwde kom) en buiten de bebouwde kom waar wegen kruisen. Plaats de borden functioneel, aanvullend en als zodanig herkenbaar. Integreer ze waar mogelijk met overig straatmeubilair. Bij voorkeur borden toepassen met dubbelzijdige tekst (kokerprofiel). Alle straatnaamborden plaatsen midden bovenop flespaal, tenzij anders wordt aangegeven. Reflectieklasse III, ultimate signing tm. Fond RAL 5010, witte tekst, aflopende kaderrand. Alle straatnaamborden dubbelzijdig van opschrift voorzien, letters ANWB Ee 70/52, tenzij anders wordt aangegeven. Straatnaamborden gemaakt van aluminium kokerprofiel, fabricaat DTS te Ede of gelijkwaardig. De te gebruiken flespalen moeten getrokken palen zijn, dus geen las op de verjonging van 76 naar 48 mm. De palen moeten worden voorzien van 2 aangelaste hoekijzers, t.b.v. de bevestiging van 2 plaatankers (systeem DTS - Ede). De identiteit kan eigen zijn maar mag niet te overheersend zijn. Pas uniforme straatnaamborden met een blauwe kleur toe. Niet meer dan 2 verkeers- / straatnaamborden per flespaal. Straatnaamborden niet aan de gevel bevestigen. Gebruik materiaal en vormgeving in overleg met de beheerder van de gemeente.

Pagina 54 van 133

R R R R R R R R R R R R R R

3.10.5 Verkeersborden a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.

Plaats duidelijk waarneembaar en herkenbaar. Bevestig, indien mogelijk, borden aan lichtmasten (eventueel met uithouder). Plaats de verkeersborden volgens de RVV van het ministerie, BABW en uitvoeringsvoorschriften BABW. De verwijsborden naar bedrijven in bedrijventerreinen vallen onder het gemeentelijk reclamebeleid en APV. Integreer de plaatsing in het inrichtingsplan. Plaats geen attenderingsborden bij drempels in een 30 km-gebied Retroreflectieklasse III Alle verkeersborden zijn van aluminium en moeten voorzien zijn van een dubbel omgezette rand. Alle borden bevestigen met klembeugels aan flespalen of met lichtmastbeugels (indien de positie van de betreffende lichtmasten overeenstemt). De te gebruiken flespalen moeten getrokken palen zijn, dus geen las op de verjonging van 76 naar 48 mm. De palen moeten worden voorzien van 2 aangelaste hoekijzers, t.b.v. de bevestiging van 2 plaatankers (systeem DTS - Ede). Gebruik van materiaal, kleur en vormgeving gebeurt in overleg met de gemeente. De identiteit kan eigen zijn, maar mag niet overheersend zijn. Overleg met de beheerder van de gemeente.

R W R R A R R R R R R R

3.10.6 Wegmarkeringen a. b. c. d. e.

Het materiaal is afhankelijk van het type weg en gebied. De gemeente levert de materiaalrichtlijn. Op asfalt markering uitvoeren in thermoplast. Op elementenverharding geen markering spuiten, maar markering in het patroon mee-straten. Op betonverharding wegenverf toepassen.

R R R R R

3.11 SPELEN a.

b.

c.

d.

Speelvoorzieningen voldoen aan de huidige wet- en regelgeving. Van elk geplaatst toestel het certificaat direct overhandigen bij oplevering. Valdempende ondergrond aanbrengen onder en rond speeltoestellen en bij niveauverschillen. Dit is afhankelijk van het type speeltoestel en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. Speeltoestellen moeten een gegarandeerde levensduurverwachting hebben van tenminste 15 jaar bij normaal gebruik, geschikt zijn voor de openbare ruimte, hufterproof zijn, niet demontabel zijn met regulier gereedschap en zijn niet door lichaamsgewicht van één of meerdere personen op te tillen of om te duwen. Speeltoestellen kunnen van elke gangbare materiaalsoort zijn, waarbij: 1. .het gebruikte hout uit duurzaam beheerde bossen komt en hiervoor een keurmerk heeft; 2. het gebruikte metaal recyclebaar is; 3. andere materialen zoals kunststoffen grotendeels (90%) recyclebaar zijn. De valondergrond mag in verband met hygiëne en onktuidbeheersing niet bestaan uit los materiaal Er wordt de voorkeur gegeven aan (kunst)gras, gietvloeren, verlijmde-gesmeerde rubberschors. in hoge uitzondering kan valzand toegepast worden. Dit echter alleen in overleg met de gemeentelijke beheerder van de speelplaatsen. In principe wordt kunstgras, gietrubber of gesmeerde rubber schors toegepast bij alle toestellen met een valhoogte groter dan 1,50 meter en waar een gedwongen

Pagina 55 van 133

W

R

R

R

beweging in zit. Daar waar speeltoestellen in het gras staan moeten voorzieningen worden getroffen om maai schade en slijtage in het gras te voorkomen.

e.

f.

g. h. i. j. k. l. m. n. o. p. q.

r.

Bij de uitvoering van de ondergronden wordt rekening gehouden met een goede afwatering met voldoende verhang en/of waterdoorlatendheid; Bij de uitvoering van de ondergronden wordt rekening gehouden met een passende aansluiting op verharding/ondergrond van de speelplaats, waarbij geen hoogteverschillen voorkomen op de aansluitingen/randen (die bijvoorbeeld leiden tot struikelen, ophoping van regenwater/ zwerfvuil/zand of losraken van verharding/ondergrond); Kunstgrasondergronden moeten, indien ze uit één vlak bestaan en zo min mogelijk naden bevatten; Kleurovergangen in kunstgrasondergronden die de speelwaarde verhogen mogen geen hoogteverschillen bevatten of losraken gedurende de levensduur bij voorgeschreven onderhoud; Naden in het kunstgras op sterk belaste plekken, zoals onder een schommelzitje, bij de uitloop van een glijbaan enzovoorts, moeten worden voorkomen; De ondergrond is een deel van de speelplek maak deze daarom zo aantrekkelijk mogelijk door indien mogelijk extra kleuren, figuren of speelaanleidingen aan te brengen. Het toestel moet volledig in de valdempende ondergrond staan. De opsluiting van de volledig beschermende ondergrond altijd met betonbanden 10/20/100. Bij een beschermende ondergrond welke bestaat uit een combi van gesmeerde rubberschors en natuurgras altijd een verdikte ondergrondse rand van dit materiaal aanbrengen.

Dit alles tenzij anders aangegeven. Aanleg van zandspeelplaatsen en waterspeelplaatsen in de openbare ruimte wordt zoveel mogelijk voorkomen. Indien wel toegepast, rekening houden met toegang voor vrachtauto’s voor verschonen/aanvullen van zand. Goede ontwatering is vereist. Speelplekken direct langs wegen voorzien van een staalmathekwerk van minimaal 0,8 meter hoog. Bij gebruik van hekwerken bij voorkeur dubbelstaafmatten gebruiken. Bij voorkeur een sluis aanbrengen, niet direct grenzend aan de rijbaan.

R

R

R A R

Als een hekwerk dient als ballenvanger moet het een geluid reducerende constructie zijn. Speelvoorzieningen voor kleine kinderen scheiden van sportplekken/ontmoetingsplekken voor oudere kinderen.

R

Speelplek niet te dicht bij de rijweg of water situeren. Voorzieningen treffen om honden en katten te weren. Eventuele poorten in hekwerken zelfsluitend maken. Het te maaien natuurgras op een speelplek moet goed bereikbaar zijn voor een maaimachine. Breedte minimaal 2 meter en geen hoeken kleiner dan 90 graden Bij vervanging of nieuwe aanleg altijd participatie traject doorlopen met buurt. Alle ontwerpen moeten eerst ter goedkeuring aan de gemeente worden voorgelegd Na voltooiing van de werkzaamheden dient de speelplek(schoon) opgeleverd te worden, waarbij een opleverinspectie vereist is. Door uitvoerende partij te regelen bij voorkeur het onder contract staande inspectiebedrijf van de gemeente. De Opdrachtnemer dient er voor te zorgen dat alle nieuwe gegevens op de juiste wijze in het beheersysteem Playmapping van de Opdrachtgever komen. Indien volgens de plaatsings- of onderhoudsvoorschriften of geconstateerd wordt dat het naspannen of nastellen van bepaalde onderdelen noodzakelijk is, maakt dit onderdeel uit van de nazorg en is de uitvoerende partij verplicht om deze werkzaamheden gedurende het eerste jaar na plaatsing uit te voeren. De uitvoerende partij neemt hiertoe het initiatief. Of handelt direct na aanwijzing van de gemeente.

A A

Pagina 56 van 133

R

A R R R

R

3.12 AFVALINZAMELING 3.12.1 Inleiding Er zijn voor wat betreft de inzameling van huishoudelijk afval op dit moment 4 soorten afvalbergingen te onderscheiden, t.w.: • Kunststof rolcontainers voor oud papier en karton, rest- en GFT-afval. •

Bovengrondse verzamelcontainers voor glas, textiel, oud papier en karton met elektronisch toegangssysteem, restafval collectors met elektronisch toegangssysteem en GFT-afval.

•

Ondergrondse verzamelcontainers voor glas, oud papier en karton met elektronisch toegangssysteem en restafval collectors met elektronisch toegangssysteem. Kroonringen en PMD zakken.

•

3.12.2 Kunststof rolcontainers voor oud papier en karton, rest- en gft-afval Standaard wordt aan iedere afvalstoffenheffing betalende laagbouw aansluiting een pakket uitgeleverd bestaande uit een drietal 240 liter kunststof rolcontainers met een grijze body. De deksel kleur verschilt per afvalstroom grijs voor restafval, geel voor oud papier en karton en groen voor GFT-afval. Kosten De verstrekking van het standaardpakket minicontainers geschiedt geheel voor rekening van de RAD. Hetzelfde geldt ook voor de vervanging van de minicontainers (bij einde van de technische levensduur). De aanleg van de verharding ten behoeve van de aanbiedplaatsen (qua grootte afgestemd op het aantal geprognosticeerde minicontainers) dienen door de gemeente en/of de projectontwikkelaar gefinancierd, gerealiseerd en onderhouden te worden. Bovengrondse- en ondergrondse verzamelcontainers Aanbiedregels, aanbiedplaatsen en ruimte beslag. Volgens: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR612746 Specificaties Per hoogbouw project is de minimale vereiste 1 ondergrondse container voor restafval per 40 aansluitingen, 1 ondergrondse container voor oud papier en karton per 40 aansluitingen en 1 GFT cocon per 15 aansluitingen (zonder tuin). Indien de begane grond van het hoogbouw project een tuin heeft, ontvangt de bewoner een eigen 240 liter voor GFT-afval.

De projectontwikkelaar zorgt ervoor dat de containerlocatie vrij is van kabels en leidingen en andere (bovengrondse) obstakels en neemt hierbij de veiligheidsmarges van de nutsbedrijven mee. De projectontwikkelaar is verantwoordelijk voor het omleggen van (bovengrondse) obstakels minimaal twee maanden voordat de plaatsing van de verzamelcontainers start. Op deze wijze wordt in een vroegtijdig stadium van het project zekerheid verkregen over de haalbaarheid van de plaatsing van de ondergrondse containers en worden eventueel onvoorziene kosten voorkomen. Indien op voorhand door projectontwikkelaar kan worden aangetoond dat plaatsen onmogelijkheid is (bijvoorbeeld sprake is van een gebrek aan ruimte, gebied van Rijkswaterstaat/Provincie) kan voor oud papier en karton en restafval overgegaan worden tot het plaatsen van bovengrondse verzamelcontainers. De vereiste voor een bovengrondse container zijn: • Maximaal 20 aansluitingen per bovengrondse container restafval en oud papier en karton (3500 liter container met elektronisch toegangssysteem) • Maximaal 5 aansluitingen met oud papier en karton cocon (240 liter container) Het containerlocatieplan moet 6 maanden voor oplevering van de woningen bij RAD bekend zijn. RAD dient vooraf goedkeuring voor containerlocatie(s) te geven en wil hierin een adviserende rol innemen. Pagina 57 van 133

Kosten De projectontwikkelaar betaald mee aan de voorbereiding, levering en plaatsing van de containers. Bestellen en plaatsen van de verzamelcontainer(s) wordt gecoördineerd door de RAD. De kosten voor het graven van de proefsleuven zijn voor de projectontwikkelaar. De RAD is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud en de eventuele vervanging aan het einde van de technische levensduur. Verder worden alle kosten die zijn verbonden aan het uitgeven en vervangen van de digitale passen alsmede de aanschaf, het onderhoud en vervanging van het elektronisch toegangssysteem en het onderhoud aan het digitale netwerk ten behoeve van dit systeem door de RAD betaald. • Kosten per ondergrondse container (leveren en plaatsen) € 10.000,- (tarief 2022, en onderhevig aan jaarlijkse indexering) • Kosten per GFT of oud papier cocon (leveren en plaatsen) € € 1.000,- (tarief 2022, en onderhevig aan jaarlijkse indexering) Mocht tijdens het plaatsen van de container blijken dat plaatsen van de verzamelcontainer op de beoogde locatie niet mogelijk is, dan worden de gemaakte (stagnatie en project) kosten één op één doorbelast aan de projectontwikkelaar. Het aanbrengen en onderhouden van de benodigde verharding (incl. verlaagde trottoirband) en het - om niet - ter beschikking stellen van het verharde oppervlak komen geheel voor rekening van de gemeente en/of projectontwikkelaar.

Na oplevering worden door de initiatiefnemer van het project (projectontwikkelaar en/of gemeente) formeel de ondergrondse containers overgedragen aan de RAD en wordt de RAD door de grondeigenaar gevrijwaard van aanspraken in de vorm van bijvoorbeeld precario-rechten of andere vormen van doorbelasting van het grondgebruik. In verband met de overname van het eigendom, beheer en onderhoud van de ondergrondse containers, na afronding van het project, dient bij de finale oplevering in het veld de RAD betrokken te worden en akkoord te gaan met de wijze van oplevering.

Pagina 58 van 133

3.12.3 Kroonringen en PMD zakken Alle afvalstoffenheffing betalende laag- en hoogbouw objecten maken gebruik van de huis aan huis inzameling van PMD-zakken. Het aanbieden van PMD-zakken geschied door deze aan te bieden op de aanbiedplaats van de containers. Voor de hoogbouw is er geen aanbiedplaats beschikbaar en wordt op elke geschikte locatie kroonring(en) geplaatst. Bij laagbouw worden indien mogelijk zoveel mogelijk kroonringen geplaatst. Kosten Voor het plaatsen, vervangen van of schade aan de Kroonring ligt de verantwoordelijkheid bij RAD. De RAD draagt de kosten voor plaatsing en vervanging van de kroonringen. De kosten voor het plaatsen van alternatieve oplossingen t.b.v. de kroonringen liggen bij de gemeente. 3.12.4 Aanmelding (nieuw)bouwproject Gelet op alle criteria is het van belang om de RAD al in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de projectontwikkeling voor wat betreft het onderwerp afvalverwijdering en alles wat daarmee samenhangt. Dit voorkomt problemen in een later stadium van de projectontwikkeling en dus ook bijkomende kosten. Tevens wordt hiermee voorkomen dat toekomstige bewoners van een nieuw te ontwikkelen woongebied achteraf worden geconfronteerd met een aanbiedplaats, die men niet of niet op die plaats had verwacht en dat mogelijk hun keuze voor deze woonomgeving had beïnvloed wanneer men dit eerder had geweten.

Of de onmogelijkheid van een aanbiedlocatie, waardoor kostbare oplossingen moeten worden bedacht. Op deze wijze worden onnodige (bezwaar)procedures voorkomen, omdat iedere belanghebbende in een vroegtijdig stadium kennis heeft kunnen nemen van de beoogde aanbiedplaatsen in het betreffende plan. 3.12.5 Contactgegevens RAD RAD B.V. Smidsweg 20a 3273 LK Westmaas Mailadres: nieuwbouw@radbv.nl Tel: 0186-572586 a.

b.

Tijdens werkzaamheden zorgt de aannemer voor assistentie bij de afvalverwijdering. Voor de percelen die onbereikbaar zijn voor inzamelvoertuigen zorgt de aannemer voor het aanbieden van de rolcontainers en de PMD-zakken. Na lediging van de containers brengt de aannemers ze weer terug naar de juiste locatie. De eisen rondom afvalinzameling bij nieuwe ontwikkelingen stelt de RAD Hoeksche Waard B.V. (RADHW). Alle ontwikkelingen na goedkeuring van de RADHW.

R

R

3.13 WATER De volgende onderdelen worden besproken in dit hoofdstuk. • Algemeen • Oevers • Watersystemen • Afkoppelen

3.13.1 Algemeen a. b.

Ontwerp het watersysteem in overleg met het waterschap en de gemeente. Het ontwerp van het watersysteem moet een goede aan- en afvoer hebben en mag geen dode hoeken hebben, tevens moet een goede doorspoel-mogelijkheid aanwezig zijn. Pagina 59 van 133

R R

c.

d. e. f. g. h.

i. j. k.

l. m. n. o. p. q. r.

s. t. u. v.

Watergangen moeten voldoen aan de eisen die de toekomstige beheerder daaraan stelt (waterschap of gemeente). Uitgangspunt hierbij is de meest actuele publicatie “Algemene regels voor het watersysteem en de wegen” van het Waterschap Hollandse Delta. Houd rekening met de afwatering en de drooglegging van terreinen en met de drooglegging van bestaande bebouwing die aan het plangebied grenst, en van terreinen in het plangebied zelf waarvan de bestemming niet wordt gewijzigd. Ontwerp het watersysteem zo dat de afwatering voldoende is om kruipruimtes droog te houden. (Minimale drooglegging van 1 meter t.o.v. het toekomstige maaiveld) Bij het ontwerp moet rekening gehouden worden met de uitgevoerde watertoets. (bestemmingsplaneis) Voor het nieuwe en of aangepaste watersysteem moet vergunning bij het waterschap Hollandse Delta worden aangevraagd. Het moet altijd mogelijk zijn onderhoud aan het water uit te voeren. Onder onderhoud wordt verstaan het klein onderhoud (wateringen) en het buitengewoononderhoud (op diepte baggeren). Het vanaf de oever plegen van onderhoud heeft de voorkeur. Hiertoe moet volgens de Keur van het waterschap Hollandse Delta de strook langs watergangen vrij van bebouwing, beplanting en andere obstakels gehouden worden.

In geval van onderhoud vanaf de oever niet mogelijk is moet het water varend onderhouden kunnen worden (Zie de Keur van het waterschap waarin bepalingen staan vermeld voor het bouwen in langs wateren gelegen gronden.). Indien geen strook vrijgehouden kan worden moet een opstel-, in- en uitlaatplaats voor een maaiboot gerealiseerd worden. Deze dient bij voorkeur in grasbetonstenen te worden uitgevoerd. Afwatering mag nooit naar particulier terrein plaatsvinden. I.v.m. veiligheid en maaibaarheid taluds langs waterpartijen niet steiler aanleggen dan 1:3. Bij taluds steiler dan 1:3 dient er beschoeiing aangebracht te worden. Natuurvriendelijke oevers dienen een talud van 1:4 of flauwer te krijgen met eventuele onderwaterbeschoeiing. Watergangen mogen niet doodlopen en of dode hoeken te bevatten. Maatvoering duikers volgens vergunning waterschap Hollandse Delta. Eisen t.a.v. diepte: conform de meest recente publicaties “Algemene regels voor wegen en het watersysteem” en “toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem” van het Waterschap Hollandse Delta. Waar mogelijk natuurlijke oevers toepassen in stedelijk gebied. Dit mag niet ten kosten gaan van stabiliteit of veiligheid. Dit in overleg met de gemeente. Gebruik voor beschoeiingen milieuvriendelijke materialen. Beschoeiing mag maximaal 30 cm hoogteverschil tussen de waterlijn en de oever overbruggen.

Bij meer dan 20 cm is verankering in de oever vereist. De toe te passen materialen zijn: • hout (FSC-hout); • kunststof; • beton; • GVC. Alternatieve beschoeiingmaterialen (samengestelde schotten e.d.) dienen eerst ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd. Er dient door middel van een berekening aangetoond te worden welke schothoogte en paallengte er per locaties noodzakelijk is om de stabiliteit van de oever te kunnen waarborgen. Beschoeiing dient te worden voorzien van een hardhouten gording (afmeting 20*100 mm) en een hardhouten dekplank (afmeting 28*145 mm). Achter de beschoeiing dient geotextiel of folie aangebracht te worden om onderspoeling te voorkomen. Lengte is schothoogte plus 1,20 meter overlap. Biaxiaal geweven geotextiel, dat bestaat uit hoogmodulus polypropyleen garens. Nieuw geplaatste beschoeiing dient voorzien te worden van faunatrappen of uittreedplaatsen om te voldoen aan het gestelde in de Wet Natuurbescherming. Fauntrappen hart op hart 50 meter. Pagina 60 van 133

R

R R R W R

R R R

R R R R R R R

R R R W

3.13.2 Oevers a. b. c. d. e.

Bij de afwerking van oevers (natuurvriendelijk en standaard) altijd een harde oever bescherming toepassen. Tegen het uitspoelen van de taluds en bodems moeten onderwatertaluds worden voorzien van een kleilaag van 0,25m of een “spanbetuining”. Beschoeiingen toepassen met de toepassingscategorie damwand/beschoeiing met materialen zoals omschreven in het onderdeel Algemeen. Het zicht op de oevers niet belemmeren door aanbrengen van beplatingsvakken. Langs wateren brede bermen creëren voor het bergen van de vrijkomende baggerspecie bij het slootonderhoud.

R R R R R

3.13.3 Water Afvoer Drainage en Infiltratie (Wadi’s) a. b.

c. d.

e. f.

Wadi’s dienen altijd voorzien te worden van een afwatering of aansluiting op het HWA of oppervlaktewater om te voorkomen dat deze overstromen. Een wadi dient aangelegd te worden met een grondverbetering waarbij goed waterdoorlatende grond (zand) wordt toegepast zodat de wadi goed water kan infiltreren in de ondergrond. Een wadi dient gedimensioneerd te worden volgens een bui van 35 mm in een uur met alle aangesloten regenwater wat hierop uitstroomt. Een wadi mag niet geplaatst worden in de buurt van een speelplaats omdat er in een wadi verschillende schadelijke stoffen zoals zink en lood ophopen. Om dezelfde reden mogen er geen stapstenen worden geplaatst in een wadi. Dit alles om te voorkomen dat hier kinderen in gaan spelen. Een wadi dient binnen 24 uur leeg te lopen na verzadiging van een bui. Hanteer bij het ontwerp van een wadi de publicatie van de stichting Rioned ‘’Wadi’s: aanbevelingen voor ontwerp, aanleg en beheer, ISBN 90 73645 220

R R

R R

R W

Literatuurlijst • Keur Waterschap Hollandse Delta, WSHD • Water Beheerplan • Vereniging Stadswerk Nederland, poster 'Boombescherming op bouwlocaties' (uitgave Stadswerk: vakgroep Groen, Natuur en Landschap) 3.14 KABELS EN LEIDINGEN a.

b.

c.

Voor het aanleggen en omleggen van kabels en leidingen in de openbare ruimte is een vergunning (of bij Telecommunicatiebedrijven instemming) van de gemeente vereist. De verantwoordelijkheid voor kabels en leidingen ligt bij de kabel- en leidingenbeheerders. De gemeente heeft alleen invloed op de plaats en ligging van de kabels en leidingen. De gemeente stelt in haar vergunning (en of instemming) voorwaarden waaronder ingravingen van kabels en leidingen mogen plaatsvinden. Deze zijn voor de ontwikkelende partijen, niet zijnde nutsbedrijven en telecommunicatiebedrijven ondergebracht in de: • Leidingenverordening • Telecommunicatieverordening • Handboek Kabels & Leidingen • Schaderegeling ingravingen Kabels & Leidingen • Nadeelcompensatieregeling Voor het aanleggen en omleggen van kabels en leidingen in en nabij dijken en door sloten is een omgevingsvergunning van het waterschap Hollandse Delta (WSHD) verplicht. De gemeente verstrekt pas vergunning als Het WSHD een omgevingsvergunning heeft verleend. Pagina 61 van 133

R

W

R

d. e. f. g. h.

i. j. k. l. m.

De kosten van het verleggen van bestaande kabels en leidingen in het te ontwikkelen gebied komen voor rekening van de ontwikkelaar. De vergunning is bij de uitvoering aanwezig op het werk. Niet meer in gebruik zijnde kabels en leidingen moeten in principe worden verwijderd. De ontwikkelaar toont aan dat de ondergrondse infrastructuur wordt overgenomen door de betreffende kabel- en leidingbeheerders. Nutsvoorzieningen, zoals trafokastjes, e.d. zijn veelal obstakels in de openbare ruimte. Om die reden bestaat er een sterke voorkeur (van de gemeente) om dit soort voorzieningen te integreren in geveloplossingen of op te nemen in erfafscheidingen. Ontwerp en plaatsing van schakel- en nutskasten altijd in overleg met de beheerder van de openbare ruimte. Bij het plannen van tracés van kabels en leidingen nabij bomen en in of nabij groenvoorzieningen de bepalingen van het Handboek Kabels & Leidingen van gemeente Hoeksche Waard strikt in acht nemen. Wet Informatie Uitwisseling Ondergrondse Netten (WIBON) in ogenschouw nemen. Voorgenomen mechanische graafwerkzaamheden tijdig melden bij KLIC-online en zorgen dat de grondroerder zorgvuldig kan graven (zie nieuwste CROW publicatie). Voor werkzaamheden in de bodem is de Wet bodembescherming (Wbb) onverkort van toepassing. Plant geen bomen of diepwortelende heesters op leidingtracés, maar bij voorkeur ondiep-wortelende heesters of gras.

R W R R R

R R W W R

3.14.1 Situering a. b. c.

d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.

Kabel- en leidingentracés moeten bepaald worden aan de hand van het algemene principe zoals weergegeven in bijlage 3 van het Handboek Kabels & Leidingen van gemeente Hoeksche Waard. Als de genoemde eisen van het standaardprofiel niet gehaald (kunnen) worden, dan moet er vooraf overleg gepleegd worden met de vergunningverlener. Om inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden voor een leidingentracé, moet de ontwikkelaar in samenspraak met de leidingexploitanten (degenen onder wiens verantwoordelijkheid een leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd) proefsleuven graven. In ieder geval zal er vooraf een melding moeten worden gedaan bij het Kadaster-sectie KLIC. De waterleiding en ondergrondse brandkranen mogen nooit onder een parkeerplaats liggen. Plaatsing van ondergrondse brandkranen en brandputten bepaalt Waterbedrijf Evides in overleg met de brandweer. In overleg met de brandweercommandant markering aanbrengen rondom brandkranen i.v.m. waarneembaarheid. Plaats geen leidingtracés in de lengterichting onder de rijwegen. Geen gesloten verhardingen, half verhardingen of steenachtige funderingen boven kabel- en leidingtracés ontwerpen Leidingen moeten bestaande asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen kruisen door middel van een persing of boring. Trafo’s en andere omvangrijke voorzieningen moeten bereikbaar zijn voor vrachtverkeer.

Bovengrondse voorzieningen mogen het uitzicht op kruisingen en bochten niet belemmeren. Kabel- en leidingtracés situeren onder elementenverhardingen of in bermen. Zorg in bestaande gebieden dat revisiegegevens na controle via proefsleuven en nieuw aan te leggen kabels en of leidingen op elkaar worden afgestemd. Bij het kruisen van watergangen beheerd door de gemeente een gronddekking van minimaal 1,00 m aanhouden ten opzichte van de ontwerpdiepte van de watergang. Houd rekening met aanwezige bomen, zie de bepalingen in het Handboek Kabels & Leidingen van gemeente Hoeksche Waard en de meest recente versie van het handboek Norminstituut Bomen.

Pagina 62 van 133

R R R

R R R R R R R R R R R

o. p. q. r.

Reserveer ruimte voor bovengrondse nutsvoorzieningen, zoals trafo’s en ondergrondse afvalcontainers van de RAD. Plaats de kabels en leidingen volgens het standaard profiel zie bijlage 3 in het Handboek K&L. Optimaal gebruik maken van beschikbare ruimte, alle kabels en leidingen bundelen in een leidingen tracé Brandkranen situeren op goed bereikbare plaatsen.

R R R R

3.15 KLIMAATADAPTATIE a.

b.

c.

d.

e.

f.

Hevige neerslag leidt niet tot schade aan de infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving: • N1: Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte, hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar of wordt gestuurd. (Range 40 – 70 mm) • N2: In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm per uur) Langdurige droogte leidt niet tot schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving. • D1: de inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. • D2: in het plangebied wordt 50% (450 mm) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd (range 20 – 100%) Nieuwbouw initiatieven mogen hittestress in een omgeving niet verergeren. leefomgeving: • H1: Tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zicht verplaatst. (Range 20 – 60%) • H2: Tenminste 40% van alle oppervlakken wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied te verminderen.

(Range 30 – 80%) • H3: Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimte in de directe omgeving. Bodemdaling in bebouwd gebied blijft beperkt en betaalbaar. • Bo1: Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kosteneffectief zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp meegenomen. Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving. • B1: Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten (Range: 1 – 3 soorten categorieën) De bebouwde omgeving is bestand tegen overstromingen. • V1: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 20 cm treedt geen schade aan gebouwen op en blijven hoofdwegen begaanbaar. • V2: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 50 cm worden maatregelen getroffen om schade aan gebouwen te beperken, als deze doelmatig zijn. • V3: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 200 cm worden maatregelen getroffen om vitale infrastructuur en kwetsbare objecten te beschermen. • V4: Voor overstromingen met een waterdiepte boven 200 cm worden maatregelen getroffen om veilig te kunnen schuilen in het overstroomde gebied.

Pagina 63 van 133

R

R

R

R

R

R

4 Revisie Voor alle nieuwe -/gewijzigde objecten in de openbare ruimte dienen revisie gegevens uiterlijk 4 weken voor de definitieve oplevering overdracht bij de gemeente aangeleverd te worden. De gemeente zal dan een toets uitvoeren op basis van het handboek en eventuele bestek. Mocht uit de toets blijken dat revisie niet akkoord is dan zal de opdrachtnemenr/ontwikkelaar dit eerst in orde moeten maken voordat er een overdracht kan plaatsvinden naar de gemeente. Mocht de Uniforme Administratieve Voorwaarden van toepassing zijn, dan is § 10, lid 1a van toepassing. (uiterlijk 3 maanden nadat het werk als opgeleverd is beschouwd) In dit hoofdstuk staat beschreven waar de revisie minimaal aan moet voldoen. 4.1. Algemene eisen aan te leveren tekeningen en revisie a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15637838/1