06 Handboek Openbare Ruimte gemeente HW 2024 - Bijlage 3 (Bijlage 6 AOK)
Tekst van het document
Maatvoering a. Stem de breedte van de voetpaden en trottoirs af op de gebruikerseisen, zowel ondergronds als bovengronds (zie betrokken disciplines als Groen, K&L en Openbare verlichting). b. Gebruik de volgende uitgangspunten voor het afschot: • tegels 1:50; • asfalt 1:40 à 1:60; • BSS en gebakken klinkermateriaal 1:30 à 1:40. c. Rolstoel toegankelijke inritbreedte 1.20 m helling 1:6. d. Voetpad naast fietspad minimaal 10 cm. hoger aanbrengen. Materialen a. Geen asfalt toepassen op voetpaden. b. Betontegels klein facet 2 mm moeten voldoen aan NEN 1339, respectievelijk NEN 1338 en zijn voorzien van een KOMO certificaat + KOMO keurmerk. c. In voetpaden met elementenverharding trottoirtegels 300x300x45 mm, kleur grijs, in halfsteensverband toepassen. Indien gemotoriseerd verkeer van het voetpad gebruik gaat maken trottoirtegels van 300x300x80 mm, kleur donkergrijs, in halfsteensverband toepassen. d. Ter plaatse van inritten trottoirtegels 30*15*80 mm, kleur grijs, in elleboogverband. e. Bochttegels toepassen met straal kleiner dan 10 m (als dit machinaal mogelijk is en leverbaar zijn). In bochten van tangentpunt tot tangentpunt grijze BSS gebruiken in langslagen f. De opsluiting van tegelwerk tegen de kant- of lintlagen moet verspringend worden aangebracht. Lintlagen 1/2 tegel laten verspringen ten opzichte van het halfsteensverband (als dit machinaal mogelijk is).
Pagina 23 van 133
A R A
R R
A R
R A
R R R
R A R
R R
g. h. i. j. k.
3.4.7
Bij gebruik van perronbanden voor invalidenopritten minimum lengte 0,6 m toepassen. Materialen moeten bestand zijn tegen de borstels van veegmachines en onkruidborstels. Zo mogelijk onkruid werende verhardingen toepassen. Onder en rondom obstakels in de openbare ruimte voegen vullen met onkruid werend (cementachtig) materiaal. Bij voorkeur geen gladde oppervlakken of half open verhardingen toepassen. Oppervlakken met enige structuur verdienen aanbeveling.
R R A
R R R
Afwatering
Algemeen a. Afwatering van de huizen naar de straat; afwatering mag niet plaatsvinden naar privéterrein. b. De afwatering moet zeker gesteld zijn door voorzieningen op gemeentelijk terrein door een hemelwaterstelsel met voldoende afvoerputten, die geïntegreerd worden in de maatvoering van de trottoirbanden (hart op hart afstand maximaal 20 meter). Houd hier rekening met klimaatbestendigheid. c. Goten toepassen doorgaand langs de banden en langs de rand van de wegverharding. Een geprefabriceerde goot is niet toegestaan zonder overleg. d. Indien mogelijk afwatering lozen op openbaar water met uitzondering van primaire strooiroutes. e. Indien mogelijk de weg zo ontwerpen dat waterberging op straat mogelijk is. Afvoer en/of transport van hemelwater via het maaiveld geniet de voorkeur (klimaatadaptief inrichten). Infiltratie en/of bergen (vasthouden) van hemelwater is verplicht volgens convenant klimaatadaptief bouwen. f. De afwatering moet binnen het profiel plaatsvinden door een hemelwaterstelsel. De toe te passen kolken zijn tweedelige kolken. PE onderbak met minimale hoogte van 700mm, 315x125mm met zijuitlaat incl. stankscherm (fabricaat Dyka) • Kolkkop TEGRA Klasse C250 SK-kop =straatkolk; (Wavin) • Kolkkop TEGRA Klasse C250 TK-Kop = Trottoirkolk; (Wavin) • Kolkkop TEGRA Klasse C250 SK-molgoot-kop (Wavin).
In voetpaden (en fietspaden); tegelpadkolk eendelige kolk STR9301/60 GMB 1 (TBS-SVA) toegestaan g. De drooglegging moet minimaal 100 cm. zijn en voldoen aan de richtlijn van WSHD. 3.4.9
R
Opsluiting
Materialen a. Langs verharding met verkeersbelasting opsluitbanden 150x250mm of trottoirbanden 130/150x250mm toepassen. Langs bermen of plantsoenen opsluitbanden 200x250mm of 180/200x250mm toepassen. b. Betonbanden moeten voldoen aan NEN 1340 en zijn voorzien van een KOMO certificaat + KOMO keurmerk, keur 1, verbindingen doorlopend hol en dol. Rechte banden en bochtbanden moeten dezelfde structuur hebben. c. Opsluitingen langs voet- en fietspaden 100x200 mm toepassen. Voor fietspaden direct grenzend aan voetpaden een rijwielpadband 60/120x200mm toepassen.
3.4.8
R
R R
R R R
R
R
Verkeersgeleiders
Materialen a. Voer verkeersgeleiders uit met een verhardingsconstructie die onkruid werend is.
Pagina 24 van 133
R
3.4.10 Drempels/plateaus Algemeen a. Op die locaties waar drempels zijn gedacht onderzoek doen naar mogelijke overlast door trillingen. Situatie a. Alleen drempels toepassen op die locaties waar zo min mogelijk trilling overlast wordt veroorzaakt. Indien andere mogelijkheden ontbreken, moeten snelheid remmende maatregelen in die gevallen bestaan uit wegversmallingen, mogelijk in combinatie met langsparkeren. Het laten verspringen van de wegas door middel van obstakels, bij voorkeur zwart/wit zuilen of straatjuwelen, behoort dan ook tot de mogelijkheden. b. In bus routes drempels/plateaus toepassen die “bus vriendelijk” zijn. c. Spaarzaam zijn met het toepassen van verkeersdrempels op gebiedsontsluitingswegen en uitrij routes voor nood- en hulpdiensten. d. Drempels mogen geen belemmering vormen in het kader van de afwatering zie punt 3.5.7.e Maatvoering a. Ontwerp volgens de CROW-publicatie publicatie 344. Materialen a. Op erftoegangswegen met elementenverharding bestrate drempels toepassen. Op gebiedsontsluitingswegen en doorgaande wegen binnen de bebouwde kom in overleg het soort drempel/plateau bepalen. b. Mogelijke materialen: • gestraat profiel (volgens CROW publicatie 344 Richtlijn drempels, plateaus en uitritten); • asfalt; • prefab.
A
R
A R
R
R R
3.4.11 Funderingen Rijbanen in verblijfsgebieden a. Met uitzondering van bus routes, ontsluitingswegen en industriewegen: • zandpakket onder rijbanen minimaal 0,50 m1 dik • puinfundering 0/31,5 onder rijbanen 0.30 m1 dik (optioneel) • zandpakket onder fietspaden minimaal 0,50 m1 dik • zandpakket onder voetpaden minimaal 0,30 m1 dik Hierbij rekening houden met het genoemde onder 3.5.1 Algemeen sub. d, e en f.
R
3.4.12 Halfverharding a. b.
Halfverharding is verharding die bestaat uit een laag ongebonden materialen zoals grind, mijnsteen of schelpen. Indien de halfverharding niet bestaat uit deze materialen dan alleen in overleg met de beheerder toepassen. Halfverharding kan worden toegepast bij recreatieve voetpaden. Het toepassen hiervan past in de denkwijze over klimaatadaptatie van de gemeente. Aandachtspunten: • De meeste half verhardingsmaterialen zijn gevoelig voor opdooien: na een vorstperiode dooit de bovenlaag, terwijl de ondergrond nog bevroren is, waardoor het water niet weg kan en er een papperig en zeer glad geheel ontstaat; • Het onkruidvrij houden van half verharding is – zonder toepassing van chemische middelen – bijzonder intensief, vooral als het minder frequent betreden wordt; Pagina 25 van 133
A A
•
c. d.
Half verharding raakt gemakkelijk verspreid op andere plaatsen (gras, verhardingen) en vormt daarmee een extra risico voor de beheerder (maaimachines). Onder halfverharding geotextiel of gelijkwaardige materialen toepassen. Terughoudend zijn met het toepassen van halfverharding in situaties die onkruidvrij moeten zijn (bijvoorbeeld rond en onder banken, paden die veel door ouderen en mindervaliden gebruikt worden.
A R
3.4.13 In- en uitritten a. b.
c.
Bij voorkeur niet meer dan 1 in- uitrit per pand/locatie. Alleen op bedrijventerreinen is het in sommige gevallen mogelijk hiervan af te wijken. De breedte is afgestemd op het gebruik, maar mag niet breder zijn dan 10 meter. Dit om onduidelijkheden voor de weggebruiker te voorkomen (schijn van zijstraat voorkomen). Bij een enkele oprit maximaal 4 meter en bij een dubbele oprit maximaal 7 meter. Een en ander is mede afhankelijk van de bestaande wegbreedte waarop de in- en uirit uitmondt. De uitvoering van de in- uitrit is overeenkomstig de ASVV en publicatie 68 van de CROW.
R R
R
Voor het onderdeel Wegen in het HOR zijn de geldende normeringen, richtlijnen, voorwaarden, bepalingen van toepassing. Onderstaande literatuurlijst is gebruikt voor het samenstellen van deze paragraaf. Literatuurlijst Wegen - CROW, Standaard - ASVV (aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) - Handboek voor toegankelijkheid en bruikbaar ontwerpen en bouwen voor gehandicapte mensen - CROW-publicatie, richtlijn integrale toegankelijkheid openbare ruimte - CROW-publicatie 201, praktijkboek toegankelijkheid openbare ruimte - CROW-publicatie 381; " ‘’Toekomst bestendig parkeren” - "Politiekeurmerk veilig wonen” - "Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid" van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding, www.NVBR.nl - CROW-publicatie, "Drempels", publicatie 344 - Handboek Wegontwerp (wegen buiten de bebouwde kom) - CROW-publicatie “online catalogus met ontwerpvoorbeelden” - CROW-publicatie Basiskenmerken wegontwerp Categorisering en inrichting van wegen - CROW-publicatie 261, “Handboek verkeersveiligheid” - CROW-publicatie 219c, “Toegankelijkheid collectief personenvervoer, bussen”
Pagina 26 van 133
3.5
RIOLERING EN DRAINAGE
In dit hoofdstuk komen de volgende onderdelen aan de orde: • Algemeen • Perceelaansluitingen • Buizen • Putten • Putafdekkingen • Ontvangputten • Gemalen • Persleidingen • Randvoorzieningen • Drukriolen • Drainage 3.5.1
Algemeen
a. b.
De gemeente volgt bij het ontwerpen, realiseren en beheren de Leidraad riolering. Het hydraulisch ontwerp voor de riolering moet ook schriftelijke instemming hebben van het waterschap Hollandse Delta (WSHD). Gebruik van duurzame materialen geniet de voorkeur. Toepassing in overleg met de gemeente. Riolering die niet meer gebruikt wordt verwijderen. Is verwijderen niet mogelijk, ter beoordeling van de gemeente, dan is dicht schuimen of vol spuiten met zand onder voorwaarden en in overleg met de rioolbeheerders toegestaan. De riolering aanleggen in grond die eigendom is van gemeente Hoeksche Waard. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden zijn de geldende Standaard RAW bepalingen van toepassing. Voor overdracht van het rioolstelsel (DWA en HWA) aan gemeente is reiniging nodig. Dit om een goede HD-camera inspectie uit te voeren (zie h). Voor overdracht van het rioolstelsel aan gemeente: • moet de kwaliteit aangetoond zijn door een HD-camera inspectie in kleur. (Panoramo is niet toegestaan) • Deze overdracht vindt plaats op het moment dat het gehele project overgedragen wordt • De overdracht kan slechts dan plaatsvinden nadat goedkeuring heeft plaatsgevonden van het op te leveren rioolstelsel. Revisiegegevens van huisaansluitingen bij oplevering aanleveren bij gemeente.
Inspectie uitvoeren volgens richtlijn BRL K 10015, inclusief alle verbindingen tussen put, leiding en huisaansluitingen. Conform EN 13508-2. Tijdens inspectie, van alle gebreken een foto maken. De inspectiebestanden in de meest recente versie van RibX en de inspectie conform NEN-EN 13508-2 Beoordeling van de inspectie volgens Oude NEN 3399-2004 door opdrachtgever of beheerder. Bij afwijkingen in de nieuwe riolering boven klasse 1 klasse indeling NEN 3398 is, voor overdracht, herstel nodig op kosten van de ontwikkelaar en/of aannemer. De kosten van het uitvoeren van de inspectiewerkzaamheden en het beoordelen van de resultaten, zijn voor rekening van de ontwikkelaar en/of aannemer. De ontwikkelaar toont met inspectiebeelden aan dat de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd, volgens de hierboven genoemde eisen voor de opleverinspectie. Geleverde materialen voldoen aan het Besluit Bodemkwaliteit. Bouwstoffen leveren onder KOMO-certificaat met KOMO-keurmerk. De aan te leggen riolering moet voldoen aan de eisen volgens de geldende Standaard RAW bepalingen (CROW). Afwijkingen in de hoogteligging van het riool niet groter dan 10% De riolering moet bereikbaar zijn voor calamiteiten en onderhoud. Reguliere inspecties moeten kunnen gebeuren zonder opbrekingen.
c. d. e. f. g. h.
i. j. k. l. m. n. o. p. q. r. s. t. u.
Pagina 27 van 133
R W R R R R R R
R R R A R R R W R R R R R
v. w.
Revisiegegevens inmeten en verwerken. Revisietekeningen digitaal in shape en AutoCAD aanleveren uiterlijk 1 week na aanleg van het riool (in verband met aanlevering WIBON). Indien er voortvloeiend uit het project zakelijk recht overeenkomsten moeten worden afgesloten voor riolering die in particuliere eigendommen komen te liggen, dan zijn de bijkomende kosten voor het vestigen van dit zakelijk recht voor de initiatiefnemer.
Situatie en ontwerp a. Afhankelijk van de ligging van het stelsel een gescheiden of een verbeterd gescheiden stelsel (VGS) aanbrengen. Er is onderscheid tussen nieuwbouw en inbreidingsgebieden en bestaande gebieden. b. Situeer, indien mogelijk bij gebiedsontsluitingswegen, industriewegen, en bus routes de riolering buiten de rijverharding opdat het wegverkeer ongehinderd doorgang heeft bij werkzaamheden aan de riolering. Ontwerp de riolering zo dat de stamriolering in wegen van ondergeschikt belang komen te liggen. In geval van reparaties is het verkeer op een weg van lagere orde makkelijker om te leiden. c. De verhanglijn zo ontwerpen dat er geen vervuiling in de riolering ontstaat. d. De minimale afstand tussen twee kruisende leidingen is 0,20 m. e. Zinkerconstructies zijn in droogweerafvoer (dwa) vrijverval riolen niet toegestaan. f. De dekking op een (hoofd)leiding bedraagt minimaal 1,00 m. Daar waar sprake is van huis- en kolkaansluitingen is de dekking op de (hoofd)leiding minimaal 1,20 m. Het Hoeksche Waard profiel is leidend. g. Houd op buizen bij niet-fabrieksmatig aangebrachte inlaten een minimale onderlinge afstand aan volgens de specificaties van de fabrikant/leverancier van de buis. Dit geldt ook voor de inlaten vanaf buiseinde. h. Bij een gronddekking van 2,75 m of meer moet een verzamelriool minimaal Ø 250 mm worden toegepast. i.
Neem voor de afstand tussen de kroon van de bomen en de hoofdriolering minimaal ½ maal de kroondiameter in volgroeide toestand. j. De afstand tussen twee inspectieputten in een stelsel bedraagt maximaal 60 m. k. Houd bij het bepalen van de putafstand bij asfaltwegen rekening met de noodzaak dat de uitleggers die groter zijn dan 200 mm moeten worden aangebracht op een inspectieput. l. Overstorten in gemengde stelsels en dwa-riolen altijd situeren aan goed doorspoelbaar oppervlaktewater. De waking dient 20 cm te zijn. m. Zorg ervoor dat bijzondere constructies goed bereikbaar zijn voor inspectie, bemeten en bemonsteren. n. De riolering ontwerpen voor een theoretische levensduur van 67 jaar. o. De riolering moet bestand zijn tegen plaatselijke gronddruk, zettingen en verkeersbelastingen. p. Situeer de riolering en persleidingen zo dat bij lekkages geen gevaar voor en vervuiling van de omgeving ontstaat. q. Streef naar een zo optimaal mogelijk gebruik van de ondergrondse ruimte in relatie tot een duurzame inrichting van het totale ruimtegebruik. r. Het rioleringsplan moet passen binnen de omliggende rioleringsstructuur (indien van toepassing). Dimensionering a. Maak een tekening in Autocad formaat op basis van NLCS waarop de riolering in 1 laag staat. b. Maak een tekening in autocad of GIS formaat waarop het verhard oppervlak staat waarmee is gerekend. c.
Het aan te leggen stelsel moet doorgerekend en goedgekeurd worden door de riooladviseur van de gemeente op kosten van de ontwikkelende partij. d. Bij aansluiten van een stelsel op een bestaand stelsel met berekeningen aantonen dat het rioolstelsel waarop het nieuwe stelsel gaat lozen, voldoende capaciteit heeft. Pagina 28 van 133
R R
R R
R R R R R R R R R R R R R R R R
R R R R
e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.
o. p.
Bereken overeenkomstig de Leidraad riolering module C2100. Reken het systeem door met minimaal regenbui 09 uit de reeks en voer een controleberekening uit met bui 10 uit de reeks. Houd een gemiddelde woningbezetting van 2,5 inwoner aan. De dagelijkse afvalwaterproductie is 120 liter per inwoner per etmaal; de maximale lozing wordt gesteld op 12 liter per uur. Bij de doorrekening in Bui 09 moet een waking van minimaal 0,30 m in het stelsel worden gehanteerd. De berging in een verbeterd gescheiden stelsel (VGS) moet in beginsel 4 mm zijn en een pompovercapaciteit van 0,7 mm/h hebben, beide gerelateerd aan het aan te sluiten verhard oppervlak. De overstortdrempel moet minimaal 10 cm boven de berekende peilstijging bij T=10 liggen. De ledigingtijd van een rioolstelsel mag maximaal 24 uur zijn. Hanteer de meest actuele norm voor verhard oppervlak per woning zoals deze door de waterkwaliteitsbeheerder is voorgeschreven. Beperk het aantal DWA-overstortlocaties, in overleg met de gemeente. Injecties of aansluitingen van nieuwe gebieden op bestaande stelsels kunnen hydraulische problemen geven op het bestaande stelsel. Indien hierdoor aanpassingen aan het bestaande stelsel moeten plaatsvinden, zijn de kosten hiervan voor de ontwikkelaar. De kosten zowel van de fysieke maatregelen als het uitvoeren van de benodigde berekeningen komen ten laste van de aanleiding gevende ontwikkeling.
De minimale diameter voor een droog weer afvoer moet aan de hand van berekeningen worden vastgesteld (behoudens huisaansluitingen) maar is minimaal 250 mm De minimale diameter voor een hemelwaterafvoer moet aan de hand van berekeningen worden vastgesteld (behoudens kolkaansluitingen) maar is minimaal 250 mm.
Afkoppelen a. Streef na dat het hemelwater van het schone verharde oppervlak (daken) niet hoeft te lozen op een stelsel dat afvoert naar een zuiveringsinstallatie. b. De rechtstreekse lozing van hemelwater beperken volgens het principe vasthouden, bergen en afvoeren. c. Voor het lozen van hemelwater op oppervlaktewater is een Watervergunning van het waterschap Hollandse Delta noodzakelijk. d. Indien olie/benzine- en vetafscheiders en soortgelijke filters worden ontworpen dan worden deze niet in beheer en onderhoud/eigendom overgenomen door de gemeente. De vergunningaanvraag loopt via OZHZ. e. Hanteer bij berminfiltratie de eisen die worden gesteld door het waterschap Hollandse Delta.
3.5.2
R R R R R R R R R R
R R
R R W R W
Perceelaansluitingen
Algemeen a. Maak per woning/bedrijf een perceelaansluiting op het gemeentelijk stelsel met een Pvc-buis van minimaal Ø 125 mm, stijfheidsklasse SN 8 en niet langer dan 15 m1. Conform de Aansluitverordening Riolering moet op privéterrein een erfafscheidingsput worden aangebracht met een diameter van Ø 315 mm per afvoerleiding 1 erfafscheidingsput. b. Indien een huis-/perceelaansluiting noodzakelijk is, moet bij de gemeente een aansluitvergunning worden aangevraagd. In de aansluitverordening staan de voorwaarden en bepalingen voor realisatie In principe wordt dit door de Pagina 29 van 133
R R R
c. d. e. f. g. h.
gemeente uitgevoerd, op kosten van de ontwikkelaar. Per project wordt dit nader afgestemd. Pas bij bedrijfspercelen uitleggers van voldoende diameter toe op inspectieputten. Op een bedrijventerrein moeten de uitleggers worden aangebracht op een inspectieput. Hiervoor rekening houden met putafstanden van maximaal 40 m. Aansluitingen aan de bovenzijde PVC-riool doormiddel van knevelinlaat tot Ø160 klasse SN8, grotere aansluitingen via T-stuk klasse SN8 Zijaansluitingen in overleg met de rioolbeheerder Aansluitingen aan bovenzijde beton riolering doormiddel van betoninlaat met zettingsmof tot Ø160 klasse SN8, grotere aansluiting in overleg met de rioolbeheerder. Zijaansluitingen in overleg met de Rioolbeheerder. Aansluitingen rechtstreeks op Gresbuizen zijn niet toegestaan! Uitzonderingen in overleg met de rioolbeheerder. Aansluitingen op inspectieputten doormiddel van betoninlaat tot Ø200, grotere diameter in overleg met riool beheerder.
Aangeboden water a. Het afvalwater op de overgang van particulier naar gemeentelijk riool moet voldoen aan de voorschriften van de geldende aansluitverordening riolering b. Eisen van het al dan niet plaatsen van voorzieningen, voortvloeiend uit de milieuwetgeving, moeten worden nagekomen. Zij worden op aanvraag van geval tot geval geformuleerd door gemeente Hoeksche Waard, gemandateerd aan de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. 3.5.3
3.5.4
Inspectieputten
a. b.
Stem materiaal en fabricaat van putten en buizen op elkaar af. Gebruik voor betonnen inspectieputten geprefabriceerde elementen; uitvoering in overeenstemming met NEN 7126, NEN 7035 en voorzien van KOMO-keur. Kunststofputten moeten bestand zijn tegen de lokale horizontale en verticale gronddruk. Ook moet de inspectieput voorzien zijn van een opdrijfrand (bij polyester putten) met een minimale diameter van 100 mm. Alleen in overleg met de rioolbeheerder kan van de putdiameter (zie e en f in deze tabel) afgeweken worden, dit is afhankelijk van de toe te passen leiding. Inspectieputten moeten zijn voorzien van een stroomprofiel om vuilafzetting te voorkomen. Inspectieputten lager dan 2,50 m moeten een minimale inwendige doorsnede van 0,80 x 0,80 m hebben.
d. e.
R R R R R
R W
Buizen
Materialen a. Stem materiaal en fabricaat van buizen en putten op elkaar af. b. Kunststofbuizen moeten tot een diameter van 500 mm van kwaliteit SN8 en KOMO gecertificeerd zijn. Grotere diameters in KOMO gecertificeerd beton. c. Betonbuizen moeten KOMO gecertificeerd zijn en voorzien van een ingestorte rubberring. Dit geldt voor de ronde buizen. d. Keramische buizen zijn niet toegestaan. e. Voor gemengde stelsels en DWA-riolering in PVC, moet de kleur bruin worden toegepast. f. Voor HWA-riolering in PVC, moet de kleur grijs worden toegepast g. Voor IT-riolen in PVC, moet de kleur groen worden toegepast. h. Het toepassen van 90˚ bochtstukken/haakse T-stukken is niet toegestaan in de vrijvervalriolering. Voor huisaansluitingen zijn 90˚bochtstukken/hulpstukken niet toegestaan. Hulpstukken toepassen met zettingsmogelijkheid. i. Aansluiting boven op betonbuizen realiseren met rubberbeton inlaat met zettingsmof, klasse SN8
c.
R
Pagina 30 van 133
R R R R R R R R R
R R R
R R
f.
h.
Inspectieputten hoger dan 2,50 m moeten een minimale inwendige doorsnede van 1,00 x 1,00 m hebben. Opmetselen als methode om de putafdichting op hoogte te brengen is niet toegestaan. Hiervoor moeten betonnen stelranden gebruikt worden. Stelranden dunner dan 50mm zijn niet toegestaan. Alle stelranden dienen met stelmortel vastgezet worden die H2S-bestendig is (Poltec 700 of gelijkwaardig) Het gebruik van afstandhouders/stelhoutjes hierbij is niet toegestaan. Inspectieputten moeten altijd bereiken en toegankelijk zijn
3.5.5
Putafdekkingen
a.
h.
Inspectieputten uitvoeren met een rammelvrije overrijdbare putafdekking bestaande uit een betonnen putrand, hoogte 240 mm, voorzien van een gietijzeren deksel Ø 520 mm, bijv. fabricaat TBS RB 3223VEPROMAX Crossgrip of gelijkwaardig. Putafdekkingen moeten geschikt zijn voor zwaar verkeer (verkeersklasse D400) De gietijzeren putrand van de inspectieput moet voorzien zijn van een opschrift “RW” of “VW” dat overeenkomt met het stelsel. Het gietijzeren deksel van de putrand mag niet voorzien zijn van een opschrift (i.v.m. het risico op uitwisselen van deksels). Bij drainageputten moet de tekst “drain” aangebracht worden in het deksel. De gemeente stelt specifieke eisen aan verlijming van putranden op de put en stelringen. Dit moet afgestemd worden. Alle stelranden dienen met stelmortel vastgezet worden die H2S bestendig is. (zie 3.5.4.g.) De aansluiting tussen de buitenzijde van de putschacht en de betonnen stelring dient waterdicht en over de gehele aansluiting afgevuld te worden aangebracht. Alle putten na plaatsen en afwerken goed vrij maken van zand, stenen etc.
3.5.6
Ontvangput persleiding
a.
Plaats een kunststof ontvangput met inwendige doorsnede van minimaal 0.80 m bij de uitmonding van persleidingen. De aangrenzende/aansluitende leiding moet in kunststof worden uitgevoerd/aangepast. Dit in verband met het ontstaan van H2S gassen, waar een kunststofput beter tegen bestand is. De uitmonding van de persleiding in deze put dient onder water uit te komen. De valbuis is demontabel of heeft een voorziening voor de ontvangst van een foampig i.v.m. mogelijke reiniging van de leiding.
3.5.7
Gemalen
a.
Levering van gemalen moet plaatsvinden onder de: 1. De Uniforme Administratieve Voorwaarden voor het uitvoeren Technische Installatiewerken (UAV). 2. Algemene voorschriften voor de uitvoering van civiele, werktuigbouwkundige en elektrotechnische werken en PvE van gemeente Hoeksche Waard. Pompinstallaties en pompputten worden door projectontwikkelaar of opdrachtnemer geleverd conform PvE welke door de gemeente wordt aangeleverd. De kosten komen voor rekening van de ontwikkelaar. De ontwikkelaar neemt een stelpost op waaruit deze kosten betaald worden. De gemeente stelt een PvE op waarin de nadere specificaties zijn omschreven. Hierbij gaat de gemeente uit van te leveren pompen en besturing van het fabricaat Xylem of gelijkwaardig. Gebruik een pompput met betonnen geprefabriceerde elementen die via een rubberen schachtring met elkaar worden verbonden; uitvoering in overeenstemming met NEN 7126, NEN 7035 en voorzien van KOMO-keur. De maatvoering wordt bepaald volgens PvE.
g.
b. c. d. e. f. g.
b.
c. d.
Pagina 31 van 133
R R
R
R
R R R R R R R
R
R
R
R R
e.
f. g.
Voorzie de gemalen van een geautomatiseerd signaleringssysteem (Besturingssysteem (SCADA-systeem) van Xylem) dat past binnen het Aquaview systeem van de beheerder. Dit maakt het mogelijk een eenduidig beheer te voeren volgens PvE van de gemeente. De aanbevolen afstand tussen een gemaal en woonbebouwing bedraagt bij voorkeur 50 m maar is minimaal 20 m en is mede afhankelijk van geuremissie en trillings- en geluidscontouren. Locatie gemaal in overleg met de rioolbeheerders. De ontwikkelaar zorgt ervoor dat elke locatie bereikbaar is voor een onderhoudsvrachtwagen. Maak bij het gemaal een verharde opstelplaats voor de onderhoudsauto maximaal totaalgewicht 50 ton (ca. 4 x 12 m)
R
R R R
3.5.8
Persleidingen
a.
De diameter van de persleiding moet worden bepaald Volgens het PvE van de gemeente. Pas voor persleidingen tot 160 mm het materiaal PE 100 toe, klasse PN10 sdr17. Voor grotere diameters in overleg met beheerder het materiaal bepalen. PE-leidingen lassen door lasmoffen of Plason klemfitting op de onderlinge verbindingen. De minimale dekking op een persleiding is 1m. Bochten in persleidingen alleen volgens getrokken bocht uitvoeren. Aan het begin van de persleiding en bij een verandering van diameter dient een reinigingspunt (lanceerpunt foam-pig) te worden opgenomen. Type lanceerpunt en afsluiters volgens het PVE van de gemeente. Op locaties waar stagnatie van gasbellen kan voorkomen door een te groot hoogteverschil moet een ontluchtingsvoorziening worden opgenomen. Locatie, hand of automatische en soort en type ontluchter in overleg met de rioolbeheerder.
b. c. d. e. f. g.
3.5.9
Randvoorzieningen
a. b.
Randvoorzieningen moeten in overleg met de gemeente worden bepaald. Met randvoorzieningen worden o.a. bedoeld: Regenwaterafvoer en opvangsystemen, Buffer- en bergingsfaciliteiten, Groenvoorzieningen en permeabele oppervlakken, Innovatieve rioleringsmethoden, Overstromingsbeheersingssystemen.
R R R R R A A
R
3.5.10 Drukriolering a.
Zie voor specificaties de hoofdstukken gemalen en persleidingen. Een nieuw stelsel zal conform PvE gemeente worden aangelegd. Aansluiten op een bestaand stelsel altijd in overleg met rioolbeheerder, aansluitvoorwaarden zullen afhangen van de opbouw van het bestaande stelsel.
R
3.5.11 Drainage Particulier a. Uitgangspunt is dat drainagewater alleen bij een gescheiden rioolstelsel via de riolering afgevoerd kan worden via het schoonwaterriool. In het geval van ernstige wateroverlast en er geen gescheiden rioolstelsel aanwezig is, en waarbij de eigenaar geen mogelijkheid heeft overtollig grondwater te lozen, kan hij een beroep op de gemeente doen, om in overleg naar een oplossing te zoeken. b. De drainage moet bereikbaar zijn en kunnen worden gereinigd met hogedrukreinigingsapparatuur.
Pagina 32 van 133
A
Openbaar gebied a. Indien een drainage noodzakelijk is geldt het volgende: Voor de drainage met een ontwateringsfunctie moet de diameter minimaal 80 mm zijn en moet het systeem voorzien zijn van inspectieputten bij kruisingen en knikpunten. De drainageleidingen moeten met PP (polypropyleen) of gelijkwaardig natuurlijk materiaal omwikkeld zijn. b. Indien er geen lozing op oppervlaktewater mogelijk is, wordt in overleg met de gemeente bezien of koppelingen en/of aansluitingen op de riolering kunnen worden toegestaan. c. De drainage moet kunnen worden gereinigd met hogedrukreinigingsapparatuur. d. Voorzie het drainagestelsel van meerdere uitmondingen. e. Pas bij het vervangen van riolering een vorm van drainage toe ter voorkoming van grondwater overlast.
R
A R R R
3.5.12 Kolken a.
b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m.
De toe te passen kolken zijn tweedelige kolken e.a. in overleg met team Grijs i.v.m. aansluiting op de trottoirbanden. PE onderbak met minimale hoogte van 700mm, 315x125mm met zijuitlaat incl. stankscherm (fabricaat Dyka) Kolkkop TEGRA Klasse C250 SK-kop 35*35 = SK=straatkolk; TEGRA Klasse C250 TK-Kop 38*38 = TK = Trottoirkolk; TEGRA Klasse C250 SK-molgoot-kop 31*45. (Fabricaat Wavin) Pas bij een weg met kantopsluiting straat- of trottoirkolken toe. Bij verharding achter de kantopsluiting bij voorkeur trottoirkolken toepassen. Bij straatkolken het scharnierpunt van het rooster aan de zijkant van de weg situeren. Plaats de kolken zo dat snelle en veilige waterafvoer is gewaarborgd.
R
Bij een wegbreedte tot 4,50 m bedraagt de maximale onderlinge kolkafstand 15,00 m eenzijdig als de weg eenzijdig afwatert. Bij een wegbreedte tot 6,00 m bedraagt de maximale onderlinge kolkafstand 20,00 m aan weerszijden (dakprofiel) Het bij elk type kolk bepaalde maximaal toelaatbare verhard oppervlak mag niet worden overschreden. Houd minimaal 3 m afstand tussen kolken en drempels/plateaus. Plaats geen kolken recht voor of <1.00 m’ naast oversteekplaatsen en invalide inritten. Oversteekplaatsen en invalide inritten dienen met minimaal hoogteverschil en zo naadloos mogelijk aan te sluiten op de openbare weg. Plaats kolken op speelplekken met een veiligheidssluiting om de veiligheid (ES vergrendeling) van spelende kinderen te waarborgen. Beperk het aantal kolken dat niet machinaal kan worden gereinigd tot een minimum. Plaats geen kolken ter plaatse van in- en uitritten naar eigen terrein. Pas een kolk toe die geschikt is voor het toepassingsgebied en voldoet aan de norm NEN 7067.
R
R R
R R R R R R R R
3.5.13 Uitstroombakken a. b.
c.
Uitstroombakken in taluds van sloten met ingestorte mof en RVS-rooster. Uitstroomvoorziening: beton, instroom voorzien van RVS-vuilrooster. Drukken van een houten Azobé paal t.b.v. fundering betonnen uitstroombak op alle vier de hoeken. Bevestiging gording aan Azobé palen met RVS-slotbouten. Duurzaamheidsklasse 1. Bij de uitstroomvoorzieningen een talud- en bodembescherming aanbrengen bestaande uit een betonnen blokkenmat. Laagdikte 200 mm op onderlaag van bestaande ondergrond.
Pagina 33 van 133
R R
R
Literatuurlijst Riolering en drainage - Leidraad riolering, stichting Rioned; www.rioned.org - Beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakken van werkgroep Riolering WestNederland via Hoogheemraadschap van Rijnland - Toetsing gemeentelijk rioleringsbeleid in west-Nederland, uitgave van werkgroep Riolering west-Nederland (WRW) via waterschap; - Keur Waterschap Hollandse Delta, WSHD; www.wshd.nl - Wet Milieubeheer, Algemene databank Wet- en regelgeving - NNI, Nederlands Normalisatie-instituut; www.nni.nl - Nationaal bestuursakkoord water: www.ipo.nl - 4e Nota Water; www.ministerievanverkeerenwaterstaat.nl 3.6
CIVIELE KUNSTWERKEN (CTK’S)
Onder civiele kunstwerken verstaan we de volgende voorzieningen: • Trappen; • Palissaden; naar wegen (opsluitband) • Muren; • Duikers; • Damwanden/ Kademuren; • Oeverbescherming/Beschoeiingen; • Bruggen; • Steigers/vlonders; • Viaducten; • Leuningen. 3.6.1
Algemeen
De door het CROW uitgegeven publicaties en richtlijnen zijn binnen gemeente Hoeksche Waard van toepassing. Voor een volledig overzicht kan de site van het CROW geraadpleegd worden. a.
Fundering is afgestemd en berekend op de bodemeigenschappen. Zodanig gefundeerd om te voorkomen dat deze meer of minder zakt dan de natuurlijke maaivelddaling;
R
b.
Levensduur: • Betonnen kunstwerken: 60 jaar; • Stalen kunstwerken: 35 jaar; • Houten kunstwerken: 25 jaar; • Installaties beweegbare bruggen: 40 jaar; • Pompen en overige elektronica: 20 jaar; • Landhoofden: 80 jaar; • Betonconstructies: 60 jaar; • Staalconstructies: 35 jaar; • Beschoeiingen: 35 jaar; • Kademuren/keerwand/damwand: 40 jaar; • Duikers: 40 jaar • Hekwerken: 15 jaar. Taluds, constructie en materialen vandalismebestendig construeren. Onderhoudsbewust ontwerpen, onderdelen moeten goed en eenvoudig bereikbaar zijn voor inspectie en onderhoud. Betonconstructies moeten minimaal voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in de geldende versie “Kwaliteitsleidraad in de betonbouw” van de CUR. Verkeersklasse bruggen volgens geldende versies van VOSB (stalen bruggen) of VBB (betonnen bruggen) en bouwbesluit. Maatregelen ter voorkoming van graffiti. Bruggen en viaducten beschermen tegen beschadigingen door aanrijdingen en/of aanvaringen.
R
c. d. e. f. g. h.
Pagina 34 van 133
R R R R R R
i. j. k. l.
m. n. o. p. q. r. s. t. u.
v.
Langs damwanden gordingen toepassen, schuine liplassen toepassen. Niveau bovenkant steigers minimaal 0,30 m boven hoogste waterstand aanbrengen en dusdanig aanbrengen dat rekening wordt gehouden met de fluctuaties in de waterstand. Veiligheidsvoorzieningen als antislipprofielen, klimbeugels, hekwerken, enzovoort toepassen. De hoogte van de leuningen/hekwerk bedraagt 1,2 meter ten opzichte van bovenzijde dek (conform Bouwbesluit) voor voetgangersbruggen. Voor fiets- en verkeersbruggen bedraagt de hoogte van de leuning ten opzichte van het dek 1,3 meter. Leuningen doorzetten tot minimaal boven insteek talud of einde brug. Er mogen geen gaten vallen tussen einde leuning en taluds. De leuning dient voorzien te zijn van regels met een maximale onderlinge afstand van 0,30 meter. Een civiel kunstwerk dient voorzien te worden van een leuning bij een hoogteverschil tussen het wateroppervlak en de bovenkant van het brugdek vanaf 1,0 meter (conformBouwbesluit). Waar mogelijk lasverbindingen toepassen in plaats van bouten en moeren. Constructies afstemmen op berekende en te verwachten verkeersbelastingen. Tijdig contact opnemen met de nutsbedrijven om plannen voor nutsvoorzieningen door en langs het kunstwerk te inventariseren. Voorzieningen opnemen ten behoeve van nutsbedrijven en voldoende ruimte reserveren voor latere kabels en leidingen.
Indien noodzakelijk voor een kunstwerk een omgevingsvergunning voor bouwen aanvragen bij de gemeente. Voor alle kunstwerken in en om het water moet een vergunning/melding bij het waterschap worden gedaan. Alle kunstwerken moeten van een constructieberekening worden voorzien, waarbij eventueel rekening moet worden gehouden met het maken van sonderingen. Geen reclamezuilen. De nieuw aan te brengen constructies (inclusief alle benodigde berekeningen) dienen te voldoen aan het gestelde in: • Bouwbesluit; • Alle geldende NEN-EN normen inclusief NI, waaronder: o NEN-EN 1990+A2; o NEN-EN 1991-2; o NEN-EN 1992-1-1; o NEN-EN 1993-1 o NEN-EN 1995-1-1; o NEN-EN 1997-1; • Waterwet; • Keur en Legger Waterschap Hollandse Delta. Van alle nieuwe constructies dienen voor oplevering de volgende zaken te worden aangeleverd: • tekening “as build” in PDF en DWG (o.g.); • alle gemaakte berekeningen in PDF.
3.6.2
Situering
a. b.
Voldoen aan de wettelijke verkeersveiligheidseisen. Ontwerp afstemmen op omgeving waarin het kunstwerk is geplaatst. • In wijkontsluitingswegen en hogere orde ontwerpen op verkeersklasse 60; • In overige wegen verkeersklasse 45; • Fiets- en voetgangersbruggen verkeersklasse 30 (onderhoudsvoertuig); Indien het kunstwerk in een ecologische route ligt, moet de barrièrewerking zo beperkt mogelijk zijn. Hiertoe maatregelen volgens het advies van de (externe)
c.
Pagina 35 van 133
R R R R
R R R R R R R A W
R
W R
R
d. e. f. g. h. i. j.
ecoloog in het ontwerp verwerken. De eventuele externe ecoloog moet door de gemeente zijn goedgekeurd. Doorsnijding van ecologische structuren voorkomen en zo smal mogelijk houden. Ecologische aspecten meenemen in ontwerp, vrije migratie van land- en waterdieren moet mogelijk zijn, eventueel via speciale voorzieningen. Veiligheid van de weggebruikers moet zijn gewaarborgd. Sociale veiligheid (gebruikers) waarborgen. Doorzicht en toezicht door aanwonenden en overige weggebruikers mogelijk maken. Vorm en afmetingen afstemmen op verkeersstromen. Funderingsadvies voor een kunstwerk is noodzakelijk, constructie afstemmen op advies en bodemeigenschappen.
3.6.3
Toegankelijkheid, gebruik en veiligheid
a.
Doorvaarthoogte in watergangen met recreatievaart en in schaatsroutes: minimaal 1,1 meter t.o.v. de hoogste waterstand. Dit conform de meest recente publicatie “Algemene regels voor watersystemen en wegen” van het WSHD. Doorstroming van snelverkeer is naast de veiligheid voor de weggebruikers en de woon- en werkomgeving primair. Ontwerp afstemmen op verkeersgebruik. De veiligheid van weggebruikers moet zijn gewaarborgd. Indien van toepassing geen menging van snelverkeer en langzaam verkeer. Ontwerp afstemmen op minder validen. Ontwerp afstemmen op omgeving. In bestaand gebied moeten de profielen aansluiten op de omgeving. Rekening houden met uit te voeren gladheidbestrijding en veegonderhoud. Hemelwaterafvoer in de constructie opnemen, goed bereikbare en makkelijk te onderhouden ontstoppingsvoorziening toepassen. Voorzieningen opnemen ten behoeve van nutsbedrijven en voldoende ruimte reserveren voor latere kabels en leidingen. Er mag nergens (dooi)water blijven staan. Voor installaties voorzieningen treffen voor in- en uithijsen. Aan beide zijden van beweegbare bruggen een afmeergelegenheid en verbinding met de wal voor een schip realiseren. Beweegbare bruggen voorzien van veiligheidslinten zodat brugdek en aansluitend wegdeel in zijn geheel afgesloten kan worden.
Leuningen doorzetten tot minimaal boveninsteek talud of einde brug, er mogen geen gaten vallen tussen einde leuning en taluds. Hellingspercentage toeritten conform laatste versie ASVV. Geen bochten in tunnel, wijkende wanden toepassen in fiets- en voetgangerstunnels. Directe vluchtmogelijkheid vanaf uitgang tunnel naar drukke weg maken. Afvoer van lek-, regen-, en druipwater in tunnels en dergelijke constructies via een olie afscheider op DWA-riool. Glasgebruik is slechts toegestaan na goedkeuring van de beheerder. Doorzicht en toezicht door aanwonende en overige weggebruikers mogelijk maken. Aanrijd- en aanvaarbeveiligingen toepassen, afmetingen en zwaarte afhankelijk van berekende verkeersstromen en vaartuig karakteristieken. Voldoende natuurlijke of eventueel geforceerde ventilatie. Strooivoorziening in de directe nabijheid van de constructie aanbrengen; • Verkeersbelasting dient kenbaar te zijn; • Beveiligen tegen aanrijdingen is niet van toepassing. Voorkom beschutte hoekjes en daarmee vuilophoping en wildplassen. Voorkom dat vogels en andere dieren zich in de constructie ophouden. Voldoende ruimte creëren voor elementen zodat geen dichtgroei plaatsvindt. Het element moet goed bereikbaar zijn voor machines voor onderhoud etc. Sociale veiligheid waarborgen.
b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p. q. r. s. t. u. v. w. x. y. z. aa. ab. ac.
Pagina 36 van 133
R R R R R R R
R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R R
ad.
Langs de opgangen van bruggen en duikers beveiliging aanbrengen in de vorm van hekwerken en eventueel uitklimvoorzieningen.
3.6.4
Materialen
a. b. c.
Materiaal afstemmen op omgeving waarin het kunstwerk is geplaatst. Hergebruik van verhardingsmaterialen nastreven. Kiezen voor duurzame, voor hergebruik geschikte materialen, die niet milieubelastend zijn. Geen onnodig materiaalgebruik ten behoeve van geforceerde en technisch onlogische constructies. Beperk geluid van op- en afrijdend verkeer en installaties. Geen chemisch verduurzaamde materialen of milieubelastende materialen en conserveringsmaterialen toepassen. Minimaal energiegebruik. Gekleurde, in het zicht zijnde prefab-betonelementen door en door kleuren, zodat eventuele beschadigingen minder opvallen. Deze elementen moeten zijn voorzien van een deugdelijke afdichting, zodat er tijdens gebruik geen schade in welke vorm dan ook kan ontstaan Geen kieren, richels of sparingen toepassen waar zand en bladeren in achterblijven ter voorkoming van onkruid. Zoveel mogelijk standaard handelsartikelen en –materialen, genormaliseerde onderdelen, gangbare constructies en detailoplossingen toepassen. Maatregelen nemen ter voorkoming van roestvorming, of roestvrijstalen leuningen toepassen ter plaatse van laswerk waar mogelijk coating/verf toepassen ter voorkoming van roestvorming. Voor houten en kunststof constructies roestvaststalen bevestigingsmiddelen toepassen.
In plaats van hout eventueel hoogwaardig kunststof (vezel versterkt composietmateriaal) toepassen voor bijvoorbeeld steigers, bruggetjes, brugdekplanken. Gelijke materiaalkwaliteiten toepassen. Slijtlagen moeten voldoen aan de eisen gesteld in 'Beoordelingsrichtlijn voor kunststofslijtlagen' uitgegeven door Rijkswaterstaat. In het bestek de omstandigheden waaronder een oppervlaktebehandeling moet worden verwerkt omschrijven, te denken valt aan een minimumtemperatuur en toelaatbare vochtigheid brugdek. Kwaliteitsnorm en verwerkingsvoorschriften van producten volgen. Kunstwerken moeten onderhoudsarm worden ontworpen. Alle onderdelen moeten goed en eenvoudig bereikbaar zijn. Goten, roosters en afvoerbuizen in kunstwerken moeten snel en zonder speciale gereedschappen schoon te maken zijn. Materialen samenstellen, verwerken en behandelen volgens meest recente NENnormen. Materialen kiezen met langdurig hoogwaardige uitstraling. Onderlegringen van oplegconstructies zijn bij voorkeur van kunststof. Bij het toepassen van stalen onderdelen bij voorkeur kiezen voor RVS, anders de stalen onderdelen thermisch verzinken en voorzien van een coating. Op verfsystemen moet door de fabrikant en verwerker een garantie afgegeven worden van 10 jaar waarvan 5 jaar 100% garantie en de resterende 5 jaar afbouwend.
Sparingen in brugdekken ten behoeve van bevestiging vullen met bitumineus gietproduct of gelijkwaardig. De keuze hiervan in overleg met de gemeente. Achter beschoeiing en damwanden, geotextiel toepassen, dit goed aan de constructie bevestigen. Geen vlechtschermen toepassen. Afdekplanken minimaal 35mm dik in verband met kromtrekken. Geen houtdraadbouten in kops hout. Langs damwanden gordingen toepassen, schuine liplassen toepassen. Voor het toepassen van markeringen, materiaalgebruik, volgens geldende versie ASVV.
d. e. f. g. h.
i. j. k. l. m. n. o. p.
q. r. s. t. u. v.
w. x. y. z.
Pagina 37 van 133
R
A R R A R R R R
R R R R A R R R
R R R R R R
R R R R
aa.
ab. ac. ad. ae. af. ag. ah. ai. aj. ak.
Waterlijn voorzien van beschoeiing Toegestane materialen zijn: • beton • hout • kunststof (ook gerecycled en combi) • staal • steen Bij bruggen met een betondek moet tussen het beton en de slijtlaag een membraan aangebracht worden. Materiaalkeuze afstemmen op formaat kunstwerk (klein in hout of kunststof, groot in beton of staal). Brugdekken voorzien van antislip laag met gegarandeerde levensduur van minimaal 10 jaar. Niet corroderende en brandveilige/brandwerende materialen kiezen. Onderdelen van kunstwerken zo bevestigen dat ze niet zonder gereedschap kunnen worden verwijderd. Maatregelen treffen ter voorkoming van graffiti, bijvoorbeeld antigraffiti coating of keramische materialen. In plaats van wanden taluds toepassen mede uit het oogpunt van sociale veiligheid. Wanden van tunnels en viaducten met tegels bekleden of voorzien van een antigraffiti coating met een minimale levensduur van 3 jaar. Goedgekeurde (FSC-keurmerk) houtsoorten gebruiken. Juiste houtkwaliteit, hardhout, geen zachthout (dus geen verduurzaamd hout) Langs bruggen, beschoeiing van golfplaten of houten schotten. (zie 3.6 en 3.13.1 en 3.13.2)
R
R R R R R R R R R R
Literatuurlijst • CROW, Standaard RAW bepalingen • ASVV (aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) • Handboek voor toegankelijkheid en bruikbaar ontwerpen en bouwen voor gehandicapte mensen • CROW-publicatie, richtlijn integrale toegankelijkheid openbare ruimte • CROW-publicatie 201, praktijkboek toegankelijkheid openbare ruimte • CROW-publicatie 182; " Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering" • "Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid" van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding, www.NVBR.nl • Verkeersstructuurplan • Handboek Wegontwerp (wegen buiten de bebouwde kom) • CROW-publicatie 119, “Ontwerpvoorbeelden onkruid werende verhardingen • CROW-publicatie 315, richtlijn essentiële herkenbaarheidskenmerken van wegen • CROW-publicatie 261, “Handboek verkeersveiligheid” • CROW-publicatie 219c, “Toegankelijkheid collectief personenvervoer
Pagina 38 van 133
3.7
GROEN
De volgende onderdelen komen in dit hoofdstuk aan de orde. • Algemeen • Bomen • Bosplantsoen • Heesters • Hagen en blokhagen • Vaste planten, eenjarige, bakken en perkrozen • Plantenbakken • Hekwerken • Bermen • Gazon • Ecologisch groen • Water- en oeverplanten 3.7.1
Algemeen
a.
Het openbaar groen moet voldoen aan het eindbeeld volgens de richtlijnen van het CROW (meestal niveau B), vastgelegd in door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaders. Alle omschreven werkzaamheden en toepassing van materialen m.b.t. bomen dienen te worden uitgevoerd conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda. Het planten van bomen, heesters en vaste planten en de aanleg van gazon in “externe” projecten wordt op kosten van de ontwikkelaar en in de regel door de projectontwikkelaar uitgevoerd. De “interne” gemeentelijke projecten worden door de eigen (buiten)dienst of door een aannemer aangeplant. Nieuwe of te renoveren groenvakken kennen of krijgen een evenwichtige water/lucht huishouding en zijn vrij van puin, grondbonken en overige ongewenste onregelmatigheden of verontreinigingen. Indien noodzakelijk worden groenvakken voorzien van drainage. Grond waarin beplanting en/of bomen worden aangeplant voldoet minimaal aan de volgende eisen: • Hoog organisch stofgehalte • Homogeen van structuur • Duurzaam door natuurlijk compostering • Vrij zijn van zaden en wortelresten • Voor bomen: conform kwaliteitseisen, richtlijnen en normen uit handboek bomen 2022 of de meest recente versies.. Het te kiezen assortiment is waar mogelijk geschikt als waardplant en voedselplant voor insecten zoals bijen en vlinders.
Tevens is het te kiezen assortiment, waar van toepassing is, geschikt als waardplant voor fauna zoals vleermuizen. Voor bomen op hittestress gevoelige locaties, veel gebruikte fiets/wandelverbindingen: schaduwrijke kruin. Introductie van exoten: het aanplanten of aanbrengen van plantensoorten die op de Europese Unielijst en lijst in bijlage staan. Van alle wijzigingen in de openbare ruimte worden (digitaal, in autocad, DWG en/of DXF-formaat en in shape-file, in RD-coördinatenstelsel. Amersfoort/RD New EPSG:28992) revisiegegevens aangeleverd aan de gemeente. Dat geldt onder andere voor gewijzigde maatvoeringen, gewijzigd boomassortiment, toegepaste drainages, et cetera. De ontwikkelaar is na aanleg van de groenvoorziening of aanplant van bomen minimaal 1 volledig groeiseizoen verantwoordelijk voor het onderhoud. Dit onderhoud bestaat o.a. uit onkruidbestrijding, water geven, vervangen dode beplanting (inboet), snoeiwerkzaamheden en maaiwerkzaamheden. Het onderhoud wordt minimaal uitgevoerd op beeldkwaliteit B van de CROW. De ontwikkelaar levert vooruitlopend een onderhoudsplan aan met daarin opgenomen de te nemen onderhoudsmaatregelen en periode van uitvoering daarvan. Team Beleid en Beheer Openbare Ruimte wordt al bij het begin van de ontwikkelfase van nieuwe projecten, renovaties en/of innovaties betrokken aan de “ontwerptafel”.
b.
c.
d.
e.
f.
g.
Pagina 39 van 133
R
R
R
R
W R
R
R
h. I.
Projectontwikkelaars leveren voor een project een beplantingsplan aan dat altijd eerst door Team Beleid en Beheer Openbare Ruimte getoetst en goedgekeurd moet worden voor aanplant. Er kan geen sprake zijn van gedeeld onderhoud van groen tussen de gemeente, bedrijven en bewoners (met inbegrip van hagen op erfgrenzen). Afwijking van deze regel kan uitsluitend na overleg met en met goedkeuring van de gemeente.
Situering a. Het groen moet de (ecologische) structuur versterken. Er moet een logische samenhang zijn tussen groenstructuur (hoofd- en wijkstructuren) en stedenbouwkundige structuur met zoveel mogelijk behoud van het bestaand groen. b. Alle te onderhouden voorzieningen (gras, beplantingen, sloten, etc.) zijn goed bereikbaar voor machines voor beheer en onderhoud. c. Openbaar groen niet direct aan particulier groen laten grenzen vanwege de kans op (illegale) ingebruikname door bewoners, bijv. door het aanleggen van een pad of een duurzame erfafscheiding. d. In verband met sociale veiligheid moet rekening worden gehouden met het zicht vanuit woningen op parkeervakken, voet- en fietspaden: • Er mag geen beplanting geplaatst worden die de verlichting van paden belemmert. e. Tussen wegen en rijbanen die opgenomen zijn in de strooiroutes voor de gladheidbestrijding en plantsoenvakken moet bij voorkeur een kantopsluiting (verhoogde band) aanwezig zijn om uitspoeling van zout (bij gladheidbestrijding) in de plantvakken te voorkomen. f. Voorkom achtertuinen aan de openbare weg. g. Het is niet toegestaan nutsvoorzieningen in groenstroken aan te leggen tenzij dit vooraf door de gemeente is goedgekeurd. h. Bij gevels met een kopgevelraam die grenzen aan een plantsoen wordt een tegelpad opgenomen van grijze betonsteen 60x40x6 (aaneengesloten en haaks op de gevel) t.b.v.
het wassen van de ramen. i. Positionering bomen zoveel mogelijk schaduw gevend bij hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst Maatvoering a. Houd rekening met het feit dat groen groeit; ontwerp plantvakken en bomen op hun volwasdom. b. De gekozen maatvoering van de beplanting en de plantafstanden dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor start aanplant. c. Geen ‘snippergroen’ toepassen; kleine groenstroken zijn onderhoudsintensief en slijtagegevoelig. d. Groenstroken minimaal 0,80 m doorspitten, 0,30 m frezen met een geschikt groeimedium. e. Over het aanbrengen van drainage moet vooraf overlegd worden met de beheerder van de gemeente. f. Randlengte beperken vanwege hoge onderhoudslasten door schoffelen en kantsteken. Materiaalkeuze a. Gebruik plantmateriaal dat past bij de lokale omstandigheden. b. Gebruik kwalitatief hoogwaardig materiaal. c. Bij voorkeur geen beplanting met giftige bloemen en/of bessen toe passen. d. Bij voorkeur terughoudend zijn om planten met stekels toe te passen. Tenzij het om planten gaat in ecologische zone of natuurlijke biotoop. e. Geen ziektegevoelige soorten toepassen. f. Plantmateriaal moet onderhouden kunnen worden zonder toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen.
Onkruidbestrijding met biologische middelen is uitsluitend toegestaan na overleg over en met expliciete toestemming van de gemeente.
Pagina 40 van 133
R R
R R A A
A
A R R A
R R R R A A
R R A A R R
3.7.2 a. b. c. d.
e. f.
g. h.
i.
j.
Bomen Rekening houden met waardevolle bomen (zie bomenlijst en kaarten gemeente Hoeksche Waard). Bomen worden zodanig aangeplant dat zij hun eigen habitus kunnen creëren (dus dat er voldoende ruimte is voor de boom om zich vrijelijk tot volledige wasdom kan ontwikkelen zonder gehinderd te worden door andere obstakels). De initiatiefnemer/ontwikkelaar moet bij projecten een Boom Effect Analyse (BEA) laten uitvoeren voor bomen binnen het werkgebied welke ter goedkeuring aan Team Beleid en Beheer Openbare Ruimte wordt voorgelegd. Voor de kap van bomen gelden de voorwaarden zoals vermeld in de Bomenverordening gemeente Hoeksche Waard 2022. Als bomen echt niet behouden kunnen worden, is het uitgangspunt dat de bomen dan verplant worden naar een andere locatie. Afwijking van die regel uitsluitend na overleg en met goedkeuring van de gemeente (BBOR). Bomen binnen de werkgrens beschermen conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda. Lei- en knotbomen (inclusief te “broeken” bomen) worden slechts minimaal en zeer terughoudend in een ontwerp opgenomen. Het toepassen van lei-, knot- en broekbomen kan uitsluitend met instemming vanuit Team Beleid en Beheer Openbare Ruimte. Dat geldt ook voor vruchtdragende laagstam en hoogstam fruitbomen (met inbegrip van boomgaarden). In het kader van biodiversiteit en risicobeheersing m.b.t.
ziekten en plagen is het toepassen van monoculturen (> 5 stuks dezelfde bomen op rij of in groep) niet toegestaan. Uitzondering hierop maken van een Elzensingel. Indien een boom binnen een projectgebied gekapt moet worden, dan is de ontwikkelaar een Compensatie KapitaalsWaarde Bomen (CKWB) verschuldigd voor iedere gemeentelijke boom die onverhoopt gekapt moet worden. Voor gemeentelijke bomen geldt een standaardbedrag van € 600,00 per boom (0% btw tarief), voor bomen in groenstructuren geldt een normbedrag van € 1.000,00 (0% tarief) en voor bomen in hoofdboomstructuren en voor monumentale bomen geldt een normbedrag van € 1.500,00 per boom (0% btw tarief). De kapitaalswaarde van een boom wordt vastgesteld door de gemeente. Van de aan de gemeente te vergoeden kapitaalswaarde kunnen de kosten voor nieuw aan te planten (compensatie)bomen worden afgetrokken tot een maximum van € 500,00 (0% btw tarief) en met een maximum van het totale bedrag van de te betalen CKWB. Deze kosten omvatten onder andere de aanschafwaarde van de boom, de boompalen, boomband, plantgat verbetering, de arbeid om de bomen te planten en 1 jaar nazorg en onderhoud. Voor iedere boom die gekapt wordt moet er tenminste 1 vervangende terugkomen (compensatieplicht). De vervangende boom dient op gemeentelijk grondgebied aangeplant te worden (bomen op particuliere gronden tellen dus niet mee in de compensatie).
Situering a. Bij het ontwerp van de openbare ruimte voor bomen rekening houden met een optimale ondergrondse groeiplaats (voldoende doorwortelbare ruimte) conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda en de meest recente versie b. Het planten van bomen vindt plaats volgens de voorschriften in Bij het ontwerp van de openbare ruimte voor bomen rekening houden met een optimale ondergrondse groeiplaats (voldoende doorwortelbare ruimte) conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda en de meest recente versie zoals beluchting, bewatering, verankering, etc. c. Voldoende ruimte creëren om de bomen te laten groeien tot volle wasdom, dit geldt zowel boven de grond (voldoende onderlinge afstand en afstand tot verticale objecten) als onder de grond (doorwortelbare ruimte en afstand t.o.v. kabels en leidingen) conform de eisen zoals beschreven in het Bij het ontwerp van de openbare ruimte voor bomen rekening houden met een optimale ondergrondse groeiplaats (voldoende doorwortelbare ruimte) conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda of de meest recente versie. Speciale aandacht Pagina 41 van 133
R R R W
R R
R R
R
R
R
R
R
d.
e.
f. g. h.
i. j. k. l.
m. n. o. p. q. r. s. t.
voor de plaatsing van bomen versus de plaatsing van lichtmasten (geen lichtmasten in de huidige of toekomstige kroon van een boom). Bomen zo ver mogelijk uit de rijweg planten i.v.m. aanrijd- en strooizoutschade conform de eisen zoals beschreven in het Bij het ontwerp van de openbare ruimte voor bomen rekening houden met een optimale ondergrondse groeiplaats (voldoende doorwortelbare ruimte) conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda en de meest recente versie Voorkomen dat pekelwater in boomspiegels kan lopen en voorkomen dat de kroon door aanrijden wordt beschadigd. Bomen in gras: rekening houden met voldoende ruimte (tussen bomen en objecten, of tussen bomen onderling) voor maaiwerk (5-delige maaier heeft een maaibreedte van 3,50 m) met in acht name van het gestelde in het Bij het ontwerp van de openbare ruimte voor bomen rekening houden met een optimale ondergrondse groeiplaats (voldoende doorwortelbare ruimte) conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda of de meest recente versie Bomen bij voorkeur situeren in gras of beplanting. Geen bomen in verharding als er binnen 50 m. een goede standplaats in het groen is. Bomen minimaal 2 meter uit de erfgrens planten, zoals ook bepaald is conform artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.
Rekening houden met bezonning en belichting van gebouwen, particuliere tuinen en speelplaatsen en met onderliggend groen. Vermijd schaduwoverlast voor bewoners. Niet te dicht bij ramen en zonnecollectoren situeren. Het is acceptabel wanneer bewoners een deel van de dag schaduw in hun huis of tuin hebben, mits de zon ook gedurende een deel van de dag binnenvalt (er moet enkele uren zon in de particuliere tuin/woonkamer komen en zonnepanelen krijgen minimaal 6 uur per dag zon). Bomen zo min mogelijk in verharding plaatsen in verband met wortelopdruk. Bij situering nabij parkeerplaatsen moet aanrijschade worden voorkomen. Geen kabels en leidingen aanbrengen binnen de kroonprojectie van bestaande bomen conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda of de meest recente versie T.a.v. bestaande bomen: indien er werkzaamheden binnen de kroonprojectie + 1,5 meter van bestaande bomen moeten worden uitgevoerd, is maximale aandacht voor en bescherming van de boom een vereiste. Een en ander conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda of de meest recente versie Afwijking van die regel uitsluitend na overleg en met toestemming van team Beleid en Beheer Openbare Ruimte. T.a.v. bestaande bomen: streven naar handhaving van bestaande bomen op hun huidige standplaats.
Houd rekening met verminderde groeiruimte voor wortels van bomen in taluds of vlak boven de waterspiegel. Voorkom coulissewerking van bomen langs hoofdontsluitingswegen (in verband met uitzicht bij zijwegen en inritten). Voldoe qua uitzichtlengte aan de normen van de geldende CROW-publicatie. Zorg voor een ondergrondse verbinding indien de boom in verharding staat en nabij ‘open’ grond aanwezig is. Bestaande bomen worden niet gesnoeid, getopt of gekandelaberd t.b.v. rendementsverhoging van zonnecollectoren. Met nieuwe bomen wordt wel rekening gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid. Geen vruchtdragende bomen aanbrengen langs de openbare weg, parkeerplaatsen en fietspaden. Geen giftige bomen toepassen met inbegrip van voor dieren giftige bomen langs percelen/locaties waar dieren gehouden worden. Er wordt rekening gehouden met actuele ziekten en plagen ten aanzien van de assortimentskeuze.
Maatvoering a. Op tekeningen bomen intekenen in volle wasdom en op schaal. b. Alle maatvoeringen van en voor bomen zijn conform de eisen zoals beschreven in het Handboek Bomen 2022 en de addenda of de meest recente versie. Dat geldt zowel Pagina 42 van 133
A
A
R R R
R R R R
R R R R R R R R
R R
c. d.
voor ondergrondse- als ook bovengrondse maatvoeringen, de hoeveelheid en samenstelling van toe te passen bomengranulaat en bomenzand, ontgravingsdieptes en afmetingen van plantvakken. De afstand is mede afhankelijk van type en grootte boom (vorm) en de afmetingen en vorm van de habitus bij volledige wasdom. Als er toch bomen in straatwerk of bij parkeerplaatsen moeten komen, moeten maatregelen worden genomen om wortelopdruk te voorkomen door toepassen van wortelgeleidingsschermen en beluchtingskokers.
Materiaalkeuze a. Over de keuze van de boomsoorten die in beheer en onderhoud komen bij de gemeente beslist de gemeente. b. De minimale maatvoering van de aan te planten bomen is 18/20. 3.7.3
Bosplantsoen
a.
Het eindbeeld moet bij iedere beheerder bekend zijn. In het ontwerpstadium het eindbeeld bepalen zodat dit de leidraad is voor vaststellen van beheermaatregelen. Rekening houden met verkeersveiligheid en sociale veiligheid. Bosplantsoen vraagt om ruimte. Het vol wasdom van het bosplantsoen bepaalt de minimale breedte van het vak. • 2 rijen bomen: minstens 10 – 15 meter; • 2 rijen bomen met een struikrand: minstens 25 meter; • Stuiken alleen: minstens 5 meter; Struiken met incidentele bomen: minstens 10 meter. De gekozen maatvoering van de beplanting en de plantafstanden dienen door de gemeente goedgekeurd te worden voor start aanplant. De maximale hoogte van beplanting bij uitzichthoeken is 0,75 meter. Planten 1 meter uit de rand van het plantvak plaatsen. Bij soortkeuze rekening houden met beheer en de lokale grondsoort. Langs wegen en fietspaden soorten kiezen die goed bestand zijn tegen invloed van dooizouten. De minimale aanplantmaat is 80-100. Combineer stinzenplanten met bosplantsoen, voor een langere bloeiboog en aantrekkelijk beeld.