Was-wordt-tabel-diverse-APV-wijzigingen-2022
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging Algemene plaatselijke verordening Hilversum 2010 i.v.m. diverse wijzigingen In deze tabel wordt van alle artikelen in het raadsbesluit tot wijziging van de APV opgenomen: de bestaande tekst (kolom 1), de nieuwe tekst (kolom 2) en een toelichting (kolom 3). Leeswijzer Artikel I, II etc. verwijzen naar de artikelen in het raadsbesluit tot wijziging van de APV In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. Artikel I Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1.2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
Artikel 1.2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.4.1, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.4.2, of een vergunning als bedoeld in artikel 4.5.2.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.4.1, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.4.2, of een vergunning als bedoeld in artikel 4.5.2.
4.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, artikel 2:11 of artikel 4:11.
Toelichting
Bij de vorige APV wijziging is lid 4 al omgenummerd in lid 3. Lid 4 kan daarom vervallen. Dit betreft dus een technische wijziging.
1
Artikel II Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1.9 Uitzondering lex silencio positivo
Artikel 1.9 Uitzondering lex silencio positivo
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:
- Artikel 2.2.2: Vergunning organiseren evenementen;
- Artikel 2.2.2: Vergunning organiseren evenementen;
- Artikel 2.3.1.1 juncto artikel 4 Horacaverordening Hilversum 2003: Ontheffing ter bescherming van het woon- en leefklimaat;
Op grond van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een beschikking, zoals een vergunning of ontheffing, van rechtswege verleend indien niet tijdig op de aanvraag wordt beslist. Artikel 2.3.1.1 betreft echter niet het aanvragen van een beschikking. Bovendien wordt hier in de horecaverordening zelf op ingegaan - Artikel 2.4.26: Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat;
- Artikel 3.2.1: Vergunning seksinrichting.
Toelichting
Het is onwenselijk als een dergelijke vergunning van rechtswege verleend wordt als niet tijdig beslist is. Zie verder de toelichting bij dit artikel.
- Artikel 3.2.1: Vergunning seksinrichting.
2
Artikel III Bestaande tekst
Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. 2. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. Artikel 2.1.2.2, tweede lid kan worden verwijderd nu het begrip al in de definities in artikel 1.1 is opgenomen.
3
Artikel IV Bestaande tekst
Artikel 2.1.5.2 Winkelwagentjes 1. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 2.1.5.2 Winkelwagentjes 1. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Het bepaalde in lid 3 staat al in lid 2 zodat lid 3 kan vervallen. Dit betreft een technische wijziging.
4
Artikel V Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Afdeling 2 Toezicht op evenementen
Afdeling 2 Toezicht op evenementen
Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: ………………… d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; ………………………. g. activiteiten die plaatsvinden in een inrichting en behoren bij het normale gebruik van die inrichting, tenzij deze activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de openbare orde.
Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: ………………… d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; ……………………….
Toelichting
De Drank- en Horecawet is vervallen en vervangen door de op 1 juli 2021 in werking getreden Alcoholwet.
g. activiteiten die plaatsvinden in een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf en behoren bij het normale gebruik daarvan, tenzij deze activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de openbare orde.
Het begrip ‘inrichting’ wordt in hoofdstuk 2 van de APV niet gedefinieerd. Dit kan in de praktijk daarom leiden tot onduidelijkheid. Door dit begrip te vervangen door ‘een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf’ wordt deze onduidelijkheid weggenomen.
h. een speelgelegenheid als bedoeld in artikel 2.3.3.1, eerste lid.
Door deze toevoeging aan artikel 2.2.1 wordt verwarring voorkomen en duidelijk gemaakt dat speelgelegenheden niet worden aangemerkt als evenement als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 2.
5
Artikel VI Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 2.2.2 Evenement Verbodsbepaling 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
Artikel 2.2.2 Evenement Verbodsbepaling 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. Het verbod van het eerste lid geldt niet: a. voor evenementen die voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld in het Besluit aanwijzing kleine evenementen gemeente Hilversum.
2. Het verbod van het eerste lid geldt niet: a. voor kleine evenementen die voldoen aan door de burgemeester opgestelde nadere regels.
De bedoeling van deze bepaling is om de burgemeester te kunnen laten bepalen in welke gevallen geen evenementenvergunning nodig is. Door te verwijzen naar een specifiek bestaand besluit, wordt de mogelijkheid voor de burgemeester om dit te doen te veel beperkt. Immers, indien de burgemeester ten behoeve van dit artikel andere regels wenst op te stellen, dan moet eerst de APV worden aangepast, zodat artikel 2.2.2, lid 2, onder a ook naar deze nieuwe regels verwijst. Door de onderhavige wijziging van deze APV-bepaling wordt ten alle tijden naar de correcte regels verwezen, zonder dat daarvoor steeds de APV hoeft te worden aangepast.
Artikel VII Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.2.3a Indienen Aanvraag 1. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van de indieningsvereisten van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.2, lid 1 of de melding van een evenement als bedoeld in artikel 2.2.2, lid 2, sub a
Artikel 2.2.3a Indienen Aanvraag 1. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van de indieningsvereisten van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.2, lid 1 of de melding van een evenement als bedoeld in artikel 2.2.6, lid 1.
Toelichting
De verwijzing naar artikel 2.2.2, lid 2, sub a, is onjuist en moet zijn een verwijzing naar artikel 2.2.6, eerste lid.
6
Artikel VIII Bestaande tekst
Artikel 2.2.6 Meldingplichtige evenementen 1. De organisator van het evenement bedoeld in artikel 2.2.2, lid 2, sub a, stelt de burgemeester tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement hiervan in kennis door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier. 2. De burgemeester kan binnen 15 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2.2.3a, lid 2 te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Nieuwe tekst
Artikel 2.2.6 Meldingplichtige evenementen 1. De organisator van het evenement bedoeld in artikel 2.2.2, lid 2, sub a, stelt de burgemeester tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement hiervan in kennis door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier. 2. De burgemeester kan binnen 15 werkdagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het eerste lid besluiten het organiseren van het evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Toelichting
Het tweede lid bevat een onjuiste verwijzing naar artikel 2.2.3a, lid 2. Deze verwijzing moet zijn naar het eerste lid van artikel 2.2.6.
7
Artikel IX Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen
Toelichting
Paragraaf 1: TOEZICHT Artikel 2.3.1.1 Toezicht op inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren
Deze toelichting is overbodig en bevat bovendien een verwijzing naar oude regelgeving.
Met betrekking tot toezicht op inrichtingen is de “Horecaverordening Hilversum“ van toepassing (GB03.66; vastgesteld op 26 juni 2003 en in werking getreden op 15 augustus 2003). Paragraaf 2 (niet opgenomen) Paragraaf 3 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN Met betrekking tot dit onderwerp wordt mede verwezen naar de Verordening Speelautomaten Hilversum 2000 is vastgesteld in de raad van 7 december 2000. Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden 1. Deze paragraaf verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op speelautomatenhallen waarvoor op grond
Artikel 2.3.1 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, 8
van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 4. De burgemeester weigert voorts de vergunning, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat in de speelgelegenheid een kansspel zal worden beoefend in strijd met het bij of krachtens de Wet op de kansspelen bepaalde.
eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 4. De burgemeester weigert voorts de vergunning, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat in de speelgelegenheid een kansspel zal worden beoefend in strijd met het bij of krachtens de Wet op de kansspelen bepaalde.
Artrikel X Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren, of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleurof verfstof of verfgereedschap. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.
Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren, of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleurof verfstof of verfgereedschap. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.
Toelichting
De definitie van weg of openbaar water kan een beperkende werking opleveren van dit artikel. Voorgesteld wordt om, net zoals in de artikelen 2.4.4 (vervoer inbrekerswerktuigen) en 2.4.6 (verboden drankgebruik), het begrip openbare plaats te vermelden. Zo kan ook opgetreden worden tegen bijvoorbeeld een persoon die voornemens is graffiti aan te brengen op een pand of object dat zich bevindt buiten de weg zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Wegenverkeerswet, maar wel op een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, zijnde de definitie van openbare plaats van artikel 1.1. 9
Artikel XI Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.4.6 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in de Horecaverordening Hilversum 2003; b. de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a., waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.
Artikel 2.4.6 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. Een terras als bedoeld in de Horecaverordening van de gemeente Hilversum; b. de plaats, niet zijnde een inrichting in de zin van de Alcoholwet, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Toelichting
In zowel het tweede lid onder a als b wordt verwezen naar oude regelgeving. De verwijzingen in beide onderdelen zijn daarom gewijzigd naar de correcte regelgeving.
10
Artikel XII Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.4.19 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1 Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven.
Artikel 2.4.19 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1 Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven.
2 Degene die een of meer dieren houdt of onder toezicht heeft, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.
2 Degene die een of meer dieren houdt of onder toezicht heeft, moet voorkomen of zoveel mogelijk beperken dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.
In artikellid 2 is de tekst “of zoveel mogelijk beperken” toegevoegd. Overlast kan niet altijd in zijn geheel worden voorkomen. Daarom is het algemene uitgangspunt uit de APV: overlast moet worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt. Dit uitgangspunt is nu ook in dit artikellid verwerkt.
3 Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is.
3 Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.
In artikellid 3 is een tekstuele wijziging gemaakt.
Toelichting
11
Artikel XIII Geen bestaande tekst
Nieuw artikel
Toelichting
Artikel 2.4.26 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV, al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon.
c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.
2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
De systematiek van artikel 2.4.26 is opgenomen in het tweede lid en gaat uit van een gebieds-, pand- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Bij het opstellen van een
12
aanwijzingsbesluit moet rekening worden gehouden met artikel 9 van de dienstenrichtlijn. De burgemeester dient te onderbouwen dat het aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van een dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt, niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt. Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche worden ingevoerd. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.
De burgemeester wijst een pand of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Tegen een aanwijzingsbesluit staat bezwaar en beroep open omdat sprake is van een concretiserend besluit van
13
algemene strekking. Een dergelijk besluit begrenst de bedrijfsactiviteit waarvoor de vergunningsplicht gaat gelden en bevat geen (aanvullende) normen. Die normstelling is al opgenomen in artikel 2.4.26 van de APV. Als de burgemeester een gebied, gebouw of branche aanwijst moet in het besluit ook een rechtsmiddelenclausule worden opgenomen. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebied of gebouw zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waarop de aanwijzing betrekking heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.
4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; c. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; e. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van
De algemene intrekkings- en/of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1.6 van de APV. In de leden 4 en 5 van artikel 2.4.26 staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben (negende lid). De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking
14
het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts één van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.
5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of: b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of : c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of: d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of: e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of: f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of: g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of: h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of:
15
i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11.
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties de eerste drie maanden na
Elfde lid. De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan
16
inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit niet of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.
Artikel XIV PM Artikel XV Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 2.5.6 Handel in horecabedrijven
Artikel 2.5.6 Handel in horecabedrijven
1. Het is de leidinggevende(n) van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
De exploitant van een horecabedrijf, als bedoeld in de horecaverordening van de gemeente Hilversum, staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp
Alle artikelleden zullen vervallen; het enige dat zal resteren is één volzin. Dit komt ten goede aan de helderheid van de bepaling. Inhoudelijk is het artikel in drie opzichten gewijzigd. Ten eerste is het niet meer de leidinggevende, maar de exploitant die verantwoordelijk is om toe te zien op het verbod van handel in het horecabedrijf. In 17
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen. 3. In dit artikel wordt verstaan onder: a. horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank en/of eetwaren en/of alcoholvrije drank en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse; b. inrichting: de lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank en/of eetwaren en/of alcoholvrije drank en/of eetwaren voor gebruikt ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte; c. leidinggevende: - de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met uitzondering van het gestelde in artikel 4 van de Drank- en Horecawet - de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen - de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting.
verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
het kader van de handhaving van deze bepaling is het logischer om de exploitant aan te kunnen schrijven in plaats van een specifieke leidinggevende. Het is immers de exploitant die uiteindelijk verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen in zijn of haar horecabedrijf; ook indien een leidinggevende bepaalde taken verzuimt. De definitie van het begrip ‘leidinggevende’ uit het derde lid, onder c, is daarom ook niet meer nodig. De tweede wijziging betreft de verwijzing naar de horecaverordening voor de definitie van het begrip ‘horecabedrijf’. Dit heeft tot gevolg dat ook de definities van ‘horecabedrijf’ en ‘inrichting’ uit het derde lid, onder a en b, overbodig worden. De derde wijziging is dat de uitzondering gesteld in het tweede lid zal vervallen. Daarmee wordt aangesloten op het in artikel 14 Alcoholwet neergelegde verbod tot het uitoefenen van kleinhandel. Ook in deze bepaling worden openbare verkopingen namelijk niet uitgezonderd van het verbod.
18
Artikel XVI Bestaande tekst
Artikel 4.1.1 Geluidhinder 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de (leef)omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van geluidsoverlast. 3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. particuliere feesten op eigen terrein mits tenminste tien werkdagen voor aanvang van de festiviteit het college hiervan in kennis is gesteld door middel van een door het college vastgesteld meldingsformulier en de in lid 2 bedoelde nadere regels in acht worden genomen.;
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 4.1.1 Geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting zonder ontheffing van het college toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de (leef)omgeving onaanvaardbare geluidhinder wordt veroorzaakt.
In het eerste artikellid staan twee wijzigingen. De eerste wijziging is doorgevoerd omdat dit artikel uit de APV alleen geldt buiten (milieu)inrichtingen. Binnen inrichtingen gelden de geluidregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en uit Hoofdstuk 4 Afdeling 8 uit deze APV. Voor de tweede wijziging geldt dat geluidhinder niet altijd in het geheel kan worden voorkomen. Het gaat erom dat het is verboden onaanvaardbare geluidhinder te veroorzaken. Dat is met deze wijziging verduidelijkt.
2. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van geluidsoverlast. 3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. particuliere feesten op eigen terrein mits ten minste tien werkdagen voor aanvang van de festiviteit het college hiervan in kennis is gesteld door middel van een door het college vastgesteld meldingsformulier en de in lid 2 bedoelde nadere regels in acht worden genomen.;
19
b. evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1 mits in de evenementenvergunningen voorschriften ten aanzien van het voorkomen van geluidsoverlast zijn opgenomen.
b. evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1 mits in de evenementenvergunning voorschriften over geluidsoverlast zijn opgenomen.
Daarnaast is de tekst van artikellid 3.b. aangepast. Het verbod van dit artikel 4.1.1 geldt niet als geluid wordt geregeld in een evenementenvergunning. Wat die evenementenvergunning over geluid regelt, is daarvoor niet relevant. Dat valt binnen het evenementenkader. Om die reden is de tekst zo gewijzigd dat er niet meer staat dat de evenementenvergunning geluidoverlast moet voorkomen. De voorwaarde is dat geluidsoverlast onderdeel is van de evenementenvergunning.
Artikel XVII Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 4.5.2 omgevingsvergunning voor het vellen van bomen
Artikel 4.5.2 omgevingsvergunning voor het vellen van bomen
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te vellen of te doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. bomen met een stamdiameter tot 30 centimeter gemeten op 1.30 meter boven de voet van de boom en voor zover deze niet in het kader van een herplantplicht als bedoeld in artikel 4.5.5 en 4.5.6 zijn aangeplant;
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te vellen of te doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. bomen met een stamdiameter tot 30 centimeter gemeten op 1.30 meter boven de voet van de boom, voor zover deze niet in het kader van een herplantplicht als bedoeld in artikel 4.5.5 en 4.5.6 zijn aangeplant en voor zover de bomen niet staan in het beschermd stadsgezicht van het Noordwestelijk Villagebied; …………………………
………………………….
Volgens artikel 7 in het Bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied moet voor het kappen van bomen met een stamdiameter kleiner dan 20 cm een aanlegvergunning worden aangevraagd (uitgezonderd bomen die worden gekapt vanwege normaal beheer). Bomen tussen de 20 en 30 cm vallen nu buiten enige vergunningplicht. Door artikel 4.5.2 lid 2 onder a. te wijzigen en lid 2 onder l. toe te voegen wordt dit hiaat gerepareerd.
l. in afwijking van Artikel 4.5.2, lid 2 onder a. geldt dat bomen in het beschermd
20
stadsgezicht van het Noordwestelijk Villagebied met een stamdiameter tot 30 cm, gemeten op 1.30 meter boven de voet van de boom en voor zover deze niet in het kader van een herplantplicht als bedoeld in artikel 4.5.5 en 4.5.6 zijn aangeplant, gekapt mogen worden zonder omgevingsvergunning indien sprake is van regulier onderhoud.
Onder regulier onderhoud in lid 2 onder l. wordt verstaan het vellen van bomen om concurrentie met andere aanwezige bomen weg te nemen, het zg. dunnen. Regulier onderhoud is nadrukkelijk niet het herinrichten of aanpassen van een tuin of perceel.
Artikel XVIII Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 4.8.1 Begripsomschrijvingen
Artikel 4.8.1 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting: een inrichting type A of type B, als bedoeld in het Besluit;
a. Activiteitenbesluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. inrichting: een inrichting type A of type B, als bedoeld in de wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, exploitant, leidinggevende of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, leidinggevende of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden, zoals Koninginnedag en oud & nieuw; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen, zoals de viering van een jubileum; f. onversterkte muziek: het zonder enige vorm van mechanisch versterking produceren van muziek binnen de inrichting. Zodra er ook maar één instrument versterkt
Dit artikel is gewijzigd om de terminologie nog beter te laten aansluiten op de landelijke milieuregelgeving. Daarnaast zijn er wijzigingen gemaakt om de begrippen te verduidelijken.
Bij de begrippen “collectieve festiviteit” en “incidentele festiviteit” is tekst weggehaald om de begrippen niet al in de begripsomschrijving in te vullen.
e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Zodra één instrument versterkt wordt, geldt de totale geluidsproductie als versterkte muziek;
Bij het begrip “onversterkte muziek” is de tekst aangepast voor de leesbaarheid.
21
wordt, geldt de totale geluidsproductie als versterkte muziek; g. muziekgezelschappen: orkesten, zangkoren, harmonie- en fanfaregezelschappen.
g. muziekgezelschappen: orkesten, zangkoren, harmonie- en fanfaregezelschappen.
h. Horeca-concentratiegebied: Groestkwartier, kernwinkelgebied en de restaurantzone.
h. Horeca-concentratiegebied: het horecaconcentratiegebied zoals benoemd in het Horecakader, bestaande uit het uitgaansgebied Groest en omgeving en de restaurant/winkelzone.
Het begrip “horecaconcentratiegebied” is aangepast zodat dit aansluit bij de beschrijving uit het nieuwe Horecakader. Het laatste begrip “horeca” vervalt. Dit begrip komt niet terug in deze afdeling van de APV of in regels die op deze afdeling zijn gebaseerd.
i. Horeca: eetgelegenheden, café´s en andere uitgaansgelegenheden.
Artikel XIX Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting
Artikel 4.8.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Artikel 4.8.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen uit de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Dit artikel is gewijzigd om de terminologie nog beter te laten aansluiten op de landelijke milieuregelgeving.
2. De beperking met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen, artikel 3.148 van het Besluit, geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
2. De voorschriften voor de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht uit artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te
22
festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als de precieze datum van een collectieve festiviteit nog niet bepaalt is, wordt de festiviteit zonder datum bekend gemaakt. De datum wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Vervallen. 7. Vervallen.
wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als de precieze datum van een collectieve festiviteit nog niet bepaald is, wordt de festiviteit zonder datum bekendgemaakt. De datum wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Vervallen. 7. Vervallen. 8. Collectieve festiviteiten zoals bedoeld in het eerste lid mogen alleen plaatsvinden in het gebouw van een inrichting. Voor festiviteiten binnen een inrichting in de buitenlucht, bijvoorbeeld op het terras behorend bij de inrichting, is een evenementenvergunning nodig.
Daarnaast regelt de wijziging van artikellid 8 dat collectieve festiviteiten alleen in het gebouw van een inrichting mogen plaatsvinden. In de praktijk werd dit uitgangspunt al gehanteerd. Ook in de jaarlijkse aanwijzing van collectieve festiviteiten. Via de aanpassing van artikellid
23
8. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 80 dB(A) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter. 9. Het equivalente geluidsniveau LCeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 90 dB(C) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter. 10. De onder lid 8 en 9 genoemde geluidswaarden zijn inclusief stemgeluid, exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie en tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 11. Omwonenden dienen 3 werkdagen voorafgaand aan de festiviteit (schriftelijk) op de hoogte te worden gebracht.
9. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 80 dB(A) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter.
8 is dit nu ook duidelijker in de APV vastgelegd.
10. Het equivalente geluidsniveau LCeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 90 dB(C) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter. 11. De onder lid 8 en 9 genoemde geluidswaarden zijn inclusief stemgeluid, inclusief onversterkte muziek en exclusief muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 12. Omwonenden dienen ten minste drie werkdagen voorafgaand aan de festiviteit schriftelijk op de hoogte te worden gebracht. 13. Op de dagen als bedoeld in het eerste en tweede lid mag het extra geluid en/of licht niet eerder starten dan 07.00 uur. Muziek mag niet eerder starten dan 10.00 uur.
Ook staat nu in het artikel dat onversterkte muziek moet worden meegenomen bij de beoordeling of wordt voldaan aan de geluidsnormen. Die toevoeging is nodig omdat de bedoeling van deze APV is dat de geldende geluidsnormen ook van toepassing zijn op onversterkte muziek. Voor collectieve festiviteiten staan de geldende geluidsnormen in dit artikel. Met de doorgevoerde wijziging is geregeld dat onversterkte muziek hieraan ook moet voldoen. Verder is de starttijd van collectieve festiviteiten verduidelijkt. Het extra geluid en licht mogen niet eerder starten dan 07.00 uur. Dit tijdstip sluit aan bij het Activiteitenbesluit. Voor muziek geldt een latere starttijd, namelijk 10.00 uur. Dit is om overlast voor de omgeving te beperken.
24
12. De maximale eindtijd voor het extra geluid en/of licht wordt in de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid opgenomen. 13. Vervallen.
14. De maximale eindtijd voor het extra geluid en/of licht wordt in de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid opgenomen. 15. Vervallen.
Artikel XX Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.8.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. a. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste 5 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Van deze zes festiviteiten mogen er maximaal vier festiviteiten buiten, op het terrein van de inrichting, gehouden worden. b. Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een lustrum van de inrichting of vereniging, kunnen er toe leiden dat het aantal individuele dagen wordt uitgebreid tot 6 dagen per kalenderjaar. De bijzondere omstandigheid dient door de drijver van de inrichting aangetoond te worden. De bevoegdheid om de twee extra dagen toe te kennen ligt bij het college.
Artikel 4.8.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen uit als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Van deze zes festiviteiten mogen er maximaal vier festiviteiten buiten, op het terrein van de inrichting, gehouden worden.
Tot slot zijn er verschillende tekstuele wijzigingen gemaakt.
Toelichting
Dit artikel is gewijzigd om de terminologie nog beter te laten aansluiten op de landelijke milieuregelgeving.
Artikellid 1.b. is verplaatst naar een nieuw artikellid 3. De reden hiervoor is dat dit artikellid niet alleen geldt voor het maken van extra geluid. Maar ook voor het langer aanlaten van verlichting. Door deze mogelijkheid in een nieuw artikellid 3 te zetten, volgt het de bepalingen over extra geluid en licht op een logische manier. Verder is de tekst van dit artikellid aangepast omdat dit nog uitging van een 25
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een lustrum van de inrichting of vereniging, kunnen ertoe leiden dat het aantal individuele dagen wordt uitgebreid met twee extra dagen per kalenderjaar. De bijzondere omstandigheid dient door de drijver van de inrichting aangetoond te worden. De bevoegdheid om de twee extra dagen toe te kennen ligt bij het college.
3. Er is een (digitaal) standaardformulier voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. Een kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Tijdens incidentele festiviteiten binnen moeten de speakers in het bebouwde deel van de inrichting worden geplaatst en moeten
4. Er is een (digitaal) standaardformulier voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. 5. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6. Een kennisgeving is gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7. Tijdens incidentele festiviteiten binnen moeten de speakers in het bebouwde deel van de inrichting worden geplaatst en moeten ramen en deuren gesloten worden
situatie uit het verleden waarin een inrichting maximaal vier incidentele festiviteiten mocht houden. Die konden dan worden uitgebreid naar zes dagen. De bedoeling van het artikel is dat het mogelijk is het aantal dagen uit te breiden met maximaal twee extra dagen. Dit is vastgelegd met de doorgevoerde wijziging. Daarnaast staat nu in het artikel dat onversterkte muziek moet worden meegenomen bij de beoordeling of wordt voldaan aan de geluidsnormen. Die toevoeging is nodig omdat de bedoeling van deze APV is dat de geldende geluidsnormen ook van toepassing zijn op onversterkte muziek. Voor collectieve festiviteiten staan de geldende geluidsnormen in dit artikel. Met de doorgevoerde wijziging is geregeld dat onversterkte muziek hieraan ook moet voldoen.
26
ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 7. Tijdens incidentele festiviteiten buiten moeten de speakers tegen de gevel van het bebouwde deel van de inrichting worden geplaatst. 8. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 80 dB(A) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel (bij festiviteit binnen) of 5 meter uit het terras (bij festiviteit buiten) van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter. 9. Het equivalente geluidsniveau LCeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 90 dB(C) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel (bij festiviteit binnen) of 5 meter uit het terras (bij festiviteit buiten) van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter.
gehouden, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 8. Tijdens incidentele festiviteiten buiten moeten de speakers tegen de gevel van het bebouwde deel van de inrichting worden geplaatst. 9. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 80 dB(A) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel (bij festiviteit binnen) of 5 meter uit het terras (bij festiviteit buiten) van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter.
10. De onder lid 8 en 9 genoemde geluidswaarden zijn inclusief stemgeluid, exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie en tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
11. De onder lid 9 en10 genoemde geluidswaarden zijn inclusief stemgeluid, inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
11. Omwonenden dienen 3 werkdagen voorafgaand aan de festiviteit (schriftelijk) op de hoogte te worden gebracht.
12. Omwonenden dienen ten minste drie werkdagen voorafgaand aan de festiviteit schriftelijk op de hoogte te worden gebracht.
10. Het equivalente geluidsniveau LCeq veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 90 dB(C) bedragen, gemeten op 5 meter uit de gevel (bij festiviteit binnen) of 5 meter uit het terras (bij festiviteit buiten) van de inrichting op een hoogte van ± 1,5 meter.
13. Op de dagen als bedoeld in het eerste en tweede lid mag het extra geluid en/of licht niet eerder starten dan 07.00 uur. Muziek mag niet eerder starten dan 10.00 uur.
Met het nieuwe lid 13 is de starttijd van collectieve festiviteiten verduidelijkt. Het extra geluid en licht mogen niet eerder starten dan 07.00 uur. Dit tijdstip sluit aan bij het Activiteitenbesluit. Voor muziek geldt een latere starttijd, namelijk 10.00 uur. Dit is om overlast voor de omgeving te beperken.
27
12. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek binnen (hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit) een half uur vóór de vastgestelde sluitingstijden, conform de sluitingstijdenverordening, te worden beëindigd. Voor buitenfestiviteiten geldt altijd een maximale eindtijd van 23:00 uur. 13. Indien er geen vastgestelde sluitingstijd, conform de sluitingstijdenverordening, is dan dient de extra muziek binnen uiterlijk om 00.00 uur beëindigd te worden en bij een buitenfestiviteit om 23:00 uur. 14. Het ongebruikt laten van een collectieve dag betekent niet dat het aantal individuele dagen evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen collectieve dag en individuele dagen is niet toegestaan.
14. Op de dagen als bedoeld in het eerste en tweede lid moet het extra geluid en/of licht een half uur vóór de vastgestelde sluitingstijden, conform de Horecaverordening worden beëindigd. Voor buitenfestiviteiten geldt altijd een maximale eindtijd van 23:00 uur.
15. Indien er geen vastgestelde sluitingstijd, conform de Horecaverordening, is dan dient het extra geluid en/of licht binnen uiterlijk om 00.00 uur beëindigd te worden en bij een buitenfestiviteit om 23:00 uur.
De wijzigingen van wat nu lid 14 en 15 zijn, zorgen ervoor dat de regels over de eindtijd van festiviteiten ook gelden voor het produceren van extra licht. Verder is in dit artikel de “sluitingstijdenverordening” vervangen door de “Horecaverordening”. De sluitingstijdenverordening is niet meer in werking. Sluitingstijden voor horeca worden geregeld in de Horecaverordening Hilversum 2021.
Tot slot zijn er verschillende tekstuele wijzigingen gemaakt.
16. Het ongebruikt laten van een collectieve dag betekent niet dat het aantal individuele dagen evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen collectieve dag en individuele dagen is niet toegestaan.
28
Artikel XXI Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.8.4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien: a. de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.8.3 is gedaan; b. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 4.8.3 zijn verstrekt; c. de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen; d. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, hetzij op grond van het overschrijden van het maximum van vier incidentele festiviteiten, hetzij wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.
Artikel 4.8.4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien: a. de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.8.3 is gedaan; b. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 4.8.3 zijn verstrekt; c. de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; d. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, hetzij op grond van het overschrijden van het maximum van zes incidentele festiviteiten, hetzij wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.
Toelichting
Onder punt c. is de tekst “of zoveel mogelijk beperken” toegevoegd. Overlast kan niet altijd in zijn geheel worden voorkomen. Daarom is het algemene uitgangspunt uit de APV: overlast moet worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt. Dit uitgangspunt is nu ook in artikel verwerkt. Daarnaast ging dit artikel nog uit van een situatie uit het verleden waarin een inrichting maximaal vier incidentele festiviteiten mocht houden. De doorgevoerde wijziging onder d. zorgt ervoor dat dit artikel aansluit op de huidige situatie.