CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt lijst verordening Jeugdhulp 261124

GEMEENTERAAD 29 januari 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Actualisering verordening Jeugdhulp Hilversum (1552356)12.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was/wordt lijst inzake Verordening jeugdhulp gemeente Hilversum 2025 Versie: 26 november 2024

Algemeen: In de nieuwe verordening wordt verwezen naar de actuele wet- en regelgeving met vermelding van de juiste artikelen. Tevens zijn de ontwikkelingen in de rechtspraak, het beleid en de uitvoeringspraktijk verwerkt. De nieuwe tekstdelen zijn geel gearceerd. Nieuwe tekst Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Huidige tekst Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. aanvraag individuele voorziening: verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, als bedoeld in artikel 19;

a. algemene voorziening: voorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;

b. algemene voorziening: voorziening op grond van de wet die rechtstreeks voor eenieder toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; c. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; d. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn/haar ouder(s) en hun sociaal netwerk die de belemmeringen op het gebied van gezond opgroeien, zelfredzaamheid en participatie geheel of gedeeltelijk kunnen opheffen;

Niet referendabel op basis van artikel 3 van de Verordening correctief raadgevend referendum gemeente Hilversum b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die tot dezelfde leefeenheid horen, geacht worde n elkaar onderling te bieden. De beoordeling is gebaseerd op hoofdstuk 4 van de CIZ Indicatiewijzer juli 2014 en artikel 2 van de beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2018. d.

gesprek: het gesprek als bedoeld in artikel 13;

Toelichting

Eigen kracht is een belangrijk toetsingscriterium voor de verstrekking van individuele voorzieningen. Het college verstrekt slechts een (aanvullende) individuele voorziening voor zover de jeugdige en/of diens ouders, al dan niet met ondersteuning vanuit het sociaal netwerk, niet bij machte zijn om voor een oplossing zorg te dragen.

e. formele jeugdhulp: Hulp beroepsmatig verleend door een persoon: • die voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling zoals neergelegd in 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet; en die • geen deel uitmaakt van het sociaal netwerk van de jeugdige. informele jeugdhulp: Hulp die geboden wordt door een persoon: • die niet voldoet aan de opleidings- en beroepskwalificaties; of • die wel voldoet aan de opleidings- en beroepskwalificaties, maar die tot het sociaal netwerk van de jeugdige en de ouders hoort; f. gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die tot dezelfde leefeenheid horen, geacht worden elkaar onderling te bieden; g. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; h. individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 4 die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit; i. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een

e. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; f. individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 4 die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit; g. aanvraag individuele voorziening: verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, als bedoeld in artikel 19; h. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; i. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; j. -

professionele jeugdhulp: hulp beroepsmatig verleend door een persoon:

De definitie van formele / informele jeugdhulp komt in de plaats van professionele/niet professionele hulp. Dit is meer gangbaar en sluit ook aan bij de uitvoeringspraktijk. De oorspronkelijke definitie maakte het mogelijk om voor ondersteuning via een persoonsgebonden budget (pgb) een commercieel tarief te betalen aan een persoon uit het sociale netwerk, als deze aan de beroepskwalificaties voldeed. Dat was echter niet de bedoeling en in de praktijk was het lagere ‘informele’ tarief ook de norm.

tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; j. ouders: met ouders worden tevens de overige wettelijke vertegenwoordigers van de jeugdige aangeduid; k. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hen in staat stelt de jeugdhulp te realiseren; l. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, (mede)leden van een vereniging en kennissen. m. spoedeisende gevallen: situaties waarin acuut optreden noodzakelijk is in verband met ernstige risico’s voor de veiligheid en/of ontwikkeling van de jeugdige. n.

wet: Jeugdwet.

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming.

• die voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling neergelegd in de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet, en die • geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van een jeugdige of zijn ouder; of hulp niet-beroepsmatig verleend door een persoon: • die voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling neergelegd in de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet, en die • deel uitmaakt van het sociale netwerk van een jeugdige of zijn ouder, en; • die deze hulp niet verleent als gebruikelijke hulp zoals gedefinieerd in lid 1 van dit artikel onder c. niet-professionele jeugdhulp: hulp verleend door een persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk van een jeugdige of zijn ouder; waarbij • de persoon die de hulp verleent niet voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling neergelegd in de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet; en waarbij • geen sprake is van gebruikelijke hulp zoals gedefinieerd in lid 1 van dit artikel onder c.

Behalve de natuurlijke ouders met gezag gaat het ook om adoptieouders en de aangestelde voogden van de jeugdigen. Omdat in de verordening steeds gesproken wordt van ‘ouders’, is ter verduidelijking een definitie opgenomen in de verordening. Redactionele aanpassing

k. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, (mede)leden van een vereniging en kennissen. l. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; m.

wet: Jeugdwet.

De Algemene verordening gegevensbescherming is in de plaats gekomen van de Wet bescherming persoonsgegevens.

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 2 Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. Artikel 3 Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. informatieverstrekking (folders, trainingen, bijeenkomsten) over ontwikkelingsbehoeften jeugdigen en opvoedingsvragen van opvoeders; b. activiteiten gericht op laagdrempelige ontmoetingen in de buurt tussen ouders onderling en jeugdigen onderling. Hierbij valt te denken aan lotgenotengroepen en oudernetwerken; c. individueel opvoed- en opgroeiadvies; d. vrij toegankelijke lichte ondersteuning voor jeugdigen, gericht op talentontwikkeling en ondersteunen bij opgroeien zoals kinder- en jongerenwerk; e. lichte behandeling en advies inzake GGZ problematiek (POH GGZ Jeugd); f. schoolmaatschappelijk werk;

Artikel 2 Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. Artikel 3 Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. informatieverstrekking over ontwikkelingsbehoeften jeugdigen en opvoedingsvragen van opvoeders, en/of; b. basisondersteuning, waaronder het bieden van informatie, advies en consultatie bij opgroei- en opvoedvragen; c. vrij toegankelijke lichte ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of ouders, waaronder vormen van hulp, gericht op het creëren van een stabiele opvoed- en opgroeisituatie.

Geactualiseerd overzicht van beschikbare algemene voorzieningen.

g. buitenschoolse opvang plus (BSO+): speciale opvang voor jeugdigen die naar de basisschool gaan en voor wie de reguliere opvang vanwege een extra ondersteuningsvraag van de jeugdige niet passend is. Het kind kan vanwege een verstandelijke -, zintuiglijke -, lichamelijke -en/of psychische beperking geen deel nemen aan een reguliere BSO. De gemeente verstrekt een subsidie waarmee de aanvullende ondersteuning wordt bekostigd. Ouders/verzorgers kunnen voor het opvanggedeelte een beroep doen op de kinderopvangtoeslag. Artikel 4 Beschikbare individuele voorzieningen 1. Binnen de jeugdhulp zijn de volgende (hoofd)categorieën van voorzieningen en maatregelen mogelijk: Behandeling Jeugd GGZ: behandeling in verband met een psychische aandoening, waardoor de jeugdige wordt beperkt in zijn/haar functioneren en ontwikkeling op sociaal, emotioneel, cognitief en motorisch gebied. Ambulante Jeugdhulp: behandeling in verband met (ernstige) opvoedingsproblemen of gedragsproblemen, gericht op zowel de jeugdige als (veelal) diens ouders/verzorgers. Dagbehandeling groep: behandeling bedoeld voor jeugdigen met psychische problemen en/of gedragsproblemen. De dagbehandeling richt zich op het versterken van de sociale vaardigheden, emotieregulatie en het aanleren van nieuwe vaardigheden.

Ernstige dyslexie: dyslexieonderzoek en/of behandeling ten behoeve van jeugdigen in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar die ondanks een gemiddelde intelligentie ongewoon veel moeite hebben met lezen, spellen en schrijven. Anders dan de diagnose dyslexie ligt er geen andere oorzaak aan ten grondslag. In geval de dyslexiezorg vóór het

Artikel 4 Beschikbare individuele voorzieningen 1. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Ambulante jeugdhulp (inclusief nazorg) b. Begeleiding c. Behandelingsgerichte dagbesteding d. Beschermd wonen Jeugdwet e. Crisishulp f. Deeltijdverblijf g. Drang h. Ernstig enkelvoudige dyslexie i. Jeugd-GGZ j. Jeugdreclassering k. Jeugdzorg voor jongeren met een beperking l. JeugdzorgPlus m. Kinderbeschermingsmaatregel n. Ondertoezichtstelling en voogdij o. Pleegzorg p. Persoonlijke verzorging q. Verblijf in een jeugdinstelling

Dit artikel geeft aan welke individuele voorzieningen beschikbaar zijn. Het gaat hierbij niet om een limitatieve opsomming van voorzieningen. Vanwege de diversiteit van voorzieningen is per voorziening een korte omschrijving per voorziening opgenomen. Het doel hiervan is meer inzicht te geven in hetgeen aan jeugdhulp beschikbaar is.

13e levensjaar is gestart, kan deze daarna ook nog worden voortgezet. Vaktherapie: overkoepelende benaming voor handelingsgerichte therapie zoals: dramatherapie, muziektherapie, speltherapie en psychomotorische therapie. Deze kan worden ingezet in geval van complexe of meervoudige problematiek, als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling. Vaktherapie is gericht op individuele jeugdigen, groepen en/of gezinnen. Voor vaktherapeuten is registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB) verplicht. Maatschappelijke ondersteuning Persoonlijke verzorging: bevorderen en behouden van zelfredzaamheid jeugdige bij activiteiten op het gebied van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Begeleiding: aanleren van vaardigheden voor het aanbrengen en behouden van structuur en regie over het persoonlijk leven ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige bij wie dit vanwege een beperking (fysiek, cognitief of sociaalemotioneel) niet (volledig) op eigen kracht lukt. De ondersteuning kan mede gericht zijn op het sociale netwerk van de jeugdige. Dagbesteding: bieden van dag-structuur en een zinvolle dag-invulling aan de jeugdige, die veelal vrijstelling van de onderwijsplicht heeft. Dagbesteding is mede bedoeld ter ontlasting van het gezin.

Dagbesteding is voor het ondersteunen bij langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijkse leven. Het is bedoeld voor jeugdigen die tijdens de dagbesteding geregeld 1 op 1 begeleiding nodig hebben door probleemgedrag en / of ADL-ondersteuning. De jeugdige neemt veelal deel aan speciaal onderwijs of volgt regulier onderwijs met extra ondersteuning.

Deeltijdverblijf: kortdurende (gemiddeld enkele etmalen per week) en noodzakelijke overname van de zorg- en begeleidingstaken ter ontlasting van de ouders en/of verzorgers en gezinsleden van de jeugdige die permanent toezicht nodig heeft. Voorziening kan ook worden ingezet in geval van een crisissituatie. Verblijf Pleegzorg: Pleegzorg is een vorm van jeugdhulp waarbij de jeugdige al dan niet tijdelijk bij een pleeggezin woont. In geval de jeugdige niet bij zijn ouders kan opgroeien, heeft het de voorkeur dat hij/zij bij een pleeggezin en niet in een instelling kan verblijven. Dit om zoveel als mogelijk een thuissituatie te creëren. Pleegouders die een contract hebben met een pleegzorgaanbieder hebben recht op begeleiding en een pleegvergoeding (= formele pleegzorg). Wanneer de dagelijkse zorg en opvoeding wordt geboden door personen uit het netwerk van de jeugdige op basis van een eigen en niet noodzakelijke keuze van de ouders, geldt dit als informele pleegzorg. In die situaties is er geen recht op ondersteuning vanuit de gemeente. 24-uurs verblijf: het bieden van een veilige en stabiele opgroeiomgeving in een residentiële instelling, wanneer daar in de thuissituatie geen invulling aan kan worden gegeven en pleegzorg evenmin oplossing biedt.

De betreffende jeugdige wordt dan tijdelijk geplaatst in een instelling die in principe ingericht is voor geheel vrijwillige hulpverlening. Het secundaire doel is namelijk om professionele ondersteuning en hulpverlening te bieden aan deze jeugdigen en hun ouders, naar gelang hun behoefte, hun achtergrond en de mate van beschadiging die zij hebben opgelopen in hun thuissituatie. 24-uurs verblijf zal nooit of zelden plaatsvinden zonder enige vorm van ambulante jeugdhulp.

Een bijzondere vorm van 24 uurs-verblijf is plaatsing in een gesloten instelling. Het gaat daarbij om een ingrijpende maatregel, bedoeld om de jeugdige tegen zichzelf en/of zijn omgeving te beschermen. Plaatsing in een gesloten instelling is daarom alleen mogelijk met een machtiging van de rechter, omdat de vrijheid van de jeugdige substantieel wordt beperkt. De duur van het verblijf in een gesloten instelling is zo kort als mogelijk. Andere vormen van ondersteuning zijn voorliggend op deze vorm van hulp.

Kinderbeschermingsmaatregelen Ondertoezichtstelling: een gezag beperkende maatregel, opgelegd door de kinderrechter, waarbij het kind een gezinsvoogd van een gecertificeerde instelling krijgt toegewezen die de ouders en het kind ondersteunt bij het oplossen van opvoedingsproblemen. De ouders behouden het gezag over het kind. De gezinsvoogd kan aanwijzingen geven die door de ouders opgevolgd moeten worden. De ondertoezichtstelling kan gepaard gaan met een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderrechter. Deze machtiging geldt voor een periode van maximaal een jaar en is zonder meer beperkt tot de duur van de ondertoezichtstelling. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregel ligt bij de gecertificeerde instelling. Voogdij: een gezag beëindigende maatregel in verband met een ernstige verstoring van de ontwikkeling van de jeugdige, waarbij de ouder niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de zorg op zich te nemen. Van voogdij wordt gesproken wanneer een ander dan de ouder(s)s het gezag heeft over de jeugdige. Ook in geval van overlijden van de ouders of wanneer de moeder minderjarig is, wijst de rechter een voogd aan. De kinderbeschermingsmaatregel van voogdij is in beginsel voor

onbepaalde tijd voor zolang de jeugdige onder de Jeugdwet valt. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregel ligt bij de gecertificeerde instelling. De voogdij hoeft echter niet altijd door (een medewerker van) de gecertificeerde instelling zelf te worden uitgeoefend. In geval van voogdij wonen de jeugdigen in de meeste gevallen niet langer thuis maar in een pleeggezin of een jeugdhulpinrichting. Jeugdreclassering Jeugdreclassering: ondersteuning in de vorm van intensieve begeleiding (met een scholings- of trainingsprogramma) en controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden (dus voorafgaande aan de terechtzitting) van een strafbaar feit. De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor de uitvoering van de reclasseringsmaatregel. Het gaat daarbij om toezicht en begeleiding. Vervoer Betreft vervoer op indicatie van of naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden die is ingezet vanuit de Jeugdwet. Uitgangspunt is dat de wettelijk vertegenwoordigers van de jeugdige zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van en naar de jeugdhulpvoorziening. 2.In het ondersteuningsaanbod van de gemeente gelden de volgende uitgangspunten: a. Behandeling (medische hulp) is in het algemeen voorliggend op begeleiding (=maatschappelijke ondersteuning); b.

Begeleiding wordt alleen ingezet wanneer dagbesteding of een algemene voorziening niet (voldoende) passend is om het beoogde resultaat te bereiken;

c. Jeugdhulp vindt zo veel als mogelijk plaats binnen het vrijwillige kader. Waar mogelijk behouden ouders – met ondersteuning van hun sociale netwerk en van professionals – zelf de regie over de gang van zaken in het gezin. Waar nodig stuurt de gemeente bij (drang). Kinderbeschermingsmaatregelen (gedwongen kader) gelden als ultimum remedium. Artikel 5 Toegang tot jeugdhulp via de gemeente 1. Het college kan besluiten een individuele voorziening voor jeugdhulp te verlenen. 2. Het besluit van het college komt tot stand overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Artikel 6 Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken of als het college dit noodzakelijk acht, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 19.

Artikel 5 Toegang tot jeugdhulp via de gemeente 1. Het college kan besluiten een individuele voorziening voor jeugdhulp te verlenen. 2. Het besluit van het college komt tot stand overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Artikel 6 Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken of als het college dit noodzakelijk acht, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 19.

Artikel 7 Toegang tot jeugdhulp via de gecertificeerde instelling en justitie 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. 2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële

Artikel 7 Toegang tot jeugdhulp via de gecertificeerde instelling en justitie 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. 2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële

jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 3. Het college verleent geen beschikking voor de inzet van jeugdhulp als bedoeld in lid 1 en in lid 2.

jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 3. Het college verleent geen beschikking voor de inzet van jeugdhulp als bedoeld in lid 1 en in lid 2.

Artikel 8 Hulpvraag 1. Belanghebbenden kunnen een hulpvraag melden bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een hulpvraag schriftelijk. 3. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening.

Artikel 8 Hulpvraag 1. Belanghebbenden kunnen een hulpvraag melden bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een hulpvraag schriftelijk. 3. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening.

Artikel 9 Spoedeisende gevallen 1. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk: a. een passende voorziening; of b. een passende tijdelijke maatregel; of c. vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 2. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Artikel 9 Spoedeisende gevallen 1. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk: a. een passende tijdelijke maatregel; of b. een passende voorziening; of c. vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 2. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Artikel 10 Vooronderzoek 1. Het college verzamelt na ontvangst van een hulpvraag alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 13, van belang zijnde én toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem of zijn ouders een afspraak voor een gesprek.

Artikel 10 Vooronderzoek 1. Het college verzamelt na ontvangst van een hulpvraag alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 13, van belang zijnde én toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem of zijn ouders een afspraak voor een gesprek.

Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geldt in de Jeugdwet geen identificatieplicht. Wel moet het burgerservicenummer van de

2. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in dit artikel. 4. De medewerker van de gemeente stelt het burgerservicenummer van de jeugdige vast wanneer hij voor de eerste maal contact heeft met de jeugdige en deze nog niet bekend is bij de gemeente.

2. Voor of tijdens het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in dit artikel. In dit geval verstrekken de jeugdige of zijn ouders in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

jeugdige worden vastgesteld, zodat de ondersteuning aan de juiste persoon wordt verstrekt en persoonsgegevens correct worden verwerkt. Bij verordening kan een indicatieplicht worden ingesteld, maar ook binnen Hilversum is het gebruik om alleen het burgerservicenummer vast te stellen. De nieuwe verordening jeugdhulp sluit hierop aan.

Artikel 11 Familiegroepsplan 1. Bij het vooronderzoek als bedoeld in artikel 10 brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. 2. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. Dit familiegroepsplan dient alsdan binnen een redelijke termijn te zijn opgesteld. 3. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 13. Artikel 12 Familiegroepsplan Artikel 12 Onafhankelijke cliëntondersteuning 1. Bij het vooronderzoek als bedoeld in artikel 10 brengt het Het college wijst de jeugdige en de ouder voorafgaand aan het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van en geeft uitleg onderzoek bedoeld in artikel 13 op de mogelijkheid gebruik te over de mogelijkheid om een familiegroepsplan als bedoeld in artikel kunnen maken van onafhankelijke en kosteloze 1.1 van de wet op te stellen. cliëntondersteuning. 2. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een

Artikelen 11 en 12 worden omgedraaid, omdat dit beter aansluit bij het proces. Het is van belang dat belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium gebruik kunnen maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Benadrukt wordt dat cliëntondersteuning specifiek voor de inwoners is en niet van de gemeente.

Artikel 11 Onafhankelijke cliëntondersteuning Het college wijst de jeugdige en de ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke, deskundige, vindbare en kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de jeugdige het uitgangspunt is.

In het artikel wordt meer uitleg gegeven over het familiegroepsplan en de rol van de gemeente.

familiegroepsplan. Dit familiegroepsplan dient alsdan binnen een redelijke termijn te zijn opgesteld. 3. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 14. Artikel 13 Informatie over persoonsgebonden budget Wanneer een individuele voorziening aan de orde is, informeert het college de jeugdige of zijn ouders tijdens het onderzoek bedoeld in artikel 14 volledig, objectief en in voor hen begrijpelijke bewoordingen welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet en wat de gevolgen van die keuze zijn.

Artikel 13 Onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden een oplossing voor de hulpvraag te vinden door gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om een oplossing voor de hulpvraag te vinden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen en algemene voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

Artikelen 13 en 14 worden omgedraaid om te benadrukken dat jeugdigen en ouders tijdig en niet terloops tijdens het onderzoek worden geïnformeerd over de mogelijkheden van een pgb.

Artikel 14 Onderzoek 1. Het onderzoek bevat de volgende stappen: A. Het college stelt met de jeugdige en/of zijn ouders de hulpvraag vast; B. Het college stelt nader onderzoek in naar: I de beperkingen en de bijzondere problematiek van de jeugdige, II de toepasselijkheid van de Jeugdwet en de zorgplicht van de gemeente (woonplaatsbeginsel); C. Het college onderzoekt welke hulp nodig is, rekening houdend met persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie en betrekt hierin: I de mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouders om zelf, of met ondersteuning van het eigen netwerk, om zelf in een oplossing voor de hulpvraag te voorzien (eigen kracht), II de mogelijkheden een oplossing voor de hulpvraag te vinden door gebruik te maken van een andere voorziening, III de mogelijkheden om een oplossing voor de hulpvraag te vinden door het inzetten van een algemene voorziening, IV de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken, V de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen en algemene voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

3. Het college vraagt de jeugdige of zijn ouders toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van het onderzoek en/of het gesprek als deze genoegzaam bij het college bekend zijn. Artikel 14 Informatie over persoonsgebonden budget Wanneer een individuele voorziening aan de orde is, informeert het college de jeugdige of zijn ouders tijdens het onderzoek bedoeld in artikel 13 volledig, objectief en in voor hem begrijpelijke bewoordingen welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet en wat de gevolgen van die keuze zijn.

De opsomming van de onderdelen van onderzoek in lid 1 is afgeleid van de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (NJB 2017/1094), waarin is bepaald aan welke eisen een zorgvuldig onderzoek in de kader van de Jeugdwet moet voldoen. Ter meerdere borging van de kwaliteit van de onderzoeken jeugdhulp in Hilversum worden de stappen hier expliciet vermeld.

D. Het college onderzoekt hoe de benodigde ondersteuning kan worden geleverd, waarbij: I de jeugdige en diens ouders worden geïnformeerd over de mogelijkheid van een pgb-budget; II in geval van pgb-aanvraag wordt beoordeeld of aan de voorwaarden wordt voldaan. 2. Onderdeel van het onderzoek is het gesprek met de jeugdige of zijn ouders, waarbij het college de jeugdige of zijn ouders informeert over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van het onderzoek en/of het gesprek als deze genoegzaam bij het college bekend zijn. Artikel 15 Inwinnen informatie bij andere instanties Het college kan informatie inwinnen bij andere instanties, zoals jeugdhulpaanbieders of onderwijsinstellingen, voor zover deze is vereist voor een goede beoordeling van de hulpvraag.

Artikel 16 Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 13. 2. Het college verstrekt aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel 17 Aanvraag

Artikel 15 Inwinnen informatie bij andere instanties Het college kan, met schriftelijke toestemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en met deze in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp.

Artikel 16 Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 13. 2. Het college verstrekt aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel 17 Aanvraag

Ook het inwinnen van informatie valt onder de verwerking van persoonsgegevens. Voor de verwerking van persoonsgegevens is geen schriftelijke toestemming nodig, als de bevoegdheid al voortvloeit uit de wet. De betreffende informatie moet wel noodzakelijk zijn voor de bepaling van de juiste voorziening jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 7.4.0 lid 1 Jeugdwet.

1. Een aanvraag voor een individuele voorziening in zorg in natura of met een persoonsgebonden budget wordt door of namens een belanghebbende schriftelijk ingediend bij het college. Een aanvraag wordt ingediend met een door het college vastgesteld formulier. Het college kan een ondertekend verslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 14 aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven. 2. Indien ten tijde van het indienen van een aanvraag het college nog geen onderzoek als bedoeld in artikel 13 heeft verricht, voert het college alsnog een onderzoek uit als bedoeld in dat artikel. 3. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: a) die jonger is dan 12 jaren; of b) die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is de instemming van diens wettelijke vertegenwoordiger(s) vereist. 4. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 5.

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige van 16 jaar en ouder, dan is geen instemming van de ouders vereist, tenzij er sprake is van jeugdzorg met verblijf elders, zoals in geval van pleegzorg. 6. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger(s) in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de instemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen.

1. Een aanvraag voor een individuele voorziening in zorg en natura of met een persoonsgebonden budget kan door of namens een belanghebbende schriftelijk worden ingediend bij het college. Een aanvraag kan worden ingediend met een door het college vastgesteld formulier. 2. Indien ten tijde van het indienen van een aanvraag het college nog geen onderzoek als bedoeld in artikel 13 heeft verricht, voert het college alsnog een onderzoek uit als bedoeld in dat artikel. 3. Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de schriftelijke instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft. 4. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: a. die jonger is dan 12 jaren, of; b. die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger(s). 5. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 6.

Weigert de wettelijke vertegenwoordiger(s) in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voor komen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. 7. Het college kan een ondertekend verslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 13 aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.

Dat het college ook een ondertekend verslag kan aanmerken als aanvraag staat al in de verordening, namelijk onder lid 7. De betreffende bepalingen worden nu samengevoegd.

Lid 5 (nieuw) wordt toegevoegd om het overzicht volledig te maken.

Artikel 18 Aanvraag en persoonsgebonden budget 1. Indien de jeugdige of zijn ouders een persoonsgebonden budget wensen, vermelden zij dit op de aanvraag. 2. Aan de aanvraag bedoeld in lid 1 voegt de aanvrager een budgetplan toe voor de inzet van het persoonsgebonden budget met een begroting. 3. In het plan bedoeld in lid 2 geeft aanvrager in ieder geval aan: a. het beoogde resultaat van de individuele voorziening inhoudt; b. wat de voorgenomen uitvoering van de individuele voorziening inhoudt; c. welke derde de individuele voorziening gaat uitvoeren; d. over welke kwalificaties deze derde beschikt; e. wat de kosten zijn van de individuele voorziening, en; f. waarom het aanbod van jeugdhulp als zorg in natura van de door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 4. Indien de aanvrager voornemens is de individuele voorziening met inzet van een persoonsgebonden budget te betrekken van een professionele aanbieder of van een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de aanvrager, dan voegt de aanvrager aan het plan, zoals genoemd in lid 2, een verklaring omtrent gedrag (VOG) toe ex artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 5. In geval van een eerste aanvraag mag de VOG niet ouder zijn dan 3 maanden na datum aanvraag.

In geval van een verlengingsverzoek wordt desgewenst maar in ieder geval om de 2 jaar een nieuwe verklaring omtrent gedrag overgelegd.

8. Degenen die een aanvraag indienen voor een individuele voorziening, verstrekken het college in ieder geval een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tenzij dit al genoegzaam is gebeurd bij het vooronderzoek bedoeld in artikel 13. Artikel 18 Aanvraag en persoonsgebonden budget 1. Indien de jeugdige of zijn ouders een persoonsgebonden budget wensen, vermelden zij dit op de aanvraag. 2. Aan de aanvraag bedoeld in lid 1 voegt de aanvrager een plan toe voor de inzet van het persoonsgebonden budget met een begroting. 3. In het plan bedoeld in lid 2 geeft aanvrager in ieder geval aan: a. wat het beoogde resultaat van de individuele voorziening inhoudt; b. wat de voorgenomen uitvoering van de individuele voorziening inhoudt; c. welke derde de individuele voorziening gaat uitvoeren; d. over welke kwalificaties deze derde beschikt; e. wat de kosten zijn van de individuele voorziening, en; f. waarom het aanbod van jeugdhulp als zorg in natura van de door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 4.

Indien de aanvrager voornemens is de individuele voorziening met inzet van een persoonsgebonden budget te betrekken van een professionele aanbieder, dan dient deze professionele aanbieder een verklaring omtrent gedrag, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, op aanvraag van het college te overleggen. Deze verklaring omtrent gedrag is tot 12 maanden geldig na datum van afgifte.

Lid 8 komt te vervallen, want in de Jeugdwet geldt geen identificatieplicht.

Verduidelijking wanneer een VOG nodig is wat de geldigheidsduur is.

6. Indien een individuele voorziening wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 6 of in artikel 7, kan door of namens de jeugdige of zijn ouders een aanvraag voor een persoonsgebonden budget worden ingediend als het aanbod van jeugdhulp als zorg in natura van de door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde zorgaanbieder niet passend wordt geacht. Lid 2 t/m 5 van dit artikel zijn hierbij van toepassing.

Artikel 19 Beschikking 1. Het college legt de beslissing om al dan niet een individuele voorziening te verlenen vast in een beschikking. 2. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 17 en het onderzoek als bedoeld in artikel 13. Het besluit volgt binnen een termijn van 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 3. Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening vervalt, als de jeugdige of zijn ouders zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

5. Indien de aanvrager voornemens is de individuele voorziening met inzet van een persoonsgebonden budget te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de aanvrager, voegt de aanvrager aan het plan bedoeld in lid 2 een verklaring omtrent gedrag toe, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, van de derde die de individuele voorziening gaat uitvoeren. Deze verklaring omtrent gedrag is tot 12 maanden geldig na datum van afgifte. 6. Indien individuele voorziening wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 6 of in artikel 7, kan door of namens de jeugdige of zijn ouders een aanvraag voor een persoonsgebonden budget worden ingediend als het aanbod van jeugdhulp als zorg in natura van de door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde zorgaanbieder niet passend wordt geacht. Lid 2, 3 en 4 van dit artikel zijn hierbij van toepassing. Artikel 19 Beschikking 1. Het college legt de beslissing om al dan niet een individuele voorziening te verlenen vast in een beschikking. 2. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 17 en het onderzoek als bedoeld in artikel 13. 3. Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening vervalt, als de jeugdige of zijn ouders zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

Artikel 20 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verlening van een individuele voorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

Artikel 20 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verlening van een individuele voorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

Volledigheidshalve wordt de wettelijke beslistermijn vermeld (artikel 4:13 lid 2 Awb).

a. de conclusies uit het onderzoek; b. de resultaten die de jeugdige of zijn ouders wil bereiken; c. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken; d. op welke wijze (tussentijdse) evaluatie plaatsvindt; e. de voorwaarden waaronder de voorziening wordt verstrekt; f. een indicatie van de te verwachten kosten van de te verstrekken voorziening; g. hoe de voorziening bijdraagt om de jeugdige in staat te stellen om; i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid, en iii. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 3. Bij het verlenen van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. de vervaltermijn van de beschikking als bedoeld in artikel 19 lid 3; d. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; e. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verlenen van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; c. de hoogte van het persoonsgebonden budget en hoe deze is bepaald;

a. de conclusies uit het onderzoek; b. de resultaten die de jeugdige of zijn ouders wil bereiken; c. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken; d. op welke wijze (tussentijdse) evaluatie plaatsvindt; e. de voorwaarden waaronder de voorziening wordt verstrekt; f. een indicatie van de te verwachten kosten van de te verstrekken voorziening; g. hoe de voorziening bijdraagt om de jeugdige in staat te stellen om; i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid, en iii. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 3. Bij het verlenen van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. de vervaltermijn van de beschikking als bedoeld in artikel 19 lid 3; d. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; e. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verlenen van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

d. de duur van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld; e. de vervaltermijn van de beschikking als bedoeld in artikel 19 lid 3; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 5. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet en de verordening. 6. In de beschikking wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Artikel 21 Criteria individuele voorzieningen 1. Het college beslist op een aanvraag om individuele voorziening. 2. Het college kan beleidsregels stellen hoe het zijn bevoegdheden met betrekking tot deze verordening uitoefent. 3. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover: a. zij op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag; b. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening. 4.

Voor de bepaling van de eigen kracht wordt in ieder geval onderzocht of: - de ouder(s) van de jeugdige of het sociaal netwerk in staat is/zijn de noodzakelijke hulp te bieden; - de ouder(s) van de jeugdige of het sociaal netwerk beschikbaar is/zijn om de noodzakelijke hulp te bieden (waarbij wordt gekeken

c. de hoogte van het persoonsgebonden budget en hoe deze is bepaald; d. de duur van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld; e. de vervaltermijn van de beschikking als bedoeld in artikel 19 lid 3; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget . 5. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet en de verordening. 6. In de beschikking wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Artikel 21 Criteria individuele voorzieningen 1. Het college beslist op een aanvraag om individuele voorziening. 2. Het college kan beleidsregels stellen hoe zij hun bevoegdheden met betrekking tot deze verordening uitoefent. 3. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover: a. zij op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag; b. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening. 4. Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopste voorziening toe.

In een 3-tal uitspraken van 29 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald dat de gemeente in de verordening moet regelen wanneer er

naar wat redelijkerwijs van de ouders mag worden verlangd om tot een oplossing te komen, zoals het opnemen van (zorg) verlof of het aanpassen van arbeidstijden); - het bieden van de hulp door ouder(s) of het sociaal netwerk tot overbelasting leidt (die verband houdt met de problematiek van de jeugdige). Er is sprake van eigen kracht als ouders in staat zijn om (een deel van) de gevraagde ondersteuning zelf te bieden. Dit geldt ook als de jeugdige een specifieke zorgbehoefte heeft als gevolg van een aandoening, stoornis en en/ of beperking. Indien ouders niet overbelast zijn wordt van hen verwacht dat zij deze ondersteuning leveren, ook al betekent dit dat ouders vergaande aanpassingen in hun leven moeten doorvoeren. Ouders hebben immers een wettelijke plicht tot verzorging en opvoeding van de jeugdige. 5. Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen voorziening jeugdhulp verstrekt. Wat onder gebruikelijke hulp aan de jeugdige valt is afhankelijk van: - de leeftijd van de jeugdige; - de aard van de zorghandelingen; - de frequentie en het patroon van de zorghandelingen; - de tijdsomvang van de zorghandelingen. 6. Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopste voorziening toe. 7.

indien de zorg vóór de aanvraag of het besluit door de jeugdige of zijn ouders is gerealiseerd of geaccepteerd, wordt er geen individuele voorziening op grond van de Jeugdwet met terugwerkende kracht verstrekt, tenzij het college daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend of het besluit van het college redelijkerwijs niet kon worden afgewacht én de noodzaak voor die betreffende voorziening achteraf nog kan worden vastgesteld.

sprake is van eigen kracht. In lid 4 van wordt hier invulling aan gegeven.

In geval van gebruikelijke hulp is, behoudens hele bijzondere individuele omstandigheden, geen voorziening jeugdhulp aan de orde, omdat van ouders kan worden verlangd dat zij die hulp bieden (zoals alle ouders dat plegen te doen).

Uitgangspunt is dat er geen jeugdhulp met terugwerkende kracht wordt toegekend. Dit wordt nu specifiek in de verordening vastgelegd.

8. Bij de bepaling van inzet van een individuele voorziening wordt rekening gehouden met de gezinssituatie en de aansluiting op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.

Artikel 22 Criteria persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan het budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en; b. de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college voorgestelde aanbieder, niet passend achten, en; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder van het persoonsgebonden budget willen betrekken, veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. 2. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d of e van de wet.

Dit artikel ziet op integrale oplossingen en op de opvolging van ondersteuning waarop verschillende wetten betrekking hebben. In geval van de overgang van de Jeugdwet naar de Wmo 2015 (18/18+) vindt er warme overdracht plaats. Voor zover de situatie hierom vraagt kan verlengde jeugdhulp worden ingezet (tot 23 jaar). Artikel 22 Criteria persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan het budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en; b. de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college voorgestelde aanbieder, niet passend achten, en; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder van het persoonsgebonden budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. 2.

Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d of e van de wet.

Nadere specificering van wat onder ‘van goede kwaliteit’ wordt verstaan.

3. Indien de jeugdige of de ouder de individuele voorziening als een persoonsgebonden budget verstrekt krijgt, gelden de volgende voorwaarden: a. indien de jeugdige of zijn ouders zorg inkopen bij derden, zijn zij verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met deze zorgverlener(s); b. het is niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget; c. de werkgeverslasten worden uit het persoonsgebonden budget betaald; d. het is niet toegestaan de zorgverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget; e. het is niet toegestaan de zorgverlener een vast bedrag per periode te verstrekken, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst; f. het is, alleen wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, toegestaan de zorgverlener reiskosten te vergoeden vanuit het persoonsgebonden budget.

3. Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet, verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 4. Het college stelt aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden en verplichtingen in de vast. Indien de jeugdige of de ouder de individuele voorziening als een persoonsgebonden budget verstrekt krijgt, gelden de volgende voorwaarden: a. indien de jeugdige of zijn ouders zorg inkopen bij derden, zijn zij verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met deze zorgverlener(s); b. het is niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget; c. de werkgeverslasten worden uit het persoonsgebonden budget betaald; d. het is niet toegestaan de zorgverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget; e. het is niet toegestaan de zorgverlener reiskosten te vergoeden vanuit het persoonsgebonden budget; f. het is toegestaan de zorgverlener een feestdagenuitkering van maximaal € 200,- te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget; g.

indien het persoonsgebonden budget aan het eind van het kalenderjaar niet geheel is besteed, kan de jeugdige of zijn ouder aanspraak maken op een verantwoordingsvrij bedrag van maximaal € 100,-; h. indien de houder van het persoonsgebonden budget overlijdt, is het toegestaan om ten laste van het persoonsgebonden budget aan de zorgverlener(s) die werknemer of opdrachtnemer is c.q.

Sub e (nieuw): Dit betekent dat alleen de daadwerkelijk bestede tijd in rekening kan worden gebracht. Voor arbeidsovereenkomsten wordt een uitzondering gemaakt, omdat werknemers in beginsel recht hebben op maandloon. In de meeste gevallen gaat het echter om overeenkomsten van opdracht.

Een aantal bestedingsmogelijkheden komen te vervallen. Alleen de noodzakelijke kosten, gebaseerd op reële tarieven, komen voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 23 Berekening hoogte persoonsgebonden budget 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt op maat vastgesteld. 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan met begroting als bedoeld in artikel 18 van de verordening over hoe zij het persoonsgebonden budget gaan besteden, en b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen, en c. wordt begrensd door het maximum van de kostprijs c.q. het maximum uurtarief van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura die de gemeente beschikbaar heeft. 3. Wanneer de jeugdige of zijn ouder met het persoonsgebonden budget niet professionele jeugdhulp verwerft, wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget gesteld op het voor de hulpverlener geldende wettelijk minimum uurloon. 4. Het college indexeert jaarlijks het tarief voor individuele voorzieningen in natura conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEAindex. Hier wordt bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget rekening mee gehouden. 5.

In aanvulling op geïndiceerde jeugdhulp kan het college in geval van bijzondere omstandigheden een vergoeding voor gemaakte kosten verstrekken voor aanvullende vrijwillige ondersteuning vanuit het sociaal netwerk van de jeugdige Artikel 24

Criteria sociaal netwerk

zijn van de budgethouder een eenmalige uitkering te verstrekken ter hoogte van het periodebedrag voor vier weken. Artikel 23 Berekening hoogte persoonsgebonden budget 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt op maat vastgesteld. 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan met begroting als bedoeld in artikel 18 van de verordening over hoe zij het persoonsgebonden budget gaan besteden, en b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen, en c. wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura die de gemeente beschikbaar heeft. d. de hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt voor jeugdhulp ingekocht bij een professionele hulpverlener ten hoogste 100 % van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura die de gemeente beschikbaar heeft; e. wanneer de jeugdige of zijn ouder met het persoonsgebonden budget niet professionele jeugdhulp verwerft, wordt de hoogte van het persoonsgebonden gesteld op het geldend minimum uurloon voor 23 jaar en ouder. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=c87dfa6e-725c-44a3-bdad-eca3d0cac379