CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt lijst 261124

GEMEENTERAAD 29 januari 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Actualisering verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum (1546459)13.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was/wordt lijst inzake Verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum Versie: 26 november 2024

Algemeen: In de nieuwe verordening wordt verwezen naar de actuele wet- en regelgeving met vermelding van de juiste artikelen. Tevens zijn de ontwikkelingen in de rechtspraak, het beleid en de uitvoeringspraktijk verwerkt. De nieuwe tekstdelen zijn geel gearceerd. Bij het opstellen van de tekst (artikelen en de toelichting) is extra aandacht besteed aan de leesbaarheid van de verordening. De algemene toelichting in de verordening is ingekort. In de verordening wordt niet meer gesproken van ‘cliënt’ (wettelijke term) maar van ‘inwoner met een hulpvraag’. Nieuwe tekst Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de wet verstaan onder:

Huidige tekst Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de wet verstaan onder:

a.

algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld is, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid en participatie en die financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau;

a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die in de reguliere handel verkrijgbaar is, en die niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld is, niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel en past bij het naar geldende maatschappelijke normen gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvraag behorend;

b.

bijdrage: een bijdrage in de kosten van een voorziening als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015;

c.

eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en zijn sociaal netwerk die de belemmeringen op het gebied van

b. bijdrage: een bijdrage in de kosten van een voorziening als bedoeld in artikel 2.1.4 Wmo 2015; c. huisgenoot: iedere persoon met wie de cliënt duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont;

Toelichting Een maatwerkvoorziening is niet aan de orde als er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). De definitie is aangepast aan de ontwikkelingen in de rechtspraak. Bij de beoordeling wordt niet langer gekeken naar de persoonlijke situatie van de belanghebbende, maar naar wat in algemene zin gebruikelijk is, namelijk hetgeen ‘financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau’. In de toelichting is de recente uitspraak van de CRvB (3 juli 2024) opgenomen, waarin dit criterium nog nader wordt gespecificeerd. In de wet noch in de wetgeschiedenis wordt het begrip ‘eigen kracht’ nader toegelicht. Daarom is in de verordening

zelfredzaamheid, zelfstandig wonen en participatie geheel of gedeeltelijk kunnen opheffen; formele hulp hulp beroepsmatig verleend door een persoon: • die de opleidings- en beroepskwalificaties heeft om de betreffende hulp en zorg te kunnen bieden, en die • geen deel uitmaakt van het sociaal netwerk van de inwoner met een hulpvraag.

d.

Informele hulp: • Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de opleidings- en beroepskwalificaties; • Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de opleidings- en beroepskwalificaties, maar tot het sociaal netwerk van de inwoner met een hulpvraag horen. huisgenoot: iedere persoon met wie de inwoner met een hulpvraag een gezamenlijke huishouding heeft;

e.

instelling: organisatie die een voorziening voor beschermd wonen of opvang biedt met een subsidie op grond van de Algemene subsidieverordening van de gemeente dan wel in opdracht van de gemeente door middel van aanbesteding en inkoop;

f.

g.

kostprijs: de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier met daarin begrepen eventuele onderhoudskosten;

de definitie van eigen kracht opgenomen d. informele zorg: mantelzorg en vrijwilligerszorg zijn vormen van informele zorg; e. instelling: organisatie die een voorziening voor beschermd wonen of opvang biedt met een subsidie op grond van de Algemene subsidieverordening van de gemeente dan wel in opdracht van de gemeente door middel van aanbesteding en inkoop; f. kostprijs: de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier met daarin begrepen eventuele onderhoudskosten; g. leefeenheid: een eenheid bestaande uit samenwonende personen die al dan niet samen met één of meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voert; h. maatwerkvoorziening in natura: een voorziening, in de vorm van goederen in bruikleen, goederen in eigendom, als persoonlijke dienstverlening of ondersteuning, beschermd wonen of opvang; i. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

De definitie van formele hulp / informele hulp komt in de plaats van professionele / niet professionele hulp. Dit is meer gangbaar en sluit ook aan bij de uitvoeringspraktijk. De oorspronkelijke definitie maakte het mogelijk om voor ondersteuning via een persoonsgebonden budget (pgb) een commercieel tarief te betalen aan een persoon uit het sociale netwerk, als deze aan de beroepskwalificaties voldeed. Dat was echter niet de bedoeling en in de praktijk was het lagere ‘informele’ tarief ook de norm. In artikel 1.1.1 van de wet is een definitie opgenomen van gebruikelijke hulp, namelijk: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Omdat de wet verder geen definitie van het begrip ‘huisgenoot’ bevat, is ter verheldering alsnog een definitie opgenomen in de verordening.

h.

leefeenheid: een eenheid bestaande uit samenwonende personen die al dan niet samen met één of meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voert;

i.

maatwerkvoorziening: een individuele voorziening in natura (levering via een door de gemeente gecontracteerde partij) dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb);

j.

mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

k.

l.

persoonlijk plan: plan waarin de inwoner met een hulpvraag de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

j. professionele maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning beroepsmatig verleend door een persoon: o o die de opleidings- en beroepskwalificaties heeft om de betreffende hulp en zorg beroepsmatig te mogen verlenen, en die o geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt; of - ondersteuning niet-beroepsmatig verleend door een persoon die: o de opleidings- en beroepskwalificaties heeft om de betreffende hulp en zorg beroepsmatig te mogen verlenen o die deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt, en o die deze hulp en zorg niet verleent als gebruikelijke hulp zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; k. niet-professionele maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning verleend door een persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt, waarbij de persoon die de hulp en ondersteuning verleent niet beschikt over de opleidings- en beroepskwalificaties om de betreffende hulp en zorg beroepsmatig te mogen verlenen; en geen sprake is van gebruikelijke hulp zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. l. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

Deze definitie van maatwerkvoorziening is opgenomen in de verordening om duidelijk te maken dat individuele voorzieningen op verschillende wijzen geleverd kunnen worden, namelijk via gecontracteerde partijen (in natura) of via een pgb. In beide gevallen betreft het maatwerk.

m. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; n.

woonvoorziening: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die de inwoner met een hulpvraag bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt;

o.

vervoersvoorzieningen: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon met beperkingen bij het vervoer buitenshuis ondervindt;

p.

Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

m. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

n.

uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

o. woonvoorziening: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een cliënt bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt; p. vervoersvoorzieningen: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon met beperkingen bij het vervoer buitenshuis ondervindt; q.

Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 2. Melding hulpvraag

Artikel 2. Melding hulpvraag

1.

Een hulpvraag kan door of namens de inwoner met een hulpvraag vormvrij bij het college worden gemeld.

1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld;

2.

Het college bevestigt de ontvangst van een melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek;

3.

Het college brengt de inwoner met een hulpvraag op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

4.

In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3 . Onafhankelijke cliëntondersteuning

3. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen; 4. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek;

Artikel 3. Clientondersteuning

1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, deskundige, vindbare en kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner het uitgangspunt is.

1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, deskundige, vindbare en kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt het uitgangspunt is;

2. Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger in woord en geschrift vóór het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 4

2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning;

Titel is aangepast om te benadrukken dat cliëntondersteuning specifiek voor de inwoners is en niet van de gemeente. Volgt ook uit de wet (definitie cliëntondersteuning in art. 1.1.1 Wmo 2015) Aanvulling Adviesraad

van deze verordening op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Onafhankelijke cliëntondersteuning ziet niet alleen op de Wmo, maar is ook bedoeld voor de andere levensgebieden zoals jeugd, onderwijs, financiën, werk en inkomen. Dit past ook in het uitgangspunt van de Wmo, namelijk dat gekeken wordt naar integrale oplossingen.

3. De onafhankelijke cliëntondersteuning is beschikbaar voor alle levensdomeinen (zorg en ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, financiën, werk en inkomen).

Artikel 4. Het onderzoek 1.

2.

3.

Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen de wettelijke termijn van zes weken, een onderzoek uit. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner met een hulpvraag en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Als de inwoner met een hulpvraag een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, lid 3, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4. Het onderzoek 1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit; 2. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek; 3. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage;

Artikelen 4 t/m 6 zijn samengevoegd, omdat ook het gesprek en de verslaglegging onderdeel zijn van het onderzoek.

4.

Gedurende het onderzoek verschaft de inwoner met een hulpvraag het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de inwoner met een hulpvraag op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De inwoner met een hulpvraag verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

5.

Het onderzoek van het college zal meer of minder uitgebreid zijn naar gelang: - de inwoner met een hulpvraag al bekend is bij de gemeentelijke dienst; - de aard van de hulpvraag.

6.

Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

7.

Het onderzoek van het college kent de volgende stappen: Stap 1. Het college stelt samen met de inwoner de hulpvraag van de inwoner vast. Stap 2. Het college stelt nader onderzoek in naar de problemen die de inwoner ondervindt met betrekking tot zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en het zich kunnen handhaven in de maatschappij. Stap 3. Het college onderzoekt welke hulp nodig is voor de oplossing van het probleem en betrekt hierin:

4. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid; 5. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening; Artikel 5. Het gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoefte die voorkomt uit de wensen, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en mogelijkheden van cliënt; b. de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger van cliënt en de belasting die deze ervaart bij de zorg voor de cliënt; c. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; d. de mogelijkheden om op eigen kracht en/of met behulp van anderen in eigen oplossingen te voorzien; e. de mogelijkheid om door middel van (algemene) voorzieningen het gewenste resultaat te bereiken; f. de mogelijkheden die er bestaan om voorzieningen af te nemen en de gevolgen daarvan; g. in hoeverre een mogelijk toe te kennen voorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen en/of behoeften van

Het onderzoek is vormvrij; de inwoner en diens hulpvraag staan centraal. Het onderzoek vindt daarom vooral samen met de inwoner plaats. Dit past ook bij de kernwaarden in de Visie sociaal domein 2023-2033. Het is niet de bedoeling dat de inwoner wordt belast met zaken die al genoegzaam bekend zijn of die weinig toevoegen aan het onderzoek en het gewenste resultaat.

In de uitspraak van 21 maart 2018 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 2018/819) is opgenomen aan welke vereisten een zorgvuldig onderzoek in het kader van de Wmo moet voldoen. Ter meerdere borging van de kwaliteit van de Wmo onderzoeken in Hilversum worden de stappen hier expliciet vermeld.

I)

de behoefte, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de inwoner met een hulpvraag; II) de ondersteuningsmogelijkheden en behoefte van de eventuele mantelzorger van de inwoner met een hulpvraag; III) het gewenste resultaat dat met de hulp wordt gerealiseerd. Stap 4. Bij de beoordeling of er een individuele maatwerkwerkvoorziening moet worden verstrekt wordt eerst gekeken naar: I) de mogelijkheden om op eigen kracht en/of met behulp van anderen in eigen oplossingen te voorzien;

II)

III)

de mogelijkheid om door middel van (algemene) voorzieningen het gewenste resultaat te bereiken; de mogelijkheden die er bestaan om andere passende voorzieningen af te nemen en de gevolgen daarvan;

IV) in hoeverre een mogelijk toe te kennen voorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen en/of behoeften van de inwoner met een hulpvraag op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en/of werk en inkomen.

Stap 5. Bij de bepaling van de wijze van verstrekking van de individuele maatwerkvoorziening betrekt het college: I) of er sprake is van een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een voorziening en (een

cliënt op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en/of werk en inkomen; h. indien van toepassing: of er sprake is van een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een voorziening en (een inschatting van) de hoogte van de verschuldigde bijdrage; i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; j. andere aspecten die in het kader van het onderzoek noodzakelijk zijn. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, lid 3, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid; 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten, de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken; 4. Als de cliënt en zijn hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek; 5. Het college is bevoegd om in het kader van het onderzoek de cliënt of diens vertegenwoordiger op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen, rekening houdend met de in de persoon gelegen mogelijkheden en/of beperkingen; 6.

De cliënt of diens vertegenwoordiger is verplicht om aan het college of de door hen aangewezen adviesinstantie die

inschatting van) de hoogte van de verschuldigde bijdrage; II) de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de inwoner met een hulpvraag in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 8. Het college informeert de inwoner met een hulpvraag over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten. 9. Het college is bevoegd om in het kader van het onderzoek de inwoner met een hulpvraag of diens vertegenwoordiger op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen, rekening houdend met de in de persoon gelegen mogelijkheden en/of beperkingen. 10. De inwoner met een hulpvraag of diens vertegenwoordiger is verplicht om aan het college of de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het onderzoek. 11. Het college borgt bij het verrichten van het onderzoek een integrale aanpak ten aanzien van de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. 12. Tenzij anders met de inwoner is afgestemd, verstrekt het college de inwoner met een hulpvraag of diens

gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het onderzoek; 7. Het college borgt bij het verrichten van het onderzoek een integrale aanpak ten aanzien van de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie; 8. Wanneer er sprake is van een situatie waarin de veiligheid van cliënt en/of zijn gezinsleden in het geding is, en/of wanneer een gerechtelijke uitspraak dit voorschrijft, kan dit artikel buiten toepassing worden gelaten.

Artikel 6: De vastlegging van het onderzoek 1. Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een weergave van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij de cliënt of diens vertegenwoordiger heeft medegedeeld dit niet te wensen; 2. cliënt of diens vertegenwoordiger kan feitelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens corrigeren en kan zijn opmerkingen bij het onderzoeksverslag kenbaar maken. Correcties en opmerkingen worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd.

Dit past bij het uitgangspunt dat het onderzoek in samenspraak met de

vertegenwoordiger een gespreksverslag met een weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

inwoner en/of diens vertegenwoordiger plaatsvindt.

13. De inwoner met een hulpvraag of diens vertegenwoordiger kan feitelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens corrigeren en kan zijn opmerkingen bij het onderzoeksverslag kenbaar maken. Correcties en opmerkingen worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd. 14. Wanneer er sprake is van een situatie waarin de veiligheid van de inwoner met een hulpvraag en/of zijn gezinsleden in het geding is, en/of wanneer een gerechtelijke uitspraak dit voorschrijft, kan dit artikel buiten toepassing worden gelaten. Artikel 5. Aanvraag 1. De inwoner met een hulpvraag of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. De aanvraag kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken na ontvangst van de melding. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag voor een maatwerkvoorziening, als de inwoner met een hulpvraag dat op het verslag heeft aangegeven en de aanvraag voldoet aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht stelt. In onderling overleg tussen de inwoner en de Wmo consulent kan de aanvraag ook mondeling worden gedaan.

Artikel 7. Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel een pgb schriftelijk indienen bij het college. Dit kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken na ontvangst van de melding; 2. Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het in artikel 4 omschreven onderzoek; 3. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven, en de aanvraag voldoet aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht stelt;

In beginsel wordt een aanvraag schriftelijk gedaan, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Hier wordt bestaande praktijk geformaliseerd.

2. Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het in artikel 4 omschreven onderzoek.

4. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag;

3. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

5. Het besluit op de aanvraag is zo nodig afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, schuldhulpverlening, werk en inkomen en politie en justitie.

4. Het besluit op de aanvraag is zo nodig afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, schuldhulpverlening, werk en inkomen en politie en justitie. Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening

Artikel 8 : Criteria voor een maatwerkvoorziening

1. Het college neemt het onderzoeksverslag, als bedoeld in artikel 4, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

1. Het college neemt het verslag, als bedoeld in artikel 7 lid 3, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening;

2. Het college zet bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt, steeds de ondersteuningsvraag van de inwoner met een hulpvraag centraal en betrekt bij de beoordeling van diens aanvraag alle betrokken belangen, waaronder de belangen van de inwoner met een hulpvraag zelf, diens naaste omgeving, diens familie, het maatschappelijk belang in algemene zin en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid. 3. De maatwerkvoorziening wordt toegekend, indien de inwoner met een hulpvraag niet of niet in de betreffende situatie aanvaardbare mate in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht, en/of gebruikelijke hulp, en/of mantelzorg, en/of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, en/of vrijwilligerszorg, algemene voorzieningen dan wel

2. Het college zet bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt, steeds de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal en betrekt bij de beoordeling van diens aanvraag alle betrokken belangen, waaronder de belangen van de cliënt zelf, diens naaste omgeving, diens familie, het maatschappelijk belang in algemene zin en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid; 3. De maatwerkvoorziening wordt toegekend, indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg; algemene voorzieningen en/of; een voorziening op grond van

Hierin schuilt het maatwerk.

een andere voorziening op grond van andere wet- en regelgeving conform artikel 2.3.5 lid 5 van de wet.

andere wet- en regelgeving conform artikel 2.3.5 lid 5 van de Wet;

4. Bij de bepaling van de eigen kracht wordt van de inwoner verwacht dat hij alles doet wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Verder wordt in ieder geval onderzocht in hoeverre: - het sociaal netwerk in staat is de noodzakelijke ondersteuning te bieden; - het sociaal netwerk redelijkerwijs beschikbaar is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden; - het bieden van de ondersteuning door het sociaal netwerk leidt tot overbelasting.

In een 3-tal uitspraken van 29 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald dat de gemeente in de verordening moet regelen wanneer er sprake is van eigen kracht. Deze uitspraken hebben weliswaar betrekking op jeugdhulp, maar artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 spreekt ook van eigen kracht.

5. Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen Wmo maatwerkvoorziening verstrekt. Wat onder gebruikelijke hulp aan de inwoner met een hulpvraag valt is afhankelijk van: - de relatie tussen degene die de ondersteuning biedt en de inwoner met een hulpvraag; - de aard van de ondersteuning; - de frequentie en het patroon van de ondersteuning; - de duur van de ondersteuning. 6. Een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten: - het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; en/of - het voeren van een gestructureerd huishouden; en/of - het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; en/of - zelfstandig wonen; en/of - beschermd wonen; en/of - opvang.

In geval van gebruikelijke hulp is geen maatwerkvoorziening aan de orde. Lid 5 is een uitwerking van dit toetsingscriterium.

4. Een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten: - het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of; - het voeren van een gestructureerd huishouden en/of; - het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of; - beschermd wonen en/of; - opvang;

7. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat de inwoner met een hulpvraag in beginsel en na zorgvuldige afweging van de belangen van de inwoner met een hulpvraag en zijn omgeving alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als; a. de noodzaak tot ondersteuning voor de inwoner met een hulpvraag redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was, maar van de inwoner met een hulpvraag redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt.

5. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt in beginsel en na zorgvuldige afweging van de belangen van de cliënt en zijn omgeving alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als; a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

8. Een noodzakelijke vervangende maatwerkvoorziening wordt verstrekt, als: a. de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven; of b. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner met een hulpvraag zijn toe te rekenen; of c. de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner met een hulpvraag aan maatschappelijke ondersteuning.

6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als: de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven;

9. Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe.

7. Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe;

10. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is.

8. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is.

a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of; b. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Redactionele aanpassing

Artikel 7. Weigeringsgronden 1

Artikel 9. Weigeringsgronden

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 6;

1. a. 3;

b. indien het een voorziening betreft die de inwoner met een hulpvraag vóór de melding, aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of het besluit van het college redelijkerwijs niet kon worden afgewacht en de noodzaak voor die betreffende voorziening achteraf nog kan worden vastgesteld; c. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan de inwoner met een hulpvraag al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is. Aan deze weigeringsgrond kan voorbij worden gegaan in geval toepassing wordt gegeven aan artikel 6 lid 6, dan wel de inwoner met een hulpvraag geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte extra kosten; d. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; e. voor zover deze niet langdurig (> 6 maanden) noodzakelijk is.

b. indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de melding, aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

2.

Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft;

a.

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: Indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 8 lid Algemene weigeringsgrond.

c. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; d. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; e. voor zover deze niet langdurig noodzakelijk is.

2.

Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft;

Deze bepaling komt in de plaats van artikel 9 lid 1 onder b (oud). Hier gaat het om de situatie waarbij de inwoner een voorziening aanvraagt, terwijl deze al gerealiseerd of aangekocht is. Als een inwoner zelf in een oplossing heeft voorzien, hoeft het college geen compensatie meer te bieden. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Het blijft overigens wel mogelijk om bij de gemeente aan te kloppen voor aanvullende ondersteuning in de toekomst.

Uitgangspunt is dat de inwoner langdurige noodzakelijke ondersteuning behoeft. Voor kortdurende ondersteuning is veelal een andere oplossing mogelijk ter overbrugging. Er zijn echter (acute) situaties denkbaar waarbij een uitzondering moet worden gemaakt.

indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is; d. indien de inwoner met een hulpvraag niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; e. voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden; f. als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; g. voor verblijf in een hotel, vakantiewoning, tweede woning of voor intramurale opvang. c.

Geen financiële tegemoetkoming ten behoeve van een verhuizing wordt verstrekt: a. als de inwoner voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. als de inwoner verhuist naar een tijdelijke woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar te bewonen; c. als de inwoner verhuist naar de niet meest geschikte woning voor zijn beperkingen op dat moment, tenzij er een andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is. 3.

c. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is; d. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; e. voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden; f. als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. g. Het college verstrekt geen woonvoorziening als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang. 3. Geen pgb ten behoeve van een verhuizing wordt verstrekt; a. als belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. als belanghebbende verhuist naar een tijdelijke woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar te bewonen.

Redactionele aanpassing. Het gaat om verblijfplaatsen die niet voor permanente bewoning zijn bedoeld. Voor financiële tegemoetkomingen: zie artikel 11.

De gemeente verstrekt geen voorzieningen die een gevolg zijn van keuzes die voor rekening en risico van de van de inwoner komen. Wel ruimte voor maatwerk. De meest passende woning is ook niet altijd voorhanden.

Artikel 8. Inhoud beschikking 1.

a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

2.

Afhankelijk van de aanvraag en de toe te kennen maatwerkvoorziening legt het college de volgende onderdelen bij beschikking vast: de conclusies uit het onderzoek; de resultaten die inwoner met een hulpvraag wenst te bereiken; welke voorziening(en) het college treft om het resultaat te bereiken; in welke vorm de voorziening wordt verstrekt; de kostprijs van de voorziening; de ingangsdatum en duur van de voorziening; de voorwaarden waaronder de voorziening is verstrekt; of er sprake is van een tussentijdse evaluatie en de wijze waarop dit plaatsvindt; of er sprake is van een te betalen eigen bijdrage; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; de wijze waarop bezwaar gemaakt kan worden tegen de beschikking. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt aanvullend in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; b. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; c. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 10. Inhoud beschikking 1. Bij het treffen van een voorziening legt het college in ieder geval de volgende onderdelen bij beschikking vast: a. de conclusies uit het onderzoek; b. de resultaten die cliënt wenst te bereiken; c. welke voorziening(en) het college treft om het resultaat te bereiken; d. in welke vorm de voorziening wordt verstrekt; e. de kostprijs van de voorziening; f. de ingangsdatum en duur van de voorziening; g. de voorwaarden waaronder de voorziening is verstrekt; h. of er sprake is van een tussentijdse evaluatie en de wijze waarop dit plaatsvindt; i. of er sprake is van een te betalen eigen bijdrage; j. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; k. de wijze waarop bezwaar gemaakt kan worden tegen de beschikking.

2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt aanvullend in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; b. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; c. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Aanscherping inhoud bepaling.

Artikel 9. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 11. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

1. Wanneer het college een Wmo maatwerkvoorziening noodzakelijk vindt en de inwoner met hulpvraag hierom verzoekt, verstrekt het college de voorziening in de vorm van een pgb indien: a. de inwoner met een hulpvraag op eigen kracht dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk (de ‘pgb vertegenwoordiger’), niet zijnde de hulpverlener, in staat is zijn belangen naar behoren te behartigen; en b. de inwoner met een hulpvraag dan wel de pgb vertegenwoordiger de aan het pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen; en c. de inwoner met een hulpvraag zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen, waarbij op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de ondersteuning, in welke vorm dan ook, van een bepaalde aanbieder af te nemen; en d. het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Om dit te kunnen beoordelen wordt van de inwoner met een hulpvraag c.q. de pgb vertegenwoordiger gevraagd een pgb plan te overleggen, waarin is bepaald: - welke organisatie de hulp gaat leveren; - wie de directe hulpverlener(s) is; - wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); - wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; - welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken.

1. Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een pgb indien:

Het college moet eerst hebben vastgesteld dat de inwoner een individuele voorziening nodig heeft.

a. de cliënt op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (niet zijnde de hulpverlener), in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt de aan het pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen; c. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; d. het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat e. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

Redactionele aanpassing. Het gaat om zelfregie van de inwoner.

2. a)

Van formele hulpaanbieders wordt verwacht dat zij: ingeschreven staan in het handelsregister;

De belangen en de zelfregie van de inwoner staan voorop.

Dit is conform uitvoeringspraktijk

In lid 2 zijn de eisen opgenomen waaraan de persoon van de aanbieder

b) adequaat opgeleid personeel in dienst hebben; c) een VOG van de hulpververleners kunnen overleggen; d) voldoen aan de in de sector gangbare kwaliteitsstandaarden; e) beschikken over de vereiste vergunningen; f) melding doen van calamiteiten; g) meewerken aan onderzoeken door de aangewezen toezichthouders; h) een transparante financiële huishouding voeren; i) van onbesproken gedrag zijn, hetgeen onder meer inhoudt: - geen verdenking en/of veroordeling van strafbare feiten; - geen bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes; - geen banden met personen of organisaties die verdacht worden en/of veroordeeld zijn voor strafbare feiten; -geen ongewenste verstrengeling van belangen.

en diens bedrijfsvoering moet voldoen. Dit in het kader van de bestrijding van onrechtmatig c.q. oneigenlijk gebruik van Wmo maatwerkvoorzieningen en ter bescherming van de belangen van de inwoner.

Van informele hulpaanbieders wordt verwacht dat zij een VOG als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kunnen overleggen die niet ouder is dan drie maanden, te rekenen vanaf de datum Wmo aanvraag.

De bepaling sluit aan bij de uitvoeringspraktijk Wmo. De tekst is (nagenoeg) gelijkluidend aan die in de verordening jeugdhulp.

3.

4. Wanneer de inwoner met een hulpvraag ondersteund wordt via een pgb op grond van de Wmo 2015 gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. Het pgb wordt uitsluitend gebruikt voor het inkopen van ondersteuning ten behoeve van het in de beschikking vastgelegd resultaat; b. Indien de inwoner hulp inkoopt bij derden, is de inwoner met een hulpvraag verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met de zorgverlener(s);

2. Wanneer cliënt ondersteund wordt via een pgb voor diensten op grond van de Wmo 2015 gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. Het pgb wordt uitsluitend gebruikt voor het betrekken van ondersteuning ten behoeve van het in de beschikking vastgelegd resultaat; b. Indien cliënt zorg inkoopt bij derden, is de cliënt verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met de zorgverlener(s); c. Het is de cliënt niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het pgb;

c. Het is de inwoner met een hulpvraag niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het pgb; d. Het is de inwoner met een hulpvraag niet toegestaan de hulpverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het pgb; e. Het is niet toegestaan de hulpverlener een vast bedrag per periode te verstrekken, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst; f. Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, is het toegestaan reiskosten te vergoeden vanuit het pgb; g. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel; h. De inwoner met een hulpvraag sluit een particuliere aansprakelijkheidsverzekering af voor schade die door het gebruik van de voorziening, niet zijnde dienstverlening, aan derden kan ontstaan.

5. De hoogte van een pgb a. Een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner met een hulpvraag opgesteld pgb plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. Een pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. In geval bij voorbaat al duidelijk is dat de afschrijvingsduur van de voorziening niet wordt gehaald, geldt de mogelijkheid van huur als voorliggend op koop;

d. Het is de cliënt niet toegestaan de zorgverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het pgb; e. Het is de cliënt, wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, toegestaan reiskosten te vergoeden vanuit het pgb; f. Het is de cliënt, wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, toegestaan een feestdagenvergoeding van maximaal € 200,- te betalen vanuit het pgb; g. Indien het pgb aan het einde van het jaar niet geheel is besteed, kan de cliënt aanspraak maken op een vrij besteedbaar bedrag van maximaal € 100,-; h. In geval van overlijden van de cliënt mag vanuit het pgb maximaal 1 maandloon worden uitgekeerd; i. De cliënt sluit een particuliere aansprakelijkheidsverzekering af voor schade die door het gebruik van de voorziening niet zijnde een dienstverlening, aan derden kan ontstaan. 3. De hoogte van een pgb a. wordt op maat vastgesteld b. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld persoonlijk plan over hoe hij het pgb gaat besteden c. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en d.

bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

Alleen de noodzakelijke kosten komen voor vergoeding in aanmerking, ongeacht of het om een verstrekking in natura of in de vorm van een pgb plaatsvindt.

In de uitvoering wordt gesproken over ‘pgb plan’.

Toevoeging ziet op doelmatige besteding van Wmo gelden.

c. Een pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. Voor de vaststelling van de definitieve hoogte van het pgb wordt uitgegaan van de kostprijs van de voorziening die met het pgb wordt ingekocht, indien de kostprijs lager is dan die van de maatwerkvoorziening in natura als bedoeld onder sub d; e. De hoogte van het pgb voor dienstverlening via informele hulp is gelijk aan de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. De hoogte van het pgb is minimaal gelijk aan het wettelijk minimumloon; f. Een pgb ten behoeve van een autoaanpassing bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Aan het verkrijgen van een pgb voor een autoaanpassing, zijn de volgende voorwaarden verbonden: I. de inwoner met een hulpvraag vraagt minimaal twee offertes aan, II. het college accepteert de geldende goedkoopst adequate offerte; g. Een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning ten behoeve van een persoon die buiten de gemeente woont dan wel ten behoeve van de inwoner met een WLZ indicatie bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van €5.000,00; h. Indien van toepassing wordt (jaarlijks) een bedrag opgenomen in het pgb ten behoeve van onderhouds- en reparatiekosten.

Dit bedrag is nooit meer dan de onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura; i. Het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden.

e. Binnen het in sub d genoemde maximum wordt voor de vaststelling van de definitieve hoogte van het pgb uitgegaan van de kostprijs van de voorziening die met het pgb wordt ingekocht indien de kostprijs lager is dan het in artikel 2 vastgestelde maximale tegenwaarde. f. Wanneer cliënt niet professionele maatschappelijke ondersteuning verwerft wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het geldend minimum uurloon vanaf 23 jaar. g. Een pgb ten behoeve van verhuizing bedraagt de werkelijke kosten tot maximaal € 2.500. h. Indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is en cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de hoogte van een eenmalige pgb voor aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op maximaal € 2.500. i. een pgb voor het gebruik van een (rolstoel)taxi/individueel taxivervoer bedraagt het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 500 zones per jaar. j. Het gebruik van een eigen auto is algemeen gebruikelijk. Indien het gebruik van de eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, bedraagt het pgb voor het gebruik van de eigen auto €0,19 per kilometer tot 2500 kilometer per jaar. k. Van de maxima genoemd in sub g, h, i, j en n kan op basis van maatwerk gemotiveerd worden afgeweken indien deze niet toereikend blijken te zijn. l.

Een pgb ten behoeve van een autoaanpassing bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Aan het verkrijgen van een pgb voor een autoaanpassing, zijn de volgende voorwaarden verbonden: I. de cliënt vraagt minimaal twee offertes aan; II. het college accepteert de geldende goedkoopst adequate offerte

Redactionele aanpassing. De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 16 augustus 2023 bepaald dat voor de vergoeding van huishoudelijke hulp door een persoon uit het sociaal netwerk (informele hulp) ten minste het betreffende CAO loon moet worden gehanteerd (CRVB:2023/1394). Daarbij heeft de CRvB tevens bepaald hoe de vergoeding moet worden berekend. Artikel 9 lid 5 onder sub e sluit hierop aan.

m. Een pgb ten behoeve van tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten bedraagt maximaal de werkelijk gemaakte kosten, met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag n. Een pgb ten behoefte van het bezoekbaar maken van een woning bedraagt de laagste kosten van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning voor een cliënt die buiten de gemeente woont of een cliënt met een WLZ indicatie bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van €5.000,-. o. Een pgb voor aanschaf van een sportvoorziening bedraagt de laagste prijs die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier. p. Indien een pgb wordt verstrekt voor de aanschaf van goederen wordt indien van toepassing een (jaarlijks) bedrag verstrekt ter dekking van een deel van of de totale onderhoudsen reparatiekosten. De maximale vergoeding staat gelijk aan het bedrag voor onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura. q.

Het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEAindex. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden. 6. De inwoner met een hulpvraag, aan wie een pgb wordt verstrekt, kan hulpmiddelen en opdrachten voor woningaanpassingen afnemen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

4. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

a. uit het door de inwoner met een hulpvraag opgestelde plan blijkt dat dit de goedkoopst adequate oplossing is om het door de gemeente en de inwoner met een hulpvraag overeengekomen resultaat te bereiken; en b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.

a. uit het door de cliënt opgestelde plan blijkt dat dit de goedkoopst adequate oplossing is om het door de gemeente en cliënt overeengekomen resultaat te bereiken; b. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het in lid 3 sub d, e, en f gehanteerde tarief, en c. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.

Artikel 10. Opschorting betaling uit het pgb

Artikel 12: Opschorting betaling uit het pgb

Behalve de bevoegdheid tot terugvordering en verhaal van pgb gelden op grond van de artikelen 2.3.10 en 2.4.1 van de wet, kan het college de Sociale Verzekeringsbank ook verzoeken over te gaan tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb gedurende een periode van ten hoogste 13 weken, als er ten aanzien van de inwoner met een hulpvraag een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 van de wet. Artikel 11. Financiële tegemoetkoming 1. Het college kan als maatwerkvoorziening een financiële bijdrage c.q. compensatie verstrekken ten behoeve van: a. Een verhuizing gelijk aan de werkelijke kosten tot een bedrag van maximaal € 3.500, voor zover deze in de gegeven situatie niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. b. Indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is en de inwoner met een hulpvraag niet wenst te verhuizen, wordt de hoogte van een eenmalige bijdrage voor aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op maximaal € 3.500.

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 van de Wet.

Volledigheidshalve worden ook de bevoegdheden uit de wet vermeld.

Voor een aantal maatwerkvoorzieningen is gekozen voor een financiële tegemoetkoming. Voordeel hiervan is dat de inwoner meer keuzevrijheid behoudt bij de precieze invulling van de voorziening. Voorwaarde is wel dat met de tegemoetkoming een passende bijdrage wordt geleverd aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperking bij de inwoner (CRvB 12 februari 2018, 2018/396).

c. Het gebruik van een (rolstoel)taxi c.q. individueel taxivervoer tegen het in de regio gangbare toepasselijke OV tarief met een maximum van 1500 reiskilometers per jaar. d. Het gebruik van de eigen auto indien dit in het specifieke geval van de inwoner met een hulpvraag niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. De hoogte van de bijdrage is € 0,23 per kilometer tot 1500 kilometer per jaar. e. tijdelijke huisvestingskosten of dubbele woonlasten tot maximaal de werkelijk gemaakte kosten, met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. f. een sportvoorziening gelijk aan de werkelijke kosten van de voorziening tot een maximumbedrag van € 3.000. 2. Van de maxima genoemd in lid 1 kan gemotiveerd worden afgeweken, indien deze in de gegeven situatie redelijkerwijs niet passend blijken te zijn. Artikel 12. Controle Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoeken, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

Artikel 13. Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening Voor het gebruik van een algemene voorziening kan de inwoner met een hulpvraag een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. Zo kan voor de voorziening ‘zinvolle daginvulling’ in voorkomende gevallen een bedrag verschuldigd 1.

Artikel 13. Controle Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoeken, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

Artikel 14. Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening 1. Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. Dit kan worden bepaald door de instantie die de algemene voorziening biedt.

Voor de algemene voorziening ‘zinvolle daginvulling’ betaalt de inwoner geen bijdrage voor de dienstverlening zelf. Wel kan een bijdrage verschuldigd zijn

zijn voor maaltijden of extra uitstapjes. Het gaat bij zinvolle daginvulling om dagactiviteiten onder begeleiding, gericht op ontmoeten, meedoen en meewerken en bedoeld voor inwoners met lichte fysieke en/of psychische beperkingen.

De instellingen stellen de hoogte van de bijdrage in de kosten vast en innen deze. De instellingen informeren het college over de hoogte van de bijdragen en de wijze van inning.

2.

2. De instellingen stellen de hoogte van de bijdrage in de kosten vast en innen deze. De instellingen informeren het college over de hoogte van de bijdragen en de wijze van inning 3. De hoogte van de bijdrage in de kosten wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van deze voorziening. De kostprijs van de voorziening geldt als maximum voor de bijdrage in de kosten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=d654b1f3-d3ab-4315-90d3-20640183e0cb