TOE Vastgesteld BP Orionlaan 62 en 70A (09-11-2023)
Tekst van het document
Situatie in het plangebied
5.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is aangegeven met de blauwe ster.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: risicokaart.nl)
Buisleidingen Nederlandse Gasunie B.V. Zoals in afbeelding 5.1 is weergegeven, ligt het plangebied nabij een gasleiding (W-533-01) van de Nederlandse Gasunie B.V. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 324 mm en een werkdruk van 40,00 bar. Bij
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld een dergelijke gasleiding ligt de 100% letaliteitsgrens op 140 meter. Het plangebied ligt op een afstand van 960 meter van de gasleiding. Transport over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden PR20-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een spoorlijn. Op circa 1.550 meter van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Amsterdam – Amersfoort. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. Er is sprake van vervoer van stoffen waarvoor een invloedsgebied van > 4 kilometer geldt. Het aantal mensen in het plangebied neemt echter niet toe met de beoogde ontwikkeling. Een nadere verantwoording van het groepsrisico kan dan ook achterwege blijven. Tevens bevinden zich op grotere afstand de A1. De afstand tot de A1, 1.550 meter is echter te groot om van invloed te zijn. Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • • • • • 5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een LPG-tankstation; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.1
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De omgeving waarin het plangebied zich bevindt kan geclassificeerd worden als een ‘rustige woonwijk’. De omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door woningen en groen.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige objecten/functies (woningen) hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden door nieuwe milieugevoelige objecten/functies (woningen). In de nabijheid van het plangebied zijn verscheidene milieubelastende functies aanwezig. Op de betreffende functies wordt nader ingegaan. Maatschappelijke functie - Orionlaan 60 (Stichting Scouting St. Paulus Groep) Ten zuiden van het plangebied, aan de Orionlaan 60, is een Scoutinggroep (Stichting Scouting St. Paulus Groep ) gevestigd. Voor dergelijke functies geldt op basis van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ een grootste richtafstand van 30 meter op basis van een ‘rustige woonwijk’. De perceelsgrens van deze maatschappelijk functie is gelegen op circa 40 meter van de perceelsgrens van het plangebied. Bedrijfsfunctie – Larenseweg 17 Ten westen van het plangebied, aan de Larenseweg 17, is een bedrijfsperceel gelegen.
Bedrijven binnen dit perceel behoren maximaal tot categorie 1 of 2 op basis van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’. Bij dergelijke bedrijven hoort een grootste richtafstand van 30 meter op basis van een ‘rustige woonwijk’. De perceelsgrens van dit bedrijfsperceel is gelegen op circa 90 meter van de perceelsgrens van het plangebied. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. 5.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ bevindt zich op circa 5,8 kilometer afstand. Gelet op voorliggende ontwikkeling is er door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Geconcludeerd wordt dat er geen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningplichtig. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt aangrenzend aan het plangebied. Dit blijft in de nieuwe situatie echter onveranderd en onaangetast. Het NNN kent geen schaduwwerking, waarmee kan worden geconcludeerd dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder ander de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Ten behoeve van het voornemen is door BJZ.nu een quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is weergegeven in bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. 5.6.2.2 Situatie plangebied De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst (bijlage 3 van het onderzoeksrapport) van de provincie staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen.
Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, gebruiken het als (niet essentieel) foerageergebied, maar gebruiken het niet als verbindende schakel in een vliegroute. Om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren zullen de gebouwen moeten worden onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Nader onderzoek voor vleermuizen is noodzakelijk. De beoogde werkzaamheden kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van jaarrond beschermde vogelnesten. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van beschermde nesten. Hierbij dient gekeken te worden naar de effecten die de beoogde werkzaamheden mogelijk hebben op de op de rand van het plangebied begevende nestkast en vegetatie binnen en rondom het plangebied. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden.
Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepaling (doden) aangevraagd te worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 5.6.2.3 Nader onderzoek dagactieve vogels en vleermuizen Naar aanleiding van het uitgevoerde flora en fauna onderzoek, is nader onderzoek uitgevoerd naar de dagactieve vogels en vleermuizen. Het volledige nader onderzoek in opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting, hierna wordt ingegaan op de bevindingen. Dagactieve vogels Er zijn geen nesten aangetroffen en geen indicaties waargenomen dat het plangebied als essentieel foerageergebied dient doordat er ruim voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig is in de vorm van tuinen, bosgebied en bosrandgebied. Op basis van de bevindingen uit de inventarisaties kan met zekerheid worden geconcludeerd dat de herinrichting van het plangebied niet leidt tot ecologische belemmeringen met betrekking tot jaarrond beschermde nesten en bijbehorend essentieel leefgebied van diverse vogelsoorten. Vleermuizen Er zijn geen vleermuisverblijven aangetroffen en het plangebied wordt als matig geschikt foerageergebied beschouwd door de terreinverlichting.
Bij het inschakelen hiervan trokken de aangetroffen gewone dwergvleermuizen duidelijk door naar een ander gebied, waarbij het plangebied maar beperkte tijd per dag fungeert als foerageergebied. Op basis van de bevindingen uit de inventarisaties kan met zekerheid worden geconcludeerd dat de herinrichting van het plangebied niet leidt tot ecologische belemmeringen met betrekking tot vleermuizen. 5.6.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het onderdeel ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hilversum heeft de archeologische verwachtingswaarde van gronden doorvertaald in dubbelbestemmingen in haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – Na 1850 gebouwd – Hoog en Middelhoog’. Op gronden met deze bestemming geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 centimeter. Deze oppervlakte wordt overschreden. Door Laagland Archeologie is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt kort op de onderzoeks-conclusies ingegaan. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van de noordwestelijke en zuid westelijke hoek rondom boringen 1 en 6. De geplande bouwwerkzaamheden zullen plaatsvinden in het oostelijk en centraal deel van het plangebied. Uit het booronderzoek is gebleken dat deze delen tot in de C-horizont verstoord zijn. Voor deze delen kan de verwachting voor alle perioden worden bijgesteld naar laag. Tijdens de bouw van de vier geplande woningen in het oostelijk en centraal deel van het plangebied zullen geen archeologische resten worden verstoord. Mochten er in de toekomst bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden rondom de locaties van boringen 1 en 6 dan is aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. In paragraaf 3.1 is reeds uitgebreid stilgestaan bij de totstandkoming van voorliggend plan en hoe tevens rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden in en om het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 5,8 kilometer afstand. Gelet de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het feit dat het middels voorliggend bestemmingsplan uitsluitend toegestaan wordt om in het plangebied te wonen en de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is er geen sprake van een negatief effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk.
Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat van de bouw van vier woningen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. 2. 3.
6.1.4
beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; voorkomen van grote economische schade; voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Het waterbeheerplan 2016-2021 is op 8 oktober 2015 goedgekeurd door het Algemeen Bestuur van het waterschap en is vanaf 1 januari 2016 van kracht. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • •
Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld • • • • • • • •
Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid
Er is sinds 1 november 2019 een nieuwe Keur AGV 2019 van kracht die meer geënt is op de Omgevingswet en ruimte biedt aan maatwerk. De uitgangspunten zijn grotendeels hetzelfde gebleven met voorgaande keur, veranderingen zijn vooral in details en met maatwerk. Keur AGV en legger In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee wil het waterschap de volgende doelen bereiken: • schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren • sterke dijken tegen overstromingen • gezonde waterplanten en vissen De Keur gaat kortom over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken. En welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen. Op grond van artikel 2.3 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur verhard oppervlak uit te breiden met een door het bestuur bij besluit te bepalen oppervlak. In de legger staat wie op welke plek verantwoordelijk is voor onderhoud. Dat kan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn. Maar ook een ander waterschap, de provincie of een boer met akkers langs het water. De legger is voor het waterschap een belangrijk document. Het waterschap gebruikt de legger ook bij het geven van een vergunning. De legger maken we onder andere op basis van de Keur. In de Keur staan de regels van het waterschap voor dijken en het water.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. 6.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is geïnformeerd over het plan. In april 2022 is daarnaast contact geweest met het waterschap. Mede op basis van de reacties van het waterschap, is de volgende paragraaf tot stand gekomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld 6.2.3
Watersysteem
Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen in of nabij een grondwaterbeschermingsgebied. Dit betekent dat binnen het gebied ten opzichte van de gebruikelijke zorgvuldigheid geen extra restricties gelden om de drinkwaterwinning te beschermen. Bodem- en grondwaterverontreiniging In de oudere wijken is veel bedrijvigheid geweest. Als gevolg van het langdurige intensieve gebruik is de bovengrond over het algemeen licht verontreinigd met PAK en zware metalen (en oplosmiddelen). Plaatselijk komen ernstige verontreinigingen voor. In het verleden zijn een aantal verontreinigingen reeds gesaneerd. In paragraaf 5.2.2. wordt het bodemonderzoek toegelicht en hierin wordt geconcludeerd dat het plangebied vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Grondwater Hilversum ligt op een stuwwal van het Gooi en is infiltratiegebied. In de zandige bodem stroomt het grondwater globaal genomen in westelijke richting. De grondwaterstandsfluctuatie bedraagt enkele meters. De grondwaterstanden kunnen in de toekomst stijgen door invloed van het klimaat en activiteiten in de regio zoals afname van drinkwaterwinningen en opzetten van polderpeilen (de laatste aan de westkant van Hilversum). Bij ondergrondse bouw moet rekening worden gehouden met de grondwaterstand.
Kelders moeten waterdicht worden uitgevoerd, zodat de noodzaak tot het lokaal verlagen van de grondwaterstand wordt voorkomen. Bij de bepaling van de maximale grondwaterstand ten behoeve van ondergrondse bouw moet rekening worden gehouden met een marge als gevolg van toekomstige regionale grondwaterstandstijgingen. Oppervlaktewater In en nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afwateringssysteem In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2015 - 2020 is deels het van belang zijnde waterbeleid voor de gemeente opgenomen. De gemeente stelt als eis dat een maximale inspanning wordt gedaan om het hemelwater af te koppelen van het gemengde rioolstelsel. Waar infiltratie mogelijk is moet zoveel mogelijk water worden afgevoerd naar de bodem. Hemelwater kwaliteit Om bodem- en grondwaterverontreiniging bij de infiltratiepunten op het eigen terrein te voorkomen is het belangrijk om geen onbehandeld koper, zink, lood, teerhoudende dakbedekking (PAK) en andere uitlogende (bouw)materialen toe te passen op oppervlakken/straatmeubilair die in aanraking komen met het regenwater. Daarnaast dient er géén gebruik te worden gemaakt van (chemische) onkruidbestrijdingsmiddelen. De perceelseigenaar is verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit onder het perceel en dus voor de kwaliteit van het infiltrerende hemelwater.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, etc.). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 9) In dit artikel zijn de regels voor ondergeschikte bouwonderdelen en dakopbouwen opgenomen.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 10) In dit artikel zijn de algemene regels voor strijdig gebruik en parkeren opgenomen.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Tuin (Artikel 3) De voortuinen van de te realiseren woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor tuinen, in- en uitritten en parkeervoorzieningen. Binnen deze bestemming is door middel van de aanduiding ‘ontsluiting’ aangegeven waar de woningen in het plangebied, via de tuinbestemming mogen worden ontsloten op de gronden naast het plangebied.
Wonen - 3 (Artikel 4) In voorliggend geval is ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied de enkelbestemming ‘Wonen – 3’ toegekend. De voor ‘Wonen – 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in twee-aaneen woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit en met de daarbij behorende voorzieningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld Ten aanzien van hoofdgebouwen mogen deze uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd worden waarbij het bouwvlak volledig bebouwd mag worden met maximaal twee woningen. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven. Door middel van de aanduiding ‘gevellijn’ is aangegeven dat op bepaalde gevels van de hoofdgebouwen geen dakkapellen zijn toegestaan. Daarnaast is door middel van de aanduiding ‘bijgebouwen’ aangegeven waar binnen de woonbestemming bijgebouwen mogen worden gebouwd. Wonen - 4 (Artikel 5) In voorliggend geval is ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied de enkelbestemming ‘Wonen – 4’ toegekend. De voor ‘Wonen – 4’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit en met de daarbij behorende voorzieningen. Ten aanzien van hoofdgebouwen mogen deze uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd worden waarbij het bouwvlak volledig bebouwd mag worden met maximaal één woning per bouwvlak. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven.
Door middel van de aanduiding ‘gevellijn’ is aangegeven dat op bepaalde gevels van de hoofdgebouwen geen dakkapellen zijn toegestaan. Daarnaast is door middel van de aanduiding ‘bijgebouwen’ aangegeven waar binnen de woonbestemming bijgebouwen mogen worden gebouwd. Waarde – Archeologie – Na 1850 bebouwd gebied – Hoog en Middelhoog (Artikel 6) De voor 'Waarde - Archeologie - Na 1850 bebouwd gebied - Hoog en Middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar aangewezen bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en het behoud van de aangewezen archeologische waarden of de naar verwachting aan te treffen archeologische waarde welke niet beschermd zijn ingevolge de Monumentenwet 1988. Op de voor 'Waarde - Archeologie - Na 1850 bebouwd gebied - Hoog en Middelhoog' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Dat verbod geldt niet als de omvang van die bouwwerken kleiner is dan 100 m² en deze ook niet dieper in de grond reiken dan 40 cm, ongeacht de omvang. Waarde – Beschermd gezicht (Artikel 7) De voor ‘Waarde – Beschermd gezicht’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de uitbouw van de aanwezig cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In de anterieure overeenkomst wordt het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Noord-Holland
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt vooroverleg met de provincie NoordHolland niet noodzakelijk geacht. In hoofdstuk 4 is reeds aangetoond dat het initiatief pas binnen het beleidskader van de provincie. 9.1.3
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De reden hiervoor is dat er een uitgebreid participatieproces is doorlopen (zie paragraaf 9.3).
9.3
Participatie
Gedurende het planproces hebben omwonenden en belanghebbenden in meerdere sessies kunnen participeren in de totstandkoming van voorliggend plan. Hieronder volgt een tijdlijn met korte samenvattingen van de diverse participatiesessies en contactmomenten. Voor de geanonimiseerde verslagen wordt verwezen naar bijlage 8 bij deze toelichting. 18 februari 2020 Op 18 februari 2020 zijn de eerste gesprekken gevoerd met de toenmalig initiatiefnemer en de belanghebbenden en omwonenden. In deze sessie zijn de plannen toegelicht door middel van diverse tekeningen. De conclusie uit deze sessie is dat met name de bouwhoogte, de situering van de bouwvlakken, behoud van groen en privacy onderwerpen zijn waar zorgen over waren. 10 maart 2022 Op 10 maart 2022 is een participatiebijeenkomst georganiseerd in de Morgensterkerk (Seinstraat 2 te Hilversum). Dit betrof een eerste kennismaking van de huidige initiatiefnemer met omwonenden en geïnteresseerden. In totaal waren 34 personen aanwezig. Door gebruik te maken van informatiepanelen, konden de aanwezigen input en ideeën met post-its uitwisselen. De reacties waren wisselen: ‘mooie bouwstijl’ en ‘te hoge bouw’ waren veelgehoorde opmerkingen. Een deel van de aanwezigen waren zeer te spreken over het plan voor de te realiseren
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld woningen en vonden de stijl van de huizen en het behoud van karakter en ruimte erg mooi. Enkele directe buren waren kritisch over de plannen en maakten zich zorgen over de hogere bouw en de inbreuk op hun privacy. Ook zijn de zorgen voor verkeersveiligheid besproken en genoteerd om rekening mee te houden in de verdere planvorming. Naar aanleiding van de participatiebijeenkomst van 10 maart 2022 hebben vertegenwoordigers van directe belanghebbenden (bewoners van 11 aan het plangebied grenzende percelen) hun zorgen geuit over de voorgenomen ontwikkeling en de gang van zaken tijdens de participatiebijeenkomst van 10 maart 2022. 22 april 2022 Op 22 april 2022 zijn de directe belanghebbenden in gesprek gegaan met de initiatiefnemer. Reden voor het gesprek was om de (aangepaste) plannen nader te bespreken en waar nodig in overleg bij te schaven. Onderwerpen van gesprek waren: • • • •
de visuele impact van de voorgenomen ontwikkeling voor de directe omwonenden; of met de positionering van de installaties rekening kan worden gehouden met geluid; het zoveel mogelijk behouden van groen. Met name de bomen op de erfgrens; huisnummering.
Deze punten worden door initiatiefnemer uitgewerkt en besproken in een vervolgoverleg. 1 juni 2022 Op 1 juni 2022 heeft initiatiefnemer door middel van onder andere (3D) impressies en suggesties laten zien hoe de plannen zijn aangepast en wat de visuele impact van de te realiseren woningen is ten opzichte van de bestaande (te slopen) bebouwing. 16 juni 2022 De reactie van de direct omwonenden was positief. De plannen werden gezien als een verbetering, omdat een aantal ingrepen wordt voorgesteld die de visuele impact van het plan verkleinen. Ook het gegeven dat een aantal dakkapellen zijn verwijderd, werd als positief ervaren. In deze reactie zijn ook nog een aantal suggesties en opmerkingen gemaakt ten aanzien van de positionering van de woningen en de fundering. Initiatiefnemer heeft ervoor gekozen niet meer in te gaan op de laatste suggesties. De initiële plannen zijn gedurende het participatieproces substantieel gewijzigd om tegemoet te komen aan de wensen van omwonenden.
9.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 14 april 2023 voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn zienswijzen binnengekomen. Voor de samenvatting van de zienswijzen en de gemeente beantwoording daarop wordt verwezen naar de zienswijzennota.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 2
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 3
Aerius-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 4
Quickscan ecologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 5
Nader ecologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 7
Watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan “Orionlaan 62-70a” Vastgesteld
Bijlage 8
Geanonimiseerde participatieverslagen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52