Ruimtelijke onderbouwing Melkmeent 3b Hilversum (03-10-2023)
Tekst van het document
Ook zal de oriënterende waarde of 10% van deze waarde niet worden overschreden gezien de lage personendichtheid in het invloedsgebied. Dit zal ook niet veranderen door de toevoeging van twee woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
24
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing Gezien bovenstaande kan dan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Officieel is dan een berekening van het groepsrisico noodzakelijk, maar uit ervaring is gebleken dan een dergelijke toename op een lage personendichtheid in het invloedsgebied niets bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Laat staan dat dit leidt tot een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico. Hierdoor is een berekening met het rekenprogramma Carola niet aan de orde. Shell Station Bantam Op circa 225 meter afstand is een LPG tankstation gesitueerd. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 40 meter waaraan ruimschoots wordt voldaan. 4.3.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.4.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
25
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van Hilversum.
De directe omgeving van het projectgebied bestaat uit woonfuncties, agrarische percelen, natuur en bedrijvigheid. Het gebied wordt dan ook beoordeeld als zijnde een ‘gemengd gebied. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden voor zowel een rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.4.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.4.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 4.4.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing omliggende bedrijven aantasten. In het projectgebied worden milieugevoelige functies gerealiseerd, namelijk de appartementen. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich enkele milieubelastende functies. Hierna zijn de functies, de milieucategorie, de richtafstand en de daadwerkelijk afstand genoemd. De daadwerkelijke afstand is gemeten vanaf de bestemmingsgrens van de milieubelastende functie tot aan het pand waarin de nieuwe woningen komen. Onder de milieubelastende functies in de direct omgeving zijn een aantal veehouderijen. Hiervoor gelden, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunning plichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.4 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor geluid in gemengd gebied.
Op circa 40 meter afstand bevind zich een bedrijf met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hoefsmid’, deze bevalt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ te benoemen onder ‘smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., met een productieoppervlak van minder dan 200 m 2 ’ van milieucategorie 3.1 (grootste richtafstand 10 meter voor geluid in gemengd gebied) of ‘dienstverlening ten behoeve van de landbouw algemeen (o.a. loonbedrijven) met een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m2’ van milieucategorie 2 (grootste richtafstand 10 meter. Aan beide richtafstanden wordt voldaan. Aan de overzijde van de Melkmeent is een paardenpension gevestigd, op circa 14 meter van de gevel van het pand binnen het projectgebied. Ook is ten zuiden van de bovengenoemde hoefsmid een manege gelegen op circa 66 meter van het projectgebied. In een gemengd gebied gelden voor allen een grootste richtafstand van 10 meter voor geluid. Beide maneges voldoen hier aan. In de volgende paragraaf worden beide bedrijven op basis van de Wet Geurhinder getoetst. Noemenswaardig is nog een paardenbak op het achtererf van het aangrenzend perceel, op circa 32 meter afstand. Dit betreft echter geen bedrijfsmatige paardenbak, en wordt dan ook niet als zodanig gebruikt maar bijbehorend bij de woning.
De milieubelastende functie van deze paardenbak is dan ook geringer dan de bovengenoemde maneges, gesteld wordt dan ook dat deze het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied niet aantast. Op circa 60 meter afstand bevindt zich een bedrijf met de functieaanduiding ‘tuincentrum’. Deze bevalt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ specifiek onder ‘Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten’ van milieucategorie 2 (grootste richtafstand 30 meter). Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Gesteld wordt dan ook dat er geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat. Derhalve kan er dus vanuit worden gegaan dat er ter hoogte van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat omliggende milieubelastende functies niet tot hinder zijn voor de beoogde woningen, er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Anderzijds levert het plan geen belemmering op voor de bedrijfsvoering van de omliggende functies. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
4.5
Geur
4.5.1
Algemeen
4.5.1.1 Wet geurhinder en veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld,
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wgv (artikel 4, lid 1) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 4.5.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).
Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.5.2
Situatie plangebied
In dit geval liggen er een tweetal paardenpensions in de nabijheid van het plangebied. Ten aanzien van de grondgebonden veehouderijen geldt een vaste afstand voor 50 met van geur. Deze wordt in het geval van de manege ten zuidwesten van het projectgebied gehaald. Echter bevindt de manege aan Melkmeent 26, direct tegenover het projectgebied, zich hierbinnen. Hier kan echter een nuance worden aangebracht, de stallen en sleufsilo’s voor de mest staan op het achtererf gesitueerd, op circa 56 meter van bebouwing binnen het projectgebied. Gezien de indeling van het projectgebied en de nabije ligging van meerdere woningen in de omgeving valt niet te verwachten dat dit veranderd. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het projectgebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, eveneens wordt de manege niet (verder) beperkt in zijn ontwikkelmogelijkheden door voorliggende ontwikkeling. 4.5.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het projectgebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ bevindt zich op 1,3 kilometer afstand van het projectgebied. In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, is de aanlegfase van de ontwikkeling achterwege gelaten. In de Wsn is namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector opgenomen. Dit houdt in dat de door de bouw mogelijke veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij een natuurvergunning. De vrijstelling geldt slechts voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw-, sloop en aanleg en ander werkzaamheden en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt.
Het initiatief voorziet in de realisatie van drie gasloze appartementen, daarbij komt dat de ontwikkeling van desbetreffende kleine omvang is dat aangenomen kan worden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat er ook tijdens de gebruiksfase geen negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zullen zijn. Een stikstofberekening is in overeenstemming met de gemeente dan ook achterwege gelaten. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van natuur dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op circa 5,2 kilometer afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.6.3
Soortenbescherming
4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.6.3.2 Situatie projectgebied Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen bouwkundige ingrepen, het dempen van watergangen of het verwijderen van groenstructuren gemoeid. De huidige inrichting en het beheer maken het projectgebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Van enige vorm van aantasting van beschermde flora en fauna als gevolg van de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling is geen sprake. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden. Gelet op het vorenstaande wordt een natuurwaardenonderzoek niet noodzakelijk geacht. Op het moment dat er verbouwd gaat worden zijn de eigenaar en aannemer verantwoordelijk voor een check op beschermde soorten van de Wnb (onder andere huismussen, gierzwaluwen of vleermuizen). De Omgevingsdienst is bevoegd gezag. Opgemerkt wordt dat te allen tijde rekening wordt gehouden met de zorgplichtbepaling uit de Wet natuurbescherming. 4.6.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.7
Besluit milieueffectrapportage
4.7.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het ruimtelijke plan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een onderbouwing worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing 4.7.2
Situatie projectgebied
4.7.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ bevindt zich op 1,3 kilometer afstand van het projectgebied. Gelet de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het feit dat het middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing uitsluitend mogelijk wordt gemaakt om in het projectgebied te wonen en de afstand tussen het projectgebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is er geen sprake van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.7.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Water
4.8.1
Algemeen
Er wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico’s op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.8.2
Beleidskaders
4.8.2.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.8.2.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast.
We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 4.8.2.3 Provinciaal beleid De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. 2. 3.
beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; voorkomen van grote economische schade; voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing 4.8.3.4 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het Waterbeheerprogramma Amstel, Gooi en Vecht (AGV) 2022-2027 is op 10 maart 2022 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap. In het Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • • • • • • • • • •
Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
Ook is er sinds 1 november 2019 een nieuwe Keur AGV 2019 van kracht die meer geënt is op de aankomende Omgevingswet en ruimte biedt aan maatwerk. De uitgangspunten zijn grotendeels hetzelfde gebleven met voorgaande keur, veranderingen zijn vooral in details en met maatwerk. 4.9.3
Waterparagraaf
4.9.3.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Beantwoording van de vragen op de dedigitalewatertoets.nl heeft ertoe geleid dat ondanks voorliggend initiatief niet voorziet van extra bebouwing of verharding op het perceel het toch mogelijk belangen van het waterschap raakt. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is daarom op de hoogte gebracht van het initiatief en gevraagd om een reactie, zij hebben de mogelijkheid hierop inhoudelijk te reageren.
4.9.3.2 Waterhuishoudkundige aspecten Grondwater Het projectgebied is niet gelegen binnen grondwaterbeschermingsgebieden zoals bedoeld in de
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsverordening Noord-Holland. Binnen het projectgebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In de huidige situatie is in het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig en het voornemen voorzien niet in de aanleg van nieuw oppervlakte water. Hemelwater Het hemelwater wordt geïnfiltreerd op eigen terrein en niet aangesloten op de gemeentelijke riolering. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen wordt net als in de huidige situatie afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelsel.
4.9.4
Conclusie
Concluderend vormt de waterparagraaf geen belemmeringen voor dit project.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
34
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5
CONCLUSIE
Het realiseren van drie appartementen in de woning aan de Melkmeent 3b te Hilversum past binnen de relevante beleidskaders. Verder gaat de ontwikkeling niet gepaard met significante milieugevolgen, gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties of de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven. Gelet op het vorenstaande kan via een aanvraag omgevingsvergunning conform artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht medewerking worden verleend aan de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
35
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN Bijlage 1:
Watertoets Intaker
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
36
Melkmeent 3b, Hilversum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2:
Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37