Raadsinformatiebrief 2021-32 inzake Maaibeheer, biodiversiteit en eikenprocessierups
Tekst van het document
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
26
TABEL 2: ONTBREKENDE OF SCHAARSE VOOR BIJEN BELANGRIJKE PLANTENSOORTEN IN HET KAMRAD SOORT VOORKOMEN STANDPLAATSOMSTANDIGHEDEN Blauwe bosbes Zuiderheide e.o. Droge tot vochtige, lichte, schrale bossen met een ontwikkelde bosbodem Brem Zuiderheide e.o. Droge, schrale omstandigheden (heide, graslanden en verstoorde bodems) Duizendblad Kamrad Droge, schrale tot matig voedselrijke graslanden Gewoon biggenkruid Kamrad Droge, schrale tot matig voedselrijke graslanden Grasklokje Zuiderheide e.o. Droge, schrale, licht gebufferde graslanden en bosranden Muizenoor Kamrad Droge, schrale graslanden Sporkehout Zuiderheide e.o. Droge tot vochtige, lichte bossen en bosranden Stekelbrem Zuiderheide e.o. Droge, schrale omstandigheden (heide) Struikhei Zuiderheide e.o. Droge, schrale omstandigheden (heide, heischrale graslanden) Wilgenroosje Zuiderheide e.o. Droge tot vochtige, (licht) verstoorde bosranden en struwelen Zandblauwtje Zuiderheide e.o. Droge, schrale graslanden en heidevegetaties OPEN VEGETATIES In open vegetaties wordt geadviseerd de vestiging van stekelbrem, grasklokje, struikhei en zandblauwtje te stimuleren.
Indien gekozen wordt voor het inzaaien/aanplanten van deze soorten wordt geadviseerd te kiezen voor leveranciers van inheemse, autochtone zaden/planten of liever nog in overleg met bijvoorbeeld het Goois Natuurreservaat zaden of planten te oogsten in de Zuiderheide of omliggende terreinen.
Afbeelding 14: referentiefoto’s van droge zandige vegetaties met een grote waarde voor wilde bijen.
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
27
5.2.2
VERGROTEN VAN NECTARAANBOD VAN STRUIKEN
Verder wordt geadviseerd om te kijken of de randen van of in de open delen op het Kamrad kunnen worden ingericht als struweel met sporkehout, braam en brem. Deze struwelen hebben een belangrijke waarde voor wilde bijen. Ook andere inheemse kleine bomen en struiken van de schrale, droge zandgronden zoals gaspeldoorn en wilde lijsterbes zijn van waarde voor wilde bijen. TABEL 3: STRUIKEN VAN DROGE, SCHRALE OMSTANDIGHEDEN DIE VAN BELANG ZIJN VOOR WILDE BIJEN. SOORT VOORKOMEN STANDPLAATSOMSTANDIGHEDEN Braam Bosrand Droge, door stikstof verrijkte of verstoorde bodems Brem Zuiderheide e.o. Droge, schrale omstandigheden (heide, graslanden en verstoorde bodems) Sporkehout Zuiderheide e.o. Droge tot vochtige, lichte bossen en bosranden Stekelbrem Zuiderheide e.o. Droge, schrale omstandigheden (heide)
Afbeelding 15: referentiefoto’s van struwelen op droge zandige locaties grote waarde voor wilde bijen.
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
28
5.2.3
BEHOUDEN EN VERGROTEN AANWEZIGE NESTLOCATIES
Bodem De droge en schrale bodem levert veel potenties op voor in de grond nestelende wilde bijen. Op de Zuiderheide zijn ook steilrandjes aanwezig die al door diverse soorten insecten, waaronder zeer waarschijnlijk wilde bijen, in gebruik zijn (afbeelding 16, links). In het Kamrad zijn tevens op diverse plekken open zandige delen aangetroffen (afbeelding 16, rechts).
Afbeelding 16: nestgelegenheid gebruikt door wilde bijen in een steilrandje op de Zuiderheide en potentiële nestgelegenheid op het Kamrad.
Hout en stengels De ontwikkeling van braamstruweel in de omgeving zal positief uitpakken voor bepaalde bijensoorten. Bijkomend voordeel is dat bramen ook door wilde bijen worden gebruikt als voedselplant.
5.2.4
INRICHTING EN BEHEERSUGGESTIES
KORTE VEGETATIES Geadviseerd wordt te streven naar 75-80% kruidenrijke open vegetaties met veel nectarplanten. Deze vegetatie wordt 1x per jaar gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd: • De maaironde kan het best in september-oktober worden uitgevoerd; • Jaarlijks blijft ten minste 20% van de vegetatie gedurende de winter staan; • Eventuele bloeiende soorten dienen altijd te worden gespaard; • Eventuele nieuwe struwelen dienen te worden gespaard tot een maximum van 20% van het oppervlak; • Zie ook de vuistregels in paragraaf 5.1. STRUWELEN Geadviseerd wordt te streven naar 10-15% struwelen. Door afzetten wordt bosvorming voorkomen: • Struwelen worden in het beheer gespaard; • Bomen die struwelen wegconcurreren worden verwijderd; • Ongewenste struiken (exoten) worden verwijderd; • Struwelen worden afgezet, waarbij maximaal 20% van het oppervlak én van de soort struik wordt weggehaald. Zo blijft altijd voldoende nectar en nestgelegenheid (holle stengels) van de desbetreffende soort achter.
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
29
OPEN ZAND Geadviseerd wordt te streven naar 5-10% open zand waarin de bijen kunnen nestelen struwelen. Door afzetten wordt bosvorming voorkomen: • Struwelen worden in het beheer gespaard; • Bomen die struwelen wegconcurreren worden verwijderd; • Ongewenste struiken (exoten) worden verwijderd; • Struwelen worden afgezet, waarbij maximaal 20% van het oppervlak én van de soort struik wordt weggehaald. Zo blijft altijd voldoende nectar en nestgelegenheid (holle stengels) van de desbetreffende soort achter. BOS TUSSEN HET KAMRAD EN DE ZUIDERHEIDE • Om de kolonisatie van soorten (zowel kruidachtigen als wilde bijen) te faciliteren is omvorming van de bosrand tussen het Kamrad en de Zuiderheide aan te raden. De belangrijkste ingreep is het verwijderen van de Amerikaanse vogelkers; • Bij het eventueel omvormen van de bosrand is het van belang om eventuele groeiplaatsen/individuen van voor bijen waardevolle soorten als blauwe bosbes, sporkehout, struikhei en wilgenroosje te sparen. • In het bos kunnen struwelen met een belangrijke waarde voor insecten (en bijen) worden gestimuleerd als sporkehout, brem, wilde lijsterbes en braam.
5.3
BEHEER ANNA’S BERG
Door de ligging aan de stadsrand, het grote oppervlak en de in Hilversum afwijkende voedselrijke, vochtige kleigrond biedt de Anna’s Berg potenties om bijen van vochtige, voedselrijke systemen een plek te geven in de bebouwde kom van Hilversum. De vochtige, voedselrijke omstandigheden en de verstoorde bodem vormen tevens één van de valkuilen van de Anna’s Berg. Vergrassing is vaak lastig te doorbreken in deze situaties. Om de omstandigheden voor wilde bijen in op de Anna’s Berg te verbeteren zijn de volgende doelen opgesteld: • Vergroten van het nectar- en stuifmeelaanbod van kruidachtigen van vochtige, voedselrijke omstandigheden; • Vergroten van het nectar- en stuifmeelaanbod van struiken van vochtige, voedselrijke omstandigheden; • Vergroten van de nestgelegenheid in stengels en dood hout; • Behoud van de nestgelegenheid in de grond.
5.3.1
VERGROTEN VAN NECTAR- EN STUIFMEELAANBOD VAN KRUIDACHTIGEN
Op de Anna’s Berg is een relatief groot aantal soorten aanwezig waarvan wilde bijen profiteren, deze soorten hebben echter een lage bedekking, waardoor voor de meeste bijen te laag aanbod van nectar en stuifmeel is. Geadviseerd wordt de in 3.2.2 genoemde soorten tijdens het maaien zoveel mogelijk te sparen zodat deze soorten zaad kunnen zetten en zich kunnen uitbreiden, BELANGRIJKE BIJENPLANTEN VOOR RODE LIJSTSOORTEN Van de door Fijen & Kleijn (Wageningen UR) genoemde soorten komen kruldistel, akkerdistel, speerdistel, smal streepzaad, peen, gewone berenklauw, jakobskruiskruid, gewone rolklaver, boerenwormkruid, rode klaver en diverse wikkes in het plangebied voor. BLOEMRIJKE GRASLANDEN Door goed beheer (gefaseerd maaien en afvoeren) is een bloemrijke vegetatie te creëren. Vooral op plekken waar nu al (spaarzaam) gewenste soorten aanwezig zijn liggen kansen. Van belang is dat het beheer leidt tot meer stabiliteit in de vegetatie wat op den duur zorgt voor een toename van gewenste soorten (zie ook paragraaf 5.1). Met name de diverse soorten vlinderbloemigen (klavers en wikkes) op de Anna’s berg zijn zeer het stimuleren waard. Ongeveer 85% van de bijensoorten op de Rode lijst is namelijk afhankelijk van klavers,
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
30
wikkes en andere vlinderbloemigen. Naast deze vlinderbloemigen groeien ook klein streepzaad, peen, vertakte leeuwentand, gewone rolklaver en klein hoefblad. BLOEMRIJKE RUIGTES Daarnaast zijn ook de akkerdistel, speerdistel, kruldistel, jakobskruidkruid, gewone berenklauw, boerenwormkruid en gewone smeerwortel van belang. Deze soorten groeien veelal in ruigtes. Geadviseerd wordt grote dichtheden van deze soorten één keer per jaar in oktober te maaien. OVERIGE (ONGEWENSTE) VEGETATIES Een groot deel van de Anna’s berg is begroeid met grassen, bijvoet en ridderzuring. Deze soorten leveren vrijwel geen waarde voor wilde bijen soorten. Door het creëren van stabiliteit en het maaien en afvoeren van de vegetatie worden deze vegetaties naar verloop waarschijnlijk soortenrijker. Bij deze vegetaties kan ervoor worden gekozen om een extra maaironde in juni uit te voeren. Er is immers weinig kwaliteit te verliezen in deze delen.
Afbeelding 17: referentiefoto’s van plantensoorten op voedselrijke, vochtige grond met een grote waarde voor wilde bijen.
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
31
5.3.2
VERGROTEN VAN NECTAR- EN STUIFMEEL AANBOD VAN BOMEN EN STRUIKEN
Verder wordt geadviseerd om te kijken of plaatselijk wilgen en meidoorn kunnen worden toegevoegd aan de Anna’s Berg. Wilgen en de eenstijlige meidoorn hebben op kleigronden een belangrijke waarde voor wilde bijen.
Afbeelding 18: referentiefoto’s van bloeiende wilgen (links) en bloeiende eenstijlige meidoorn (rechts). Deze bomen en struiken hebben op vochtige, voedselrijke bodems een erg grote waarde voor wilde bijen.
5.3.3
BEHOUDEN EN VERGROTEN AANWEZIGE NESTLOCATIES
Bodem Door de ruige vegetatie op de Anna’s berg is het voor de meeste wilde bijen lastig een goede plek te vinden om te nestelen. Geadviseerd wordt een bijenheuvel aan te leggen op of in de directe omgeving van de berg. Een bijenheuvel is een bult open zand/leem waarin wilde bijen kunnen nestelen. Van belang is dat deze bijenheuvel open blijft en door de zon wordt beschenen. Hout en stengels De ontwikkeling van braamstruweel in de omgeving zal positief uitpakken voor bepaalde bijensoorten. Bijkomend voordeel is dat bramen ook door wilde bijen worden gebruikt als voedselplant.
5.3.4
INRICHTING EN BEHEERSUGGESTIES
KORTE VEGETATIES Geadviseerd wordt te streven naar 80-90% kruidenrijke open vegetaties met veel nectarplanten. De maaironde kan het best in september-oktober worden uitgevoerd; • In juni wordt minimaal 50% van de Anna’s Berg gemaaid, hierbij blijven de delen met bloemen zoveel mogelijk gespaard; • In september-oktober wordt 80% van de Anna’s Berg gemaaid. Nog bloeiende kruiden worden gespaard voor laat in het seizoen vliegende bijen; • Jaarlijks blijft ten minste 20% van de vegetatie gedurende de winter staan; • Zie ook de vuistregels in paragraaf 5.1. BOMEN EN STRUIKEN Geadviseerd wordt te streven naar 10-20% struwelen. Door afzetten wordt bosvorming voorkomen: • Struwelen worden in het beheer gespaard. Indien het oppervlak boven de 20% komt wordt struweel verwijderd; • Grote wilgen leveren erg veel stuifmeel en nectar aan vroeg vliegende bijensoorten. Geadviseerd wordt een tiental wilgen aan te planten en volledig te laten uitgroeien;
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
32
• Struwelen worden afgezet, waarbij maximaal 20% van het oppervlak én van de soort struik wordt weggehaald. Zo blijft altijd voldoende nectar en nestgelegenheid (holle stengels) van de desbetreffende soort achter.
5.4
BEHEER KERKELANDEN
De locatie op de Kerkelanden in de winter van 2018-2019 ingezaaid met een mengsel speciaal voor wilde bijen. Het mengsel heeft zich, ondanks de droogte, goed ontwikkeld. Om de omstandigheden voor wilde bijen in op Kerkelanden verder te verbeteren zijn de volgende doelen opgesteld: • Vergroten van het nectar- en stuifmeelaanbod van kruidachtigen van droge, matig voedselrijke omstandigheden; • Vergroten van het nectar- en stuifmeelaanbod van struiken van droge, matig voedselrijke omstandigheden; • Vergroten van de nestgelegenheid in stengels en dood hout; • Behoud van de nestgelegenheid in de grond.
5.4.1
VERGROTEN VAN NECTAR- EN STUIFMEELAANBOD VAN KRUIDACHTIGEN
De dichtheid van geschikte planten met nectar en stuifmeel voor wilde bijen in Kerkelanden is goed, maar het betreft een beperkte oppervlakte (200-300 m2). Het vergroten van het oppervlak aan bloemen in Kerkelanden is dan ook de manier om het nectar- en stuifmeelaanbod voor wilde bijen te vergroten.
5.4.2
VERGROTEN VAN NECTAR- EN STUIFMEELAANBOD VAN STRUIKEN
Kerkelanden is gebouwd op een natte zandgrond (veldpodzol). Van nature groeien hier enkele wilgensoorten (geoorde wilg, grauwe wilg en boswilg), sporkehout, brem (op drogere delen) en wilde lijsterbes. Deze struiken en kleine bomen hebben grote waarde voor wilde bijen. Door deze soorten toe te voegen is de kans groot dat dit aansluit bij wilde bijenpopulaties uit de omgeving.
5.4.3
BEHOUDEN VAN DE NESTGELEGENHEID IN STENGELS EN DOOD HOUT
Bodem De open begroeiing levert veel potenties op voor in de grond nestelende wilde bijen. Bij normale successie verdwijnt deze open situatie. Door kleinschalig te plaggen of anderzijds open bodem te behouden blijven wilde bijen instaat nestgangen uit te graven. Hout en stengels De ontwikkeling van braamstruweel in de omgeving zal positief uitpakken voor bepaalde bijensoorten. Bijkomend voordeel is dat bramen ook door wilde bijen worden gebruikt als voedselplant.
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
33
5.5
OVERIGE STIMULERENDE MAATREGELEN
BIJENHOTELS, BIJENBANKEN EN OPEN PLEKJES Om het gebrek aan nestgelegenheid deels te verhelpen kan een bijenhotel worden geplaatst. Bijenhotels functioneren enkel op een zonnige locatie nabij bloemrijke vegetaties. Geadviseerd wordt dat de gaten in de blokken minimaal 15 cm diep zijn en in diameter variëren van 3 tot 9 millimeter. Holle stengels en bamboe dienen aan de achterzijde afgesloten te zijn (planten hebben vaak van nature schotjes in de stengel). Ook kunnen eventueel gaten worden geboord in bijvoorbeeld palen van afrasteringen etc. Een bijenhotel vergt onderhoud, doorgaans wordt aangeraden de inhoud na 2-3 jaar te vervangen. Wel dienen de blokken in het terrein achter te blijven, zodat aanwezige larven de kans krijgen zich te ontwikkelen tot bijen. Slechts een klein deel van de Nederlandse bijensoorten maakt gebruik van een bijenhotel. Het merendeel nestelt in de grond. Hier is dan ook de meeste winst te behalen. Een bijenbank is een verhoogd deel in het maaiveld (wallichaam of bult) van zandig of lemig materiaal waarin bijen kunnen nestelen. Door de hellingshoek ontstaat een warmer microklimaat aan de zuidkant. Dit is voor de meeste bijen gunstig. Van belang is dat de bijenbank altijd open grond blijft houden.
Door kleinschalig te plaggen (plagplakken <2 m2) of steilranden af te steken in slootkanten of andere taluds kan ook extra nestgelegenheid voor wilde bijen worden gecreëerd. VERGROTEN EN VERBINDEN VAN LEEFGEBIEDEN Door het creëren van meer voor wilde bijen geschikte leefgebieden (geschikte vegetaties en nestgelegenheid) worden populaties robuuster en kunnen ze beter tegen een (onverwachte) tegenslag. Ook kunnen bijen zich uitbreiden en andere geschikte delen van Hilversum koloniseren.
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
34
BIJLAGEN
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
35
BIJLAGE 1: AANGETROFFEN BIJENSOORTEN IN HILVERSUM (ONGEVALIDEERD) #
NEDERLANDSE NAAM
WETENSCHAPPELIJKE NAAM
1
Gewone sachembij Honingbij Tweekleurige koekoekshommel Gewone koekoekshommel Tuinhommel Boomhommel Veenhommel Steenhommel Veldhommel Grote veldhommel Akkerhommel Weidehommel Vierkleurige koekoekshommel Aardhommel Bonte viltbij Heideviltbij Gewone viltbij Gewone wespbij Smalbandwespbij Roodharige wespbij Sierlijke wespbij Gewone dubbeltand Heidewespbij Geelzwarte wespbij Variabele wespbij Witbaardzandbij Tweekleurige zandbij Asbij Kruiskruidzandbij Grasbij Gewone rozenzandbij Vosje Heidezandbij Roodgatje Valse rozenzandbij Ereprijszandbij Donkere zomerzandbij Zwartbronzen zandbij Viltvlekzandbij
Anthophora plumipes Apis mellifera Bombus bohemicus Bombus campestris Bombus hortorum Bombus hypnorum Bombus jonellus Bombus lapidarius Bombus lucorum Bombus magnus Bombus pascuorum Bombus pratorum Bombus sylvestris Bombus terrestris Epeoloides coecutiens Epeolus cruciger Epeolus variegatus Nomada flava Nomada goodeniana Nomada lathburiana Nomada panzeri Nomada ruficornis Nomada rufipes Nomada succincta Nomada zonata Andrena barbilabris Andrena bicolor Andrena cineraria Andrena denticulata Andrena flavipes Andrena fucata Andrena fulva Andrena fuscipes Andrena haemorrhoa Andrena helvola Andrena labiata Andrena nigriceps Andrena nigroaenea Andrena nitida
2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
LAATSTE WAARNEMING
N WAARNEMINGEN
22-4-2020 4-9-2020 27-6-2015 10-9-2020 19-4-2020 7-6-2020 22-5-2017 31-7-2020 12-9-2020 1-4-2016 10-9-2020 15-7-2020 29-5-2020 12-9-2020 27-7-2017 6-9-2017 21-8-2020 27-4-2018 28-5-2016 24-4-2020 26-4-2018 13-4-2017 18-8-2019 19-4-2017 13-7-2020 30-4-2020 20-6-2020 15-4-2020 29-7-2020 7-7-2020 8-6-2016 22-4-2020 17-8-2020 28-5-2020 8-4-2017 28-5-2016 28-7-2019 5-5-2019 15-4-2020
6 31 3 10 8 19 4 33 18 2 59 32 1 48 3 2 5 4 1 12 2 1 4 5 1 7 4 12 4 10 1 7 6 17 1 1 2 3 7
36
#
NEDERLANDSE NAAM
WETENSCHAPPELIJKE NAAM
LAATSTE WAARNEMING
N WAARNEMINGEN
40
Bremzandbij Vroege zandbij Meidoornzandbij Witkopdwergzandbij Grijze zandbij Geelstaartklaverzandbij Kleine roetbij Grote zijdebij Wormkruidbij Duinzijdebij Klimopbij Heizijdebij Roodpotige groefbij Gewone geurgroefbij Matte bandgroefbij Langkopsmaragdgroefbij Viltige groefbij Zesvlekkige groefbij Gewone franjegroefbij Biggenkruidgroefbij Grote bloedbij Dikkopbloedbij Schoffelbloedbij Grote wolbij Ranonkelbij Grote klokjesbij Tronkenbij Tuinbladsnijder Lathyrusbij Gewone behangersbij Grote bladsnijder Rosse metselbij Blauwe metselbij Gehoornde metselbij Pluimvoetbij Gewone slobkousbij Klokjesdikpoot
Andrena ovatula Andrena praecox Andrena scotica Andrena subopaca Andrena vaga Andrena wilkella Panurgus calcaratus Colletes cunicularius Colletes daviesanus Colletes fodiens Colletes hederae Colletes succinctus Halictus rubicundus Lasioglossum calceatum Lasioglossum leucozonium Lasioglossum morio Lasioglossum prasinum Lasioglossum sexnotatum Lasioglossum sexstrigatum Lasioglossum villosulum Sphecodes albilabris Sphecodes monilicornis Sphecodes pellucidus Anthidium manicatum Chelostoma florisomne Chelostoma rapunculi Heriades truncorum Megachile centuncularis Megachile ericetorum Megachile versicolor Megachile willughbiella Osmia bicornis Osmia caerulescens Osmia cornuta Dasypoda hirtipes Macropis europaea Melitta haemorrhoidalis
15-4-2020 11-4-2016 8-5-2020 28-5-2016 26-4-2020 1-6-2019 11-7-2020 31-3-2019 21-8-2019 13-7-2020 14-9-2019 18-9-2016 13-9-2020 28-7-2020 28-5-2016 19-4-2017 15-6-2018 31-10-2019 3-6-2019 28-5-2016 23-7-2020 28-7-2019 1-6-2019 19-6-2020 29-5-2020 20-6-2020 9-8-2020 21-7-2019 1-6-2018 22-7-2015 17-7-2020 19-4-2020 24-6-2020 19-4-2020 11-7-2020 30-7-2015 21-6-2020
3 1 4 1 36 1 4 3 4 4 3 3 2 4 1 1 1 1 1 1 18 4 3 2 2 3 12 2 1 2 3 3 1 2 24 2 3
41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
37
BIJLAGE 2: INVENTARISATIERESULTATEN HET KAMRAD WETENSCHAPPELIJK NAAM
NEDERLANDSE NAAM
2019
2020
Achillea millefolium
Duizendblad
a
f
Bellis perennis
Madelief
s
Cerastium
Hoornbloem
Crepis capillaris
Klein streepzaad
s
Conyza canadensis
Canadese fijnstraal
s
Erodium cicutarium
Reigersbek
r
r
Hypochaeris radicata
Gewoon biggenkruid
s
la
Plantago coronopus
Hertshoornweegbree
Lf
Plantago lanceolata
Smalle weegbree
s
a
Potentilla erecta
Tormentil
o
r
Rumex acetosella
Schapenzuring
Ld
d
s
Witte vetmuur
r
Muurpeper
o
Jacobskruiskruid
s
Hazenpootje
s
Muizenoor
s
s
Teunisbloem
s
Korenbloem
s
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
2021
Buiting Advies BV
38
BIJLAGE 3: INVENTARISATIERESULTATEN ANNA’S BERG WETENSCHAPPELIJK NAAM
NEDERLANDSE NAAM
2019
2020
Artemisia vulgaris
Bijvoet
f
f
Carduus crispus
Kruldistel
s
o
Cirsium arvense
Akkerdistel
f
o
Cirsium vulgaris
Speerdistel
r
s
Crepis capillaris
Klein streepzaad
s
s
Convolvulus arvensis
Haagwinde
o
Daucus carota
Wilde peen
r
Diplotaxis tenuifolia
Grote zandkool
s
Dipsacus fullonum
Grote kaardenbol
s
Epilobium hirsutum
Harig wilgenroosje
s
Eupatorium cannabinum
Koninginnenkruid
s
Heracleum sphondylium
Gewone berenklauw
s
s
Jacobaea vulgaris
Jakobskruiskruid
s
s
Lactuca serriola
Kompassla
r
Leontodon autumnalis
Vertakte leeuwentand
s
Lotus corniculatus
Gewone rolklaver
s
Lotus glaber
Smalle rolklaver
s
Malva alcea
Vijfdelig kaasjeskruid
s
Medicago albus
Witte honingklaver
s
Medicago lupulina
Hopklaver
s
Medicago sativa
Luzerne
s
Persicaria amphibia
Veenwortel
s
Persicaria maculosa
Perzikkruid
s
Potentilla anserina
Zilverschoon
s
Rumex cruspus
Krulzuring
s
Rumex obtusifolius
Ridderzuring
f
Senecio inaequidens
Bezemskruiskruid
r
Sinapis arvensis
Herik
o
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
2021
s
s
Buiting Advies BV
39
Akkermelkdistel
s
Gekroesde melkdistel
s
Sonchus oleraceus
Gewone melkdistel
s
Symphytum officinale
Smeerwortel
s
s
Madeliefje Tanacetum vulgare
Boerenwormkruid
s
Witte klaver
s
Trifolium pratense
Rode klaver
r
Trifolium hybridum
Bastaardklaver
r
Tussilago farfara
Klein hoefblad
s
Vicia cracca
Vogelwikke
s
Vicia sativa
Smalle wikke
s
Vicia sepium
Ringelwikke
s
s
s
Vijfvingerkruid
s
Smalle weegbree
s
Veldlathyrus
s
Chichorei
s
Gewoon biggenkruid
s
Klein streepzaad
s
Speerdistel
s
Sint Janskruid
s
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
40
BIJLAGE 4: INVENTARISATIERESULTATEN KERKELANDEN WETENSCHAPPELIJK NAAM
NEDERLANDSE NAAM
2019
2020
Achillea millefolium
Duizendblad
d
ld
Ambrosia artemisiifolia
Alsemambrosia
s
Atriplex patula
Uitstaande melde
o
Barbarea vulgaris
Barbarakruid
f
f
Centaurea jacea
Knoopkruid
f
s
Crepis capillaris
Klein streepzaad
s
s
Datura stramonium
Doornappel
s
-
Daucus carota
Peen
s
r
Echium vulgare
Slangenkruid
f
a
Erodium cicutarium
Reigersbek
s
-
Hypochaeris radicata
Gewoon biggenkruid
o
a
Leucanthemum vulgare
Gewone margriet
f
s
Linaria vulgaris
Vlasbekje
s
r
Malva moschata
Muskuskaasjeskruid
s
r
Papaver dubium
Bleke klaproos
s
Rumex acetosella
Schapenzuring
s
f
Silene latifolia
Avondkoekoeksbloem
s
-
Silene vulgaris
Blaassilene
s
r
Solanum nigrum
Zwarte nachtschade
s
-
Tragopogon spec.
Morgenster
o
s
Sint Janskruid
s
Hazenpootje
r
Ringelwikke
s
Smalle rolklaver
s
Smalle weegbree
s
Zandblauwtje
s
Knoopkruid
s
Hopklaver
s
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
2021
41
Witte klaver
s
Gewone raket
s
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
42
Monitoring en beheer vegetaties voor bijen - Hilversum
Buiting Advies BV
43
BEHEERSPLAN EIKENPROCESSIERUPS Datum: 01-02-2021 Inleiding De eikenprocessierups (hierna EPR) komt sinds 1991 voor in Nederland en verspreidt zich verder noordwaarts. De rups lift daarbij mee op verschuivende klimaatzones naar het noorden, die veroorzaakt worden door opwarmende temperaturen. Sinds 2019 is de EPR in Nederland explosief gestegen. Deze toename is ook te zien in Hilversum. Tot 2018 was het aantal geïnfecteerde eiken beperkt en goed beheersbaar. Na de explosieve toename in 2019 is het noodzakelijk om de EPR structureel aan te pakken. Op 28 april 2020 heeft het college het plan van aanpak ‘Beheersing Eikenprocessierups’ vastgesteld. Doel is om voor de komende jaren een beheersplan te hebben, die de basis vormt voor de beheersing van de EPR binnen de gemeente Hilversum. Het beheersplan is gebaseerd op de ‘Leidraad Beheersing Eikenprocessierups’ (2019). De lange termijn visie voor plaagbeheersing wordt verder vormgegeven bij de actualisatie van het groenbeleidsplan (Programma Groen). Deze actualisatie staat gepland voor 2021. Aanpak 2019 en 2020 In de afgelopen twee jaar is het aantal EPR explosief gestegen. In 2019 en de jaren daarvoor, inspecteerde de boombeheerder de eiken die gevoelig zijn voor de EPR tijdens het reguliere werk. Hierdoor was de inspectie niet altijd systematisch.
Met als gevolg dat op sommige plekken de bestrijding later op gang kwam omdat het langer duurde voordat nesten gesignaleerd werden. Dit leidde tot meer overlast. In 2020 is besloten om systematisch de eiken die gevoelig zijn voor de EPR te inspecteren. Daardoor konden nesten in een vroeger stadium worden weggezogen en bleef de overlast beperkt. Het opsporen van de nesten is arbeidsintensief. In 2020 was er niet genoeg capaciteit binnen de gemeente om dit zelf uit te voeren. Daarom is het inspecteren en registreren voor een deel uitbesteed. De inspectie richtte zich eerst op de risicobomen bij scholen en speeltuinen. Door het vroegtijdig opsporen en weghalen van nesten is in 2020 ondanks de toename van de EPR de overlast minder geweest dan het jaar daarvoor. Planning 2021 De verwachte bestrijdingsplanning voor EPR ziet er als volgt uit op basis van de ontwikkeling van de EPR. Deze planning kan schuiven afhankelijk of de eitjes eerder of later uitkomen. Dit wordt beïnvloed door de temperatuur en vochtigheid in het voorjaar. Bij een warmer voorjaar komen rupsen eerder uit hun eitjes; vooral de temperatuur in maart bepaalt de uitkomstdatum. week nr:
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
Communicatie burgers Inspectie EPR nesten Curatief behandeling ( weg zuigen van de nesten ) volgens prioritering.
Risicoanalyse De zomereik (Quercus robur), Hongaarse eik (Quercus frainetto) en moseik (Quercus cerris) zijn het meest vatbaar voor de EPR. De overlast is het grootst van juli - augustus. Vanaf begin juni heeft de EPR brandharen die bij contact huid-, oog-, en luchtwegklachten geven. De EPR schiet zijn brandharen af als hij zich bedreigd voelt. De brandharen van de rups blijven ook achter in de nesten 1
en worden door de wind verspreid. De brandharen kunnen tot maximaal 100 meter van een nest verspreid worden. De beheersing van de EPR wordt gecompliceerder doordat één derde van de EPR in grondnesten leeft. Pas in juni kruipen deze rupsen omhoog de eik in om van de eikenbladeren te eten. Op dat moment hebben ze al brandharen. Deze rupsen ontpoppen zich weer onder de grond en vliegen in juli uit als vlinder. Op plekken waar mensen langere tijd verblijven is de kans op overlast in potentie het grootst. Plekken waar mensen voor een langere tijd verblijven zijn: winkelcentra, scholen, speelplekken, begraafplaatsen, zorgcentra en belangrijke wandel- en fietsroutes. Vatbare eiken bij deze bovengenoemde locaties hebben prioriteit bij inspectie en bestrijding (zie beheerskaart). Beheerskaart Eikenprocessierups De eikenprocessierups kunnen we niet wegnemen uit het ecosysteem. Wel kunnen we de overlast zoveel mogelijk beperken. De overlast van de EPR kan niet geheel bedwongen worden met één type beheersmaatregel. Een aanpak op meerdere fronten is nodig. We zetten primair in op het stimuleren van natuurlijke vijanden in daarvoor geschikt groen en het wegzuigen van rupsen. 1. Natuurlijke vijanden Natuurlijke vijanden kunnen de eikenprocessierups beheersbaar houden mits goed aangepakt.
De volgende soorten eten de EPR: 1) kleine zangvogels zoals koolmezen, pimpelmezen, bonte vliegenvangers, vinken, zwartkoppen, spreeuwen, ringmussen en spechten; 2) roofinsecten zoals gaasvliegen, sluipwespen, sluipvliegen en lieveheersbeestjes en 3) vleermuizen (eten de vlinder). Plekken met genoeg ruimte en waar minder verstoring optreedt, zijn kansrijker in het stimuleren van natuurlijke vijanden dan groen waar veel mensen langs bewegen (bijvoorbeeld kleine boomspiegels bij drukke fietspaden). Op deze onrustige plekken voelen natuurlijke vijanden zich minder veilig. Zij hebben voorkeur voor een rustigere plek. In Hilversum willen we natuurlijke vijanden stimuleren door in te zetten op een aantal maatregelen. Deze maatregelen a tot en met c worden in de bijlage verder toegelicht. a) Insectvriendelijker bermen door aangepast maaibeheer b) Plaatsen van vogelnestkasten c) Stimuleren van bloemenrijke vegetatie in voortuinen d) Plaatsen van insectenkasten met geparasiteerde nesten Aangepast maaibeheer Een grote plaagdruk van de EPR kan deels voorkomen worden door het groen onder en rond de eiken insectvriendelijker te maken. Dit kan door het maaibeheer aan te passen en zo de groei van inheemse bloemrijke planten te stimuleren.
Insectvriendelijke bermen voorzien natuurlijke vijanden beter in hun levensbehoeften (ontwikkelingsplekken, schuilplekken, voedsel etc.), ook buiten het EPR seizoen. In 2021 wordt het beheer van 1300 are aan bermen en gazons omgevormd als uitbreiding van de pilot bij- en insectvriendelijk beheer. Samen met de reeds extensief beheerde grasvelden en bermen vormt dit de basis voor het stimuleren van natuurlijke vijanden. Onder andere de groengordel in de Hilversumse Meent heeft veel potentie om de eikenprocessierups beheersbaar te maken door natuurlijke vijanden te stimuleren door aangepast maaibeheer. De omvorming door aanpassing van maaibeheer wordt behandeld in de collegebrief Maaibeheer, Biodiversiteit en Eikenprocessierups (collegebrief 714555). Plaatsing van vogelnestkasten De kleinschalige proef met mees- en vleermuisnestkasten afgelopen jaar laat zien dat de omgeving Erfgooierstraat en de Loosdrechtseweg voorziet in de levensbehoefte van mezen. Het merendeel van 2
de 20 nestkastjes bevatte nesten, waarvan sommige ook een tweede legsel. De vleermuiskasten waren in 2020 niet gebruikt. Op drie nieuwe plekken worden vogelnestkasten geplaatst: Kerkelandenlaan, bosje van Zeverijn en Mies Bouwmanboulevard (zie beheerskaart). Aan het einde van het broedseizoen wordt opnieuw geïnventariseerd of de kasten gebruikt zijn of niet. Stimuleren bloemrijke vegetatie in voortuinen Bij een laan met vatbare eiken stimuleren we bewoners om hun voortuin insectvriendelijker te maken voor natuurlijke vijanden (zie beheerskaart). Bij deze laan is er geen gemeentegrond aanwezig die geschikt is om natuurlijke vijanden te stimuleren. Bij deze laan krijgen bewoners informatie over wat ze kunnen doen om hun tuin insectvriendelijker te maken en een zaad- en bollenmengsel van Stichting Steenbreek wat speciaal is samengesteld voor de natuurlijke vijanden van de EPR. Zowel de GGD als de Vlinderstichting hebben hier informatiefolders voor ontwikkeld. Hilversum is voornemens deel te gaan nemen aan de Stichting Steenbreek. Plaatsing van insectenkasten In sommige gevallen komt de natuurlijke plaagbeheersing niet op gang omdat nesten waarin roofinsecten hun eitjes hebben afgezet worden weggezogen.
Daarom wordt op dit moment op een aantal plekken in Nederland geëxperimenteerd met het terugplaatsen van geparasiteerde nesten in speciale kisten om de natuurlijke plaagbeheersing te stimuleren (zie toelichting maatregel c). In 2021 willen we ook kijken wat de mogelijkheden zijn om in Hilversum geparasiteerde nesten terug te plaatsen in kisten. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat er alsnog geen hinder van brandharen kan ontstaan. De criteria voor pilotlocaties zijn: insectvriendelijke vegetatie, aanwezigheid van geïnfecteerde bomen, mogelijkheid om toegang tot de kist te beperken of toezicht te kunnen houden om kans op vernieling door vandalisme te beperken. Potentiele pilotlocaties zijn: Loosdrechtseweg, Peerlkamplaan, Sporthavenpad (in bosstrook), Havenweg of Kininelaantje, Pad Noorderweg, Bachlaan, Kolhornseweg, en het Bosje bij de husvijver. Landelijk onderzoek bloemrijke bermen Het exacte lange termijn effect van het verbeteren van de kwaliteit van de vegetatie wordt op dit moment onderzocht door de vlinderstichting samen met Hellingman advies en Heem. Zij voeren een meerjarige pilotstudie uit naar het effect van bloemrijke bermen op de biodiversiteit en daarmee op de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups.
Het meerjarige experiment in Westerveld laat zien dat het stimuleren van natuurlijke vijanden resulteerde in maximaal 75 procent minder eikenprocessierupsnesten en overlast voorkwam. 80 procent van de aangetroffen nesten bleek volledig leeg gevreten door vogels of volledig geparasiteerd te zijn. In Westerveld zijn de volgende maatregelen genomen om natuurlijke vijanden te stimuleren: plaatsen van vogelnestkasten en vleermuiskasten, plaatsen van insectenkasten met geparasiteerde nesten, inzaaien en aanplanten van bloemen in de berm en een strook weiland, uitzetten van gaasvlieglarven. Westerveld laat zien dat natuurlijke vijanden de eikenprocessierups beheersbaar kunnen houden. Wel moet genoemd worden dat de testlocaties in Westerveld in het buitengebied lagen waar veel ruimte was voor het stimuleren van natuurlijke vijanden. Ook in Hilversum is het aannemelijk dat het stimuleren van natuurlijke vijanden een positief effect heeft binnen nu en de aankomende 3-5 jaar. 2. Wegzuigen (curatieve beheersing) Ook in 2021 zal de inspectie van de EPR systematisch worden uitgevoerd, zodat nesten in een vroeger stadium weggezogen worden. Net als in 2020 zal de inspectie door de boombeheerder met ondersteuning van een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd. De inspectie richt zich eerst op risicobomen met prioriteit, zodat overlast beperkt blijft.
Deze beheermethode is kostbaar, maar effectief. De methode wordt meer betaalbaar als zij gecombineerd wordt met andere beheermethodes gericht op natuurlijke bestrijding. 3
3. Bacteriële bestrijding en aaltjes/nematoden Bestrijding met bacteriën en met aaltjes is niet wenselijk en in sommige gevallen in strijd met de Wet natuurbescherming. Bacteriën doden niet alleen EPR maar ook alle vlinders (ruim honderd soorten) die op het moment van spuiten als rups in de eiken verblijven. Bestrijding met aaltjes vereist vakmanschap. Alleen op het juiste moment en bij de juiste weersomstandigheden is het effectief. Ook aaltjes doden rupsen van andere vlinders. Hierdoor is er veel minder voedsel is voor de (jonge) vogels. Als een groot aantal rupsen, ook van andere vlindersoorten, gedood worden, neemt ook het aantal natuurlijke vijanden van de EPR af. Kortom, met bacteriële bestrijding verminder je de kansen tot natuurlijke plaagbestrijding drastisch. Bovendien is bacteriële bestrijding verboden op plekken waar wettelijk beschermde vlindersoorten voorkomen. Daarnaast doden bacteriën en aaltjes de rupsen in grondnesten niet. De beheerskaart geeft de locaties weer waar bacteriële bestrijding verboden is en ongewenst voor andere, niet beschermde vlinders. Communicatieplan naar bewoners Van maart – oktober worden bewoners geïnformeerd over de levenscyclus, de gezondheidsrisico’s, beheersmaatregelen en bestrijding via de website en Facebookpagina van de gemeente.
De website geeft ook meer informatie over hoe bewoners een melding kunnen maken door het e-formulier te gebruiken, hoe geïnfecteerde bomen gemarkeerd zijn en wat zij kunnen doen in hun direct omgeving om de eikenprocessie te bestrijden. Van mei – augustus wanneer de overlast toeneemt en groot is, worden bewoners actief geïnformeerd over de EPR via Raadhuis aan Huis waarbij verwezen wordt naar de website voor meer informatie. Aankomend jaar zal onderzocht worden of een online kaart ontwikkeld kan worden waar bewoners een actueel overzicht van de verspreiding van de EPR en de status van bestrijding kunnen raadplegen. Bewoners kunnen meldingen maken via dezelfde kaart. Lange termijn De beheersing van de EPR zal geoptimaliseerd worden door een jaarlijkse evaluatie op knelpunten in afhandeling, actie, resultaten en communicatie met bewoners. Op basis hiervan wordt de prioritering van risicobomen en de te nemen maatregelen geactualiseerd. Biodiversiteit en een robuust stedelijk ecosysteem spelen een essentiële rol in de beheersing van de EPR en toekomstige plagen en ziektes. Daarvoor worden drie sporen gevolgd. 1. De komende jaren wordt het maaibeheer verder geoptimaliseerd. In het Programma Groen worden de bij- en insectvriendelijke beheergebieden verder uitgewerkt en uitgebreid. Dit gebeurt door ecologische, cultuurhistorische en gebruiksaspecten integraal af te wegen.
Deze bij-vriendelijke beheergebieden bieden ook een goede leefomgeving voor natuurlijke vijanden van de EPR. 2. Voldoende variatie in het bomenbestand helpt om insectenplagen beheersbaar te houden. In het Programma Groen wordt de boomvisie geactualiseerd en zullen kaders opgesteld worden voor het diversifiëren van bomenbestand. Onderzoek adviseert een strengere norm van 5%-10%-20% (dezelfde soort, hetzelfde geslacht, dezelfde familie) in plaats van de huidige norm 10%-20%-30%. Het is zeker niet wenselijk dat inheemse eiken geheel verdwijnen omdat ze heel waardevol zijn voor de biodiversiteit. Na de wilg, is de eik de boomsoort met de hoogste biodiversiteit van insecten, waaronder vele soorten nachtvlinders. Het diversifiëren van het bomenbestand is een langdurig proces en maatwerk. Totdat het Programma Groen is vastgesteld, zullen we bij uitval van eiken kritisch kijken of en hoe deze bomen vervangen worden. We adviseren actief bij boomaanplant bij ontwikkellocaties. 4
3. In het programma Groen zal de rol van tuinen in het versterken van de biodiversiteit en daarmee natuurlijke vijanden op basis van de ecologische kansenkaart verder uitgewerkt worden. Tot slot blijven we actief samenwerken met andere omliggende gemeentes en terreinbeherende organisaties (GNR en NM) om kennis uit te wisselen en de EPR op regioniveau aan te pakken. Dit gebeurt in bestaande plaagbestrijdingsoverleggen. Financiën en capaciteit In 2019 en 2020 waren de kosten voor de bestrijding van de EPR €50.809 en €99.505 méér dan begroot. De stijging in uitgaven in 2020 is te wijden aan een stijging in het aantal besmette bomen en aan een intensievere werkwijze, waardoor de overlast van de EPR beperkt is gebleven. Voor de bestrijding van ziekten en plagen is structureel meer budget nodig. Daarom is in 2021 voor plaagbeheersing €60.000 euro begroot ten opzichte van €10.000 in 2019 en 2020. Deze schatting is gemaakt op onze ervaring in 2019. Op basis van de toegenomen omvang van de EPR in 2020 schatten we in dat we in 2021 20.000 euro meer nodig hebben voor de bestrijding van EPR. Dit budget wordt gebruikt voor het financieren van inspectie, bestrijding van nesten en plaatsen van mezenkasten en monitoren gebruik.
Als we niet inzetten op het voorkomen van een hoge plaagdruk blijven de kosten voor inspectie en wegzuigen van nesten de aankomende jaren hoog en stijgen mogelijk verder. Het stimuleren van natuurlijke plaagbeheersing draagt echter ook kosten met zich mee. Op de lange termijn verwachten we een kostendaling voor curatief bestrijden door het stimuleren van natuurlijke vijanden. Welke mate moet blijken uit de praktijk. Het beschikbare budget voor plaagbestrijding zal jaarlijks geëvalueerd worden om de beschikbare financiële middelen opnieuw te duiden. Het uitvoeren van het Beheersplan Eikenprocessierups kan binnen de bestaande ambtelijke capaciteit worden gedaan. De inspectie en bestrijding wordt net als vorig jaar deels uitbesteed aan derden. Kostenopbouw Bestrijding: afzuigen en afvoeren Inspectie en monitoring EPR Mezenkasten plaatsen en monitoren gebruik Totaal
€60.000 €15.000 €5000 €80.000
5
Toelichting Bestrijdingsmethode Toelichting maatregel a: Insectvriendelijker bermen door aangepast maaibeheer en inzaaien en aanplanten van bloemen in de berm Een grote plaagdruk van de EPR kan deels voorkomen worden met beheersmaatregelen die de kwaliteit van de vegetatie verbeteren, zodat deze beter voorziet in de behoefte van natuurlijke vijanden. Beheersmaatregelen die de vegetatie insectvriendelijker maken zijn: het maaibeheer aan te passen en de groei van inheemse planten stimuleren. Vooral fluitenkruid en wilde peen trekken veel natuurlijke vijanden aan. Bij het stimuleren van de vegetatie is het belangrijk om biologische streekeigen inheemse zaden en bollen te gebruiken om toevoeging van pesticiden te voorkomen en daarmee een negatief effect op net natuurlijke vijanden en hun levensbehoeften. Ook voor plantmateriaal geldt dat oorspronkelijke inheemse planten, struiken en bomen de voorkeur hebben. Toelichting maatregel b: Plaatsen van vogelnestkasten en vleermuiskasten De EPR wordt gegeten in alle larvenstadia door verschillende vogelsoorten. Mezen zijn de meest effectieve vogels in de beheersing van de EPR. Door het ophangen van mezenkasten zijn er meer broedmogelijkheden, waardoor de populatie mezen gestimuleerd wordt, en de overlast van de rupsen verminderd wordt.
De negatieve effecten van vogels zijn minder bekend, maar ze zouden ook druk kunnen uit oefenen op populaties kwetsbare insecten. Voor vleermuizen geldt ongeveer hetzelfde. Vleermuizen zoals de grootoorvleermuis en de laatvlieger eten de nachtvlinder van de EPR. Hierdoor krijgen minder vlinders de kans om eitjes te leggen. Dit betekent wel dat het positieve effect pas het volgende seizoen merkbaar is. Het is belangrijk dat de nest – en vleermuiskasten goed aansluiten bij de soort en niet in de eiken zelf worden opgehangen omdat anders de EPR ze zelf gebruikt. Het is belangrijk dat mussen, mezen en vleermuizen ook in hun andere levensbehoefte worden voorzien zoals voedsel, veiligheid (schuilplekken) en vocht. Ook de verandering in bomenbestand kan de effectiviteit van deze maatregel vergroten. Toelichting maatregel c: Plaatsen van insectenkasten met geparasiteerde nesten Bij deze beheersmaatregel worden geparasiteerde EPR in speciale kisten met uitvlieggaten geplaatst en in de berm op de grond in de buurt van eiken die gedurende de winter blijven staan. Bij het wegzuigen van nesten, worden de EPR door gespecialiseerde afvalverwerkingsbedrijven verbrand. Op deze manier verdwijnen natuurlijke vijanden in de oven. Door geparasiteerde nesten te behouden gedurende de winter worden de nesten als het waren gebruikt als groeiplaats voor deze natuurlijke vijanden.
Op dit moment wordt er op meerdere plekken in Nederland geëxperimenteerd met het terugplaatsen van geparasiteerde nesten. De containers en de kisten zijn beveiligd zodat er geen hinder van brandharen kan ontstaan. Wel kunnen de natuurlijke vijanden de kisten verlaten via de gleuven en gaatjes die in de buitenkist zijn gemaakt. Op deze manier kunnen zij op zoek gaan naar nieuwe rupsen om deze in een nieuwe cyclus te parasiteren. De geparasiteerde rupsen gaan dood. Uit de dode rupsen komen weer natuurlijke vijanden. Omdat natuurlijke vijanden gespecialiseerd op de EPR doorgaan mee overwinteren met de EPR en blijven de containers tot eind mei in de kisten. De meeste specialistische sluipvliegen en sluipwespen vliegen uit vanaf eind april uit tot eind mei. Eind mei, na het uitvliegen van de sluipvliegen en -wespen worden de containers uit de kisten gehaald en aangeboden ter verbranding conform de wettelijke eisen. Een bijkomend voordeel van deze kisten in de berm plaatsen, is dat ook andere volwassen insecten en geleedpotigen een plek hebben om te overwinteren, zoals gaasvliegen en lieveheersbeestjes. Toelichting maatregel d: Stimuleren van insectvriendelijker voortuinen
6
Op plekken waar er weinig openbaar groen is, kunnen particulieren voortuinen bijdragen aan het stimuleren van natuurlijke vijanden. De aanwezigheid van inheemse bloemen is van levensbelang voor insecten die leven van nectar en stuifmeel. Een variatie aan plantensoorten die op verschillende tijdstippen tussen februari en oktober bloeien zorgen er voor dat insecten tot aan hun winterrust voedsel hebben. Vooral fluitenkruid doet het erg goed voor sluipwespen en –vliegen. Deze inheemse plantensoorten kunnen aangeplant en/of ingezaaid worden met zaad- en bollenmengsels die gericht zijn op het stimuleren van insecten. Zowel de GGD als de vlinderstichting hebben publicaties met informatie voor bewoners over wat ze kunnen doen om natuurlijke vijanden te stimuleren.
8
7
Legenda Vatbare eik Eikenprocessierups ‘19 en ’20 Verspreidingsgebied vlinders Prioriteitplekken Insectvriendelijke bermen 2021 Nestkasten plaatsen Insectvriendelijke voortuinen Potentiële insectvriendelijke bermen