Ontwerp Omgevingsvisie
Tekst van het document
Wij denken dat het goed is om nu een aantal ruimteclaims vast te klikken door ambities te formuleren, bijvoorbeeld voor wonen en werken, ook om duidelijkheid te geven naar onze partners in de stad. Voor een aantal andere ruimteclaims – met name in de openbare ruimte – is het eerder zaak om stap-voor-stap te gaan: perspectief schetsen, eerste stappen zetten en goed evalueren hoe dat uitpakt.
Voor wonen is de boodschap: we gaan iets aan de woningnood doen, maar het is onmogelijk alle nood op te lossen. Dat het toevoegen van woningen leidt tot meer drukte, is onvermijdelijk. Onze ambitie is 6.000 woningen in 2040. Dit aantal ligt in lijn met het historische tempo van woningbouw in Hilversum (zo’n 350 per jaar in de afgelopen 5 tot 10 jaar). Voor zo’n 5.000 woningen hebben we al een hele lijst: dit vraagt geen ‘extra’ ruimte. Daarnaast kijken we naar wonen op het Mediapark en naar meer wonen in ‘bestaande stenen’: boven winkels en in gebiedsagenda’s, gericht op het kunnen blijven wonen in de wijk. Het college noemt daarbij een extra woonambitie van 82
1.000 betaalbare woningen, in alle wijken van Hilversum te realiseren. Zo geven we invulling aan de ambitie sociale woningbouw over alle wijken van Hilversum te spreiden.
noodzaak om extra ruimte te creëren voor onderwijshuisvesting onderstrepen wij in het bijzonder. In de gebiedsagenda’s gaan we per gebied bekijken wat nodig is. Wij zien daarbij aantrekkelijke combinaties van functies voor ons: onderwijs, cultuur, zorg, ontmoeting en horeca, als levendige en gezellige wijkcentra. Dit is bij uitstek een onderwerp voor de gebiedsagenda’s en gesprek met onze maatschappelijke partners.
We zien daarbij als uitdaging om de vele ‘zachte’ plannen harder te maken: dat is aan de raad. En we realiseren ons dat naast de aantallen en betaalbaarheid van woningen er ook een grote klimaatadaptatie- en verduurzamingsopgave is voor bestaande betaalbare woningen, zeker wat betreft de vooroorlogse bouw. Daarmee is de woon- en verduurzamingsopgave ook een sociale opgave. We gaan daarvoor werken met gebiedsagenda’s en nodigen partners uit om daar aan mee te doen. Eerst in de Meent en Kerkelanden, daarna op andere locaties. Zie hiervoor de visiekaart ‘meedoen’. Onze ervaring in eerdere vernieuwingstrajecten in bijvoorbeeld Noord en Liebergen is dat dit ook bijdraagt aan een steviger sociaal weefsel.
Wat doen we meer stap-voor-stap? In de openbare ruimte liggen veel en forse ruimteclaims: voor de energietransitie, groen, klimaatadaptatie, mobiliteit en ontmoeting. We weten dat alle claims niet in de openbare ruimte passen: de puzzel kan niet gemakkelijk worden gelegd. Voor deze onderwerpen past meer het schetsen van de beweging en een aanpak waarbij we stap voor stap kijken of en hoe het werkt. Groen is in de participatie het vaakst genoemd als kwaliteit én verbeterpunt. Groen geeft is niet alleen voorwaarde voor een prettige leefomgeving; het is ook belangrijk als antwoord op klimaatverandering en voor gezondheid. Om een indruk te krijgen van het ruimtebeslag is in de planMER een groennorm gehanteerd. We willen met deze Omgevingsvisie inzetten op meer groen, maar vinden de gehanteerde generieke norm niet passend bij de stedenbouwkundige opzet van Hilversum, waarbij Dudok nadrukkelijk ook het groen in de buitengebieden vanuit de compacte stad bereikbaar wilde maken. We zien ook dat er al veel groen in tuinen/op privéterrein is. Tegelijk zijn er in Hilversum meer versteende buurten, waar een groenimpuls meer dan noodzakelijk is. Wij geven dit verder handen en voeten in het programma Groen en in de gebiedsagenda’s.
In de gebiedsagenda’s hanteren we voor het gesprek over ‘hoogte’ – zeker met oog op het behoud van het ‘illusielandschap’ – de volgende uitgangspunten: - De door de raad vastgestelde bestemmingsplannen. - Stevige hoogte is legitiem rondom OV knooppunten, op campussen, in de spoorzone en op plekken waar al stevige hoogte is. De hoogtes in de Structuurvisie 2030 blijven we aanhouden. - In wijken en op overige werklocaties kijken we waar 2 tot 4 woonlagen goed aansluiten bij de omgeving en waar 5 tot 6 lagen passend kan zijn, hetgeen aansluit bij het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. We handhaven de 25 meter uit de Structuurvisie als maximum in wijken en op overige werklocaties. Het ruimtebeslag voor voorzieningen is te overzien. Van extra ruimte voor voorzieningen vanwege nieuwbouw profiteert ook de bestaande stad. De
83
Voor de energietransitie spiegelt de PlanMER ons voor dat we de energiedoelen in 2040 niet halen met alleen de huidige maatregelen. Dat is niet verrassend en verre van uniek in Nederland. We houden daarom vast aan de ingezette plannen in de Transitievisie Warmte en de RES en richten ons eerst op uitvoering ervan. Het laatste wat we willen is dat de uitvoering vertraagt door een fundamentele heroriëntatie. Bijstelling van de plannen en het zoeken naar aanvullende maatregelen om de doelen te halen is logisch bij de actualisatie van de Transitievisie Warmte in 2026. De vingeroefening in de PlanMER (stel dat aanvullende maatregelen de vorm krijgen van zon-op-land) geeft ons een indruk van de ruimtelijke opgave, maar is gegeven de kwaliteit van het buitengebied op voorhand geen ultieme oplossing.
economische agenda’s zetten we in op het versterken van informele netwerken in de buurt (eenzaamheid, vrijwilligers, mantelzorg), ook in het licht van de houdbaarheid van de vangnetfunctie. Naast de visie sociaal domein geven we handen en voeten aan dit onderwerp in een woon-zorgvisie, in actieprogramma’s voor eenzaamheid, mantelzorg/vrijwilligers en ‘ouder worden’ en beleidskaders voor jeugd, bestaanszekerheid en schuldhulpverlening. Gesprek met de raad Wat het college betreft staan de onderwerpen in deze paragraaf (4.9) centraal in het raadsdebat over dit ontwerp. In het raadsdebat horen wij graag hoe de raad kijkt naar de conclusies uit 4.6 tot en met 4.8, of men de politieke beschouwing uit paragraaf 4.9 in hoofdlijnen kan steunen en of er ‘showstoppers’ in de stukken zitten die geamendeerd moeten worden voordat het ontwerp de inspraak in gaat.
In de ontwerp-Omgevingsvisie is veel gezegd over mobiliteit en de rol van de auto: ruimte voor andere doelen (lopen/fietsen, ontmoeten, deelmobiliteit) gaat op termijn ten koste van ruimte voor de auto. Ervaringen in andere steden leren dat dit soort transities aan de hand zijn en misschien wel 20 tot 30 jaar kosten. Wij willen waken voor een gepolariseerde discussie en denken dat de auto in de komende jaren nog een belangrijke sociaaleconomische functie heeft. We gaan wel eerst stappen zetten door het bijstellen van parkeerbeleid, de aanleg van snelfietspaden en beschikbaar stellen van vormen van deelvervoer. Het uitvoeringsprogramma Mobiliteit zal daarin verdere prioriteiten stellen. Daarbij leggen we een direct verband met de te actualiseren visie Hilversum Buiten en de handboeken voor de openbare ruimte. Sociaal weefsel Het versterken van het sociaal weefsel krijgt niet alleen vorm via fysieke en economische agenda’s. Het sociaal weefsel wordt ook versterkt via de nieuwe visie Sociaal Domein, die focust op sterke wijken, bestaanszekerheid, kansengelijkheid en gezondheid als voorwaarden. Bovenop de fysieke en 84
De Omgevingsvisie biedt niet alleen perspectief op hoe Hilversum er in 2040 uit ziet, maar ook hoe inwoners, ondernemers, organisaties en gemeente samen kunnen bouwen aan Hilversum 2040. Daarover zijn in het participatieproces veel goede suggesties gedaan, die zijn samengevat in de eerste vier principes in de Denkrichting voor de Omgevingsvisie (bijlage B).
5. Toepassing van de Omgevingsvisie
1. De gemeente neemt regie op het collectief belang, die oproept als overheid te werken vanuit een integrale visie en durf om regie te nemen op opgaven die het algemeen belang (collectief) aangaan, juist als het gaat om moeilijke keuzes. 2. We gebruiken de Omgevingsvisie actief, door er vaak op terug te grijpen, als toetsingskader bij nieuwe ontwikkelingen en als basis voor een actieve lobby richting Rijk en Provincie om maatregelen ook te kunnen realiseren. Maar ook in het besef dat de toekomst nieuwe uitdagingen brengt die we nu nog niet voorzien. Afwijken van de Omgevingsvisie moet soms en mag als keuzes duidelijk onderbouwd zijn. Bij fundamentele veranderingen kunnen gemeenteraad en college besluiten de Omgevingsvisie tussentijds bij te stellen. 3. We blijven in gesprek; Gemeente, inwoners en organisaties blijven het gesprek over de toekomst van Hilversum voeren in wijken (van onderop) en op het niveau van de stad. 4. We geven initiatieven de ruimte, door procedures makkelijker en sneller te maken, zodat inwoners en organisaties eerder zelf aan de slag kunnen.
Hoofdstuk 1 beschreef de verschillende toepassingen van de Omgevingsvisie: als stip op de horizon en als basis voor een toetsingskader voor initiatieven, uitwerking in programma's, kostenverhaal en monitoring. Deze toepassingen zijn deels al mogelijk met de bestaande manier van werken, deels vragen ze om een nieuwe manier van werken. Dit hoofdstuk beschrijft hier de hoofdlijnen van, die na vaststelling van de Omgevingsvisie verder concreet kunnen worden gemaakt.
5.1 De Omgevingsvisie als stip op de horizon: samen bouwen aan Hilversum 2040 De Omgevingsvisie Hilversum 2040 vervangt na vaststelling door de gemeenteraad de Structuurvisie Hilversum 2030 als richtinggevend kader voor de ontwikkeling van Hilversum op de lange termijn. Beleid van de gemeente en initiatieven uit de samenleving worden daarop afgestemd en getoetst. Op basis van de Omgevingsvisie ontwikkelen we allerlei instrumenten, zoals het Omgevingsplan en een toetsingskader voor initiatieven. Mochten die bij initiatieven geen uitsluitsel geven, dan is de Omgevingsvisie het 'hoogste’ beleidskader waaraan getoetst wordt.
Deze principes passen goed bij de bedoeling van de Omgevingswet: meer integraal en op een open manier aan de toekomst van Hilversum werken is dé manier om de complexe opgaven uit hoofdstuk 3 en 4 succesvol aan te gaan. 85
De bijdrage van de gemeente kan daarbij zijn:
5.1.1 Een voortdurend gesprek over de toekomst Inwoners, ondernemers, organisaties en de gemeente hebben veel tijd en energie geïnvesteerd om tot de Omgevingsvisie te komen. Het is belangrijk om die energie en betrokkenheid vast te houden en het gesprek over de toekomst van Hilversum voort te zetten. We zijn ervan overtuigd dat wanneer dat gebeurt, het eigenaarschap en de verantwoordelijkheid voor de toekomst van Hilversum sterker gevoeld wordt, er meer initiatieven ontstaan die bijdragen aan de doelen van de Omgevingsvisie en die op meer draagvlak kunnen rekenen. Een eerste vervolggesprek tussen overheid en samenleving is na de raadsbehandeling van de ontwerp Omgevingsvisie door de gemeenteraad. De gemeente zal goed moeten uitleggen hoe de inbreng van inwoners, ondernemers en organisaties in de Omgevingsvisie is opgenomen. Welke keuzes zijn gemaakt en waarom?
Het organiseren van een jaarlijks terugkerend stadsgesprek over de Omgevingsvisie waarbij ‘zijn we nog op koers?’ de centrale vraag is. Dit kan goed in het begin van het jaar, voorafgaand aan de voorjaarsnota.
Het beschikbaar stellen van data op Open Hilversum en opstellen van producten als een datamonitor en trendstudies (zie verder).
Een herkenbaar, digitaal platform voor het gesprek over de toekomst.
Met inwoners, ondernemers en organisaties opstellen van gebiedsagenda’s, als concrete, gebiedsgerichte uitwerking van de Omgevingsvisie (zie verder).
5.1.2 Initiatieven en participatie De doelen uit de Omgevingsvisie zijn niet alleen van de gemeente, maar van gemeente en samenleving. Inwoners, ondernemers, organisaties en de overheid werken ieder vanuit hun eigen bevoegdheden en mogelijkheden aan het dichterbij brengen van de doelen. Deze visie is met inwoners, ondernemers en organisaties tot stand gekomen en daarmee een directe uitnodiging aan de samenleving tot samenwerking en het nemen van initiatieven die bijdragen aan de doelen.
Na het vaststellen van de Omgevingsvisie is het zaak het gesprek over de toekomst structureler in te vullen. Daarbij geldt dat niet alleen de gemeente het gesprek over de toekomst organiseert en dat we niet vanaf nul beginnen. Organisaties als de H100, hilversummers.nl, stichting Architectuurprijs en het Dudok Architectuur Centrum organiseren zulke gesprekken immers al langer, wat soms leidt tot grote initiatieven. En op buurt- en straatniveau spreken bewoners, bewonersverenigingen en wijkregisseurs voortdurend over nu en straks en kleinere initiatieven. Met alle betrokkenen willen we na vaststelling van de Omgevingsvisie verkennen hoe gesprekken over de toekomst blijvend samenhangend gevoerd kunnen worden: een agenda ‘samen bouwen aan Hilversum 2040’, die niet alleen gebaseerd is op meningen, maar ook op goed inzicht in trends en ontwikkelingen.
Ook zonder de Omgevingsvisie zijn er in Hilversum al volop initiatieven. In het Meerjarenperspectief Gebiedsontwikkeling (gemeenteraad 2021) werd al geschetst dat het aantal ruimtelijke initiatieven gestaag toeneemt. En ook op het niveau van buurt en straat zien we steeds meer initiatieven ontstaan. We verwachten dat die trend zich doorzet en richting 2040 op meer plekken initiatieven ontstaan, waarbij: 86
De figuur hierboven laat zien hoe die beweging eruitziet. Het linker plaatje schetst dat de overheid nu vaak positie moet kiezen 'tussen’ initiatiefnemers en belanghebbenden. Er is vaak veel contact met initiatiefnemers. Belanghebbenden vinden vaak dat er juist te weinig contact met hen is en spreken daar de overheid op aan. Het rechterplaatje schetst een overheid die erop aanstuurt dat initiatiefnemers en belanghebbenden vooral met elkaar het goede gesprek voeren.
Steeds meer belanghebbenden geraakt worden. Initiatieven complexer worden en sprake is van stapeling van eisen en wensen die in beperkte ruimte moeten worden gecombineerd. Meer diversiteit in de stad ontstaat, zodat een grotere diversiteit in het ‘samen Hilversum 2040 maken’ nodig is.
In de participatie werden twee duidelijke oproepen uit de samenleving gehoord. Als eerste: kies als overheid een participerende rol, die past bij de dynamiek en energie van de samenleving. Zorg tegelijk voor inwoners die zorg nodig hebben én let op het algemeen belang. En als tweede: betrek inwoners, ondernemers en organisaties bij besluitvorming over wat er in Hilversum gebeurt. Beide oproepen gaan over de verhouding tussen de overheid en de samenleving. Die verhouding verandert met de tijd. Mede daarom wordt in de Omgevingswet de beweging van een klassieke ‘presterende’ en 'rechtmatige overheid’ naar een ‘participerende’ overheid gemaakt.
De Omgevingswet onderstreept het belang van goede participatie bij initiatieven, vanuit de wens inwoners beter te willen betrekken bij initiatieven in hun leefomgeving. Tegelijk maakt de Omgevingswet dat niet concreet: de wet schrijft voor dát er participatie moet zijn, maar niet hoe die moet worden ingevuld. Ook schrijft de wet voor dat gemeenten geen aanvullende eisen mogen stellen aan participatie, bijvoorbeeld bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De beweging van links naar rechts hebben we in Hilversum al enkele jaren geleden ingezet, bij onze plannen voor de invoering van de Omgevingswet. We gebruiken sinds 2018 een ‘leidraad participatie’ om initiatiefnemers te inspireren het participatieproces goed vorm te geven. De leidraad is zowel van toepassing op initiatieven uit de samenleving als op initiatieven van de gemeente. Kadertekst – Zes principes voor participatie uit de leidraad De leidraad noemt als zes belangrijkste principes voor participatie: 1. Wees transparant: gebruik begrijpelijke taal en communiceer open en eerlijk. 2. Wees volledig: betrek een mix van alle mogelijke betrokkenen uit de omgeving. 3. Geef zowel voor- als tegenstanders de ruimte: het gesprek met tegenstanders kan andere creatieve oplossingen doen ontstaan.
87
dat in samenwerking met inwoners, organisaties en kennisinstellingen is opgesteld. Dat moet meer handvatten voor de gemeenteraad opleveren om de kwaliteit van de participatie te kunnen beoordelen, zonder die te verplichten (vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag). Ten slotte willen we voor de participatieprocessen van de gemeente zelf kijken hoe deze minder gefragmenteerd kunnen zijn: nu betrekken we inwoners, ondernemers en organisaties vaak per project of beleidstraject, waardoor belanghebbenden vaak gevraagd worden ‘op te draven’ en de gemeente veel tijd en energie besteedt aan het uitleggen van de samenhang tussen de verschillende participatieactiviteiten.
4. Duidelijk zijn over zeggenschap: laat weten waarover belanghebbenden kunnen meebeslissen, meepraten en adviseren. En wees ook duidelijk waarover dit niet kan. 5. Creëer samenspraak: plannen die op basis van een uitwisseling van argumenten ontstaan of aangescherpt worden, zijn vaak het breedst gedragen. 6. Heb vertrouwen: participatie werkt alleen op basis van vertrouwen in elkaars goede intenties.
Hoewel principes uit de leidraad breed gedeeld worden, blijkt de praktijk weerbarstig. Dat leidt tot maatschappelijk en politiek debat: wanneer zijn het participatieproces en de communicatie 'goed'? Waar zijn initiatiefnemers, belanghebbenden en gemeente op aanspreekbaar? Er wordt spanning gevoeld tussen het belang dat we in Hilversum aan participatie hechten, de mate waarin de gemeente op dit moment grip heeft op de kwaliteit van de participatie die door initiatiefnemers is georganiseerd en de mate waarin alle belanghebbenden bereikt en betrokken worden. Die spanning leidde recent tot twee moties die oproepen tot meer participatie-instrumentarium (M21145) en het versterken van de positie van ‘belanghebbenden zonder macht’ (M22-39).
De participatie voor de Omgevingsvisie leverde onderstaande goede suggesties voor een aantal verduidelijkingen op. Het doel van participatie is: het goed in beeld brengen van alle belangen die geschaad of gediend worden. Dit geeft het gemeentebestuur de mogelijkheid om een afweging te maken binnen de speelruimte van zijn bevoegdheden en een afweging in het kader van het ‘algemeen belang’. Initiatiefnemers moeten zich inspannen om die belangen volledig in beeld te brengen. Participatie betekent niet dat iedereen die meedoet gelijk kan krijgen; wel dat er duidelijkheid is over de afweging van alle belangen en de besluitvorming.
Als instrument zien we de bestaande participatieleidraad ‘betrek de buurt (gemeenteraad 2021) nog steeds als een goede basis. Na vaststelling van de Omgevingsvisie in 2023 willen we de leidraad 'betrekt de buurt’ en de daarin opgenomen principes actualiseren en daarbij de aanvullingen, verduidelijkingen en suggesties gebruiken die in het participatieproces voor de Omgevingsvisie zijn gedaan over het doel van participatie, de betekenis van het algemeen belang, de rol van de gemeente en goede communicatie. We kijken naar inspirerende voorbeelden, zoals het Groninger participatiewerkboek,
Het algemeen belang is: datgene dat voor het welzijn van de bevolking in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is. Wát dat is, is voor het grootste deel geborgd in de Omgevingsvisie zelf en is de reden dat er zoveel tijd en energie is gestoken in het participatieproces: om te komen tot draagvlak. Tegelijk geeft de Omgevingsvisie ruimte en kaders aan initiatiefnemers en belanghebbenden om met elkaar tot gedragen initiatieven te komen, die zich goed tot het 88
algemeen belang verhouden. Toetsen aan het algemeen belang is (dus) toetsen aan de Omgevingsvisie.
De rol van de gemeente is niet bij elk initiatief dezelfde. De gemeente is immers niet verantwoordelijk voor alles wat er in Hilversum gebeurt en is lang niet altijd ‘bevoegd gezag'. De rollen die de gemeente kan hebben, zijn: Zelfpresterend/uitvoerend: niemand anders dan de gemeente kan het doen. Denk aan het uitvoeren van een wettelijke taak, zoals het uitgeven van paspoorten. Opdrachtgever: De gemeente heeft een duidelijke verantwoordelijkheid en stelt voorwaarden aan de inhoud. Derden gaan binnen deze voorwaarden over de wijze van uitvoering (het ‘hoe’). Denk bijvoorbeeld aan het vervangen van de riolering in buurten door aannemers. Regisseur: De gemeente bepaalt zijn ambities en de grenzen van het speelveld (kaders). Binnen dat systeem voeren andere partijen het proces (‘het hoe’) en bepalen de inhoud (‘het wat’). De gemeente beoordeelt of het spel binnen de kaders gespeeld wordt en past wanneer nodig kaders aan. Denk bijvoorbeeld aan het uitvoeren van wettelijke regelingen in het sociaal domein. Co-producent: De gemeente heeft een wens en de realisatie daarvan doet ze vanuit een gelijkgestelde positie in samenwerking met andere partijen. Deze gelijkgestelde positie moet door alle partijen geaccepteerd en geborgd worden. Het initiatief kan van buiten komen of van binnenuit. Denk bijvoorbeeld aan de gebiedsontwikkeling Arenapark.
Supporter: Anderen bepalen doelen en context. De gemeente is supporter en beweegt mee omdat zij het belang ziet van het maatschappelijk effect of hierop wordt aangesproken. Er zijn geen tegenstrijdigheden met wettelijke of gemeentelijke kaders. Denk bijvoorbeeld aan het ondersteunen van evenementen.
Toeschouwer: De gemeente heeft geen verantwoordelijkheid voor het onderwerp. De gemeente zet dus geen middelen in, bepaalt geen resultaten en oefent geen invloed uit op andere partijen. Dit kan alleen als het zo geaccepteerd wordt door de omgeving. Bij elk initiatief is het nodig om de rol van de gemeente goed te duiden en te communiceren. Door goed te communiceren, kan de gemeente zich ook beter aan haar rol houden. Bij een rol hoog in de lijst is de gemeente aanspreekbaar op/verantwoordelijk voor een goed participatieproces en communicatie daarover. Lager op de lijst ligt die verantwoordelijkheid bij initiatiefnemers. De gemeente bepaalt haar rol door toepassing van het toetsingskader (paragraaf 5.2). Daaruit volgt ook de rol van het bestuur (college en gemeenteraad) bij participatieprocessen. Rol gemeente
Rol bestuur bij participatie
Zelfpresterend/uitvoerend
Procesontwerper, benoemen van participatieaanpak, inhoudelijke kaders en uitgangspunten
Opdrachtgever Regisseur Co-producent
(mede-) Koersbepaler: benoemen van participatieaanpak en democratische uitgangspunten óf Belangenafweger: kiezen uit opgehaalde standpunten en inzichten
Supporter
Verbinder, bevorderen dat inbreng van alle betrokkenen op tafel komt of het verstrekken van subsidies
Toeschouwer
Geen
Goede communicatie is uitdagend, ook vanwege de toenemende diversiteit in Hilversum. Het vergt van gemeente en initiatiefnemers naar de toekomst toe meer en meer diverse inspanningen om alle belanghebbenden gelegenheid te geven aan het participatieproces mee te doen. Partijen moeten oog 89
hebben voor de reikwijdte en de grenzen van participatie: mensen hebben meer te doen en er komt veel op ze af. Bovendien is niet iedereen even mondig. Dit kan leiden tot onvolledige en niet-representatieve participatie. Tegelijk hebben we tijdens de corona-lockdowns vaker en met succes digitale toepassingen in kunnen zetten die voor sommige groepen in de samenleving het participeren juist gemakkelijker maken. Het participatieproces voor de Omgevingsvisie en in het bijzonder de evaluatie van de Klankbordgroep bieden praktische aanbevelingen:
Kadertekst - Aan de slag met concrete ideeën De participatie voor de Omgevingsvisie heeft 143 concrete ideeën opgeleverd voor de stad of voor specifieke gebieden. Veel daarvan zijn opgeschreven in het participatierapport ‘inwoners aan het woord’.
- 65 daarvan zijn meegenomen bij het schrijven van deze visie, zoals ‘aandacht voor mooie ontmoetings- en recreatieplekken’, ‘ruim baan voor de fiets’ en ‘investeer in kenniseconomie en stimuleer omscholing’.
- 17 kunnen (alleen) door de gemeente worden opgepakt, zoals ‘fontein marktplein alle dagen open’ of het ‘waterwerk op het Laapersveld energieneutraal maken’.
Neem de tijd voor het participatieproces. Tijdsdruk is niet helpend. Kom als initiatiefnemer op plekken waar de mensen zijn, in plaats dat de mensen moeten komen waar de initiatiefnemer is. Organiseer onafhankelijkheid door inzet van onafhankelijke gespreksleiders en verslagleggers. Zo komen ideeën en belangen goed op tafel en op papier. Zie ‘representativiteit’ als een inspanningsverplichting, niet als resultaatverplichting. Span je wel in om zoveel mogelijk inwoners en organisaties in staat te stellen mee te doen. Analyseer tussentijds of er groepen ondervertegenwoordigd zijn. Heb oog voor Hilversummers die minder vanzelfsprekend of makkelijk meedoen, zoals jongeren, laaggeletterden en mensen met een migratieachtergrond. Zorg in elk gezelschap voor een diverse samenstelling in leeftijd, achtergrond en belang. Communicatie is key. Zorg dat de communicatie met elke doelgroep aansluit bij de voorkeursstijl van elke doelgroep. Houd de toonzetting positief. Vraag: hoe wil je het? Breng daarna de consequenties in beeld. Geef uitleg en koppel steeds transparant terug: dit hebben we gezien/gehoord -> zo zijn we er mee omgegaan -> dat leidt hiertoe. Dit is arbeidsintensief, maar transparantie komt het vertrouwen in het proces ten goede.
- 51 zijn gebieds-specifiek en kunnen goed gebruikt worden als inspiratie voor op te stellen gebiedsagenda, zoals ‘de Oude Haven opknappen’, ‘de Havenstraat als fietsstraat’, ‘wonen boven winkels’ of ‘het maken van een voedselbos’.
- Een deel van de gebieds-specifieke ideeën en overige ideeën kunnen nu al goed door inwoners en ondernemers zelf worden opgepakt, in samenwerking met diverse maatschappelijke organisaties. Door gezamenlijk initiatieven te nemen wordt Hilversum mooier en worden de onderlinge verbanden in de samenleving versterkt. Hilversum onderzoekt met maatschappelijke organisaties als Hilversummers.nl naar pilots om zulke maatschappelijke co-creatie initiatieven te ondersteunen/op weg te helpen, netwerken te verbinden en daar van te leren.
5.2 De Omgevingsvisie als toetsingskader Uit het vaststellen van de Omgevingsvisie vloeit voort dat Hilversum nieuwe initiatieven van inwoners, ondernemers en organisaties toetst aan de inhoud van de Omgevingsvisie en de wettelijke regels. Als initiatieven passen binnen de kaders, dan werkt Hilversum mee aan de uitvoering daarvan. Als dat niet zo is, kan de gemeente meedenken hoe initiatieven wel in het toekomstbeeld kunnen passen, of besluiten dat er geen plek voor is in Hilversum. 90
In het Meerjarenperspectief Gebiedsontwikkelingen (gemeenteraad 2021) is aangegeven dat de gemeente hiervoor een toetsingskader opstelt op basis van de Omgevingsvisie en in de tussentijd werkt met voorlopige kaders op basis van bestaand beleid. Hilversum toetst initiatieven daarom al aan het vastgestelde beleid en regels: in welke mate draagt het bij aan doelen op het gebied van klimaat, landschap, energie, wonen, economie, mobiliteit, gezondheid etc.? Ook wordt getoetst op eerdere afspraken (zijn er bijvoorbeeld convenanten of intentieovereenkomsten afgesloten?), bestuurlijk draagvlak (is het initiatief onderdeel van het coalitieakkoord of de programmabegroting?) en zakelijke argumenten. Zo werken we als gemeente alleen aan initiatieven die de stad ook echt verder helpen. Het toetsingskader moet ook helpen om de inzet van de gemeente te kunnen prioriteren. De gemeente kan niet alles tegelijk.
veel vrijheid in hoe beleid en andere plannen vorm krijgen. De diversiteit in Hilversum is groot: structuurvisies, visies, beleidsnota's, kader- en uitvoerings-/uitwerkingsnota's, programma's, handboeken, masterplannen, projecten, agenda's, regelingen, handboeken, actieplannen, verordeningen en andere regelgeving. Het kost soms veel tijd en energie om duidelijk te maken hoe ze samenhangen. De Omgevingswet biedt het nodige instrumentarium om de uitvoering van de Omgevingsvisie te vereenvoudigen. Een duidelijker en eenvoudiger aantal instrumenten helpt bij het sturen op de integrale opgaven, het vinden van synergie en het stellen van prioriteiten/inzet van tijd, geld en capaciteit. Het helpt ook om initiatieven beter te faciliteren, door duidelijker en meer integrale kaders en regels. Nu zijn kaders en regels vaak ‘sectoraal’ en maakt de stapeling daarvan het initiatieven en projecten vaak niet gemakkelijk.
De gemeenteraad heeft in amendement A22-59 (juli 2022) gevraagd een concept Hilversums toetsingskader op te stellen. Voor het Hilversums toetsingskader wordt aangesloten bij het toetsingskader van de Milieu Effect Rapportage. Bijlage F bevat een aanzet daartoe. Na politieke oordeelsvorming wordt het toetsingskader verder uitgewerkt in deze paragraaf van de Ontwerp Omgevingsvisie.
5.3.1 Kerninstrumenten uit de Omgevingswet De Omgevingswet kent zes ‘kerninstrumenten’ voor het voeren van ruimtelijk beleid en het realiseren van activiteiten in de ruimtelijke omgeving. Voor de gemeentelijke beleidsontwikkeling zijn er drie relevant: de Omgevingsvisie, het (Omgevings-)Programma en het Omgevingsplan.
5.3 De Omgevingsvisie als basis voor uitwerking in programma’s, agenda’s en het Omgevingsplan Hilversum kent veel vormen om tot beleid en uitvoering te komen. In sommige gevallen schrijft de wet voor dat de gemeenteraad sectoraal beleid vaststelt (zo is er bijvoorbeeld een wettelijke plicht om als gemeente een Transitievisie Warmte te hebben), maar in veel gevallen heeft de gemeente 91
Voor de Omgevingsvisie is de gemeenteraad bevoegd gezag. De Omgevingsvisie is zelf-bindend voor het bestuursorgaan dat hem vaststelt en stelt kaders: wat willen we bereiken en waartoe? Het is een visie hoofdlijnen over het te voeren integrale beleid, over de kwaliteit van de leefomgeving en de hoofdrichtingen voor de voorgenomen ontwikkeling, gebruik, beheer en bescherming van het grondgebied. Het integreert de visievorming op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling,
verkeer, water, milieu en erfgoed, maar ook de sociaal-economische visievorming. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Hilversum 2030 en gebieds-dekkende structuurvisies
Het ‘beleid’ van de gemeente hoort in de Omgevingsvisie en Programma's. Beleid in de Omgevingsvisie is op hoofdlijnen. Het moet op die hooflijnen integraal zijn en heeft een lange termijn scope. Beleidsuitwerking, gebiedsuitwerking en beleidsrealisatie horen in Programma’s. Het adagium uit de Omgevingswet is: “De Omgevingsvisie blijft, de Programma’s veranderen”. In de programma's wordt de toets met uitvoerbaarheid, tijd, geld en capaciteit gemaakt en worden uitvoeringsprioriteiten gesteld.
Het Programma werkt de doelen uit de Omgevingsvisie uit in maatregelen: hoe gaan we de doelen bereiken? Ook de programma's zijn zelf-bindend. De gemeenteraad benoemt welke programma's er zijn, het college vult ze in, bijvoorbeeld op basis van het coalitieakkoord. De gemeente kan meerdere programma's vaststellen, die zowel thematisch als gebiedsgericht kunnen zijn. De Omgevingswet onderscheidt ‘onverplichte’ en verschillende typen 'verplichte’ programma's, bijvoorbeeld volgend uit Europese regelgeving. Het programma kan sectoraal beleid en gebiedsvisies vervangen.
5.3.2 Toepassing kerninstrumenten in de Hilversumse praktijk Het beleid van de gemeente Hilversum is op dit moment beschreven in ten minste 107 ‘kaderstellende nota's’ (bron: concept programmabegroting 2023) en een projectenportfolio van tientallen locatie- en gebiedsontwikkelingen van de gemeente of van derden. Het gaat om visies, beleidsnota's, kader- en uitvoerings/uitwerkingsnota's, programma's, handboeken, masterplannen, projecten, agenda's, regelingen, actieplannen, verordeningen en andere regelgeving. Vaak themagericht en soms gebiedsgericht. Sommige nota's combineren het formuleren van beleidsdoelstellingen met uitvoeringsprogramma's; andere nota's houden dat juist uit elkaar. Elk van deze nota's heeft een andere looptijd, wijze van monitoring en termijn van actualisatie. In gebieds- en locatieontwikkelingen zijn vaak meerdere doelen en uitvoeringsprogramma's tegelijkertijd aan de orde, die om gebiedsgerichte afwegingen/prioriteiten vragen.
De gemeenteraad is bevoegd gezag voor het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan is een (1) plan voor alle regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. Het is juridisch bindend, dus vatbaar voor bezwaar en beroep. Het omgevingsplan moet de geldende regelgeving permanent actueel weergeven, door digitalisering van het omgevingsplan. Per locatie is in het Omgevingsplan volledig te vinden welke regels daar gelden. De regels in het Omgevingsplan komen voort uit wettelijke regels, de Omgevingsvisie en de Programma's. Er is sprake van verbrede reikwijdte: dat betekent dat over veel meer onderwerpen en aspecten regels kunnen worden opgenomen dan nu onder de Wet Ruimtelijke Ordening. Het Omgevingsplan vervangt o.a. de bestemmingsplannen en een groot aantal verordeningen.
Het instrumentarium uit de Omgevingswet kan goed worden benut om het beleid van Hilversum integraler en overzichtelijker te maken. Dat begint met het vaststellen van de integrale Omgevingsvisie. De volgende stap is het benoemen van Programma's. Voor Hilversum zijn nu geen 'verplichte’ programma's in beeld, dus kan worden volstaan met het inrichten van ‘vrijwillige’ programma's, waarin beleid wordt uitgewerkt. Zulke programma’s kunnen een thematisch karakter hebben waarbij het liefst sectorale thema's op een
De andere instrumenten, zoals de Omgevingsvergunning gaan over uitvoeringsaspecten zoals de vergunningverlening. Die blijven hier buiten beschouwing.
92
logische manier worden gecombineerd tot integrale thema's. De programma's kunnen ook gebiedsgericht zijn: daarmee wordt de beleidsmatige insteek op stadsniveau verbonden/gedifferentieerd uitgewerkt in een gebiedsgericht programma. Ook uitvoeringsafspraken met inwoners, ondernemers en organisaties kunnen in het Programma worden opgenomen. In de Hilversumse praktijk lijkt het echter logischer die te maken in de vorm van kort-cyclischer ‘agenda's’, die uit de programma's voortkomen.
hoeven we overigens niet helemaal opnieuw te beginnen: voor het programma ‘duurzaam’ is met het programma Duurzaamheid in het verleden al een goede start gemaakt. De eerste versies van de nieuwe thematische programma's zullen bestaan uit de Omgevingsvisie (visie, doelen, genoemde maatregelen, monitoring), een weergave van reeds vastgestelde beleid en een oplossing voor eventuele discrepanties of conflicten en een verbinding met agenda's voor deze bestuursperiode, zoals uit het coalitieakkoord en de programmabegroting 2023.
We zien goede mogelijkheden om het Hilversumse beleid overzichtelijk onder te brengen in een beperkt aantal Hilversumse kerninstrumenten: Inhoud Regelgeving Beleid Omgevingsvisie Programma's Verordeningen Uitvoering Agenda's Omgevingsplan
Gebiedsgericht werken is niet nieuw in Hilversum. Wel kent het – analoog aan de thematische onderwerpen – vele vormen, variërend van buurt- en wijkagenda’s, gebiedsagenda’s (zoals voor het centrum, bedrijventerreinen of in postcodegebied 1221) tot masterplannen en beeldkwaliteitsplannen voor ontwikkellocaties. Niet altijd is de relatie met bijvoorbeeld de structuurvisie of Omgevingsvisie helder. Twee gebiedsprogramma's kunnen de wens tot meer/beter gebiedsgericht werken bevorderen. Het eerste kan gaan over het portfolio van projecten (locatie- en gebiedsontwikkelingen). Dit is in feite het voortzetten van de programmatische aanpak voor het projectenportfolio, zoals beschreven in het Meerjarenperspectief Gebiedsontwikkelingen (gemeenteraad 2021). Het tweede gebiedsprogramma kan ontstaan vanuit de wens van inwoners, ondernemers en organisaties om de Omgevingsvisie gebiedsgericht uit te werken in gebiedsagenda's. Veel inwoners voelen zich meer betrokken bij de straat, buurt of wijk waarin zijn wonen, dan bij de stad als geheel en hebben in de participatie veel ideeën aangedragen die daarin een plek krijgen. Als we goede gebiedsagenda's hebben, is het gemakkelijker om tot passende initiatieven te komen, draagvlak te verwerven en de initiatieven goed te kunnen toetsen.
Ook dit is niet nieuw: zo bestaan er al verschillende gebiedsagenda's voor woon- en werkgebieden en werken we nu concreet aan een gebiedsagenda voor het centrum.
Het idee bij de Omgevingsvisie is dat die al het integrale beleid bevat en dat 'sectorale visies’ alleen worden opgesteld indien daarvoor een wettelijke verplichting bestaat.
5.3.3 Aanzet voor programma's Uitgaande van de drie integrale opgaven uit hoofdstuk 3 en 4, ligt het in de rede om na vaststelling van de Omgevingsvisie te komen tot drie (vrijwillige) integrale thematische programma's: ‘meedoen', 'duurzaam’ en 'actief’. Aan vrijwillige programma's zijn weinig wettelijke eisen en er hoeft in principe geen koppeling te bestaan tussen de Omgevingsvisie en de programma's. In Hilversum zien we wel meerwaarde in zo'n koppeling, met oog op afstemming en samenhang tussen verschillende domeinen. Door bijvoorbeeld bestaand ‘sectoraal beleid’ en bestaande ‘sectorale programma's’ als ‘groen', ‘energietransitie’ en 'mobiliteit’ bij elkaar te brengen in een nieuw programma 'duurzaam', kan synergie en meerwaarde worden bereikt. Daarvoor 93
Een gebiedsagenda schetst perspectief voor het versterken, vernieuwen en ontwikkelen van gebieden, passend bij en in overleg met inwoners, ondernemers en organisaties in het gebied, uitgaande van wat in het gebied kan en nodig is. Niet alle gebieden zijn gelijk, dus ook de aanpak per gebied kan verschillen, net naargelang wat in een gebied nodig is. Tegelijk helpt het als we aan alle gebiedsagenda's dezelfde kwaliteitseisen stellen, zoals een start met een Plan van Aanpak, waarin kaders/randvoorwaarden, werkwijze en niveau van participatie zijn opgenomen, een analyse van informatie over ruimtelijke structuren, culturele waarden, demografische en sociaal-economische opbouw, gebruik, milieu, klimaat, energie en eigendomssituatie en werkwijze waarin het wensbeeld, uitdagingen en kansen voor de toekomst van een gebied uit blijken.
Voor de gebiedsagenda's zoeken we een schaalniveau waarop duidelijk ruimtelijke afhankelijkheden bestaan tussen ontwikkelingen, nieuwe kansen en opgaven in bestaande woonbuurten, werklocaties en gemengde gebieden. Dit onderzoek is nog niet klaar. Traditioneel wordt in Hilversum apart naar de woongebieden (‘wijken’) en werklocaties gekeken, wat kan leiden tot 20 of meer agenda’s. Tegelijk is juist een van de opgaven om wonen, werken en voorzieningen meer te mengen in grotere gebieden. Dit zou kunnen leiden tot deze gebieden: 1. De Meent en het veenweidegebied ten noordwesten daarvan. Zowel De Meent als het veenweidegebied zijn bijzonder. De eerste gezien de geografische positie en de tweede omdat het afwijkt van de rest van de buitengebieden van Hilversum (hei en bos). 2. Buitengebied, inclusief Crailo. 3. Spoorzone; een gebied met veel dynamiek (‘dynamisch gebied’ uit de Structuurvisie 2030), waarin het Media Park, Arenapark en het stationsgebied liggen. 4. Wijk Noord, die voor een belangrijk deel bestaat uit naoorlogse woningbouw 5. De beschermde villagebieden van het Noordwestelijk Villagebied 6. Het Oosten van het spoor, waarin de wijk 1221, het beschermd stadsgezicht van Oost, Anna's Hoeve en ontwikkelingen rondom het ziekenhuis. 7. Centrum, in samenhang met de aanloopstraten en de relatie met Oost. 8. Naoorlogse wijk Kerkelanden en de aangrenzende bedrijventerreinen. 9.
De heidegebieden meedoen de bijzondere functies, zoals Zonnestraal en het vliegveld.
Informatie voor de analyse is deels beschikbaar op Open Hilversum, uit de jaarlijkse Hilversum Monitor en natuurlijk uit de participatie voor de omgevingsvisie (rapport ‘inwoners aan het woord’). Dat laatste document bevat per wijk veel concrete ideeën en knelpunten om in de verschillende wijken mee aan de slag te gaan en die niet allemaal in de Omgevingsvisie zijn terug te vinden. Verder is van belang dat er voor de start van elke gebiedsagenda een goed participatieplan is gemaakt, zodat ook moeilijk bereikbare doelgroepen kunnen deelnemen en inwoners naar gelang van hun belangstelling kunnen meedoen. Uit eerdere ervaringen met ‘wijkagenda’s’ blijkt dat sommige inwoners overal bij betrokken willen zijn en sommige inwoners alleen behoefte hadden aan het kunnen noemen van prioritaire maatregelen.
Kadertekst wat is het goede schaalniveau voor gebiedsagenda’s?
94
Het college hoopt uit de inspraak een beeld te krijgen in hoeverre inwoners zich met deze gebieden kunnen identificeren en zal bij de definitieve Omgevingsvisie een concreet voorstel te doen voor gebieden. Daarbij wordt meegewogen dat de huidige wijkindeling op basis van volledige postcodegebieden voor verschillende samenwerkingen (veiligheidsdiensten, welzijnsorganisaties) als bruikbaar wordt gezien, ook vanwege het bij elkaar brengen van data. In ieder geval moet er geen verwarring zijn
Regelgeving
De tabel toont ook dat agenda's kunnen bijdragen aan meerdere programma's. In termen van hiërarchie gaan de thematische programma’s boven de gebiedsgerichte programma’s. Het ondersteunende programma is volgend op de thematische en gebiedsgerichte programma’s. In de thematische programma’s staan immers de doelen die in het totaal van de locatie- en gebiedsontwikkelingen een plek moeten krijgen. Uiteraard moet ook vanuit de mogelijkheden en onmogelijkheden in gebieden worden gekeken. Eventuele conflicten worden op voorstel van het college door de raad beslecht.
door – bijvoorbeeld – dubbelingen in de naamgeving.
Ten slotte is er (altijd) een ondersteunend programma nodig waarin de randvoorwaarden worden georganiseerd. Denk daarbij aan beleid en activiteiten rondom participatie, communicatie data/informatie, financiën en processen. Sommige van deze onderwerpen worden al programmatisch aangepakt, zoals het programma Transitie naar Datagedreven sturing en de bekende Planning & controlcyclus. We zien sterke meerwaarde in het meer in samenhang bezien van de onderwerpen participatie, communicatie en data.
Tot het vaststellen van de Omgevingsvisie en de daarbij behorende programma's is het zaak om:
De Hilversumse kerninstrumenten worden samengevat in onderstaande tabel. Visie Programma's Agenda's (voorbeeld)
Meedoen
Agenda eenzaamheid
Omgevingsvisie Thematisch Gebiedsgericht Actief Duurzaam Locatie- en Gebiedsgebieds-ontagenda's wikkelingen Agenda Agenda StedenGebiedseconoOpenbare bouwkundig agenda A mie Ruimte plan ArenaGebiedspark agenda B Agenda GebiedsCultuur agenda Agenda Warmtetransitie Centrum
Omgevingsplan
Ondersteunend Datagedreven sturing Participatieagenda
Agenda jeugd Agenda werk
95
Terughoudend zijn in het formuleren van nieuwe ‘visies’, ‘beleidsnota' en ‘programma's voor enkelvoudige/‘sectorale’ onderwerpen.
Consequent de rollen van raad en college in acht te nemen: de raad benoemt de programma's, het college vult ze in.
Reeds geplande beleidsnota's en programma's waar mogelijk te verbreden (denk aan de bestaande programma's groen en energietransitie), in de geest van de nieuwe programma's.
De ervaring in reeds gestarte gebiedsplannen of - agenda's te benutten voor het verder ontwikkelen van de methodologie voor de gebiedsagenda's. Denk aan deestelde gebiedsagenda voor postcodegebied 1221. Ook starten we al in 2022 met het maken van een gebiedsagenda voor het Centrum in het kader van de corona herstelagenda. Verder zijn gebiedsagenda's voor de Hilversumse Meent, de werklocaties ZuidWest en het Media Park in het coalitieakkoord voorzien. Overigens is het voorstelbaar
dat opnieuw gekeken wordt naar de prioritering; er valt ook iets te zeggen voor het starten bij de gebieden waarin sprake is van de grootste stapeling opgaven. Ook nieuwe initiatieven om 'wijkgericht’ te werken (bijvoorbeeld voor cultuurhistorie, veiligheid, mobiliteit, energie en groen) kunnen daarbij worden betrokken. Zo maken we werk-met-werk.
Hilversum krijgt dus met de invoering van de Omgevingswet van rechtswege een (tijdelijk) omgevingsplan. Na het vaststellen van de Omgevingsvisie kan worden gestart met het opstellen van het definitieve omgevingsplan. Daarvoor zijn op hoofdlijnen 3 voorbereidende activiteiten nodig: 1. Het gebiedsgericht uitwerken van de Omgevingsvisie (zie 6.3.4) 2. Het doen van onderzoeken naar a. Omgevingswaarden (bijvoorbeeld voor geluid) b. Enkele stads-brede regels (bijvoorbeeld rondom energie) c. Hoe de ‘bruidsschat’ geactualiseerd en integraal gemaakt moet worden in Hilversum 3. Het inrichten van het werkproces rondom het werken met het Tijdelijk Omgevingsplan. Hierin moet o.a. het toetsen van initiatieven aan de Omgevingsvisie en het bijstellen van het tijdelijk omgevingsplan (bijvoorbeeld aan de onderzoeken, of voortschrijdend inzicht) worden ingericht.
5.3.4 Het omgevingsplan Het omgevingsplan gaat na invoering van de Omgevingswet op een nieuwe manier alle regelgeving van de gemeente voor de fysieke leefomgeving structureren. Er komt één omgevingsplan voor heel Hilversum, dat voortdurend bijgesteld kan worden. Er komen generieke, stads-brede regels en gebiedsspecifieke regels. Indachtig principe 4 uit de Denkrichting (“We geven initiatieven de ruimte, door procedures makkelijker en sneller te maken, zodat inwoners en organisaties eerder zelf aan de slag kunnen”) is het uitgangspunt dat de gemeente zoveel mogelijk met algemene regels werkt waarin is aangegeven wat wel kan en zo weinig mogelijk met vergunningen. De Omgevingsvisie is de basis voor het omgevingsplan.
Het college zal in 2023 een Plan van Aanpak Omgevingsplan opstellen.
Als de Omgevingswet in werking treedt, gaat een groot deel van de bestaande regels ‘van rechtswege’ op in een tijdelijk omgevingsplan voor Hilversum. Denk aan bestemmingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheerverordeningen, inpassingsplannen van de provincie en Rijksregels die met de Omgevingswet een gemeentelijke bevoegdheid worden, zoals het activiteitenbesluit over milieu. Andere regels uit gemeentelijke verordeningen, zoals delen van de APV, de parkeerverordeningen en afvalstoffenverordening gaan niet direct op in het tijdelijk omgevingsplan, maar blijven nog een tijdje zelfstandig voortbestaan. Gemeenten hebben tot 31 december 2029 de tijd om deze regels in het (definitieve) omgevingsplan op te nemen en om Rijksregels die naar de gemeenten komen (de zgn. 'bruidsschat') inhoudelijk te actualiseren en integraal op elkaar af te stemmen. 96
Voor de programma's geldt dat ze vier jaar houvast moeten kunnen bieden. Elk jaar of elke twee jaar (afhankelijk van het tempo waarin ontwikkelingen zich voordoen) monitoren we de voortgang en stellen waar nodig de programma's bij. Verder leggen we daarin steeds expliciet de verbinding met de Omgevingsvisie: zijn er veranderingen die bijstelling van de Omgevingsvisie noodzakelijk maken?
5.3.5 De beleidscyclus In Hilversum werken we bij veel beleid al met de beleidscyclus. We ontwikkelen vaak meerjarig beleid, maken uitvoeringsplannen gekoppeld aan geld en capaciteit in de (jaarlijkse) programmabegroting, voeren uit en evalueren of monitoren de voortgang waarna we het beleid weer bijstellen. De Omgevingswet gaat ook uit van deze praktijk en brengt die in bijgaande in beeld. In deze beleidscyclus krijgt het sturen op ruimtelijke kwaliteit en samenhang tussen projecten en op het niveau van de stad en de regio vorm. Daarnaast maakt het ook de samenhang tussen omgevingsvisie, omgevingsprogramma, omgevingsplan en ruimtelijke projecten inzichtelijk.
De agenda's kunnen jaarlijks, of zoveel sneller als nodig, worden gemaakt, gemonitord en bijgesteld. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de jaarlijkse P&C cyclus (begroting, jaarrekening, voorjaarsnota).
5.4 De Omgevingsvisie als basis voor kostenverhaal De Omgevingsvisie die voorligt is een vergezicht, met daarin grote ambities en ingewikkelde transities. De vraag of deze ambities en transities 'betaalbaar’ zijn, is onmogelijk te beantwoorden. Een groot deel van de investeringen wordt immers ‘privaat’ gedaan: door inwoners wanneer zij hun huis verduurzamen, door corporaties die woningen vernieuwen en bouwen, door onderwijsinstellingen die onderwijs aanbieden etc. De grote transities zoals de energietransitie zijn nauwelijks te ramen en grotendeels afhankelijk van regelgeving en financiering van andere overheden of van het werk-met-werk maken wanneer bijvoorbeeld grondeigenaren een gebied transformeren.
We veronderstellen dat de Omgevingsvisie gedurende acht jaar (twee bestuursperioden) houvast moet kunnen bieden. Elke twee jaar bespreken we de voortgang met de gemeenteraad voor bijstellingen die passen binnen de kaders van deze Omgevingsvisie (het gaat dan vooral om de vijf principes en de doelen en maatregelen die gekoppeld zijn aan de opgaven op het gebied van duurzaamheid, actief en meedoen). Het is niet de bedoeling dat om de twee jaar een hele nieuwe visie wordt ontwikkeld. De raad kan kleine bijstellingen in de Omgevingsvisie bijvoorbeeld in de vorm van een ‘addendum’ vaststellen.
De financiële inzet van de gemeente wordt bepaald in de programma's en in de programmabegroting. Daarin worden politieke keuzes gemaakt over waar
97
middelen en capaciteit op worden ingezet en wordt geprioriteerd in de begroting en het gemeentelijke investeringsprogramma.
Onder de Omgevingswet blijft het reguliere kostenverhaal een wettelijke plicht en is kostenverhaal van financiële bijdrage een wettelijke bevoegdheid, die onderbouwd moet worden in de Omgevingsvisie of Omgevingsprogramma's. Het privaatrechtelijk kostenverhaal via een anterieure overeenkomst voorafgaand aan een planologisch besluit blijft als mogelijkheid bestaan en wordt door de wetgever als voorkeursoptie gezien. Het publiekrechtelijk kostenverhaal wordt gekoppeld aan regels in het Omgevingsplan, koppeling aan het projectbesluit of aan de Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsactiviteiten. In het Omgevingsplan moeten de kostenverhaalregels worden opgenomen. Inhoudelijk gezien komen onder de Omgevingswet meer kosten in beeld om te verhalen, zoals kosten voor klimaatadaptatie, energietransitie, nieuwe mobiliteitsconcepten en netwerkvoorzieningen en kwalitatieve verbeteringen van het landschap, natuur, water of stikstofbalans.
Veel van de investeringen in de toekomst van Hilversum komen dus voort uit maatschappelijk initiatief. Dit betekent dat de overheid niet alleen maar beperkingen op kan leggen, maar ontwikkelingen (of ‘haalbare business cases’) wanneer ze binnen de Omgevingsvisie passen in het algemeen belang moet willen faciliteren. Het algemeen belang vereist ook dat de gemeente aan kostenverhaal doet. Wat we niet willen is dat ontwikkelende partijen flink winst maken op een gebiedsontwikkeling en de nadelige gevolgen en kosten afwentelen op de samenleving, maar juist bijdragen aan voorzieningen of investeringen die nodig zijn voor de stad (en waar het gebied van profiteert). Dit is niet alleen een wens, maar in de (vigerende) Wro een wettelijke verplichting die in de Omgevingswet enigszins gewijzigd zal worden voortgezet. Onder de Wro zijn er zijn er in hoofdlijnen twee mogelijkheden voor kostenverhaal: Mogelijkheid Vrijwillige bijdrage ruimtelijke ontwikkeling voor instandhouding/verhoging ruimtelijke kwaliteit
Afdwingbaar kostenverhaal voor: 5. Gebiedseigen kosten (voor 1 gebied, bijvoorbeeld aanpassingen openbare ruimte) 6. Bovenwijkse voorzieningen (voor meerdere gebieden, bijvoorbeeld infra, groen en water) 7. Bovenplanse kosten/verevening (over meerdere gebieden, bijvoorbeeld sociale woningbouw)
Middel Via een anterieure overeenkomst (privaatrechtelijk, afspraken voor vaststellen planologisch besluit) Publiekrechtelijk, via een exploitatieplan en posterieure overeenkomst
De gemeente Hilversum heeft de intentie om kosten te verhalen. In het Meerjarenperspectief Gebiedsontwikkeling (gemeenteraad 2021) is uitgesproken meer initiatieven te willen afwikkelen via intentie en anterieure overeenkomsten en minder via het vergunningtraject. Ook is aangekondigd dat Hilversum een nota kostenverhaal opstelt. Ook onder de Omgevingswet blijven we de de anterieure overeenkomst als voorkeursoptie zien. Wel wil Hilversum als stok ‘achter de deur’ alle overige mogelijkheden voor kostenverhaal openhouden. In het verhalen van kosten moeten de Omgevingsvisie, de nota grondbeleid en de nota kostenverhaal met elkaar in verband staan. De Omgevingsvisie ligt nu voor. Daarin staan de doelen en programma's genoemd en wordt de ruimtelijke basis gelegd voor kostenverhaal door de ambities, doelen en mogelijke programma's te beschrijven. De nota grondbeleid beschrijft hoe de gemeente omgaat met eigen grondposities en geeft aan of de gemeente een actieve of faciliterende rol inneemt. De nota grondbeleid
Onderbouwing Verplichte onderbouwing in Structuurvisie
Nota kostenverhaal -
Proportionaliteit Verplichte onderbouwing in structuurvisie
98
van Hilversum gaat uit van situationeel grondbeleid en dat past naar ons oordeel goed bij deze Omgevingsvisie.
denkbaar dat gedurende de looptijd van de Omgevingsvisie allerlei omstandigheden veranderen: (geo-)politiek, economisch en sociaal. Dat maakt dat de laatste stap in de beleidscyclus onlosmakelijk aan de Omgevingsvisie is verbonden: monitoring. Hoe ontwikkelen de opgaven in de Omgevingsvisie zich de komende jaren? Moeten we tijdens of na een bestuursperiode bijsturen op basis van trends en ontwikkelingen? En hoe faciliteren we het gesprek daarover in de gemeente en met de samenleving?
In Hilversum passen we nu vooral de anterieure overeenkomst toe, omdat Hilversum nog geen door de raad vastgestelde Nota Kostenverhaal heeft. De nota zal aan de raad worden aangeboden vóór vaststelling van de Omgevingsvisie. Mogelijk richten we daarbij een aantal fondsen in, zoals een: - Groenfonds - Mobiliteitsfonds - Fonds openbare ruimte - Duurzaamheidfonds Na vaststelling van de Omgevingsvisie en inwerkingtreding van de Omgevingswet zal deze moeten worden geactualiseerd en ondergebracht in het Omgevingsplan. Het werken met een Nota Kostenverhaal heeft als voordeel dat het kostenverhaal (onderbouwing, berekening en toepassing) periodiek geactualiseerd kan worden aan bijvoorbeeld marktontwikkelingen, zonder tegelijk de gehele Omgevingsvisie te moeten bijstellen. We zien nu geen noodzaak de nota Grondbeleid aan te passen, maar sluiten niet uit dat dat na vaststelling van de Omgevingsvisie nodig blijkt.
Het monitoren krijgt vorm in een monitor Omgevingsvisie. Dit instrument voor gemeenteraad, college en samenleving geeft inzicht in de voortgang van opgaven en in de doelen die gesteld zijn en op de trends en ontwikkelingen die daarop van invloed zijn. Binnen het ondersteunende programma Transitie naar Datagedreven Sturing (2022-2025) wordt de komende jaren gebouwd aan de monitor Omgevingsvisie. De monitor is in eerste instantie kwantitatief van aard: maken we voldoende meters? Hoeveel woningen zijn er daadwerkelijk gebouwd? Hoe staat het met de werkloosheid en de cohesie in buurten? Daarnaast kijken we naar kwalitatieve aspecten: hoe tevreden bent u met het groen in uw buurt? Pakken we signalen uit de samenleving goed op? Gaan we de goede kant op? Naast de monitor Omgevingsvisie zijn het jaarlijkse stadsgesprek en de huidige Hilversum monitor (burgerpeiling) belangrijke ingrediënten.
5.5 De Omgevingsvisie als basis voor monitoring
We zijn al bezig. Veel kwantitatieve data is al bijeengebracht op het dataportaal Open Hilversum en stap voor stap ontwikkelen we monitorinstrumenten. Bij de verdere ontwikkeling betrekken we graag inwoners en organisaties in een panel om te komen tot een bruikbaar instrument.
De Omgevingsvisie schetst een vergezicht van opgaven en doelen voor de lange termijn voor allerlei thema's als wonen, klimaat en gezondheid. We kijken in toenemende mate naar de samenhang van vraagstukken: wanneer gesproken wordt over toename van woningen, dan gaat het tegelijk ook over voldoende voorzieningen, groen en mobiliteit. Mede omdat de visie meerdere bestuursperiodes beslaat, is het van belang om zicht te houden op de opgaven en de haalbaarheid van de doelen. Tegelijk is het goed 99
Verschillende monitors
Inzicht op niveau van agenda's wordt op uitvoeringsniveau wel in beeld gebracht in de vorm van kaarten en cijfers, maar is doorgaans niet het niveau waar de monitor Omgevingsvisie naar kijkt. Uiteraard worden bij de uitvoering wel de open data en relevante monitoringsinstrumenten gebruikt.
Het onderscheid tussen de Omgevingsvisie en programma’s (6.2) betekent dat verschillende monitors nodig zijn.
Beleid Uitvoering
Inhoud Omgevingsvisie Programma's Agenda's
Monitoring Monitor Omgevingsvisie Monitor programma's -
Open data/ Hoe ziet de monitor eruit? De data die gebruikt worden binnen de monitorinstrumenten worden transparant beschikbaar gesteld, zodat gemeenteraad, college, inwoners, ondernemers en organisaties over dezelfde informatie beschikken. Met een groeiend aantal databronnen brengen we Hilversum steeds beter in beeld (foto). Daarnaast komen steeds meer datasets en indicatoren beschikbaar waarmee we zicht krijgen op effect van uitgevoerde projecten en beleid. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een woningbouwmonitor. Waar mogelijk worden de indicatoren uit het beoordelingskader (MER) gebruikt. Naast momentopnames in de tijd (2022-2040), bestaat ook de behoefte om trends te kunnen lezen over de jaren heen. Met de jaren zullen we van de voortgang van de programma's steeds beter de trends kunnen duiden. Om te komen tot een bruikbaar product voor vooral alle betrokkenen, betrekken we graag de stad en waar relevant het Stadspanel Data. Naar welke informatie is de inwoner op zoek? Missen we informatie? Hoe komen we tot een gedragen monitor Omgevingsvisie?
Inzicht op niveau monitor Omgevingsvisie (eens per twee jaar – doen we de goede dingen?) Monitoring van de (integrale) doelen van de Omgevingsvisie gekoppeld aan opgaven. Deze doelen staan omschreven in Hoofdstuk 4. Het beoordelingskader van de MER zal daar waar het geschikt en toepasbaar is, als leidraad worden gebruikt. Trends en prognoses, ontwikkelingen waar Hilversum mee te maken krijgt. Een trendstudie op landelijk niveau zal tweejaarlijks uitgevoerd worden en deze trends zullen vertaald moeten worden naar de Hilversumse situatie/doelen. Inzicht op niveau van Programma’s - doen we de dingen goed? Monitoren van op het niveau van programma’s vraagt meer inzicht en mogelijkheden tot bijsturen dan monitoring op omgevingsvisieniveau. Ook het integraal benaderen van doelen door bijvoorbeeld te kijken naar ruimtebeslag is belangrijk. Hoe benutten we de ruimte en kansen optimaal? Data en kaartmateriaal ten behoeve van gebiedsagenda’s geven inzicht in de staat van een gebied op een moment. Periodieke foto's van een gebied brengen ontwikkelingen in beeld.
Voorwaarden Het ontwikkelen van een monitor Omgevingsvisie is alleen mogelijk als een aantal randvoorwaarden geregeld is. - Een monitor Omgevingsvisie vereist datakwaliteit en indicatoren die in de sectoren geborgd zijn. Dit vraagt organisatiebreed om voldoende aandacht, inzet en middelen. Sectorale data-ontwikkeling moet geborgd zijn binnen de afdelingen. 100