CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van zienswijzen Omgevingsvisie Hilversum

GEMEENTERAAD 19 juli 2023, gemeente HilversumBij agendapunt: Vaststellen zienswijzennota Omgevingsvisie (1161393)29.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bepaal in gebiedsagenda’s waar de bouwhoogte passend is en formuleer concrete doelstellingen op het gebied van het behoud van voldoende daglicht, privacy, rust en openbaar groen in de omgeving van hoogbouwprojecten. Specifieke aandacht gaat uit naar hoogte bij de rand van natuurgebieden (zachte overgang stad-landschap). Groei is in de ontwerp Omgevingsvisie geen ambitie of doel op zich, maar een middel of een gevolg van gemaakte keuzes. In de ontwerp Omgevingsvisie staat daarover: “Hilversum wil daarbij het concept groei graag anders definiëren: van 'meer’ naar ‘van toegevoegde waarde’. Ontwikkeling van inwoneraantal, aantal woningen of aantal bedrijven staan niet op zichzelf, maar zijn nadrukkelijk verbonden aan het behoud of het verbeteren van het welzijn van inwoners, de ruimtelijke kwaliteit, identiteit, landschap en natuur en een gezonde economische structuur”. De keuzes in de ontwerp Omgevingsvisie zijn niet lichtvaardig voorgesteld. Hilversum hoeft niet zo nodig ‘te groeien om het groeien’. Tegelijk kunnen we onze ogen niet sluiten voor de huidige situatie van woningnood voor veel doelgroepen en demografische ontwikkelingen. Die vragen om aanvulling en vernieuwing van de woningvoorraad en de voorzieningen. Binnen dit krachtenveld kiest Hilversum nadrukkelijk voor een weloverwogen ontwikkeling: gericht ruimte beschikbaar stellen.

Ruimte voor werk, ruimte voor groen, ruimte voor energietransitie, ruimte voor huisvesting voor werknemers voor kritische 19

economische sectoren, levensloopbestendige woningen of woonvormen waarin ouderen langer zelfstandig thuis kunnen wonen en sterke wijken met meer voorzieningen (huisartsen en wijkzorg, ontmoetingsplekken, sport en cultuur, beweegvriendelijke openbare ruimte). Door gericht woningen, werk en voorzieningen te ontwikkelen en vernieuwen, blijft de stad levendig en de wijken gezond. Het bevordert doorstroming op de woningmarkt, houdt de stadse voorzieningen én de voorzieningen in de wijken levensvatbaar en helpt om de uitgaven van de gemeente in het sociaal domein beheersbaar te houden. De verschillende opgaven en de keuze voor het uitsluitend vernieuwen en ontwikkelen binnen de bebouwde kom heeft geleid, tot de hoofdkeuze van meervoudig ruimtegebruik. Om de druk op de openbare ruimte te verminderen is een nieuwe prioritering in de openbare ruimte voorgesteld. In onze visie is Hilversum stad én dorp. De grote verscheidenheid aan gebieden kent vele gradaties van stadse en dorpse kenmerken. Wij denken dat wij de genoemde 6.000 woningen (5.000 in reeds bekende ‘harde’ en ‘zachte‘ ontwikkelingen, 1.000 in bestaande stenen) binnen Hilversum kunnen realiseren, rekening houdend met het illusielandschap en de bepalende ruimtelijke kenmerken in gebieden. Halvering van het aantal woningen is daar niet voor nodig.

Voor het vinden van ruimte voor de economische opgave )51,5 hectare voor een gezonde economische ontwikkeling) zijn verschillende ruimtelijke strategieën denkbaar. Zo bestaat de behoefte aan ruimte voor werk voor circa 38,5 hectare uit bedrijventerrein en circa 130.000 m² uit kantoorruimte (Economisch Perspectief 2040). Bij de ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen is nog beperkt rekening gehouden met de grote ruimtebehoefte die volgt uit de transitie naar een circulaire economie. Met een strategie van 'het bedrijf op de juiste plek’ kan gekeken worden of door verplaatsing en verdichting de bestaande of voorziene ruimte voor werken beter benut wordt. Dat vraagt om een strategie waarin bedrijven met een lage milieucategorie of kantoorhoudende functies op onze bestaande bedrijventerreinen verleid worden om zich te vestigen op één van onze kantorenlocaties of in het gemengde woon-werkmilieu. Zo creëren we nieuwe vestigingsmogelijkheden op de bestaande bedrijventerreinen en hoeft de volledige opgave van hectares niet als nieuw bedrijventerrein gerealiseerd te worden. Om bedrijven te kunnen verleiden is het belangrijk tot 2040 jaarlijks over een kwantitatief en kwalitatief voldoende divers aanbod te beschikken waar bedrijven, passend bij de fase waarin ze zitten, naar toe kunnen verhuizen. Dit laat onverlet dat ruimte voor nieuwe bedrijvigheid nodig is en blijft.

In onderstaande tabel staan naast elkaar de hoogten uit de Structuurvisie Hilversum 2030 en de voorstellen van de indieners van zienswijzen:

OV-knooppunten Spoorzone Campussen Media Park Arenapark Kerkelanden Randen van de stad

Hoogten Structuurvisie Hilversum 2030 Stationsgebied: 38-45 meter

30 meter 30 meter 50 meter 25 meter

Indieners 30 meter 30 meter 25 meter 25 meter 25 meter 25 meter 20 meter (boomgrens) 20

Wat betreft hoogte gaan we er in de ontwerp Omgevingsvisie vanuit dat Hilversum op bepaalde plekken dorp en op bepaalde plekken stad is. Op sommige plekken is hoogte niet passend en op andere plekken (rondom OV-knooppunten, winkelgebieden, op campussen en op plekken waar al hoogte is) wel. De hoogten uit de door de raad vastgestelde bestemmingsplannen zijn leidend. Verder zijn in de ontwerp Omgevingsvisie de hoogtes uit de Structuurvisie Hilversum 2030 aangehouden, met als notie dat die hoogten in de praktijk zelden volledig worden benut. Een goed voorbeeld is het stationsgebied: in het ontwerp bestemmingsplan is een hoogte van 28 meter opgenomen. Daarnaast staat in de ontwerp Omgevingsvisie dat we in woonwijken en werklocaties goed kijken waar 2 tot 4 woonlagen goed aansluiten bij de omgeving en waar 5 tot 6 lagen passend kan zijn, met als maximum 25 meter. Wij lezen de zienswijzen over hoogte vooral als het willen beschermen van ruimtelijke kwaliteiten in fraaie woonwijken, zoals de beschermde stadsgezichten, Bloemenbuurt, Oost en Zuid. Die gedachte kunnen wij ons goed voorstellen. Dat geldt ook voor de zienswijze ‘bepaal in gebiedsagenda’s waar de bouwhoogte passend is’. Dit sluit goed aan bij zienswijze 74, die voorstelt ruimte te creëren om tot win-win situaties te komen.

Ons voorstel om ruimtelijke kwaliteiten beter te borgen in de Omgevingsvisie en gebiedsagenda’s is opgenomen als bijlage E: goede verkenningen vanuit cultuurhistorie, landschap en stedenbouw/architectuur als basis en een heldere methodiek om ‘veranderbaarheid’ bij verschillende gebiedstypen. Samengevat vinden wij het geen goed idee om zonder onderbouwing op voorhand hoogten te beperken. De voorgestelde beperkingen zijn vanuit het illusielandschap bezien niet op voorhand nodig. Het zorgvuldig analyseren en bepalen van hoogten in gebiedsagenda’s is wat het college betreft de weg vooruit. Daarbij geven we graag mee dat het ook mogelijk is om de overgangen van stad naar landschap te versterken, zoals we bijvoorbeeld bij Arenapark voornemens zijn te doen. Voorgestelde aanpassing in de Omgevingsvisie: de methodiek in bijlage E uitwerken in de Omgevingsvisie en hoogte zorgvuldig onderzoeken in de gebiedsagenda’s. Aantallen woningen, ruimte voor werk en hoogten handhaven.

Buitengebied, water en bodem Over het buitengebied, water en bodem zijn uiteenlopende zienswijzen ingediend: - 3 zienswijzen onderstrepen het principe water en bodem sturend. Een ervan roept op de Kaderrichtlijn Water concreter te maken. 1 zienswijze pleit voor een hogere grondwaterstand. - 2 zienswijzen vinden dat in het buitengebied plek moet zijn voor bedrijfsvoering: regeneratieve landbouw. - 3 zienswijzen roepen op het vliegveld niet te bebouwen. 1 roept op dat juist wel te doen. 1 zienswijze pleit voor het maken van een natuurgebied van het MOB-terrein. - 3 zienswijzen roepen op het Rondje Hilversum bij Kerkelanden aan te sluiten op het fietsknooppuntennetwerk (en niet het rondje over grond van Wijdemeren te completeren). - 2 zienswijzen roepen op om aandacht te hebben voor hittestress bij dieren door bepalingen op te nemen over schuilgelegenheden.

21

-

GNR en Natuurmonumenten roepen onder andere op landgoederen te ontwikkelen met behoud van waarden en oog op beheer, het planologisch regelen van natuurgebieden, het nadrukkelijk benoemen van ecologische verbindingen tussen natuurgebieden en ontsnippering. 1 zienswijze pleit voor een zwemvijver bij Anna’s Hoeve.

Water en bodem zijn bepalend voor een duurzame instandhouding van het landschap en de basis voor herstel van biodiversiteit. Water en bodem bepalen daarom wat er kan en wat er niet kan. Inspanning 9 van het Programma Groen gaat over dit onderwerp: zorgen voor toekomstbestendige natuurgebieden en landschappen. De landschappen en natuurgebieden rondom Hilversum zijn onderhevig aan verandering. Met de opgaven waar we voor staan, zoals de gevolgen van klimaatverandering, overmatige stikstofdepositie, etc., is het belangrijk om te zorgen voor toekomstbestendige natuurgebieden en landschappen die aangepast zijn aan en/of bijdragen aan het oplossen van deze opgaven. De landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten zijn hierbij uitgangspunten. Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moeten bijdragen bij aan het vergroten van biodiversiteit en zorgen voor voldoende ruimte voor ecologische verbindingen. Regeneratieve landbouw past in dat beeld. Samen met de gebiedspartners en eigenaren moet worden uitgewerkt hoe die toekomstbestendige natuurgebieden en landschappen gerealiseerd kunnen worden. In 2027 moet voldaan worden aan de Kaderrichtlijn Water. In de ontwerp Omgevingsvisie werd al gesteld dat we in alle gebieden in Nederland moeite hebben om op tijd aan deze Europese richtlijn te gaan voldoen.

De minister van I&W heeft om die reden recent (april 2023) aangekondigd een extra Kaderrichtlijn Water-Impulsprogramma te zullen starten. Een maximale inspanning om op tijd aan de kaders te voldoen. De opgave is complex en overstijgt gemeente- en provinciegrenzen. Het vergt intensieve samenwerking tussen gemeenten, Rijk, provincies en waterschappen. In een recente samenwerkingsovereenkomst (december 2022) zijn de rollen en verantwoordelijkheden van waterschap en gemeente verhelderd. Per 1 januari 2024 is het Waterschap verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van oppervlaktewater. De gemeentelijke verantwoordelijkheid gaat vooral over de afvalwater-, hemelwater- en grondwaterzorgplicht en de gevolgen daarvan voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Via het Gemeentelijk Watermanagementplan geven we al invulling aan deze verantwoordelijkheid. Met de samenwerkingsovereenkomst Waterschap en hierin genoemde concrete projecten Oude Haven en Gooise Vaart zetten we goede stappen. Het Waterschap heeft de beschikking over de gelden voor de Kaderrichtlijn Water en stelt in 2024 het Watergebiedsplan Hilversum op. Hiermee krijgen deze wateren een belangrijke kwaliteitsimpuls en worden natuurwaarden versterkt. In het op te stellen Watergebiedsplan Hilversum zullen aanvullende maatregelen, bijvoorbeeld waar het gaat om de aanpak van foute lozingen, worden geformuleerd.

Als gemeente zullen we actief bijdragen aan het opstellen van het plan. We verwachten dat hiermee ook gelden uit de Kaderrichtlijn Water vrij zullen komen om het maatregelenpakket gerealiseerd te krijgen. Voor het rondje Hilversum staat in het Programma Groen op kaart 10 een zoekgebied aangegeven. We maken in de Omgevingsvisie nog geen definitieve tracékeuze, maar kijken daar verder naar. De inbreng uit de zienswijzen wordt daarbij betrokken.

22

Ten aanzien van het MOB-terrein en het vliegveld geldt dat de huidige bestemming uitgangspunt is voor deze terreinen. We zien daarbinnen mogelijkheden voor circulaire activiteiten. De ontwerp Omgevingsvisie doet ook geen andere voorstellen. De ligging in een belangrijke landschappelijke overgangszone van hoge, droge gronden naar natte gronden is reden om geen functies of bestemmingen toe te staan die de landschappelijke kwaliteiten en potenties bedreigen. Wij nemen de zienswijzen over het creëren van schuilgelegenheden voor weidedieren over. Ons voorstel is om dit 1-op-1 over te nemen uit de Omgevingsverordening Noord-Holland 2040. Die bevat bepalingen die schuilstallen mogelijk maken en alternatieven zoals bomen, struiken, een mobiele schuilgelegenheid of een hitteparaplu. Eerder onderzoek naar de mogelijkheden om van een van de vijvers op Anna’s Hoeve zwemvijvers te maken toonde aan dat dat niet mogelijk was. Bovendien wil de terreineigenaar GNR dit niet. Deze zienswijze nemen wij daarom niet over. Voorgestelde aanpassing in de Omgevingsvisie: -

-

Expliciet aangeven dat in het buitengebied ook plek moet zijn voor bedrijfsvoering: regeneratieve landbouw Nadrukkelijker de samenwerkingsovereenkomst met gebiedspartijen voor water benoemen, met: verantwoordelijkheid Waterschap voor beheer en onderhoud oppervlaktewater per 1/1/2024, gezamenlijke ambitie gericht op verder verduurzamen en toekomstbestendig maken van het oppervlaktewatersysteem. Verder de concrete projecten Oude Haven en Gooise Vaart gericht op het schonen van de waterbodem en het beperken van vervuiling in de toekomst benoemen als belangrijke stappen om te gaan voldoen aan de richtlijn. Deze projecten zijn onderdeel van uitvoeringsprogramma Groen. Ten slotte het Watergebiedsplan Hilversum noemen, dat het Waterschap gaat opstellen in 2024 en waar de gemeente graag aan bijdraagt. Aanscherping van de tekst over rondje Hilversum. Expliciet opnemen dat de Omgevingsvisie geen concrete voorstellen doet om de functies van het MOB-terrein en het vliegveld te veranderen. Onderschrijven van het belang van schuilgelegenheden voor weidedieren conform de omgevingsvisie Noord-Holland.

Openbare ruimte: prioritering en normering groen Er is draagvlak voor de in de Omgevingsvisie genoemde prioritering voor de openbare ruimte (water en bodem eerst, ruimte voor ontmoeting, lopen/fietsen en auto als sluitstuk). Een aantal zienswijzen benoemt dat expliciet. Enkele zienswijzen geven aan dat de prioritering in lopende projecten (Gijsbrecht, Kerkbrink en ook de Havenstraat) nu al concreter moet worden toegepast. Relatief veel zienswijzen roepen op tot meer openbaar groen en dat te normeren (25 m² extra groen per woning). Een enkeling vindt dat meer binnenstedelijk groen niet nodig is vanwege de nabijheid van natuurgebieden. Ook relatief veel zienswijzen vragen aandacht voor mensen met een beperking, de inclusieagenda en de toegankelijkheid van gebouwen en de openbare ruimte. Enkele 23

zienswijzen roepen op tot het verbieden van verharding in tuinen, opleggen van normen voor groen in (privé)tuinen en het stimuleren van vergroening van (privé)tuinen. We zijn blij met de ondersteunende zienswijzen voor de prioritering in de openbare ruimte. Er zijn enkele zienswijzen die pleiten voor directe en strikte toepassing van deze prioritering in enkele al lopende projecten (De Gijsbrecht, Kerkbrink) en de Havenstraat. Wij merken daarbij op dat de prioritering samenhangt met ander beleid dat wordt voorgesteld, zoals een duurzaam en innovatief mobiliteitsbeleid. Zulk ‘flankerend’ beleid is nodig om de prioriteit in de openbare ruimte succesvol te kunnen wijzigen. Als dat flankerend beleid er niet is, zullen problemen die ontstaan door onmiddellijke toepassing van de prioritering op andere gebieden afgewenteld worden. Dat willen we niet. Wij zien de prioritering in de openbare ruimte dus als groeimodel. Dat maakt dat keuzes en ontwerpen die we nu voor de inrichting maken zo robuust als mogelijk zijn, in de geest van de prioritering. Voor De Gijsbrecht betekent dat bijvoorbeeld dat we eerste stappen zetten: meer ruimte voor gevarieerde beplanting met een jaarrond aantrekkelijk beeld in combinatie met opvang van regenwater, meer ruimte voor de stalling van allerlei soorten fietsen en ruimte voor terrassen en zitgelegenheden.

De inrichting moet toekomstbestendig zijn, zodat in een fase waarin het flankerend mobiliteitsbeleid operationeel is, de prioriteiten voor de openbare ruimte uit de Omgevingsvisie maximaal kunnen worden gesteld, bijvoorbeeld door de ruimte voor de auto te beperken. Ruimtes in het ontwerp kunnen dus in de toekomst anders worden ingevuld. Zouden we nu de auto van De Gijsbrecht halen, dan leidt dat zonder flankerend beleid op omliggende wegen tot problemen. Wat betreft de groennormen stellen we voor verschillende gebieden in Hilversum de streefpercentages groen uit het programma Groen in de Omgevingsvisie op te nemen. Dat hebben we in bijlage D (concretisering van doelen en toetsingskader) verwerkt. Een enkelvoudig getal per woning doet ons inziens geen recht aan de verschillen tussen de wijken van Hilversum. Uit de streefpercentages spreekt een forse ambitie. In het verdere onderzoek naar normering van groen dat in de ontwerp Omgevingsvisie was aangekondigd gaan we nader op de streefpercentages in. Daarbij willen we een koppeling maken met ‘kwaliteit boven kwantiteit’ om het gebruik door mens en dier te vergroten. En we willen bepalen in hoeverre we groene gevels en daken (privaat groen) kunnen meetellen als openbaar groen. De aandacht die gevraagd wordt voor het gebruik van de openbare ruimte door mensen met een beperking vinden we terecht.

Dit is ook een actiepunt vanuit de Uitvoeringsagenda Lokale Inclusie 2023-2026 (VN-verdrag rechten van mensen met een handicap of een beperking). Hoewel vooral winst in het ontwerpproces van de inrichting van gebieden kan worden behaald, kan er in de Omgevingsvisie meer aandacht voor zijn. We stellen voor de tekst uit de Uitvoeringsagenda over te nemen: “De fysieke wereld buiten de voordeur van je eigen huis kan leiden tot uitsluiting voor mensen met een beperking of handicap. De ambitie van de gemeente is dat de gebouwde omgeving toegankelijk is voor iedereen, zoals openbare gebouwen maar ook de buitenruimte met zijn straten, parken en bepaalde speelplekken. Zodat alle mensen er kunnen doen wat zij volgens de bestemming komen doen, ongeacht de beperking of handicap van de persoon zelf. Door dit in de Omgevingsvisie op te nemen, wordt de toegankelijkheid voor mensen met een handicap of beperking bij (her-) ontwikkelingen van de gebouwde omgeving meegenomen.”

24

Wij onderschrijven de intentie van de zienswijzen die oproepen op tot verbieden van verharding in tuinen en het opleggen van normen voor groen in tuinen om vergroening van tuinen te stimuleren. Wij denken echter niet dat zulke verboden en normen voor de bestaande stad uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Wij zetten ons beleid van het verstrekken van informatie en ondersteuning van acties als ‘steenbreek’ en ‘tegelwippen’ voort.

Voorgestelde aanpassing in de Omgevingsvisie: -

De streefpercentages groen uit het programma Groen opnemen De tekst uit de Uitvoeringsagenda Lokale Inclusie over het gebruik van de openbare ruimte door mensen met een beperking overnemen

Mobiliteit Relatief veel zienswijzen roepen op om meer ruimte voor de fiets te maken (ruimte, fietsroutes, fietsparkeerplaatsen), waarvan een groot aantal dat in verband brengt met het beperken van het autoverkeer. Er zijn ook enkele algemene oproepen om scherpere mobiliteitskeuzes te maken. Volgens velen moet de mobiliteitstransitie genormeerd worden, bijvoorbeeld door fietsers te prioriteren boven de auto bij verkeerslichten, autoparkeernormen én fietsparkeernormen op te nemen, autoparkeren te ontmoedigen, deelauto’s te stimuleren, parkeren aan de rand van de stad aan te wijzen, de snelheid op autowegen terug te brengen naar 30 km/uur, het ontmoedigen van doorgaand vrachtverkeer en het behoud van de intercitystatus. De principes ‘STOMP’ en ’15 minutenstad’ uit de Omgevingsvisie worden enkele keren onderschreven. Enkele zienswijzen roepen op het autogebruik en het autoparkeren niet te bemoeilijken. We lezen in veel zienswijzen steun voor de beweging naar een meer duurzame mobiliteit. De prioritering van mobiliteit volgens het STOMP-principe wordt onderschreven. Volgens het STOMP-principe kan de mobiliteit onderverdeeld worden in Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en de Particuliere auto. De mens staat hierbij centraal. Door functiemenging en compactheid waar mogelijk toe te passen ontstaan beloopbare gebieden (S).

Samen met fietsen (T) hebben dit soort verplaatsingen op wat kortere afstanden de voorkeur, omdat het gezonde en schone verplaatsingen betreffen. Voor langere afstanden bieden fiets en OV uitkomst als schone en ruimte-efficiënte modaliteiten. MaaS kan dit gebruik vergemakkelijken en verder stimuleren. Omdat MaaS een slimme integratie van verplaatsingen over verschillende modaliteiten betreft, hebben verplaatsingen via M invloed op verplaatsingen via S, T, O en P (zie figuur). De privéauto geldt als sluitstuk. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen plek mag zijn voor auto’s.

25

Het principe van de 15-minutenstad is enkele keren onderschreven. Dit is een ruimtelijk concept waarbij alle dagelijkse basisbehoeften binnen een kwartier lopen of fietsen van huis te vinden moeten zijn. Over de ABC-mobiliteitsprofielen uit de ontwerp Omgevingsvisie zijn geen zienswijzen ingediend. Wij menen dat drie vergelijkbare principes (STOMP, 15-minutenstad en ABC-mobiliteitsprofielen) voor de Omgevingsvisie weinig toegevoegde waarde hebben en waarschijnlijk in combinatie met elkaar de nodige verwarring gaan opleveren. Het 15-minutenprincipe is weliswaar ‘aaibaar’, maar geeft in onze optiek onvoldoende focus. 15 minuten geldt voor de halve stad, terwijl sommige voorzieningen dichterbij in alle wijken nodig zijn. Het gaat er bovendien niet alleen om of voorzieningen bereikbaar zijn, maar ook of de voorzieningen voldoen: heeft de huisarts in de buurt ook plaats? Daarnaast zien we een onderscheid in wijkvoorzieningen en stedelijke voorzieningen; ieder met zijn eigen doelgroep en eisen t.a.v. beschikbaarheid en afstand. Stedelijke voorzieningen zijn immers vaak ook regionale voorzieningen. Iets vergelijkbaars geldt voor de ABC-mobiliteitsprofielen. De gedachte is aardig, maar onvoldoende scherp wat betreft de toepassing. Wij menen dat in de definitieve Omgevingsvisie met het principe van STOMP in combinatie met alle andere doelen en maatregelen kan worden volstaan.

Figuur 3 Visualisatie STOMP principe

Veel maatregelen uit de zienswijzen krijgen vorm in het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit, de nota Parkeerbeleid en de nota Parkeernormen 2023, die tegelijk met de zienswijzennota Omgevingsvisie aan de gemeenteraad worden aangeboden. Tussen de Omgevingsvisie en het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit is intensief afgestemd. Vanuit de zienswijzen worden veel maatregelen uit het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit, de nota Parkeerbeleid en de Nota Parkeernormen 2023 ondersteund en die kunnen – na besluitvorming door de gemeenteraad – in de definitieve Omgevingsvisie worden opgenomen/aangescherpt. Daarbij nemen we de zienswijzen over het opnemen van auto- en fietsparkeernormen in de Omgevingsvisie niet direct over. Als we normen in de toekomst willen aanpassen, moet immers de hele Omgevingsvisie aangepast worden. Parkeernormen horen in een parkeernota. Wel nemen we de principes en een aantal aanzetten voor de uitwerking van het Parkeerbeleid en de Nota Parkeernormen, die separaat aan de gemeenteraad worden voorgelegd, in de Omgevingsvisie op. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: Uit het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit: 1.

Toepassing van het STOMP-principe bij het bepalen van prioriteit bij iVRI’s (intelligente verkeersregelinstallaties) en het uitbreiden van het aantal iVRI’s, met als doel een betere doorstroming bij verkeerslichten voor voetgangers, fietsers, scooters en auto’s met ingestelde iVRI’s. Hiermee wordt de reistijd voor voetgangers en fietsers beperkt en worden schone vormen van mobiliteit aantrekkelijker. 2. Een ambitie opnemen om de veiligheid te verbeteren door het maken van een veiligere verkeersomgeving voor alle verkeersdeelnemers door de snelheidsverschillen tussen de verschillende deelnemers te verlagen. Daardoor zal de hoeveelheid ‘ernstige’ ongevallen dalen. 26

3. Ten behoeve van verkeersveiligheid de snelheid binnen de bebouwde kom – daar waar dat kan – omlaag brengen van 50 km/uur naar 30 km/uur. Daarbij geldt dat de snelheid op de buitenring en de radialen 50 km/uur blijft. We onderzoeken de instelling van een 30 km/uur zone binnen de centrumring, om een autoluwe binnenstad te bevorderen. Er worden gesprekken met de provincie gevoerd om ook de snelheid op de wegen buiten de bebouwde kom te verlagen van 80 km/u naar 60 km/u. 4. Aanleggen van een hoogwaardig en volledig netwerk voor langzaam verkeer (fiets en voetganger), dat veilig (fysiek en sociaal), toegankelijk voor alle gebruikers en comfortabel is. Onderdeel daarvan is het onderzoeken van vijf doorfietsroutes Hilversum naar Loosdrecht, Amsterdam, Amersfoort, Huizen en Utrecht en fietspaden door de natuur. Een ander onderdeel is herstructurering van de woonstraat, met als doel meer ruimte voor wandelaars, fietsers en gemengd verkeer. Hierbij is extra aandacht voor de omgeving van scholen, verzorgingshuizen, sportparken en andere maatschappelijke voorzieningen. 5. Het realiseren van kansrijke koele, groene routes. Dat doen we door prioriteiten in het beheer- en onderhoudsprojecten af te stemmen op de prioriteiten uit het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit en het programma Groen. 6.

Het realiseren in 2040 van 2.000 extra fietsparkeerplaatsen in Hilversum, boven op de lopende projecten zoals het stationsgebied (5.000 fietsparkeerplaatsen) en Bruisend Hart (2.000 fietsparkeerplaatsen). 7. Doorzetten van de Hillyhub en verder onderzoek naar mobiliteits- en goederenhubs bij Kerkelanden, Arenapark en buurtschap Crailo, in combinatie met het neerzetten van pakketkluizen. 8. Voorbereiden en invoeren van zero-emissiezones in 2027 binnen de centrumring en het winkelgebied op De Gijsbrecht. 9. Het verbeteren van ketenmobiliteit (deelvervoer) rond OV-knooppunten. Eerst bij station Hilversum, dan bij Sportpark en ten slotte bij Media Park. 10. Het aanbieden van meer deelauto’s en -fietsen in de wijken, in combinatie met het plaatsen van meer laadpalen en het beschikbaar stellen van parkeervakken voor deelvervoer op straat. Het streven is het aantal publieke laadpalen in 2026 verdubbeld te hebben ten opzichte van 2022 (320 t.o.v. 160) en in 2035 1.000 publieke laadpalen te hebben. Doelstelling is verder om in 2030 in elke vier straten in heel Hilversum twee parkeervakken te hebben voor twee deelvervoer auto’s om uiteindelijk in 2040 elke straat in Hilversum te voorzien van twee deelvervoer plekken. 11. Doen van verder onderzoek naar fietsparkeernormen. In Nederland zijn daar verschillende vormen voor bedacht op basis van CROW-normen. 12.

Schrappen van de ABC-mobiliteitsmilieus en het principe van de 15-minutenstad.

Uit het raadsvoorstel Parkeerbeleid 2023 en de Nota Parkeernormen 2023 1. Overnemen van de vijf uitgangspunten voor het parkeerbeleid a. Het stimuleren van duurzame mobiliteitsopties door het hanteren van het STOMP-principe. Stomp staat voor Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobiliteitsdiensten en Privéauto. In die volgorde wordt het gebruik van de vervoerswijzen gestimuleerd voor bewoners, bezoekers en werknemers van Hilversum. Doel is om hen bewuste afwegingen te laten maken over de wijze van verplaatsing. Het parkeren en het bezitten van een eigen auto wordt duurder gemaakt en ontmoedigd, zodat er een extra prikkel om te kiezen voor een ander vervoerwijze ontstaat. Daarmee

27

wordt het hebben of gebruik van een eigen auto niet onmogelijk gemaakt. Mensen die afhankelijk zijn van een auto moeten deze wel kunnen blijven gebruiken. b. Het verlagen van de parkeerdruk tot aan de buitenring. Het uitbreiden van betaald parkeren in de eerste straat waar gratis parkeren is, omdat daar de parkeerdruk te hoog is, leidt iedere keer tot de verschuiving van de parkeerdruk naar de eerstvolgende straat (waterbed-effect). Om dit te voorkomen wordt gereguleerd parkeren tot aan de buitenring ingevoerd. Hierdoor wordt dat effect minder. Naast de centrum-zone is er een schil- centrum zone. In de zone centrum geldt één parkeertarief en ook in de schil-centrum zone geldt één parkeertarief. De schil-centrum zone is vervolgens opgedeeld in 6 delen. Iedere vergunninghouder mag in zijn eigen zone-deel parkeren, maar ook in het aangrenzende gebied. Dit om eventuele drukte op te vangen in het naastgelegen deel. c. Het terugbrengen van het aantal parkeervergunningen. Er wordt een beperkt aantal vergunningen per adres uitgegeven. Voor woningen zal dat nog maar 1 parkeervergunning per adres zijn. Dat geldt voor de nieuwe aanvragen. Mensen die al over meerdere auto’s (en vergunningen) beschikken, behouden deze vergunningen, zolang ze niet verhuizen. Dit om te voorkomen dat bewoners door veranderend parkeerbeleid in de problemen komen.

Voor nieuwe bewoners (mensen die verhuizen naar een straat met gereguleerd parkeren) geldt dat ze bewust kiezen voor een woning met de mogelijkheid op maximaal één parkeervergunning. Adressen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen krijgen geen parkeervergunning meer. Zij moeten parkeren geheel op eigen terrein oplossen of bewust kiezen voor geen auto. d. Sturing naar minder auto’s op straat. De openbare ruimte kan maar één keer gebruikt worden. Staan er auto’s in het openbaar gebied, dan kunnen daar geen bomen staan, of dan is dat geen ruimte waar ongehinderd gelopen of gefietst kan worden. De gemeente kan sturen met betaald parkeren en het uitgeven van parkeervergunningen (tijden, tarieven, aantallen en plaatsen). Met deze sturingsmiddelen zal de gemeente sturen naar een acceptabele parkeerdruk in het openbaar gebied. Wat acceptabel is, verschilt per gebied. In woonwijken is een hoge parkeerdruk acceptabel als het alleen auto’s van de bewoners zijn. Als er veel auto’s geparkeerd staan die eigenlijk niet in het gebied hoeven te zijn, is dat niet acceptabel. Door het parkeren op straat duurder te maken dan het parkeren in parkeergarages willen wij het parkeren in de parkeergarages stimuleren. e. Het stimuleren van parkeren op eigen terrein en in de parkeergarages.

Als bewoners en bedrijven de mogelijkheid hebben om op hun eigen terrein te parkeren, dan moet daar gebruik van worden gemaakt. De gemeente geeft daarom geen parkeervergunningen meer uit aan bewoners van adressen met een eigen parkeerplaats. Alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden geacht alle parkeren op eigen terrein (op private parkeerlocaties) op te lossen, waardoor de openbare ruimte door hen niet meer gebruikt hoeft te worden door de auto en er meer ruimte ontstaat voor groen, voet- en fietspaden en speciale parkeerplaatsen, zoals voor gehandicapten, laadplekken en laad- en losplaatsen. 2. Opnemen van een kaart met de gebiedsindeling voor parkeernormen en verdere actualisaties daarvan op te nemen in de Parkeernormennota. 3. Benoemen van de belangrijkste veranderingen die de parkeernormennota worden uitgewerkt: a. Ontwikkelaars / eigenaren / aanvragers van een omgevingsvergunning in het gereguleerde gebied hebben meer vrijheid voor het realiseren van minder parkeerplaatsen en daarmee ook meer verantwoordelijkheid voor het afkopen van parkeerplaatsen. Zij moeten hiervoor zelf hun huurders, bewoners en bezoekers actief stimuleren om alternatieve vervoerwijzen (anders dan een eigen auto) te gebruiken. b. Iedere (nieuwe) ruimtelijke ontwikkeling moet in principe het parkeren op eigen terrein oplossen.

De bewoners van de adressen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het gereguleerde gebied hebben geen recht op een parkeervergunning in de openbare ruimte. 28

c. Verlaging van parkeernormen ten opzichte van de normen in de vorige parkeernormennota. Dat geldt zowel voor de basisnormen, als voor de bezoekersnorm voor de woningen. Deze is verlaagd van 0,3 naar 0,1 per woning. Er is maatwerk mogelijk voor o.m. verpleeg- en verzorgingstehuizen en rondom scholen en kinderdagverblijven. d. Het werken met een parkeereis, die bestaat uit parkeernormen en aanwezigheidspercentages e. Het principe dat voor alle parkeerplaatsen die in mindering worden gebracht op de parkeereis (de reductie), per parkeerplaats een bijdrage in een mobiliteitsfonds gestort moet worden. Bij de maatregelen 4, 5, 7, 8 en 9 van het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit en de maatregelen uit de Nota Parkeernormen horen kaarten. Voor de leesbaarheid zijn deze kaarten aan het einde van deze zienswijzennota groot weergegeven. De fasering, financiering en aanlegbeslissingen zijn geen onderdeel van de Omgevingsvisie, maar van het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit, de Nota Parkeerbeleid en de Nota Parkeernormen.

Energietransitie en circulariteit Verschillende zienswijzen roepen op tot meer ambitie, snelheid, grotere stappen en leiderschap in de energietransitie. Verder zijn er enkelvoudige suggesties over normering (in 2040 is er geen maatschappelijk gebouw meer met label X), enkele zienswijzen die voor of juist tegen zonnepanelen op monumenten en in het buitengebied pleiten en enkele zienswijzen die aandacht vragen voor gebruik van duurzame materialen, wijk/straatgerichte aanpak van verduurzaming van woningen, verplichte zonnepanelen op bedrijfsdaken, zon op gevels (naast zon op dak), verduurzaming van gemeentelijk vastgoed (voorbeeldfunctie) het afschaffen van biomassacentrales, zonnecollectoren op een geluidsscherm A27 en het opzetten van een wijkenergiesysteem voor de Hilversumse Meent. Zienswijzen van netbeheerders wijzen op de noodzaak voor ruimte voor energie-infrastructuur (wijkgerichte verzwaringsaanpak, transformatorhuisjes) en het vooruitplannen van laadinfra voor auto’s. Wij stellen voor in de definitieve Omgevingsvisie de lijn van het voortzetten van het bestaande maatregelenpakket (o.a. wijkgerichte aanpak, stimuleren zon op dak, voorbeeldfunctie gemeentelijk vastgoed, beleidsregels verduurzaming monumenten) te handhaven. Daaraan voegen we uit de zienswijzen extra aandacht voor toekomstige energie-infrastructuur toe.

Het gaat hier om het creëren van de juiste condities in lijn met de zienswijzen van de netbeheerders. Ook de commissie MER beveelt dit aan. We maken de doelen in de Omgevingsvisie concreter met indicatoren. We bekijken eventuele grote koerswijzigingen en versnellingen bij de herijking van de Transitievisie Warmte in 2026. Bij circulariteit is sprake van voortschrijdend inzicht. Het Rijk heeft op 3 februari 2023 het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 gepresenteerd, gebaseerd op Europese doelen om in 2030 als samenleving 50% circulair te zijn en in 2050 vrijwel 100%. Het Rijk stelt ook dat de doelen uit het Klimaatakkoord niet gehaald kunnen worden, zonder circulaire transitie. Circulariteit is nodig om grote maatschappelijk opgaven voor het klimaat, biodiversiteit en de leefomgeving te kunnen hanteren. Dit vergt een samenhangende benadering, bijvoorbeeld voor een duurzaam energiesysteem en de 29

bouwopgave. Het beleid en instrumentarium zijn sterk in ontwikkeling om de circulaire transitie te laten slagen. Vanuit Europa en Den Haag zijn wetgevende, beprijzende en stimulerende maatregelen te verwachten. De circulaire transitie vergt ook van gemeenten een inspanning. Hilversum heeft dit onlangs uitgewerkt in het Jaarplan circulair Hilversum 2023, met doorkijk naar 2026: zie Raadsinformatiebrief Jaarplan circulair Hilversum 24 april 2023. Dit jaarplan draait om het stimuleren van lokale netwerken, projecten en gedragsverandering en om als overheid circulariteit zelf ook te integreren in onze standaard manier van werken. Onze focus is gericht op de gebouwde omgeving en consumptiegoederen, in combinatie met de maakindustrie, omdat we hiermee verwachten de grootste impact op het milieu te hebben. Zo werken we aan circulaire gebiedsontwikkeling van het Arenapark en stimuleren we het ontstaan van een regionale circulaire bouwketen, met nieuwe samenwerkingen en lokale materiaalstromen. Circulair materiaalgebruik en het repareren van producten wordt in de toekomst vanzelfsprekend. Dit vergt ook ruimte en brengt nieuwe werkgelegenheid in Hilversum, bijvoorbeeld voor materiaalopslag en circulaire ambachten/maakindustrie. Dit verloopt deels door verandering van bestaande bedrijvigheid en deels door de toevoeging van nieuwe, circulaire bedrijven en beroepen.

Het voorstel is om de tekst over circulariteit in deze lijn aan te passen. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: Als teksten bij doel 4 (duurzaam energiesysteem) nemen we in de Omgevingsvisie op: • “Een duurzaam energiesysteem gaat meer ruimte vergen voor energie-infrastructuur in Hilversum voor productie, opslag en distributie. Landelijk gaat het om verdrie- tot vervijfvoudiging van de elektriciteitsvraag in de periode t/m 2050 (TNO scenario klimaatneutraal energiesysteem). Dit betekent ook in Hilversum een verzwaring van de elektriciteits-infrastructuur. Dat heeft impact op de openbare ruimte, boven en onder de grond. Denk daarbij aan minimaal een verdubbeling van het aantal middenspanningsruimtes (elektriciteitshuisjes van circa 2,5 bij 2,5 meter groot) in Hilversum. We werken samen met netbeheerder Liander aan het maken van locatiekeuzes in de openbare ruimte en het afstemmen van hun werkzaamheden per buurt. De doorontwikkeling van de energie-infrastructuur gaat verder dan het verzwaren van het elektriciteitsnet alleen, want het gaat om de ontwikkeling van een toekomstbestendige, duurzame energie-infrastructuur per buurt. Ook dit vergt samenwerking met netbeheerder Liander, om een schets van de benodigde energie-infrastructuur in 2040 te maken.

Zo kunnen we een globale prognose maken van de benodigde ruimte boven en onder de grond, met bijbehorende investeringen en een planning, aansluitend op onder meer gebiedsontwikkelingen” • Bij gebiedsontwikkelingen streven we naar het voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In sommige gebieden wordt gewerkt een energiepositief, duurzaam energiesysteem, zoals bij Buurtschap Crailo: het ontwerp van een slim, lokaal energiesysteem op zonnepanelen, waarbij vraag en aanbod zoveel mogelijk met elkaar in balans worden gebracht, onder meer door opslag van warmte en elektriciteit. Gebiedsontwikkelingen bieden de kans om een toekomstbestendige energie-infrastructuur te ontwerpen en aan te leggen, bijvoorbeeld op het Arenapark. Maar ook in de buurten waar geen grootschalige gebiedsontwikkelingen gepland zijn, is verduurzaming van het energiesysteem nodig. Dat gaat om vermindering van de energievraag door gebouwen energiezuiniger te maken, het aanbod van energie te verduurzamen en de bijbehorende energie-infrastructuur aan te leggen. Voor Hilversum als geheel stimuleren we daarom isolatie en zonnepanelen. We werken ook aan buurtprojecten voor een duurzaam energiesysteem, bijvoorbeeld met woningcorporaties en Waternet aan een warmtenet in de buurt bij de RWZI Anna’s Hoeve.

Met de indieners van de zienswijze over een toekomstbestendig wijkenergiesysteem in de Meent zijn en blijven we in gesprek. Het is echter niet mogelijk dit idee voor een energiegemeenschap onderdeel te maken van de lopende Proeftuin Aardgasvrije Meent. De Proeftuin is afgebakend. Financieel en beleidsmatig is het idee er niet in te passen. 30

Als tekst bij doel 5 (laadpalen) nemen we de tekstsuggestie van een van de zienswijzen over: • “We kiezen voor slim laden en plannen meerdere jaren vooruit voor de aanleg van publieke laadinfrastructuur. Om de energie-infrastructuur op tijd gereed te hebben, is het essentieel om voor meerdere jaren plannen te hebben hoe en waar laadpunten komen voor elektrisch vervoer. We brengen daarom samen met de netbeheerders en partners de toekomstige ontwikkelingen van duurzame mobiliteit en stadslogistiek en de daaraan gekoppelde vraag naar elektra/laadvoorzieningen in kaart. We kiezen in beginsel voor slim laden bij de aanleg van publieke laadinfrastructuur. Met slim laden worden de snelheid en het tijdstip van laden aangepast aan de ruimte op het lokale stroomnet. In (regionale) concessies stellen we eisen aan de toepassingen van slim laden zoals die zijn opgenomen in de NAL (Nationale Agenda Laadinfrastructuur).” We vullen de tekst bij doel 6 (circulariteit) aan naar de meest recente stand van zaken op het gebied van circulariteit.

3b2. Onderwerpen die minder vaak voorkomen Cultuurhistorie Enkele zienswijzen roepen op tot het benadrukken van erfgoedwaarden, het behoud van beschermde gezichten en zorgvuldige transformatie als kans. Daarnaast zijn er zienswijzen die oproepen tot architectuurbeleid en het hoger leggen van de lat voor nieuwbouw (cultuurhistorisch en wat betreft ‘water en bodem sturend’/klimaatadaptatie). Een enkele zienswijze roept op tot het aanstellen van een stadsbouwmeester, het afdwingen van restauratie of (omgekeerd) het opheffen van de monumentenstatus om ontwikkeling mogelijk te maken. Deze zienswijzen zijn in lijn met het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (bijlage C). In bijlage E hebben wij uitgewerkt hoe ruimtelijke kwaliteiten een betere plek in de Omgevingsvisie kunnen krijgen, gebaseerd op goed cultuurhistorisch onderzoek en zorgvuldige veranderbaarheid. Het aanstellen van een functionaris (stadsbouwmeester), het wel of niet afdwingen van restauraties en het a-priori opheffen van een monumentenstatus zijn ons inziens geen onderwerp voor een Omgevingsvisie. De laatste twee onderwerpen kunnen situationeel bekeken worden. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: opnemen van een indicator voor cultuurhistorie in bijlage D. Bijlage E verwerken in de definitieve Omgevingsvisie.

31

Participatie Er zijn specifieke zienswijzen over een aanzet voor een toetsingskader voor participatie, suggesties voor de te actualiseren leidraad participatie en het instellen van wijkplatforms voor participatie rondom het op te stellen Omgevingsplan. Verschillende zienswijzen gaan in op ondervertegenwoordiging van groepen mensen die niet eenvoudig te bereiken zijn. De zienswijzen onderschrijven de beoogde actualisatie van de leidraad ‘betrek de buurt’ uit de ontwerp Omgevingsvisie. Dat geldt ook voor de aandacht voor ondervertegenwoordigde groepen. Duidelijk is ook dat verdere uitwerking van participatiebeleid nodig is. De zienswijzen zijn aanleiding om een heldere opdracht bij de gemeenteraad op te halen in de vorm van een startnotitie Participatiebeleid. Die verwachten wij begin 2024 aan de gemeenteraad voor te leggen. De startnotitie gaat ten minste over drie onderwerpen: 1. Het omzetten van de bestaande inspraakverordening voor gemeentelijke projecten naar een participatieverordening, op grond van recente wetgeving. De participatieverordening geeft kaders voor inspraak bij gemeentelijke projecten. 2. Het actualiseren van de leidraad participatie. Zoals beschreven in de ontwerp Omgevingsvisie zijn wij voornemens de leidraad ‘betrek de buurt’ te actualiseren en daarbij inwoners en organisaties te betrekken.

Als een wenkend voorbeeld is het Groninger Participatiewerkboek genoemd, dat tot stand is gekomen in samenspraak van gemeente, inwoners, organisaties en een kennisinstelling. 3. Daarbij doen we ook verkennend onderzoek naar succes en faalfactoren van het hanteren van een toetsingskader voor participatie bij andere gemeenten. We begrijpen de wens voor zo’n toetsingskader goed, maar denken ook dat het onbedoeld kan leiden tot een platgeslagen, administratieve werkelijkheid (check the boxes). Wij zijn op voorhand enthousiaster over het met inwoners en organisaties opstellen van een gedragen participatieleidraad die bruikbare handreikingen doet. Als belangrijkste zien we: betere participatieverslagen. De leidraad bevat al adviezen voor het opstellen van een participatieverslag, maar we zien graag dat die verslagen beter in beeld brengen wat is ingebracht en wat de initiatiefnemer daarmee heeft gedaan. Over het voorstel voor het in alle wijken van Hilversum inrichten van wijkplatforms voor het begeleiden van de participatie van het Omgevingsplan zijn wij niet zo enthousiast.

In het essay bij de zienswijze is beschreven hoe een wijkplatform (een netwerk van bewoners, ondernemers en anderen in een wijk) zorgt voor verbinding tussen mensen en groepen in een wijk en tussen de wijk en de gemeente en hoe het het wijkplatform als ondersteuning van het proces zienswijzen kan wegen zonder partijdigheid of vooringenomenheid. Een wijkplatform kan de discussie in de wijk begeleiden en het begrip voor onderlinge standpunten vergroten en zelfs helpen bij het vinden van de meest effectieve kanalen voor het overbrengen van een boodschap. Wij onderschrijven uiteraard het belang van het organiseren van informatievoorziening, samenwerking en afstemming (onderling en met de gemeente) op wijkniveau en dat participatie voor het Omgevingsplan goed georganiseerd moet zijn. Voor het werken op wijkniveau zetten gemeente en partners in alle wijken al uiteenlopende instrumenten in, vaak diep in de netwerken van de wijken en buurten en in de zorg en leefbaarheidsnetwerken. Dat is niet zomaar: elke wijk verschilt, ook wat betreft het organiseren van inwonersbetrokkenheid. Over het ‘van bovenaf’ inrichten van een wijkplatform voor elke wijk zijn wij 32

niet zo enthousiast. Wijkplatforms klinken goed, maar al jaren blijkt in de praktijk dat hier weinig animo voor is, laat staan dat we hier een duurzame vorm voor vinden die representatief is voor de wijk en die niet als extra democratische ‘laag’ in het besluitvormingsproces kan gaan werken. Bovendien zijn er in wijken al goed functionerende structuren. Wel kunnen we ons voorstellen dat áls er in een wijk behoefte is aan het instellen van een wijkplatform, dat we initiatieven daartoe ondersteunen vanuit het wijkgericht werken. Concrete suggesties over communicatie en ‘slaag en faalfactoren’ uit de zienswijzen komen grotendeels overeen met de ervaringen van de klankbordgroep voor de Omgevingsvisie (H5 ontwerp Omgevingsvisie). Wij stellen voor dit vanuit deze zienswijzen aan te vullen. Verschillende zienswijzen gaan in op ondervertegenwoordiging van groepen mensen die niet eenvoudig te bereiken zijn. Voorbeelden daarvan zijn jongeren, minderheden met een andere/ niet-Westerse culturele-religieuze achtergrond, mensen met een psychische of sociale beperking of handicap en minima. Participatie door deze groepen is ook een actiepunt vanuit de Uitvoeringsagenda Lokale Inclusie 2023-2026.

Wij stellen voor de betreffende tekst uit de agenda over te nemen in hoofdstuk 5: “Bij inspraak en beleidsparticipatie voor de gebiedsplannen en bij grote (her-)ontwikkelingen in de stad is het vanuit het aspect inclusie een streven dat alle groepen binnen de samenleving zich vertegenwoordigd weten. We nodigen voor dit doel uitdrukkelijk vanaf de ontwerpfase relevante organisaties uit om input te leveren. Daar waar de organisatiegraad van belangrijke minderhedengroepen (nog) niet zodanig ontwikkeld is zoeken we actief naar individuen in de rol van (getrainde) ervaringsdeskundigen”. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: -

Aankondigen van een startnotitie Participatiebeleid in hoofdstuk 5. Slaag- en faalfactoren voor communicatie toevoegen aan hoofdstuk 5. Toevoegen van een tekst uit de inclusieagenda over vertegenwoordiging.

Wonen Voor het onderwerp wonen zijn veel verschillende zienswijzen ingediend: -

Ondersteuning van de ideeën van splitsen en transformeren grotere woningen Geen sociale woningbouw in villagebied Meer duurzame betaalbare woningen Bouw voor ouderen, zoals een Knarrenhof en appartementen Toevoegen aantallen sociaal aan woningplanning Benoemen prioritaire gebieden Bouw voor starters en alleenstaanden Bouw voor mensen met een beperking 33

-

Bouw voor cruciale beroepen Bouw 1.000 tiny houses Geef ruimte voor woningbouw in grote tuinen Geef voorrang aan jongeren en gezinnen

Veel van deze zienswijzen ondersteunen de bestaande Woonvisie 2021 tot 2030 en ondersteunen de constatering in de ontwerp Omgevingsvisie dat sprake is van druk op de woningmarkt voor allerlei doelgroepen. De verdere uitwerking over waar en voor wie je bouwt volgt in gebiedsagenda’s. Een aanzet voor gebiedsagenda’s is opgenomen in bijlage F. Hilversum is een gewilde woonstad. Dat betekent dat het inwonertal groeit en dat er veel druk op de woningmarkt zit. De prijzen in de koopsector zijn hoog en stijgen snel. Er zijn lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen en er is onvoldoende aanbod van middeldure huurwoningen. Een van de gevolgen hiervan is onvoldoende doorstroming. Andere opgaven zijn het ruimte bieden aan jongeren en het geschikt wonen van ouderen. We blijven ruimte bieden om woningen te vernieuwen, veranderen en bij te bouwen, zodat er voor alle doelgroepen geschikt woningaanbod is. Door de vergrijzing en de verkleining van de huishoudensgrootte ligt de focus op de realisatie van kleinere, levensloopbestendige woningen waarvan een groot deel in het betaalbare segment. Het uitgangspunt is dat er in elke wijk comfortabele levensloopbestendige woningen bijkomen, zodat ouderen kunnen blijven wonen in hun eigen wijk, waar veelal hun sociale vangnet is. Door in te zetten op doorstroming komen eengezinswoningen weer vrij voor gezinnen.

De inzet op doorstroming en het toevoegen van betaalbare kleinere woningen ligt in lijn met de al eerder vastgestelde woonvisie. Van de genoemde 5.000 woningen (verdeeld in ‘harde’ en ‘zachte’ plannen) in de ontwerp Omgevingsvisie gaan we uit van 83% betaalbaar, waarvan 33% sociaal. De overige 1.000 zijn expliciet benoemd als sociaal, te realiseren in ‘bestaande stenen’. De corporaties pleiten er voor om in de Omgevingsvisie duidelijk in de tabel met ‘50+-projecten’aan te geven hoeveel sociale woningbouw hier in gerealiseerd wordt. Dit voorstel wordt onderschreven en wordt verwerkt in de definitieve Omgevingsvisie. De gebiedsagenda's geven straks onder andere inzicht in de benodigde bouwprogramma's per wijk. Verder wordt uitgewerkt voor welke doelgroepen er in elke wijk specifieke aandacht nodig is. Daarbij is het streven, zoals ook opgenomen in de woonvisie, dat mensen binnen hun omgeving kunnen doorstromen, en daarmee een meer gevarieerde wijkopbouw. We willen dat in principe elke doelgroep in elke wijk kan wonen. Dit betekent dat we zienswijzen over ‘geen sociale woningbouw in villagebieden’ niet op deze manier overnemen. We gaan er vanuit dat indieners daarvan vooral pleiten voor het behouden van specifieke ruimtelijke kwaliteiten in de beschermde gezichten. Zo’n pleidooi kunnen we ondersteunen.

In bijlage E hebben wij voorgesteld een kaart met gebiedstypen en ruimtelijke kwaliteiten toe te voegen.

34

De gemeente Hilversum staat open voor initiatieven om samen een woonvorm te realiseren, zoals een ‘Knarrenhof’ of een soortgelijk concept waarin ouderen op een prettige wijze kunnen wonen. Met de ouder wordende bevolking groeit namelijk ook de behoefte aan toegankelijke en geclusterde woningen, waar zorg makkelijk aan huis verleend kan worden. Dit soort woonvormen (zoals hofjeswonen) bieden de mogelijkheid om zelfstandig te wonen, maar in een hechte sociale omgeving met de mogelijkheid van (mantel)zorg en ontmoeting. De gemeente heeft nauwelijks grond beschikbaar voor dit soort initiatieven, maar werkt hier waar mogelijk en binnen ruimtelijke kaders planologisch aan mee. Zo is dit ook vastgelegd in de Woonvisie 2021-2030. Wij kunnen daarom ook geen locaties aanwijzen binnen de nog op te stellen gebiedsagenda’s. De gemeente Hilversum werkt aan een wijkgerichte uitwerking van de Woonvisie, startend in de Hilversumse Meent. Voor deze pilot maken wij graag gebruik van de kennis en kunde van de trekkersgroep Knarrenhof Hilversum. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: - Verduidelijken van de percentages betaalbaar en sociaal bij woningbouwaantallen.

Voorzieningen Er zijn enkele en diverse zienswijzen over voorzieningen ingediend, die oproepen om de benodigde voorzieningen te normeren, in elke wijk een ontmoetingsplek te creëren, meer aandacht voor de toegevoegde waarde van religieuze gemeenschappen en gebouwen en algemene oproepen voor voldoende ruimte voor maatschappelijke functies, waaronder kinderopvang. Onderzoek naar normering van benodigde voorzieningen is al als onderzoek in de ontwerp Omgevingsvisie aangekondigd. We lezen in de zienswijzen een oproep naar voldoende ruimte voor maatschappelijke functies. In de PlanMER is al becijferd dat meer ruimte nodig is: 2-4 hectare. De zienswijzen doen suggesties om te blijven kijken naar het gemeentelijk vastgoed, maar ook naar ander vastgoed. In de zienswijzen worden religieuze gebouwen en onderwijsgebouwen genoemd. Als we nog wat breder kijken, zijn ook sportparken en -hallen geschikt voor meervoudig gebruik. Meervoudig ruimtegebruik is niet voor niets een van de ruimtelijke hoofdkeuzes uit de ontwerp Omgevingsvisie. In reactie op de zienswijzen zijn we voornemens voor de gebiedsagenda’s het beoogde onderzoek naar voorzieningen te doen. Het gaat daarbij niet zozeer om ‘normering’, maar het verkrijgen van een goede indicatie van wat in de toekomst nodig zal zijn.

Het onderzoek gaat niet alleen over functies en vierkante meters, maar ook over benodigde spreiding, bereikbaarheid en kansen voor clustering. Ook in de zogenaamde routekaart Religieus Erfgoed, het Integraal Huisvestingsplan voor onderwijs en de nieuwe nota Sport & Bewegen wordt verder onderzoek gedaan naar wat onder meer de rol van het beschikbare vastgoed kan zijn. Voor wat betreft het religieus erfgoed is dat niet alleen een kans voor cultuur, maar ook voor het creëren van ontmoetingsplekken. Wij onderschrijven de zienswijze dat er in elke wijk een centrale ontmoetingsplek en een idee van een ‘basisaanbod voor voorzieningen’ moet zijn. Tegelijk moet voorkomen worden dat we op alle maatschappelijke locaties in een wijk (onderwijs, cultuur, sport, kerken) een centrum van de wijk willen ontwikkelen. 35

Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: -

Toevoegen van religieuze voorzieningen op kaarten. Het aangekondigde onderzoek naar indicering en noodzaak van voorzieningen uit te breiden met de benodigde spreiding, bereikbaarheid en kansen voor clustering.

Gezondheid In enkele zienswijzen wordt opgeroepen tot concrete geluidsnormen (50db overdag, 40db ’s nachts), aandacht voor trillingshinder bij het spoor, minder evenementen met geluid in het groen, minder houtstook en aansluiting bij de concrete doelen van de voedselvisie Noord-Holland. Hilversum is voornemens nieuwe geluidsnormen op te nemen in een actieplan Geluid, dat in 2024 aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. Wij staan positief tegenover het opnemen van geluidsnormen, ook omdat het PlanMER aandacht vraagt voor de stapeling van geluid. We zetten graag de goede volgorde van stappen: eerst onderzoek en geluidsbeleid en dan normeren. In het derde kwartaal van 2023 wordt aan de raadscommissie (ter advisering van het college van B&W) een voorstel voorgelegd om aan te sluiten bij het Schone Luchtakkoord (SLA). In de tussentijd is een bewustwordingscampagne gestart. Enerzijds om stokers (zowel binnenshuis als buiten) te wijzen op de mogelijke overlast en anderzijds om mensen die overlast ervaren te informeren over wat zij kunnen doen. Daarbij zal nog nader worden bekeken wat de omvang van de houtstookproblematiek in Hilversum is. Wat betreft de zienswijze over de Voedselvisie wordt voorgesteld om die niet over te nemen. Wij hebben geen voornemen hier de komende tijd mee aan de slag te gaan. Op de schaal van Hilversum is het ook geen groot issue.

Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: -

Het onderzoek naar geluid in het kader van nieuw op te stellen geluidsbeleid aan te vullen met onderzoek naar geluidsnormen.

36

Economie Er zijn enkelvoudige zienswijzen voor: - Het opnemen van de gebiedsontwikkeling Media Park in de Omgevingsvisie (stads, flexibiliteit, meervoudig ruimtegebruik) - Meer praktische werkgelegenheid - Meer wonen èn werken in Hilversum - Werk voor mensen met beperkingen - Minder bedrijven, meer woningen De strekking van de meeste reacties is ondersteunend aan de teksten over economie en werk in de Omgevingsvisie (meer praktische werkgelegenheid, meer wonen en werken en aandacht voor beperkingen). Er is één zienwijze die oproept tot minder bedrijven. De gebiedsontwikkeling Media Park is al op verschillende plekken in de Omgevingsvisie genoemd. De gebiedsontwikkeling wordt ook aan het kader over het belang van media voor de Hilversumse economie toegevoegd. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: -

Noemen van de gebiedsontwikkeling Media Park in de kadertekst over het belang van de mediasector (hoofdstuk 4).

Veiligheid Enkele zienswijzen roepen op tot meer handhaving (snelheid, parkeren, leegstand), een zienswijze adviseert om een algemene tekst in hoofdstuk 3 van deze Nota over een veilige fysieke leefomgeving en het doen van enkele onderzoeken naar externe veiligheid en risico’s op natuurbranden, een zienswijze gaat over digitale veiligheid i.c.m. gezondheid en straling. Een zienswijze gaat over de PlanMER. De oproep om meer handhaving wordt herkend. De uitvoeringsprioriteiten worden periodiek vastgesteld. Handhaving is op zich geen onderwerp voor een Omgevingsvisie. Wij stellen voor om een algemene kadertekst over het belang van een veilige, fysieke leefomgeving als randvoorwaarde voor locatie- en gebiedsontwikkelingen op te nemen. Tevens stellen wij voor de in de PlanMER genoemde onderzoeken naar externe veiligheid en risico’s op natuurbranden met de veiligheidsregio op te nemen in de Omgevingsvisie. De zienswijzen over het PlanMER gaan over het aanpassen van figuren: 6.61 de weg- en spoortrajecten opnemen conform Basisnet, bij 4.62 aangeven dat routes voor gevaarlijke stoffen niet onder landelijk, maar lokaal beleid vallen. Wat betreft het transport van gevaarlijke stoffen per spoor wordt enerzijds een dalende trend geconstateerd en anderzijds wordt verwacht dat een overschakeling naar waterstof als brandstof kan leiden tot een sterke stijging van 37

ammoniaktransport. Niet zeker is of de huidige risicoplafonds daarvoor toereikend zijn. Dit leidt niet direct tot aanpassing van de Omgevingsvisie, maar onderstreept het belang van de hiervoor genoemde onderzoeken. Straling (digitale veiligheid, gezondheid) is een onderwerp dat nog niet in het proces van de Omgevingsvisie expliciet aan de orde werd gesteld. Het staande beleid is het antennebeleid van de gemeente Hilversum, dat grotendeels is gebaseerd op landelijk en Europees beleid. De materie is buitengewoon complex. Kennis en bevoegdheden liggen ook vooral op landelijk en Europees niveau. Anders dan een generiek voorzichtigheids- of voorzorgsbeginsel opnemen kunnen wij hier nu niet over adviseren. Voorgestelde aanpassing van de Omgevingsvisie: -

Opnemen van een algemene kadertekst over het belang van een veilige, fysieke leefomgeving als randvoorwaarde voor locatie- en gebiedsontwikkelingen (zie onder). De veiligheidsregio als strategische partner opnemen in paragraaf 4.3.5. Nader onderzoek naar de ontwikkelingen met betrekking tot externe veiligheid, inclusief het bepalen van een na te streven veiligheidsniveau. Nader onderzoek naar het verhoogde risico op natuurbranden en maatregelen, zoals de aard van de vegetatie of alternatieven zoals meer sturing op de bouw of gebruik van kwetsbare functies nabij risicovolle natuurgebieden.

Kadertekst veiligheid Veiligheid is een onderwerp dat raakt aan bijna alle thema’s in de Omgevingsvisie. Het bereiken en in stand houden van een gezonde veilige leefomgeving is niet voor niets een brede doelstelling in de Omgevingswet. Voor de gemeente, andere partners, inwoners en ontwikkelende partijen is de Veiligheidsregio een belangrijke adviseur voor het inschatten en beperken van fysieke veiligheidsrisico’s bij ruimtelijke plannen. Verschillende wettelijke plannen van de Veiligheidsregio, zoals het Regionaal Risicoprofiel, het Regionaal Beleidsplan, het Dekkingsplan en het Regionaal Crisisplan bieden daarvoor onderbouwing. De Veiligheidsregio werkt vanuit de volgende kernwaarden: 1. De veilige leefomgeving bepaalt mede de kwaliteit van de leefomgeving. 2. Voor een veilige leefomgeving is samenwerking noodzakelijk. 3. De fysieke leefomgeving wordt mede vormgegeven volgens de ontwerpprincipes voor een veilige leefomgeving: a. Voorkomen of beperken van risico´s vergroot de veiligheid b. De afstand tot risico´s vergroot de veiligheid c. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming d. Bouwwerken en gebieden zijn veilig te verlaten e. De omgeving maakt snel en effectief optreden van hulpdiensten mogelijk 4. Iedereen is bekend met risico´s en weet hoe te handelen wanneer dat nodig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=afc67fdb-e34f-4394-acbb-7546c8e02442