CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.0402.01bp03reconstrN417-ON01_Toelichting (toegevoegd 5 juli 2024)

GEMEENTERAAD 10 juli 2024, gemeente HilversumBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Reconstructie N417 (1367431)24.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit vergroot de leefbaarheid in wijken, leidt tot een sterkere sociale samenhang, nodigt mensen uit tot bewegen en biedt kansen om de openbare ruimte toegankelijker te maken voor mensen met een beperking. Meer ruimte voor wandelen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit: dit zijn gezonde en veilige manieren om te bewegen en bovendien goede alternatieven voor de auto in een compacte stad als

27

Reconstructie N417 (ontwerp)

Hilversum. Meer ruimte om overtollig water bij extreme neerslag op te vangen en vast te houden. Hiermee wordt wateroverlast voorkomen en kan water gebufferd worden voor gebruik in droge perioden. Meer ruimte voor maatregelen op het gebied van duurzame energie. Duurzame energie De gemeente gaat in de komende twintig jaar fundamenteel anders om met het opwekken en gebruiken van energie. In 2050 wil de gemeente CO2-neutraal zijn, met als tussenstap 55% CO2-reductie in 2030. De gemeente maakt de omslag van fossiele energie naar duurzaam opgewekte energie en wil dat ruimtelijke ontwikkelingen altijd energieneutraal of –positief zijn. Voor het opwekken van energie wordt eerst gekeken naar het bestaande stedelijke gebied en pas naar het buitengebied als het niet anders kan. De regionale energiestrategie is gericht op zonne-energie op alle grote daken in 2030. Daarmee kan in circa 10% van de huidige elektriciteitsbehoefte voorzien. In 2040 zijn alle gebouwen energie-efficiënter, waardoor de warmtevraag kleiner wordt. Door isolatie en zonnepanelen worden stappen gezet op weg naar een duurzaam energiesysteem, maar er is nog veel meer nodig. Het grootste deel van de energievraag is warmte. Mogelijk kunnen geothermie (kilometers diep) en afvalwater in een deel van deze warmte gaan voorzien, met nieuwe collectieve systemen. Dit kan voor een beperkt deel van Hilversum een oplossing zijn.

Voor het grootste deel is de gemeente voor warmte aangewezen op technieken die gebruik maken van de warmte in lucht, bodem (tientallen meters diep) en (grond) water, via een warmtepomp. Dit kan op verschillende schalen, per woning, woningblok of buurt. Hiervoor is elektriciteit nodig, waardoor de vraag naar elektriciteit zal toenemen. De energie-infrastructuur verandert de komende 20 jaar, van een centraal, uniform en fossiel systeem, naar een decentraal, meer divers en duurzaam systeem. Daarbij zijn de lokale vraag en aanbod van energie bij voorkeur zoveel mogelijk in evenwicht, bijvoorbeeld door opslag duurzaam opgewekte stroom. In Buurtschap Crailo wordt de komende jaren al een ‘future grid’ gerealiseerd, als onderdeel van deze energiepositieve wijk. Circulaire economie Er is internationaal en nationaal overeenstemming dat we fundamenteel anders willen omgaan met natuurlijke hulpbronnen en dat onze economie meer gericht moet zijn op duurzaamheid en hergebruik. Dit wordt ook wel een circulaire economie genoemd. Hilversum ondersteunt de Europese ambitie van een 100% circulaire economie in 2050. Hilversum gaat deze omslag maken door bedrijven op dit gebied zo veel mogelijk te ondersteunen. Dat begint met het behouden en creëren van ruimte voor nieuwe bedrijvigheid op de bestaande bedrijventerreinen.

Natuur, water en bodem De achteruitgang van de kwaliteit van de natuur in en rond Hilversum wordt gekeerd. Dat betekent onder andere dat de kwaliteit van water en bodem op orde wordt gebracht en waar nodig onderscheid wordt gemaakt tussen groengebieden die wat drukker kunnen zijn en groengebieden waar het juist zo rustig mogelijk moet blijven. Inpasbaarheid bestemmingsplan De voorgenomen aanpassingen aan de N417, waaronder het aanleggen van een (brom)fietspad en faunapassages, past binnen het toekomstbeeld dat in de Omgevingsvisie Hilversum 2040 wordt geschetst en is niet in strijd met de in de omgevingsvisie benoemde gewenste ontwikkelingen.

28

Reconstructie N417 (ontwerp)

Hoofdstuk 5

5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

M.e.r.- en m.e.r.-beoordelingsplicht

Voor de voorgenomen activiteit is getoetst of er sprake is van een m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht gekoppeld aan het bestemmingsplan. Met een m.e.r (milieueffectrapportage) worden mogelijke gevolgen van een voorgenomen activiteit voor het milieu inzichtelijk gemaakt; bij een m.e.r. -beoordeling wordt eerst beoordeeld of een voorgenomen activiteit kan leiden tot belangrijke gevolgen. Alleen als het antwoord hierop 'ja' is, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. De voorgenomen activiteit is getoetst aan de activiteitomschrijving(en) in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Deze onderdelen wijzen activiteiten en gevallen aan waarvoor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) of een m.e.r-beoordelingsplicht (onderdeel D) geldt. Analyse De voorgenomen activiteit betreft een reconstructie van de N417. Aangezien de N417 een autoweg betreft, is getoetst in hoeverre activiteit D1.1 uit het Besluit m.e.r., 'de wijziging of uitbreiding van een autoweg', van toepassing is. De voorgenomen activiteit bestaat uit het vernieuwen van het wegdek en de aanleg van halfverharde bermen. Deze activiteiten leiden niet tot een fysieke (materiële) wijziging of uitbreiding van de autoweg. Er is om deze reden geen sprake van een wijziging of uitbreiding van een autoweg.

De reconstructie van de N417 bestaat daarnaast uit: het aanleggen van een -in twee richtingen bereden- (brom-)fietspad aan de westzijde van de N417; het verwijderen van het huidige fietspad aan de oostzijde van de N417 tussen Hollandse Rading en de rotonde Noodweg; het aanleggen van vijf faunapassages voor dassen en reptielen en het aanbrengen van faunarasters langs het gehele tracé van de N417 tussen de rotonde met de Noodweg en de bebouwde kom van de gemeente Hilversum (Zuiderheideweg). Deze voorgenomen werkzaamheden zijn niet als activiteiten opgenomen in de onderdelen C of D van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Deze voorgenomen activiteiten leiden om deze reden ook niet tot een m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht. Ondanks dat de voorgenomen activiteit geen activiteiten bevat die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r., kan het bestemmingsplan alsnog m.e.r.-plichtig zijn. Dit is het geval indien er sprake is van een toename van stikstofdepositie en er dien te gevolge een passende beoordeling opgesteld zou moeten worden. Omdat het een gemeentelijk plan betreft dat een klein gebied behelst, is het in dat geval mogelijk om een plan m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Conclusie De doorlopen toets aan het Besluit m.e.r. wijst uit dat de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r -(beoordelings)plichtig is.

Enkel in geval van de noodzaak tot het opstellen van een passende beoordeling, in geval van een toename van stikstofdepositie, is er sprake van verplichting tot het uitvoeren van een plan m.e.r.-beoordeling. Daarvan is geen sprake; zie paragraaf 5.2.5.

29

Reconstructie N417 (ontwerp)

5.2

Ecologie

5.2.1

Quickscan soortenbescherming

Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). In opdracht van Provincie Noord-Holland heeft Arcadis in november 2019 een quickscan opgesteld om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen (Bijlage 1). Methode Er zijn een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Tijdens het veldbezoek is extra aandacht besteed aan de te kappen bomen binnen het plangebied. Aan de hand van de bestektekening van de provincie Noord-Holland zijn de bomen die gekapt gaan worden voor het verleggen van het fietspad nader geïnspecteerd (waar mogelijk met een endoscoop) op de aanwezigheid van vogelnesten en vleermuisverblijfplaatsen. Aanwezige soorten In onderstaande tabel is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Tabel conclusie voorkomen beschermde soorten binnen plangebied

Soortgroep Flora Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode) Broedvogels (nest jaarrond beschermd) Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen Reptielen Amfibieën Vissen Overige soorten

Conclusie voorkomen soorten Beschermde planten kunnen uitgesloten worden. Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode) kunnen binnen het plangebied broeden. Nesten van broedvogels (nest jaarrond beschermd) zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Broedvogels met jaarrond beschermd nest kunnen wel binnen het plangebied foerageren. Algemene soorten kunnen binnen het plangebied verblijven en foerageren. Das komt binnen het plangebied voor maar heeft hier geen verblijfplaats. Kleine marters kunnen binnen het plangebied verblijven en foerageren, boommarter en eekhoorn gebruiken het gebied mogelijk alleen als foerageergebied. Noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn uitgesloten. Het plangebied biedt voor vleermuizen mogelijkheden voor foerageergebied, vliegroute en verblijfplaatsen. Hazelworm en levendbarende hagedis maken mogelijk gebruik van het plangebied, ringslang en zandhagedis kunnen uitgesloten worden. Algemeen voorkomende soorten kunnen het plangebied gebruiken als voortplantingsgebied, zwaarder beschermde soorten zijn uitgesloten. Beschermde vissen kunnen uitgesloten worden. Beschermde ongewervelden worden binnen het plangebied niet verwacht.

Mogelijke effecten In de onderstaande tabel is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen.

30

Reconstructie N417 (ontwerp)

Tabel: mogelijke effecten per soortgroep

Soortgroep Mogelijke effecten Effect? Broedvogels (nest beschermd Er wordt uitgegaan van het kappen van bomen en Ja gedurende broedperiode) werkzaamheden aan de weg buiten het broedseizoen van vogels. Hierdoor kan een negatief effect op broedvogels zonder jaarrond beschermd nest voor deze werkzaamheden uitgesloten worden. Wanneer struiken en takkenhopen wel tijdens het broedseizoen verwijderd worden kunnen echter alsnog negatieve effecten optreden voor deze soortgroep. Broedvogels (nest jaarrond Roofvogels, bosuil Nee beschermd) Tijdens de werkzaamheden kan het werkgebied en directe omgeving verstoord worden en deze worden dan tijdens het foerageren gemeden. Aangezien er in de omgeving meer dan voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is (ander bos en open land), is van verstoring geen sprake. De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van foerageergebied van broedvogels (nest jaarrond beschermd). Na het uitvoeren van de werkzaamheden is dit opnieuw geschikt. Grondgebonden zoogdieren Algemeen voorkomende soorten Ja De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van verblijfplaatsen bij alle werkzaamheden. Kleine marters Bij het uitvoeren van werkzaamheden in de kwetsbare periode van kleine marters, zoals de voortplantingsperiode, worden mogelijk aanwezige dieren verstoord.

Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden, verwijderen van takkenhopen of het kappen van bomen en struweel, wordt mogelijk leefgebied van kleine marters aangetast. Grondgebonden zoogdieren: Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden of het kappen van Nee das boommarter en eekhoorn bomen en struweel, wordt mogelijk leefgebied van de das, boommarter of eekhoorn aangetast. Aangezien gehele bos en/of heidegebied in de omgeving geschikt (foerageer)habitat biedt, zal het plangebied voor alle drie de soorten geen essentieel leefgebied betreffen. Een negatief effect op deze soorten is daarmee uitgesloten. Vleermuizen: Bij het kappen van bomen met holten, scheuren of Ja Verblijfplaatsen loshangend boomschors worden mogelijk geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen aangetast. Daarnaast worden mogelijk aanwezige dieren mogelijk verwond of gedood.

31

Reconstructie N417 (ontwerp)

Vleermuizen: vliegroute en foerageergebied

Amfibieën

Reptielen

Bij het kappen van bomen wordt de vliegroute voor Nee vleermuizen niet aangetast. Het gaat slechts om enkele bomen binnen het bos, en enkele bomen aan de bosrand. Na de werkzaamheden is nog steeds een geschikte vliegroute voor vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zullen mogelijk tijdelijk de vliegroute vermijden tijdens werkzaamheden, maar kunnen dan gebruik maken van andere vliegroutes (bosranden) in de omgeving. Bij het uitvoeren van alle werkzaamheden na zonsondergang en voor zonsopkomst, is mogelijk sprake van verstoring van foeragerende vleermuizen. Daarnaast is het werkgebied tijdelijk minder geschikt als foerageergebied. Aangezien er in de omgeving meer dan voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is (andere delen bos en open gebieden naast bosranden), is van verlies van foerageergebied geen sprake. De werkzaamheden leiden ook niet tot permanente aantasting van foerageergebied van vleermuizen. Na het uitvoeren van de werkzaamheden is dit opnieuw geschikt. Algemeen voorkomende soorten Ja De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van leefgebied bij alle werkzaamheden. Levendbarende hagedis en hazelworm Ja De werkzaamheden leiden mogelijk tot aantasting van leefgebied en verwonden en doden van aanwezige individuen bij vrijwel alle werkzaamheden.

Het gaat voornamelijk om het rijden over, of verwijderen van bodem, lage vegetatie, dood hout en bladeren.

Toetsing aan de Wnb Er geldt binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, kleine marters (hermelijn, wezel, bunzing), hazelworm en levenbarende hagedis geldt dat mogelijk de verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Soortgericht onderzoek Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde (soort)groepen niet worden uitgesloten. Omdat in geval van aanwezigheid van deze soorten bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van deze soorten. Pas dan kan beoordeeld worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Daarom is aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.2.2). Mitigerende maatregelen Om negatieve effecten te voorkomen of te mitigeren dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Hieronder worden de mitigerende maatregelen beschreven waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden. Uit het soortgericht onderzoek kunnen aanvullende mitigerende maatregelen volgen en/of advies voor een ontheffingsaanvraag.

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Voor broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is dienen mitigerende

32

Reconstructie N417 (ontwerp)

maatregelen getroffen te worden in het geval dat er alsnog struiken en takkenhopen verwijderd dienen te worden: Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Een ontheffing wordt niet afgegeven: voorgenoemde maatregel moet genomen worden. Rugstreeppad Voor de rugstreeppad dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden om toekomstige vestiging te voorkomen, daarbij kan gedacht worden aan maatregelen als deze: Voorkom dat nieuw geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaat tijdens de werkzaamheden. Voorkom de aanwezigheid van open zand en tijdelijk water. Plaats tijdens de werkzaamheden een amfibieënraster om eventuele zandhopen om te voorkomen dat het terrein gekoloniseerd wordt door rugstreeppad. Zorgplicht – alle dieren en planten De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang of autoweg af.

Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet het water ingejaagd of op de autoweg gejaagd.

5.2.2

Soortgericht onderzoek

Naar aanleiding van de resultaten van de Quickscan soortenbescherming is in 2020 - 2021 door Idverde een soortgericht onderzoek uitgevoerd (Bijlage 2). De geldigheid van dit onderzoek is in oktober 2023 geverifieerd middels een veldbezoek (zie paragraaf 5.2.3). Methode Onderzoek naar vleermuizen Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 en heeft zich gericht op zomer-, kraam-, balts- en paarverblijfplaatsen en essentiële vliegroutes en foerageergebied. Om overzicht te houden is het plangebied opgesplitst in drie deelgebieden en is in de kraamperiode met 2 ecologen per deelgebied gewerkt. Voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksmethodiek, alsmede een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken, wordt verwezen naar bijgevoegde rapportage. Onderzoek naar kleine marterachtigen Onderzoek naar kleine marterachtigen (hermelijn, wezel en bunzing) is uitgevoerd conform de 'Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming'. Hiervoor zijn 4 cameravallen geplaatst gedurende een periode van 6 weken (22-4-2021 t/m 2-6-2021). Daarbij is gebruik gemaakt van zogenaamde Struikrovers (camera's met lokvoedsel in buis). Voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksmethodiek, alsmede een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken, wordt verwezen naar bijgevoegde rapportage.

Onderzoek naar reptielen (levendbarende hagedis en hazelworm) Onderzoek naar reptielen (levendbarende hagedis en hazelworm) zijn uitgevoerd overeenkomstig met de methodes uit het kennisdocument Levendbarende hagedis (BIJ12) en soortinventarisatieprotocol van

33

Reconstructie N417 (ontwerp)

Netwerk Groene Bureau's. Hierbij zijn voor de hazelworm tevens reptielenplaatjes geplaatst. Voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksmethodiek, alsmede een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken, wordt verwezen naar bijgevoegde rapportage. Resultaten Vleermuizen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Ook zijn er geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetroffen. Wel zijn er balts- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis vastgesteld. Deze bevinden zich in bebouwing en bomen in de omgeving van het plangebied (maar buiten de begrenzing van het plangebied). Met de voorgenomen werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes verloren. Wel kan er verstoring optreden, als gevolg van verlichting. Dit is te voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Zie hierover meer onder kopje Aanbevelingen. Kleine marterachtigen Er zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen. De aanwezigheid van kleine marterachtigen (hermelijn, wezel en bunzing) kan in het plangebied uitgesloten worden. Reptielen Tijdens het onderzoek zijn geen levendbarende hagedis en hazelworm aangetroffen. De aanwezigheid van deze soorten in het plangebied kan op basis van soortgericht onderzoek uitgesloten worden.

Conclusies Met de werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen, vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen verloren. Wel kan er verstoring optreden door verlichting. Hiervoor zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Deze dienen in een ecologisch werkprotocol vastgelegd te worden. Door het uitvoeren van deze mitigerende maatregelen is het aanvragen van een ontheffing Wnb voor vleermuizen niet noodzakelijk. De aanwezigheid van reptielen (levendbarende hagedis en hazelworm) is uitgesloten in het plangebied op basis van soortgericht onderzoek. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet noodzakelijk. De aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is niet aangetoond in het onderzoek en de aanwezigheid van verblijven van kleine marterachtigen kan hiermee uitgesloten worden. Wel is het zaak om tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zoveel als mogelijk rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van kleine zoogdieren, bijvoorbeeld met de planning van de werkzaamheden door geen stukken in te sluiten, maar vanaf één kant te werken zodat kleine dieren een vluchtroute behouden. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om tijdens de uitvoering van de werkzaamheden extra te letten op kleine marterachtigen door middel van de inzet van een ecologisch deskundige.

Dit kan in een ecologisch werkprotocol opgenomen worden met bijvoorbeeld een ecologische vrijgave voor aanvang van de werkzaamheden. Daarnaast wordt aanbevolen om tijdens de uitvoering van de werkzaamheden mitigerende maatregelen te nemen om verstoring van vleermuizen door licht te voorkomen. Dit hoort ook in het ecologisch werkprotocol te komen. Zolang aan deze adviezen gehoor wordt gegeven is het plan wat betreft soortenbescherming planologisch uitvoerbaar.

34

Reconstructie N417 (ontwerp)

5.2.3

Veldbezoek

Volgens artikel 13.5, lid 1 van de Wet milieubeheer (Wm) en artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) mogen natuuronderzoeken niet ouder zijn dan 2 jaar. Om de geldigheid van het uitgevoerde soortenonderzoek uit 2020 – 2021 te controleren, heeft een ecoloog van Arcadis op 12 oktober 2023 een veldbezoek uitgevoerd. Ter plaatse van het planvoornemen is gecontroleerd of er wijzigingen in de ecologische situatie hebben plaatsgevonden. Waarnemingen Uit het veldbezoek is gebleken dat er aan de strook bomen langs de N417 niets veranderd is sinds de veldonderzoeken in 2020-2021. Het bos bij de kruising Utrechtseweg-Zuiderheideweg is een aanplant van Amerikaanse eiken met hier en daar een sprietige grove den met een iele en doorzichtige kroon, met wat spaarzame ondergroei van struiken en kleine boompjes (tamme kastanje, lijsterbes), vrij open, weinig structuur, geen kruidlaag, weinig beschutting en een dicht plakkaat van oude bladeren van de Amerikaanse eik op de bodem. De ecoloog heeft door de ijle kronen van de grove dennen kunnen kijken en kunnen constateren dat er geen nesten aanwezig zijn waarin soorten, waarvan de nesten permanent beschermd zijn, kunnen broeden. De strook bomen langs de westrand van de N417 ten zuiden van de Hoorneboegselaan is uitgerasterd buiten de aangrenzende percelen met bebouwing (ongeveer sinds 2019 volgens beelden van StreetSmart).

Het betreft een open begroeiing van grove dennen afgewisseld met wat loofbomen. Conclusie Op basis van het veldbezoek wordt geconstateerd dat de situatie ter plaatse sinds de veldonderzoeken in 2020-2021 onveranderd is en dat de resultaten van die onderzoeken representatief zijn voor de huidige situatie.

5.2.4

Nee-Tenzij toets en Compensatieplan

De N417 grenst aan weerszijden direct aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). NNN-gebieden zijn planologisch beschermd. Voor het NNN geldt dat getoetst moet worden of negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden te verwachten zijn en of compensatie nodig is. In de Nee-Tenzij toets (zie Bijlage 3) worden de effecten op het NNN in beeld gebracht en vindt een toetsing plaats aan het beschermingsregime dat van toepassing is. Ook wordt een overzicht gegeven van de compensatieopgave voor het verlies aan natuurwaarden in het NNN, welke resulteert in het compensatieplan (zie Bijlage 4).

5.2.4.1 Methode Het plangebied maakt (gedeeltelijk) onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden waarmee de biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Het NNN heeft dan ook als doel om bijzondere en beschermde natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het is beschermd via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het beschermingsregime vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De beleidsmatige verankering wordt gevormd door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Sinds 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Op provinciaal niveau is de planologische bescherming van het NNN geregeld via de Provinciale Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Het NNN is begrensd met een zogenoemde groene contour. Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen deze groene contour zijn in beginsel niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het ‘nee,

35

Reconstructie N417 (ontwerp)

tenzij’- regime). Als een ingreep (onder bovengenoemde voorwaarden) wordt toegestaan, moet de initiatiefnemer de (potentiële) natuurwaarden die verloren gaan, op eigen kosten compenseren. Dit uitgangspunt wordt ‘natuurcompensatie’ genoemd. De provinciale regels voor natuurcompensatie staan in de PRVS en zijn verder uitgewerkt in de Uitvoeringsregel natuurcompensatie Noord-Holland. De provincie verleent pas planologische medewerking aan een ingreep in het NNN als ook aan de vereisten van het compensatiebeleid wordt voldaan.

5.2.4.2 Resultaten De reconstructie van de N417 heeft nadelige gevolgen voor het NNN dat aan weerszijden van de N417 is gelegen. Door de reconstructie treedt er ruimtebeslag op en is er sprake van een toename van verstoring door geluid. In principe zijn alle plannen of projecten die ertoe leiden dat delen van het NNN een andere bestemming krijgen, en daardoor in oppervlakte afnemen, als significant aan te merken. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het nee, tenzij regime van toepassing is op de voorgenomen ingreep. Toestemming kan dan ook alleen worden verleend indien kan worden aangetoond dat er sprake is van een groot openbaar belang en dat reële/aanvaardbare alternatieven ontbreken. Tevens dienen de nadelige effecten zoveel mogelijk gemitigeerd te worden en de resterende effecten gecompenseerd. Maatregelen voor diersoorten De Nee-Tenzij toets benoemd de nieuwe situatie en werkzaamheden ten gevolge van de voorgenomen ingreep (zie hoofdstuk 4 van Bijlage 3). Het benoemt ook de maatregelen voor diersoorten (conform Bijlage 1 en paragraaf 5.2.1), waarbij de maatregelen genoemd worden voor voorkomende diersoorten om negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Het gericht soortenonderzoek (zie Bijlage 2 en paragraaf 5.2.2) geeft hier een aanvulling op. Dit zal geen consequenties hebben voor het compensatieplan.

Beschrijving belang Vervolgens wordt als onderdeel van de toetsing een beschrijving gegeven van het belang. Hieruit komt naar voren dat het vanuit veiligheidsoogpunt van groot belang is de onveilige situatie, door het direct aangrenzende fietspad aan de weg, te wijzigen. Door het aanleggen van een vrij liggend fietspad wordt de veiligheid voor fietser en automobilist verbeterd. Ook voor autoverkeer is de weg onveilig. De rijstroken zijn smal ten opzichte van het snelheidsregime en in- en uitritten zijn bovendien niet altijd goed zichtbaar. Verder dient ook de leefbaarheid rondom de N417 verbeterd te worden. Er is door de slechte onderhoudstoestand van de weg op dit moment sprake van geluidsoverlast voor de omwonenden. Gelijk met de reconstructie van de N417 worden maatregelen genomen om de versnippering van het gebied voor dieren te beperken. Door onder andere de bouw van ecoducten wordt de ecologische verbinding tussen de bos/heide-ecosystemen hersteld. In de toetsing wordt geconcludeerd dat de reconstructie van groot openbaar belang is. Alternatieven Aan de keuzes van het ontwerp is een zorgvuldig traject voorafgegaan, waarin verschillende alternatieven tegen elkaar zijn afgewogen op basis van technische uitvoerbaarheid, ruimtebeslag en verkeersveiligheid. Hierbij is zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige beschermde natuurwaarden.

Onderdeel van de toetsing is het ingaan op effecten die optreden en de compensatieopgave die hiervan het gevolg is (zie hoofdstuk 5 van Bijlage 3). Voor het bepalen van de compensatieopgave is het noodzakelijk om zowel de fysieke als kwalitatieve aantasting van het NNN in beeld te brengen. Hierbij wordt ingegaan op het ruimtebeslag, de aantasting van habitat en verstoring. In de toetsing wordt geconcludeerd dat er geen reële/aanvaardbare alternatieven blijken te zijn voor de reconstructie voorhanden die tot minder effecten op het NNN leiden.

36

Reconstructie N417 (ontwerp)

Ruimtebeslag Als gevolg van de reconstructie is sprake van ruimtebeslag in het NNN. Hierdoor treedt een permanent verlies op van het beheertype N15.02 ‘dennen- eiken- en beukenbos’en N07.01 ‘droge heide’. In de directe omgeving komen deze beheertypen in grote oppervlakte voor, het ruimtebeslag betreft minder <1% van het totaal aanwezige bos en heide in de Hoorneboegse Heide en Zwartebergen. Het oppervlakteverlies zal dan ook niet leiden tot een aantasting van de functie van het NNN. Voor het NNN geldt echter wel dat oppervlakteverlies altijd een significante aantasting is. Het oppervlakte dat verloren gaat zal dan ook moeten worden gecompenseerd. Aantasting habitat De doelsoorten behorend tot habitattypen N07.01 Droge Heide en N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos, zoals beschreven in de Omgevingsverordening van de provincie Noord Holland (2020), document A18 Gooi Midden en Zuid, zijn bos- en/of struweelvogels, vogels van open heide en zand, vleermuizen, ongewervelden van droge milieus, das en hazelworm. Langs het tracé is het overwegende beheertype N15.02. De quickscan uitgevoerd door Arcadis in 2019 toont aan dat alle doelsoorten voor kunnen komen in het gebied, of zijn waargenomen (algemene broedvogels van het bos en open heide).

Ten behoeve van de aanleg van het fietspad worden 170 bomen gekapt en een nieuw fietspad aangelegd, wat mogelijk effect heeft op algemene broedende vogels en vleermuizen en hazelworm. Er zijn geen dassenburchten aangetroffen, het plangebied kan gebruikt worden als foerageergebied, maar dieper in het bos is geschikter habitat. Overige doelsoorten worden niet verwacht waar werkzaamheden worden uitgevoerd. Er is aanvullend onderzoek uitgevoerd voor broedvogels, vleermuizen en hazelwormen omdat voor deze soortgroepen habitataantasting aannemelijk is. Aanvullend onderzoek is uitgevoerd door ID Verde Advies. Aantasting van habitat van broedvogels is beperkt, en er is voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar. Het advies is om te werken buiten de kwetsbare periode (broedseizoen). Vleermuizen hebben genoeg uitwijkmogelijkheden voor foerageeren migratiegebied. Hazelwormen zijn in het aanvullend onderzoek niet aangetroffen, het advies vanuit het aanvullend onderzoek is dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met hazelwormen bij de aanleg van fietspaden. De conclusie is dat er voor de doelsoorten geen significante aantasting van habitat is. Verstoring Verstoring door geluid In de huidige situatie is al sprake van geluidsverstoring als gevolg van het verkeer op de N417.

De geluidsproductie van het wegverkeer is zeer vergelijkbaar met de geluidsproductie van de werkzaamheden die plaatsvinden voor de reconstructie. Zeker als het wegverkeer tijdelijk geen gebruik kan maken van de weg omdat deze in zijn geheel wordt afgesloten. De soorten die direct naast de weg broeden, zullen dan ook relatief ongevoelig zijn voor verstoring, waardoor deze ook niet zullen worden verstoord door de werkzaamheden. Tijdens de uitvoeringsfase wordt niet langs het hele tracé tegelijkertijd gewerkt. De werkzaamheden vinden veelal gegroepeerd plaats, waardoor elke dag slechts een deel van het NNN-gebied langs de N417 wordt verstoord. Tijdens deze fase vinden mogelijk werkzaamheden plaats in het broedseizoen van vogels. De werkzaamheden die leiden tot de meeste verstoring van dieren, namelijk het beuken van het beton, het kappen van de bomen en de nachtelijke werkzaamheden vinden echter plaats buiten het broedseizoen, conform de uitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 3 van Bijlage 3. Overeenkomstig diezelfde uitgangspunten vinden de nachtelijke werkzaamheden plaats tijdens de winterrust van vleermuizen. Wat betreft de gebruiksfase is de verwachting dat de reconstructie een betere doorstroming van het verkeer tot gevolg heeft. Hierdoor zal het NNN in de gebruiksfase beter geschikt zijn om in te broeden.

Tot slot wordt gesteld dat de resultaten van het akoestisch onderzoek naar het geluidsniveau bij de woningen ook gebruikt kan worden als indicatie voor het geluidsniveau in het NNN-gebied. Hieruit volgt dat het geluidsniveau in het NNN-gebied als gevolg van de reconstructie van de N417 in de gebruiksfase

37

Reconstructie N417 (ontwerp)

gemiddeld lager zal zijn dan in de huidige situatie. De verstoring van de natuur in het NNN-gebied als gevolg van verkeersgeluid zal dus na de uitvoering van de reconstructie minder zijn dan in de huidige situatie. Verstoring door licht De nieuw te plaatsen fietsverlichting is ledverlichting, waarvan de lichtbundel, in tegenstelling tot de huidige fietsverlichting, sterk gericht kan worden. Omdat de verlichting aan de westzijde van het pad komen te staan, is deze lichtbundel gericht richting de N417, zodat het strooilicht richting de omliggende bosgebieden wordt geminimaliseerd. Bovendien wordt de verlichting uitgerust met het bike-radar systeem, waardoor deze alleen aan gaat als er een fietser of wandelaar langskomt. De verlichting wordt geleidelijk aan- en uitgeschakeld, zodat dit zo min mogelijk verstoring met zich meebrengt. Op de delen van het fietspad waar nu al verlichting staat zal dus netto sprake zijn van een afname van de lichtverstoring, doordat minder licht richting het omliggende bosgebied uitstraalt. Op de delen van het fietspad die vrij liggend worden gemaakt, en dus verlichting wordt bijgeplaatst, is sprake van het opschuiven van het door licht verstoorde gebied richting het westen.

Omdat de LED-verlichting echter zeer gericht wordt toegepast, deze alleen aan gaat wanneer er een fietser of wandelaar langs komt en er in de huidige situatie al sprake is van aanzienlijke lichtverstoring (van strooilicht) door de verlichting van de N417 en het autoverkeer, zal dit een verwaarloosbaar effect zijn in vergelijking met het ruimtebeslag van het verleggen van het fietspad zelf. Geconcludeerd wordt dat er geen effect (geen extra verstoring) zal zijn als gevolg van verstoring door licht na de reconstructie van de N417 ten opzichte van de huidige situatie. Compensatieopgave Ruimtebeslag Als gevolg van de reconstructie is er sprake van ruimtebeslag op het NNN. Zoals onderstaande tabel toont, er is binnen het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos sprake van een ruimtebeslag van 0,30 hectare. NNN Bestaande natuur

Beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos

Ruimtebeslag 0,30 ha (2.970 m2)

Verstoring Ten aanzien van licht wordt geconcludeerd dat er geen effect (geen extra verstoring) zal zijn als gevolg van verstoring door licht na de reconstructie van de N417 ten opzichte van de huidige situatie. Voor geluid wordt geconcludeerd dat het geluidsniveau in het NNN-gebied als gevolg van de reconstructie van de N417 in de gebruiksfase gemiddeld lager zal zijn dan in de huidige situatie. De verstoring van de natuur in het NNN-gebied als gevolg van verkeersgeluid zal dus na de uitvoering van de reconstructie minder zijn dan in de huidige situatie. Derhalve wordt geconcludeerd dat na de reconstructie geen extra verstoring optreedt ten opzichte van de huidige situatie. Totale opgave Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat er voor wat betreft ruimtebeslag in totaal sprake is van een oppervlakteverlies van 0,30 ha (2.970 m2) aan beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Dit betreft derhalve de totale compensatieopgave welke onderstaand en in Bijlage 4 nader wordt toegelicht. Compensatieplan Voor het opstellen van een NNN-compensatieplan heeft de Provincie Noord-Holland een Wegwijzer NNN opgesteld. Deze wegwijzer is gebruikt bij het opstellen van dit NNN-compensatieplan (zie ook Bijlage 4) ter compensatie van 0,30 ha (2.970 m2).

38

Reconstructie N417 (ontwerp)

Beschrijving NNN-compensatiegebied Voor compensatie van 0,30 ha NNN-gebied van het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos is in eerste instantie gekeken naar gebieden in de directe omgeving die eenzelfde beheertype hebben en waarvan het beheer en onderhoud gegarandeerd is. In de praktijk betekent dit dat contact is opgenomen met het Gooisch Natuurreservaat (GNR, contactpersoon Rentmeester Derk van Velzen) om te bezien of er stukjes niet-begrensd gebied liggen in of grenzen aan beheergebied van GNR. De mogelijkheden in de buurt van de N417 zijn zeer beperkt, daarom is ook naar andere gebieden in het beheer van GNR gekeken (in dit geval Bikbergen, tussen Bussum en Huizen). Er zijn een aantal gebieden naar voren gekomen om als compensatie voor verloren gaand NNN-gebied langs de N417 in te zetten. Het betreft: 1. 2. 3. 4.

Een verharde weg in het GNR-natuurgebied Laapersheide; Een verharde weg met parkeerterrein in het gebied Bikbergen, bij de Oud Blaricummerweg; Een verharde weg met parkeerterrein in het gebied Bikbergen, bij de Langhuizerweg; Een strook langs de N417 bij de rotonde Noodweg.

Hieronder worden deze gebieden kort beschreven met hun potentie als compensatiegebied. Compensatiegebied 1: Verharde weg in het GNR-Natuurgebied Laapersheide In het GNR-natuurgebied Laapersheide ligt een verharde weg die is uitgesneden uit het omringende NNN-gebied (zie onderstaande afbeelding en voor meer beelden Bijlage 4). De weg begint bij het viaduct over de Diependaalselaan en is in gebruik als toegangsweg vanuit de bebouwde kom tot een privéterrein annex draversbaan. Het materiaal van de verharding is waarschijnlijk teerhoudend. Het omliggende gebied is een heide- en bosgebied, met beheertypen Bos, heide en water. De weg heeft een toegangsfunctie. Deze functie blijft bestaan in de vorm van een onverharde weg na verwijdering van het asfalt. De argumenten vóór toepassen van dit gebied als natuurcompensatie zijn: 1. Nabij N417 (deze ligt op enkele honderden meters ten westen van het gebiedje en staat via de natuurbrug Hoorneboeg hiermee in contact); 2. Beheertype sluit aan bij dat van te compenseren gebied langs de N417; 3. Omvorming tot een onverharde weg betekent een beperking van de rijsnelheid en daarmee een vergroting van de rust in het gebied; 4. De verwijdering van het (waarschijnlijk teerhoudende) asfalt uit het natuurgebied voorkomt milieuvervuiling in het gebied in de toekomst; 5.

Er is de mogelijkheid om de weg te versmallen en de bermen weer natuurlijk in te richten en zich te laten ontwikkelen. Hiervoor is geen aanvullend beheer nodig. Het gebied heeft de potentie om een natuurlijke overgang te vormen tussen bosgebied en onverharde weg. In het gebied komen de levendbarende hagedis en de hazelworm voor (52 waarnemingen in 2023; NDFF). Zij kunnen van de bermen gebruik maken om op te warmen in het voorjaar en op koude ochtenden. Vanwege hun levenswijze op en in de bodem, zijn deze soorten gevoelig voor verontreinigingen in de bodem. Het verwijderen van het (waarschijnlijk teerhoudend) asfalt is daarom een ondersteuning van deze soorten. Het betreffende gebied (natuurgebied en verharde weg) is eigendom van en wordt beheerd door GNR. Het toekomstig beheer en de doelstelling als natuurgebied is hiermee gegarandeerd. Nader onderzoek moet uitwijzen of het asfalt teerhoudend is. Op andere plekken is asfalt uit dezelfde tijdsperiode teerhoudend gebleken. Het gebied heeft een oppervlakte van 1.848 m2.

39

Reconstructie N417 (ontwerp)

Compensatiegebied 2: Verharde weg met parkeerterrein in het gebied Bikbergen, bij de Oud Blaricummerweg In het GNR-natuurgebied Bikbergen ligt een voormalig parkeerterrein in het bos met een verharde toegangsweg ernaartoe (zie onderstaande afbeelding en voor meer beelden Bijlage 4). Het gebied is nu geen onderdeel van een NNN-gebied. Zowel het parkeerterrein als de toegangsweg zijn niet meer in gebruik en afgesloten. Dit is gebeurd om de stilte in het gebied ter vergroten. De aanwezigheid van het parkeerterrein kan echter wel uitnodigen om hier toch activiteiten te starten. Bovendien is aangetoond dat het asfalt teerhoudend is, en dus potentieel milieuvervuiling in het natuurgebied kan veroorzaken. Dit zijn redenen om de verharde weg en het parkeerterrein om te vormen tot bosgebied. De ligging van het gebied is vergelijkbaar met dat langs de N417. De Crailoseweg (N527) is een provinciale verkeersweg tussen de A1 en Huizen. Ook hier is dus sprake van verkeersgeluid in het bos, al ligt de verharde weg en het parkeerterrein niet direct aan de weg. Meer begroeiing in deze strook zal de stilte in de rest van het bos bevorderen, met name ook de doordringing van geluid van de Oud Blaricummerweg. Het gebied heeft de potentie om een natuurlijk bos te worden, een volwaardige versie van beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos.

Het verwijderen van het teerhoudend asfalt is een ondersteuning voor het omliggende gebied en voorkomt verontreiniging in de toekomst. Indien nu al sprake is van verontreiniging van de bodem onder het asfalt dan zal dit worden weggehaald. Het betreffende gebied (natuurgebied, verharde weg en parkeerterrein) is eigendom van en wordt beheerd door GNR. Het toekomstig beheer en de doelstelling als natuurgebied is hiermee gegarandeerd. Het gebied heeft een oppervlakte van 1.732 m2.

40

Reconstructie N417 (ontwerp)

Compensatiegebied 3: Verharde weg met parkeerterrein in het gebied Bikbergen, bij de Lanhuizerweg In het GNR-natuurgebied Bikbergen, langs de Langhuizerweg, ligt een voormalig parkeerterrein in het bos met een verharde toegangsweg ernaartoe (zie onderstaande afbeelding en voor meer beelden Bijlage 4). Het gebied is geen onderdeel van het omliggende NNN-gebied, maar wel onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Oost Gooi. Zowel het parkeerterrein als de toegangsweg zijn niet meer in gebruik en afgesloten om de rust en stilte in het gebied ter vergroten. De aanwezigheid van het parkeerterrein kan echter wel uitnodigen om hier toch activiteiten te starten. Het asfalt is waarschijnlijk teerhoudend en kan dus een risico zijn voor het ontstaan van milieuvervuiling in het natuurgebied. Dit zijn redenen om de verharde weg en het parkeerterrein om te vormen tot bosgebied. De ligging van het gebied is vergelijkbaar met dat langs de N417. Het beheertype van het aangrenzende NNN-gebied is N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. De Langhuizerweg is een lokale weg. Ook hier is dus verkeersgeluid in het bos aanwezig, al ligt de verharde weg en het parkeerterrein niet direct aan de weg. Het gebied heeft de potentie om een natuurlijk bos te worden, een volwaardige versie van beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos.

Het verwijderen van het (waarschijnlijk) teerhoudende asfalt is een ondersteuning voor het omliggende gebied en voorkomt verontreiniging in de toekomst. Indien nu al sprake is van verontreiniging van de bodem onder het asfalt dan zal dit worden weggehaald. Het betreffende gebied (natuurgebied, verharde weg en parkeerterrein) is eigendom van en wordt beheerd door GNR. Het toekomstig beheer en de doelstelling als natuurgebied is hiermee gegarandeerd. Het gebied heeft een oppervlakte van 933 m2.

41

Reconstructie N417 (ontwerp)

Onderstaande afbeelding toont in een overzichtskaart de locatie van de compensatiegebieden 2 en 3 gelegen in het GNR-Natuurgebied Bikbergen.

Compensatiegebied 4: Strook met fietspad langs N417 bij rotonde noodweg Met de reconstructie van de N417 verdwijnt het fietspad aan de oostzijde van de N417. Deze strook is

42

Reconstructie N417 (ontwerp)

nu geen onderdeel van het NNN-gebied. Het aanliggende NNN-gebied heeft het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Deze strook is vergelijkbaar met de strook die nu verderop moet verdwijnen aan de westzijde van de N417. Het gebied heeft de potentie van N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos, echter wel met de randvoorwaarden van de nabijheid van de N417 met bijbehorend verstorend effect van het verkeer (dit is identiek aan de strook ten westen van de N417 waar het fietspad met de reconstructie verbreed wordt). Het gebied ligt tegen het gebied van GNR aan en zal door GNR beheerd gaan worden. Het asfalt van het dan voormalige fietspad wordt verwijderd. De oppervlakte van het gebied is 837 m2.

5.2.4.3 Conclusies Conform de verordening is het ‘nee, tenzij'-regime op het NNN van kracht. Dat betekent dat de ingreep niet is toegestaan, indien de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant wordt aangetast, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd. De reconstructie is van groot openbaar belang en er blijken geen reële/aanvaardbare alternatieven voor de reconstructie voorhanden die tot minder effecten op het NNN leiden. Als gevolg van de reconstructie is sprake van ruimtebeslag op het NNN en geen toename van verstoring in het NNN. Op basis van de afname van het areaal is vervolgens aan de hand van de Omgevingsregeling NH2020 en de Wegwijzer NNN van de Provincie Noord-Holland de compensatieopgave bepaald. Voor de reconstructie N417 dient de Provincie Noord-Holland 0,30 ha gecompenseerd te worden. Deze compensatie is nader uitgewerkt in het compensatieplan. In totaal wordt voor het verloren gegane NNN-gebied langs de N417 als gevolg van de reconstructie N417 een oppervlakte van 5.334 m2 gecompenseerd. Dit betreft 2.685 m2 in de buurt van de N417 (Laapersheide en rotonde Noodweg). Het betreft 3.486 m2 van het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos (Laapersheide niet meegerekend).

Hiermee wordt de verloren gegane oppervlakte van 2.970 m2 als gevolg van de reconstructie N417 in voldoende mate gecompenseerd.

43

Reconstructie N417 (ontwerp)

Nr 1

Gebied Verharde weg Laapersheide

2

Parkeerterrein Bikbergen, Oud Blaricummerweg Parkeerterrein Bikbergen, Langhuizerweg Fietsstrook N417 Rotonde Noodweg

3 4 Totaal 5.2.5

Nabijheid? Oppervlakte (m2) Beheertype Ja 1.848 Overharde weg en berm N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos Nee 1.732 N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos Nee 932 N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos Ja 837 N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos 5.349

Stikstof

In maart 2023 zijn door Arcadis stikstofdepositieberekeningen van de gebruiksfase uitgevoerd met behulp van de Aerius-Calculator (versie 2022) (zie Bijlage 5). Berekeningen conform versie 2023(.0.1) volgen nog. Uitgangspunten De N417 tussen de Maartensdijkseweg en Noodweg in Hilversum wordt gereconstrueerd en veiliger gemaakt – dit is de plansituatie. De reconstructie heeft geen verkeersaantrekkende werking tot gevolg, waardoor er geen verschil is tussen de verkeersaantallen in de referentiesituatie en plansituatie. Ook is er geen sprake van een netwerkeffect of omrijdverkeer vanwege de reconstructie en worden de rijlijnen niet aangepast; de wegas blijft op dezelfde locatie liggen. De referentiesituatie bestaat uit de situatie die zou ontstaan wanneer de N417 tussen de Maartensdijkseweg en de Noodweg niet gereconstrueerd zou worden. Dit wordt ook wel autonome ontwikkeling genoemd. Voor de gebruiksfase is een verschilberekening uitgevoerd tussen de plansituatie en referentiesituatie. De verkeersgegevens zijn aangeleverd door Royal Haskoning DHV en geldig voor het zichtjaar 2040. De gehanteerde verkeerscijfers zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel: Verkeersaantallen uit het verkeersmodel, zichtjaar 2040

In 2022 heeft de provincie Noord-Holland verkeerstellingen uitgevoerd op het betreffende wegvak van de N417. Uit deze verkeerstellingen is een verkeersverdeling van lichte, middelzware en zware motorvoertuigen vastgesteld voor de dag- avond- en nachtperiode. Deze verkeersverdeling is gebruikt om de aantallen lichte, middelzware en zware motorvoertuigen per etmaal te bepalen voor de modelinvoer. Deze voertuigaantallen zijn voor zowel de referentiesituatie als plansituatie opgenomen in onderstaande tabel. Tabel: Etmaalintensiteit per motorvoertuigcategorie over beide rijrichtingen

44

Reconstructie N417 (ontwerp)

Het rekenjaar is 2023. Jaren na 2023 reflecteren lagere emissiecijfers doordat het verkeer steeds schoner wordt. Door de hoge verkeerscijfers voor 2040 in te voeren en de depositie te berekenen met de hoge emissiefactoren van 2023, wordt de stikstofdepositie overschat en is er sprake van een conservatieve benadering. In de verschilberekening tussen de plan- en referentiesituatie, heeft het rekenjaar ook geen effect op de projectbijdrage omdat de verkeerscijfers en rijlijnen tussen de twee situaties niet verschillen. Resultaten De stikstofdepositie vanwege de projectbijdrage is volgens de rekenresultaten 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie Omdat de stikstofdepositie 0,00 mol mol/ha/jaar bedraagt, is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase.

5.3

Bodem

Op 3 maart 2023 is door Arcadis een bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 6. Het onderzoek bestaat uit zowel een milieuhygiënisch vooronderzoek als een verhardingen vooronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een bureauonderzoek en locatiebezoek. 5.3.1

Milieuhygiënisch vooronderzoek

Het milieuhygiënisch onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. In het milieuhygiënisch onderzoek is de bodemkwaliteit, aan de hand van verschillende aspecten, van het gehele plangebied in beeld gebracht. Aan de start van het onderzoek bleek dat er verschillende gebiedseigen bodemkwaliteit gegevens niet beschikbaar zijn. Daarom is geprobeerd om de bodemkwaliteit van het plangebied zo goed mogelijk in beeld te brengen op basis van de de beschikbare informatie. Asbest Voor de onderzoekslocatie is geen asbestkansenkaart aanwezig. Op basis van overige bekende gegevens is duidelijk geworden dat er geen asbestverdachte locaties aanwezig zijn binnen de onderzoekslocatie. PFAS Uit contact is gebleken dat er geen PFAS-bodemkwaliteitenkaart is vastgesteld door de gemeente. Op basis van de signaleringskaart met potentiële PFAS-locaties van Arcadis blijkt dat er nabij het zuidelijke deel van de N417 één mogelijk verdachte activiteit bekend is die mogelijk een PFAS-bron kan zijn. Deze verdachte activiteit betreft een defensieterrein. Een defensieterrein is alleen verdacht op het gebruik van PFAS als er een eigen brandblussysteem met PFAS-houdend blusschuim aanwezig is. Gezien de historische bebouwing (landhuis) en de natuurlijke omgeving (bosgebied) is het echter uiterst onwaarschijnlijk dat er op dit terrein sprake is (geweest) van een blusinstallatie met PFAS-houdend blusschuim.

De generieke aanduiding van dit terrein als PFAS verdacht vanwege hetgebruik als defensieterrein wordt niet ondersteund door nadere historische informatie over het terreingebruik. Derhalve is voor het tracé ter hoogte van dit defensieterrein onvoldoende informatie voorhanden om de bodem op dit tracédeel te beoordelen als verdacht op het voorkomen van PFAS.

45

Reconstructie N417 (ontwerp)

Bodembedreigende activeiten Op basis van historische informatie zijn enkele verdachte locaties (HBB-locaties) in kaart gebracht waar mogelijk een risico op bodemverontreiniging bestaat. Uit het onderzoek is gebleken dat er rondom het plangebied meerdere locaties aanwezig zijn met een UBI-klasse 5 of hoger of tank(s) met een UBI-klasse 4 of hoger. De locaties zijn weergegeven in Bijlage 6. Uit het locatiebezoek is echter gebleken dat er geen verdachte locaties zichtbaar aanwezig zijn op het plangebied.

5.3.2

Verhardingen onderzoek

Het verhardingen onderzoek is uitgevoerd conform de CROW-210 publicatie (richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt). Over vrijwel de gehele onderzoekslocatie zijn verhardingen aanwezig. Ter plaatse van de weg N417 is asfaltverharding aanwezig, waarbij ter plaatse van de fietspaden zowel tegel, asfalt als ook betonblok verharding aanwezig is. Vanaf 1995 is het niet meer toegestaan teerhoudend asfalt of teerhoudende bindmiddelen toe te passen in asfaltverhardingen. Het jaartal 1995 heeft te maken met het in werking treden van een deel van het Bouwstoffenbesluit in de plaats van het destijds vigerende IPO-interim beleid Werken met secundaire grondstoffen. Als de volledige asfaltverharding na 1994 is aangelegd kan vrijwel zeker worden gesteld dat het asfalt teervrij is. Op basis van topografische kaartmateriaal wordt duidelijk dat de weg en de fietspaden al voor 1994 in gebruik zijn genomen. Tijdens het onderzoek zijn er daarom verschillende kernboringen gezet om de opbow van de N417 en het fietspad te onderzoeken. Uit de PAK-detectortesten is gebleken dat het asfalt van de N417 en het fietspad geen tekenen van teerhoudend asfalt bevat. Uit het aanvullend DLC-onderzoek is aangetoond dat er geen individueel geanalyseerde lagen aangetroffen zijn met een PAK boven de 50 mg/kg.

Op basis van deze gegevens zijn deze weggedeelten voldoende milieuhygiënisch onderzocht voor de geplande werkzaamheden.

5.3.3

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies milieuhygiënisch vooronderzoek Er zijn langs de gehele onderzoekslocatie meerdere verdachte historische activiteiten (HBB-locaties) aanwezig (geweest). Dit betreffen onder andere een brandstofdetailhandel (vloeibaar), autoreparatiebedrijf en meerdere soorten tank(s). Van deze activiteiten is vastgesteld dat ze niet meer aanwezig zijn of voldoende onderzocht. Op basis van de PFAS-signaleringskaart blijkt dat nabij de onderzoekslocatie een defensieterrein aanwezig is die verdacht is op bodemverontreiniging met PFAS. Gezien de historische bebouwing (landhuis) en de natuurlijke omgeving (bosgebied) is het echter uiterst onwaarschijnlijk dat er op dit terrein sprake is (geweest) van een blusinstallatie met PFAS-houdend blusschuim. De generieke aanduiding van dit terrein als PFAS verdacht vanwege het gebruik als defensieterrein wordt niet ondersteund door nadere historische informatie over het terreingebruik. Derhalve is voor het tracé ter hoogte van dit defensieterrein onvoldoende informatie voorhanden om de bodem op dit tracédeel te beoordelen als verdacht op het voorkomen van PFAS. Voor het onderzoeksgebied is geen actuele bodemkwaliteitskaart aanwezig, waarvan de algemene bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie kan worden afgeleid.

Voor het onderzoeksgebied is geen PFAS-bodemkwaliteitskaart aanwezig, waarvan de algemene bodemkwaliteit voor PFAS in het onderzoeksgebied achterhaald kan worden afgeleid. De onderzoekslocatie is niet verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging met asbest. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek wordt duidelijk dat er geen sterke verontreinigingen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Op basis van de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat er onvoldoende informatie is over de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem. Er is alleen verouderd onderzoek beschikbaar en geen actuele bodemkwaliteitskaart waarvan de bodemkwaliteit kan worden afgeleid.

46

Reconstructie N417 (ontwerp)

Aanbevelingen milieuhygiënisch vooronderzoek Op basis van de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat er onvoldoende informatie is over de milieuhygiënisch bodemkwaliteit. Er is alleen verouderd onderzoek beschikbaar en geen actuele bodemkwaliteitskaart waarvan de bodemkwaliteit kan worden afgeleid. De beschikbare informatie toont wel aan dat er in ieder geval geen sterke verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn. Daarmee is het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitvoerbaar. Er wordt voor de verdere vergunning- en/of uitvoeringsfase milieuhygiënisch bodemonderzoek conform NEN 5740 geadviseerd, strategie onverdacht lijnvormig (NEN ONV-L). Conclusies verhardingen vooronderzoek Op basis van de digitale terreinverkenning en locatiebezoek wordt duidelijk dat over de gehele onderzoekslocatie meerdere soorten verhardingen aanwezig zijn. Op basis van de gegevens van historisch topografisch kaartmateriaal blijkt dat de aanwezige verhardingen op de autoweg als ook op het fietspad al voor 1994 aanwezig zijn. Daarom zijn deze verhardingen verdacht op het voorkomen teerhoudendheid. Deze locaties met asfaltverhardingen zijn aangegeven in bijlage E als bijzondere wegvakken. De aanwezige menggranulaatfundering onder het asfalt is op basis van eerder uitgevoerd onderzoek beoordeeld als herbruikbaar.

Het asfalt is in eerder uitgevoerd onderzoek getoetst als niet teerhoudend, er is geen PAK aangetoond boven de 50 mg/kg. Aanbevelingen verhardingen vooronderzoek Op basis van de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat er voldoende informatie beschikbaar is over de kwaliteit van de aanwezige verhardingen. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. De aanwezige menggranulaatfundering onder het asfalt is op basis van eerder uitgevoerd onderzoek beoordeeld als herbruikbaar.

5.4

Water

Om het vrijliggend (brom-)fietspad mogelijk te maken, is door Arcadis een watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 7). Het doel van de watertoets is om een duurzame omgang met hemel-, grond- en oppervlaktewater te waarborgen en het onderdeel water evenwichting mee te nemen in het planproces. De watertoets is een verplicht onderdeel van de ruimtelijke ordeningsprocedure, opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterbeleid Voor een beschrijving van het vigerende waterbeleid op Europees, nationaal, provinciaal, waterschap en gemeentelijk niveau wordt verwezen naar Bijlage 7. Huidige situatie Hoogteligging De hoogteligging van de N417 is weergegeven in onderstaand figuur. Hierin is te zien dat de weg in het noorden (2,80 m +NAP) een stuk lager ligt dan in het zuiden (12,00 m +NAP). De weg loopt voornamelijk door bosgebied heen en is aangelegd op circa 30 tot 50 cm boven het omliggende maaiveld.

47

Reconstructie N417 (ontwerp)

Figuur: Hoogteligging van het plangebied (AHN4)

Bodemopbouw In DINOloket zijn er verschillende boringen beschikbaar langs en in de buurt van de N417. Deze boringen geven aan dat de grond voornamelijk uit zand bestaat. Boring B32A1185, in het noorden, heeft een zandlaag met een diepte van 2,5 m. Boring B32A0017, ten zuiden van de N417, bevestigt een zandlaag van 15,3 m. De zandlaag biedt voldoende mogelijkheden voor infiltratie. Er zijn ook boringen met “complexe eenheden” waar te nemen waarbij veen en klei te zien is. Deze liggen vaak enkele meters onder het maaiveld. Grondwater Via DINOloket is de grondwaterstand rondom de N417 bekend. De GHG zit op ongeveer 2 m onder maaiveld in het noorden van het plangebied en op ongeveer 1 m onder maaiveld in het zuidelijke deel van het plangebied. Met deze grondwaterstanden is waterberging en -infiltratie een mogelijkheid. Oppervlaktewater In de omgeving van de N417 zijn geen hoofdwatergangen of overig oppervlaktewater aanwezig. Het eerste oppervlaktewater dat aanwezig is, ligt hemelsbreed op 1,00 km afstand. Dit is het Hilversums Wasmeer. Hemelwater van de N417 wordt momenteel oppervlakkig afgevoerd op de berm en watert op een aantal plekken af op kolken. Het is onduidelijk waar deze kolken op afwateren.

48

Reconstructie N417 (ontwerp)

Toekomstige situatie Toename verharding De rijbaan van de N417 wordt op alle plekken op een breedte van 6,70 m gebracht. Dit betekent voor de rijbaan een verbreding van circa 40 cm aan weerszijden. Naast de nieuwe randverharding wordt ten slotte een halfverharding van 80 cm in de berm aangebracht. Deze voorzieningen zijn eenvoudig aan te brengen op de gedeeltes waar de naastgelegen fietspaden worden verplaatst tot achter de bomenrij. Op die plaatsen waar al sprake is van een vrijliggend fietspad, zal de ruimte verkregen moeten worden in de huidige berm. Een aantal bomen zal hiervoor gekapt moeten worden en op sommige plekken zal het opgaand talud richting (brom-)fietspad iets moeten worden vergraven. Het nieuwe (brom-)fietspad wordt 3,50 m breed en zal worden uitgevoerd in beton. De reden voor deze materiaalkeuze is de aanwezigheid van de bomen naast dit pad en de daarmee gemoeide wortelgroei die, bij een keuze voor asfalt, de verharding snel zal beschadigen. Tabel: toename verharding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=c74ad6d3-600e-4c0b-824d-33d5c2a3a6c8