Collegebrief inzake Bovenregionale samenwerking Jeugd
Tekst van het document
Extra ondersteunende voorziening (tijdelijk) Uiterlijk 1-1-2023 is er behoefte in Noord-Holland aan een tijdelijk kleinschalige voorziening, die kan voorzien in de behoefte naar tijdelijk extra bescherming voor het team of de jeugdige. Deze voorziening moet per definitie functioneren als een plaats waar stabilisatie centraal staat. Zorginhoudelijke visie • Time -out plaats, behandelduur afhankelijk van de subgroep waar een jeugdige toe behoort. • Opname kan alleen vanuit de kleinschalige woonvoorzieningen, bij crisis in de thuissituatie wordt allereerst gekeken dat jeugdige op een andere wijze wordt opgevangen. • Terugkeergarantie van jeugdige naar de kleinschalige woonvoorziening, binnen de vooraf afgesproken time-out periode. 24
• • • • • •
•
Behandeling en therapie kan ingezet/gestart worden op de locatie en worden vervolgd in “thuis” situatie. Ruimte voor jeugdigen voor terugtrekken eigen omgeving, meer dan alleen slaapplek (autonomie). Verbondenheid onderhouden en vormgeven met kleinschalige voorziening/gezin waar jeugdige vandaan komt (mentor, begeleiding, etc.). Kleine groepen max. 4 personen, geen isolatie/separeer. Extra begeleiding aanwezig op de achterhand die jeugdigen kunnen begeleiden bij incidenten, intern maar ook als ze bijvoorbeeld naar een ziekenhuis begeleid moeten worden. Bij verwijzing analyseren waarom een jeugdige tijdelijk geplaatst wordt in extra ondersteunende voorziening. Door te kijken naar wat is er met dit kind/gezin aan de hand (verklarende analyse) en wat is de groepsdynamiek bij het team van herkomst. Elke jeugdige kan in Noord-Holland rekenen op passende jeugdhulp. We willen in de toekomst alleen nog voor hele uitzonderlijke (zeldzame) problematiek gebruik maken van landelijke voorzieningen.
Eisen aan de huisvesting • Bescherming, kan gesloten worden. • Voldoende ruimte voor meerdere kleine groepen (inclusief leefruimte jeugdige). • Bij voorkeur in een omgeving waar er weinig maatschappelijk druk is vanuit de omgeving (dus niet middenin een straat), omdat in en om deze voorziening incidenten zullen plaatsvinden. • Mogelijkheid tot het houden van dieren bij het pand. Organisatorisch • 1 Locatie in Noord-Holland, zodat expertise daar samen kan komen en kan ontwikkelen. • Joint venture van expertise en organisaties (GGZ-NHN, Levvel, Parlan, I-hub, ‘s Heerenloo). • Idealiter rand van stad dichtbij natuur en reuring. • Voldoende personeel (kan elkaar ondersteunen en opvangen), daarnaast is ervaring en stevigheid van belang in het kader van omgaan met de problematiek, aangezien het personeel naar verwachting te maken krijgt met stevige agressie en angsten. • Geschikt voor maximaal 12 jeugdigen, verdeeld over verschillende kleine units. • Uitgangspunt in de kleinschalige woonvoorzieningen is ‘wij plaatsen niemand over’. De kleinschalige woonvoorzieningen vormen daarmee zelf de toegang tot de extra ondersteunende voorziening. • Deze voorziening bestaat voor de duur van maximaal 3 jaar. De deelnemende organisaties leren en monitoren gedurende die drie jaar hoe zij deze voorziening overbodig kunnen maken, in samenwerking met een academische werkplaats.
Financieel • Beschikbaarheidsfinanciering betaald door alle 8 jeugdhulpregio’s naar rato gebaseerd op begroting van de joint venture. • Er is financiële ruimte om te leren en te monitoren. Deze ruimte is er ook voor intervisie en ontwikkeling/scholing van personeel 9. Conclusie en besluiten Wij vragen met betrekking tot de vormgeving zowel commitment als besluitvorming aan de bestuurders en wel op de volgende onderdelen: •
•
Leegstand in de kleinschalige woonvoorzieningen moet kunnen plaatsvinden, zodat er altijd een plek beschikbaar is en de jeugdigen een keuze hebben. Leegstand moet wel gefinancierd worden, dit kan mogelijk door een opslagpercentage op het tarief. Appartementen en studio’s om zelfstandig te leren wonen koppelen aan de kleinschalige woonvoorziening, zodat er een doorgaande lijn is in de hulpverleners en doorstroming in de 25
•
•
•
•
•
•
• •
kleinschalige woonvoorziening. Gemeenten faciliteren bij huisvestingsvraagstuk en alloceren voldoende woningen voor deze doelgroep. Financiële mogelijkheden bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Als een jeugdige 18 jaar wordt kan de financiering wijzigingen naar WLZ of WMO. Dit mag geen reden zijn voor een verplaatsing van de jeugdige. Aanbieders moeten dus de mogelijkheid hebben om de financiering van de jeugdige aan te passen. Hiermee komen we tegemoet aan een groot knelpunt (zie hoofdstuk 1: toekomstperspectief > 18 jaar) in kader van wonen voor complexe jeugdigen na 18 jaar. Hiervoor zijn afspraken met VWS, zorgkantoren van belang. Uitgaan van een bekostigingsmodel voor kleinschalige woonvoorzieningen opgebouwd vanuit een minimale dagprijs per jeugdige, aangevuld met individuele ondersteuningsbehoefte. Dit om de omslag naar WLZ of Wmo financiering haalbaar te maken. Vastgoed is van de woningbouw of projectontwikkelaars/investeerders, zodat aanbieders financieel niet gebonden zijn aan het vastgoed en het mogelijk is om kamers om te klappen naar zelfstandig wonen zonder te hoeven verhuizen. Het is helpend om deze vastgoedopdracht te vertalen in een convenant met woningcorporaties, aanbieders van verhuur, zorgaanbieders en gemeenten. Gemeenten/jeugdregio’s moeten bereid zijn om plaatsingen vanuit andere jeugdregio’s (binnen Noord-Holland) toe te staan.
Dicht bij het netwerk is niet altijd binnen de regiogrenzen. Daarnaast is misschien een plek in een andere regio passender dan binnen de eigen regio gezien de samenstelling van de groep. Commitment van de individuele jeugdregio om kleinschalige woonvoorzieningen te ontwikkelen. In het hoofdstuk conclusies is het aantal benodigde woonvoorzieningen verder uitgewerkt per jeugdregio en voor de 8 jeugdregio’s gezamenlijk. Het gezamenlijk organiseren van een extra ondersteunende voorziening voor de 8 jeugdhulp regio’s met plaats voor 12 jeugdigen per ingang van 1-1-2023 conform de uitgangspunten zoals verwoord. Het gezamenlijk organiseren van kleinschalige voorzieningen voor homogene groepen op basis van beschikbaarheid voor de jeugdigen met loverboy problematiek. Het gezamenlijk organiseren van een meest passend aanbod voor jeugdigen met ernstige verslavingsproblematiek.
26
Hoofdstuk 5 Conclusie, data, tijdspad en vervolg 1. Conclusie In de voorgaande hoofdstukken is ieder hoofdstuk afgesloten met een paragraaf conclusies en besluiten. We zijn ons ervan bewust dat deze besluiten en dit plan ingrijpend zijn, veel vragen van de professionals die dagelijks in contact zijn met de jeugdigen en ook veel bestuurlijke moed vragen. Tegelijk constateren we dat veel van deze veranderingen in Noord-Holland gaande zijn. We constateren dat de gedragsregels waar we het plan mee begonnen op steeds meer plaatsen onderdeel worden van de dagelijkse praktijk. Inmiddels wordt op veel plaatsen meer vertraagd en verdragen dan voorheen. Niet in de laatste plaats omdat aanbieders, gemeenten en GI’s steeds minder vaak kiezen voor opname in een gesloten voorziening. Dit geeft druk in de uitvoering. Dit plan geeft volgens ons richting aan hoe gezamenlijk om te gaan met die druk, welke alternatieven ontwikkeld moeten worden. Dit betekent echter een continue verbouwing van het jeugdsysteem, hoewel ditzelfde systeem iedere dag moet leveren. Daarnaast zijn we binnen het “Thuis voor Noordje” afhankelijk van een goed ingerichte RETstructuur in Noord-Holland. 2. Data Kleinschalige woonvoorziening In de afgelopen periode is eveneens veel werk verricht aan dataonderzoek.
Want de doelgroep van kleinschalig wonen, zoals in hoofdstuk 4 beschreven is niet enkelvoudig uit systemen te halen. Hiervoor zijn in de afgelopen maanden op veel verschillende plaatsen onderzoeken gedaan en verricht. De gemeente Hoorn heeft gekeken naar hoeveel jeugdigen bij een zorgaanbieder verblijven en in welke vorm zij daar verblijven. Dit heeft het inzicht gegeven dat ongeveer 10% van de jeugdigen die verblijven bij een aanbieder, verblijven in een leefgroep. In de regio Zuid-Kennemerland en IJmond is in de afgelopen maanden gekeken naar de ontwikkeling van kleinschalige woonvoorzieningen voor de eigen regio en voor welke jeugdigen deze geschikt is en noodzakelijk. Zij kwamen in dit onderzoek dat voor 35 jeugdigen gesloten en open een kleinschalige woonvoorziening nodig is, dit gaf een inzicht in welk percentage van de jeugdigen mogelijk extra intensief zijn. Tenslotte is gekeken naar de data in Haarlemmermeer en Zaanstad om de cijfermatige conclusies te valideren. De uitkomsten van de gedane analyse sloot aan bij de verwachting van de jeugdregio of het door de jeugdregio eigen uitgevoerde onderzoek. Dit levert voor de jeugdhulpregio’s het volgende beeld op: Jeugdregio
Aantal jeugdigen in verblijf 2020
Amsterdam/Amstelland Zuid – Kennemerland IJmond Haarlemmermeer Zaanstreek/Waterland Alkmaar Kop van Noord-Holland West-Friesland Totaal
2140 380 375 270 695 645 525 625 5655
Aantal jeugdigen in verblijf “open en gesloten” in 2020 236 33 26 30 67 69 43 50 554
Aantal Aantal woonwoonvoorzieningen voorzieningen intensievere groepen 28 4 3 4 8 8 5 6 66
12 1,3 1,7 1,5 3,5 3,5 2,2 2,6 28,3
27
In sommige jeugdhulpregio’s is al begonnen met de realisatie van kleinschalige woonvoorzieningen. Er is begonnen met het realiseren van woonvoorzieningen voor jeugdigen met ernstige gedragsproblematiek. De groepsgrootte van deze voorziening is vaak 4 jeugdigen. Bij een goede groepsdynamiek kunnen er ook 6 jeugdigen verblijven binnen een kleinschalige voorziening. De inschatting van 66 woningen is daarmee gebaseerd op een groepsgrootte van 5. Deze transformatie wordt mede gefinancierd door de SPUK gelden die VWS beschikbaar heeft gesteld.
Extra ondersteunende voorziening (tijdelijk) Binnen het plan “Thuis voor Noordje” hebben we ook gekeken naar hoeveel jeugdigen buiten NoordHolland geplaatst zijn of doorgeplaatst zijn binnen Noord-Holland. Dit data-onderzoek hebben we gedaan voor 2020 en de eerste helft van 2021. In 2020 zijn 141 jeugdigen met een machtiging voor gesloten jeugdhulp geplaatst in Noord-Holland. Hiervan zijn 19 jeugdigen buiten de regio Noord-Holland geplaatst, bij andere JeugdzorgPlusaanbieders. Dit is 13% van het totaal. Daarnaast heeft er 8 maal een overplaatsing plaatsgevonden tussen JeugdzorgPlus-voorzieningen. De doorplaatsingen binnen de voorziening Koppeling hebben we hiermee nog niet in beeld, maar als we dezelfde verhoudingsgetallen gebruiken, zal dit ongeveer 14 jeugdigen betreffen. Dit betekent dat in 2020 ongeveer 33 jeugdigen een ander aanbod nodig hadden dan in Noord-Holland beschikbaar was. De cijfers voor de eerste helft van 2021 zien er anders uit. Er lijkt een afname in het totaal aantal plaatsingen in de JeugdzorgPlus. In totaal zijn er in het eerste en tweede kwartaal van 2021 61 jongeren geplaatst in de JeugdzorgPlus. Hiervan zijn 21 jeugdigen buiten de regio Noord-Holland geplaatst, bij andere JeugdzorgPlus-aanbieders. Dit is 34% van het totaal.
Het aantal doorplaatsingen naar buiten Noord-Holland is daarmee toegenomen maar het aantal verplaatsingen binnen NoordHolland is afgenomen. Een mogelijk verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat met de transformatie van het JeugdzorgPlus aanbod, er dus ook meer jeugdigen blijken te zijn waarvoor de kleinschalige vormen nog niet passend zijn. Uitgaande van de afgelopen twee jaar lijkt een extra ondersteunende voorziening in Noord-Holland voor 40 jeugdigen te voorzien in de vraag. Aangezien de verblijfsduur van deze jeugdigen gemiddeld korter dan 3 maanden is en er sprake is van een beperkt seizoenspatroon waardoor er geen grote schommelingen in de vraag is. Verwachten we dat een extra ondersteunende voorziening voor 12 jeugdigen afdoende is om de vraag vanuit de verschillende jeugdregio’s op te vangen. Uitgaande van een gemiddelde verblijfsduur van minder dan 3 maanden en een redelijk gelijkmatige spreiding over het jaar. Tijdspad en vervolg (implementatie, openstaande zaken) De beschreven beweging in dit bovenregionale plan een “thuis voor Noordje” wordt gedeeld door alle professionals die bij de workshops zijn betrokken en zoals vervolgens is besproken binnen de verschillende pijlers. Ten slotte is dit gezamenlijk besproken en gedeeld in de brede bestuurlijke netwerkbijeenkomst 10 december 2021.
In 2022 zal op verschillende punten formele besluitvorming en een vertaling in de jeugdhulpregio’s moeten plaatsvinden. Formele besluitvorming is nodig voor de volgende bovenregionale activiteiten: • •
Businesscase Kleinschalig Wonen opstellen. Voorbereiding businesscase Extra beschermende en ondersteunende Voorziening. 28
• • •
Aanpak en vormgeving triage en plaatsing Noord-Holland op onvoorwaardelijk wonen, inclusief monitoring van beschikbare plaatsen. Opzetten en vormgeven multi-disciplinair ambulante team(s) Noord-Holland. Inrichten en versterken netwerksamenwerking op schaal van Noord-Holland, inclusief de daarbij behorende governance afspaken.
De vervolgstappen die op het niveau van de individuele jeugdregio’s gezet moeten worden zijn: • • • •
Invoeren van het werken met een verklarende analyse in de eigen jeugdhulpregio. Versterken en verder vormgeven functies van het RET (regionaal en subregionaal). Vormgeven en realiseren van Kleinschalige woonvoorzieningen. Inregelen passende aanpak toekomstperspectief voor jeugdigen in kleinschalige woonvoorzieningen i.c.m. GI’s.
De jeugdhulpregio’s kunnen gebruik maken van de kennis en leerervaringen van de andere regio’s en de aanpak op deze wijze op elkaar afstemmen. Het is belangrijk dat deze afstemming bovenregionaal kan plaatsvinden.
29
Bijlage 1: Toelichting Verklarende Analyse Waarom een verklarende analyse? Een verklarende analyse wordt gemaakt: • Om met jeugdigen, ouders en professionals te werken vanuit een gedragen beeld over het ontstaan en voortbestaan van problematiek en aanknopingspunten te bieden om concreet aan de slag te gaan met de hulpvraag van de jeugdige, ouders en/of opvoeders. • Op basis daarvan zo doeltreffend mogelijk een passende aanpak te vinden bij complexe meervoudige problematiek. Wat is een verklarende analyse? Een verklarende analyse brengt de oorzakelijke invloeden en omstandigheden in kaart die een rol spelen in het ontstaan en in stand houden of verergeren van de problematiek. Het gaat om zowel de contextuele factoren als de persoonskenmerken van de betrokkenen. Waarom speelt deze problematiek: • Op dit moment • Bij deze jeugdige • In dit systeem • In deze sociaal – maatschappelijke, culturele en religieuze context Vervolgens wordt gekeken waar aanknopingspunten liggen voor verandering op basis van de mechanismen die een rol spelen in: • Het ontstaan van problematiek • Het in stand houden van problematiek • Het verergeren en waar mogelijk verminderen van de klachten Een verklarende analyse is respectvol, ontschuldigend, opgesteld in begrijpelijke taal, motiverend en gedragen door jeugdige en/of ouders/opvoeders en beroepskrachten.
Het maken van een verklarende analyse kent verschillende fasen; informatie verzamelen/betrokkenen interviewen, ordenen/analyseren, bespreken en verrijken met ouders en/of jeugdigen en betrokkenen. De zorgen, klachten en wensen zijn geformuleerd in de woorden van de verschillende betrokkenen. De informatie heeft relevantie voor de besluitvorming over de doelen en keuze van interventies en de samenvatting is een puntsgewijze opsomming van informatie van gelijke orde. De basis van een verklarende analyse wordt gevormd door: • Analyse van de hulpvraag: een duidelijk beeld van de hulpvraag en klachten. Er is concreet verwoord wat de zorgen, vragen, klachten en moeilijkheden zijn van de betrokkenen, en wat voor hen prioriteit heeft om mee aan de slag te gaan, wat hun wensen zijn en welk perspectief gewenst is. Dit is geformuleerd in de woorden van de verschillende betrokkenen. Op die manier voelen jeugdigen, ouders/opvoeders zich echt gehoord en gesteund en is de kans groter dat zij zich ook kunnen herkennen in de analyse van de problemen of moeilijkheden. • Probleem- en krachtenanalyse: een ordening van (probleem)gedrag, risico- en beschermende factoren t.a.v. de jeugdige en zijn/haar systeem. Dit kan bij enkelvoudige problematiek afdoende zijn en leiden tot inzet van een passende interventie. 30
Bij complexe meervoudige problematiek waarbij een directe stap van probleem naar protocol of methodiek niet succesvol is geweest of zal zijn is het van belang dat er altijd een volgende stap wordt gezet, een gedeelde verklarende analyse: • Gezamenlijke gedeelde weergave van getoetste hypothesen over het ontstaan, in stand houden, verergeren van en verminderen van het onderkende probleem, gericht op een passende aanpak op basis van de verklarende mechanismen.
31
Bijlage 2: Toelichting: Kleinschalig Onvoorwaardelijk wonen Leefklimaat Het leefklimaat is positief en veilig (‘veiligheid bieden’, maar ook om ‘veiligheid ervaren’ door rust, overzicht, duidelijk en voorspelbaarheid) met ruimte voor individuele en persoonlijke aandacht voor de jongeren, hun gezin en het netwerk. Het team Het team bestaat uit een beperkt aantal vaste specialistische opvoeders die veel nabijheid en continuïteit bieden en die de-escalerend kunnen werken en veel kennis en kunde hebben op het gebied van gedragsproblematiek en trauma. Een team kan stabiliteit bieden door zo min mogelijk verschillende medewerkers in te zetten zodat er meer continuïteit in de begeleiding kan zijn. Jeugdigen hebben het nodig om positieve relaties op te bouwen met begeleiders om weer vertrouwen te krijgen in volwassenen en in hun toekomst. Een goed functionerend team bestaat over het algemeen uit heel verschillende mensen. Omdat de wensen van een jeugdige kunnen verschillen, biedt diversiteit in de opvoedersgroep hen meer keuze. Daarnaast is het van belang dat er een goede match is in het team, dat er onderling een hechte band is en dat de teamleden vertrouwen op elkaars expertise en werkwijze. Zij moeten immers telkens weer gezamenlijk nadenken over wat het beste is voor deze jeugdige op dit moment. Samendragen medewerkers zorg voor continuïteit en een goed leefklimaat.
Er wordt gewerkt vanuit de interactie en de relatie met de bewoner. Het gaat om de sfeer en de behoefte en wens van de jeugdige. Dit kan een andere houding van het personeel vragen. Een beperkt aantal vaste specialistische opvoeders die veel nabijheid en continuïteit bieden en die de-escalerend kunnen werken. Kennis en kunde bij het personeel over trauma-sensitief handelen, relatiegerichte hulpverlening, herstelgerichte benadering en werken vanuit de vraag van de jeugdige en zijn/haar gezin leiden tot een beter leefklimaat en meer motivatie bij de jeugdige. Vanuit een Thuis voor Noordje willen we graag een uitwisseling op schaal van Noord-Holland over de trainingen en methodieken waar groepsleiding mee geschoold wordt, zodat we met elkaar hiervan kunnen leren en kunnen komen tot een standaard. Bij zeer prikkelbare jeugd in combi met agressie: Klein en stabiel team met kennis van ASS problematiek en traumabehandeling en LVB. Personeel met benodigde expertise/ervaring. Systemisch werken. Een vaste pool van invallers aan het wonen koppelen om bij ziekte of anderszins het team te hulp te schieten. Teams hebben specialistische ondersteuning en teamcoaching nodig om dit werk vol te houden. Ook is professionele hulp ten behoeve van kinderen en jongeren noodzakelijk en bij voorkeur alle dagen en avonden beschikbaar.
Jeugdigen met een afhankelijkheidsrelatie: Een team, dat werkt vanuit de relatie, sensitief, responsief, voorspelbaar en stabiel is. Een team dat een lange adem heeft, niet in paniek raakt. Bij 100x keer weglopen, een jongere welkom thuis heten. Een team moet kunnen prikkelen, doorvragen zodat achterliggende problematiek naar boven komt. Expert op het team. Cultuursensitief werken met ouders. Intensieve samenwerking met mensenhandeltafel. Jeugdigen met verhardende en vermijdende kenmerken: Een (groot) team met o.a. ervaringsdeskundigen. Focus op relatie en onderliggende problematiek. En daarnaast helder over hoe zij handelen als een jeugdige strafbare feiten pleegt (zowel intern als in de 32
maatschappij). Een team dat het leuk vindt om met deze doelgroep te werken. Streetwise benadering, echt luisteren en oprecht zijn. Life coach om samen het toekomstperspectief op te stellen. Goede relatie met politie en reclassering. Vrije tijdsbesteding Een ander aspect waar binnen de kleinschalige woonvormen in geïnvesteerd moet worden is de vrije tijdsbesteding. Een goede vrije tijdsinvulling voor jeugdigen zorgt voor minder escalaties. Het verzorgen van een goede invulling van de vrije tijd is een verantwoordelijkheid van de woonvorm. Uitgangspunt is dat de woonvorm toewerkt naar ‘inclusie’, en daarmee zoekt naar mogelijkheden voor jeugdigen om deel te nemen aan het normale ‘sport- en verenigingsleven’ in het dorp/stad. Al dan niet begeleid door personeel van de woonvorm. Hierbij is het belangrijk om aan te sluiten bij de interesses van de jeugdigen. Soms is deelname aan het normale sport- en verenigingsleven niet mogelijk vanwege het gedrag van een jeugdige. Dan draagt de kleinschalige woonvorm zorg voor een aanbod in de voorziening. Ook hierbij wordt aangesloten bij de interesses van de jeugdigen. Het vorm geven van vrijetijdsbesteding in kleinschalige woonvormen is minder eenvoudig en kostbaarder dan in grootschalige voorzieningen. Een systeem waarbij materiaal tussen kleinschalige woonvormen wordt uitgewisseld kan kosten drukken.
Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van vrijwilligers en jongerencentra in de omgeving. Daarnaast is het belangrijk dat de lokale toegang wordt aangehaakt, zodat zij ook mee kunnen denken in mogelijkheden. Huisvesting en inrichting De kleinschalige woonvorm is een huiselijk, gezinsgericht pand, gelegen in een omgeving die inclusie in de maatschappij bevordert. Soms zijn er redenen voor een kleinschalige woonvorm op het huidig terrein van een jeugdzorginstelling (nu nog met mogelijkheid van onderwijs10, ondersteuning van professionals dichtbij) en soms voor een vestiging in een woonwijk (zo normaal mogelijk). De voorkeur heeft de woonwijk. Door de ligging van een kleinschalige voorziening, geïntegreerd in een woonwijk, kunnen kinderen en jongeren de binding met de maatschappij aangaan. De toegang tot buren, lokale scholen, winkels, sport en andere vormen van vrijetijdsbesteding maakt het leven ‘zo gewoon mogelijk’. Jeugdigen kunnen zelfstandig in- en uitlopen. Het zijn geen stand alone voorzieningen. Dat betekent idealiter dat binnen loopafstand een tweede kleinschalige woonvorm zit. Aanpalend aan de woonvorm met 4 plaatsen zijn bij voorkeur één of meerdere units en/of één of meerdere kleine appartementen in de nabije omgeving waar jeugdigen in groeiende zelfstandigheid kunnen wonen. De inrichting van een huis is ook belangrijk voor de sfeer.
Een huiselijke omgeving waarin kinderen en jongeren zich veilig voelen. Dit kan bevorderd worden door materiaalgebruik (zachte vloeren sfeervolle verlichting) en een eigen kamer die ze naar eigen wensen kunnen inrichten en een plek is waar zij zich kunnen terugtrekken of kunnen oefenen in het zelfstandig leren wonen. Bij zeer prikkelbare jeugd in combi met agressie: Eigen ruimte om terug te trekken, zonder dat de jongeren wordt geïsoleerd. Geen stand alone, buiten wijken of op een instellingsterrein.
10
Als de ontwikkeling naar kleinschalige woonvoorzieningen zich doorzet is het in de toekomst niet langer mogelijk om “eigen” onderwijs instellingen vorm te geven.
33
Jeugdigen met een afhankelijkheidsrelatie en verhardende en vermijdende kenmerken: Eigen studio of een huis met eigen ruimte waar ze ook zelfstandig kunnen worden, dit i.v.m. doorgroei naar zelfstandigheid. Bij voorkeur niet in de buurt van in de grote steden Jeugdigen met chronische suïcide: Eigen slaapkamer met een slimme inrichting, doorgroeimogelijkheden naar zelfstandigheid Ondersteuning voor kleinschalige woonvormen Teams hebben specialistische ondersteuning en teamcoaching nodig om dit werk vol te houden. De ontwikkeling van een team behoeft veel aandacht. Begeleide Netwerkintervisie Medewerkers noemen het werken in een kleinschalige groep ‘best vaak eenzaam’. Ze beschrijven de steun van hun partner thuis, van het centrale management en van collega’s op andere leefgroepen en afdelingen als onmisbaar. De medewerkers geven aan veel baat te hebben bij contact met ‘collega’s’ binnen en buiten de organisatie. Hiervoor zijn bij BEN gelden aangevraagd met als doel een proces van collegiale uitwisseling en ondersteuning tot stand te brengen voor enerzijds specialistische opvoeders en anderzijds behandel coördinatoren van kleinschalige woonvormen door heel Noord-Holland, met als doel ervaringen te delen, samen leren om stand te houden en kwaliteit toe te voegen aan de begeleiding van jeugdigen met meervoudige en complexe problematiek.
Ondersteuning voor de individuele medewerker of het team Jeugdigen worden soms uitgeplaatst uit kleinschalige voorzieningen omdat begeleiding hun gedrag niet voortdurend kan hanteren of verdragen. De hulp voor deze jeugdigen is intensief en soms erg uitputtend. Het team zelf moet verder ondersteund worden. Uitgaande van een goede basisbezetting zou er aandacht kunnen zijn voor het organiseren van time-outs voor de begeleiding. Zodat zij op adem kunnen komen, opnieuw kunnen leren verdragen. Daarnaast kan als gevolg van emotioneel belastend gedrag door jeugdigen gerichte mentale ondersteuning nodig zijn (agressie, suicide, etc.). Ook is professionele ondersteuning ten behoeve van kinderen en jongeren noodzakelijk en bij voorkeur alle dagen en avonden beschikbaar. Ambulante therapie voor de jeugdigen De reden dat jeugdigen vaak ontsporen, ook in kleinschalige woonvormen en daar ongewenst gedrag vertonen, komt voort uit onderliggende problematiek bij de jeugdige zelf. De behoefte aan ondersteuning ligt in direct beschikbare therapie. Dit geldt voor vele vormen van therapie maar vooral voor traumabehandelingen. Deze therapie kan/moet zowel kortdurend intensief (enkele weken meerdere uren per dag) als langdurig eenmaal per week beschikbaar zijn voor deze jeugdigen. In Noord-Holland blijken echter weinig behandelaren opgeleid in het bieden van evidence-based traumabehandelingen.
Dit betekent dat er behandelaren opgeleid moeten worden. Een ambulant team met experts verstevigt behandeling van de problematiek van de jeugdige Begeleiders kennis geven over specifiek gedrag van jeugdigen op de kleinschalige voorzieningen Daarnaast moet de hulp in kleinschalige voorzieningen versterkt worden door kennis over specifieke aandoeningen of gedrag aan de kleinschalige voorzieningen toe te voegen. Expertisegebieden die nu 34
worden gemist zijn verslavingszorg, forensische zorg, kennis over autisme en het kunnen inrichten van een voorziening op de behoefte van jeugdigen met autisme. Het beschikbaar maken van deze kennis geeft handvatten aan de begeleiding om vol te houden.
35
Bijlage 3: Toelichting Huidig aanbod JeugdzorgPlus In onderstaande tabel hebben wij de verschillende subgroepen onderscheiden waar we in de huidige JeugdzorgPlus moeite mee hebben, waar we nog geen goed aanbod voor hebben. Dit zijn subgroepen die we daardoor regelmatig overplaatsen, ook wel buiten de provincie. Terwijl we ook daar het aanbod kwalitatief niet altijd voldoende vinden. Per subgroep geven we hieronder weer ‘wat wel en niet helpend is’ voor deze subgroep. Tabel 1: subgroepen JeugdzorgPlus waar we nog geen goed aanbod voor hebben Waarop vastlopen in huidige kleinschalig heid?
Subdoelgroep
Wat helpt niet? Wat is nodig? Wat is helpend?
Verslaving op de voorgrond, (daaronder liggen allerlei andere problemen)
Wat helpt niet: Ø Dwang helpt niet. Als er geen interne motivatie is om te stoppen dan wel in gesprek blijven maar iemand niet dwingen tot stoppen. Verplicht afkicken helpt dus niet, ook niet in de kleinschalige JZ+, ook niet in een extra beveiligde voorziening. Ø Harde consequenties helpen niet, omdat het kind zichzelf dingen aan doet (het zal daar door harde consequenties niet mee stoppen. Tenzij het kind ook ernstig crimineel gedrag, forse inpandige agressie, etc. vertoont. In dat geval valt het kind ook in de doelgroep ‘verharde vermijdende kinderen’, zie hieronder) Ø Bij ernstige verslaving is het moeilijk voor een kind, om na afkick, in een omgeving te zijn waar veel gebruikt wordt. De verleiding is dan erg groot. Wat helpt: Ø Contact maken, hier heel veel moeite voor doen. Risico’s nemen door vanuit een vertrouwensband en contact kind in beweging te krijgen. Risico’s nemen kan ook betekenen dat je een kind letterlijk ‘verliest’, of dat problemen in eerste instantie verslechteren. Ø Verslaving is een symptoom. Afkicken alleen is daarom bedreigend, dan komen de onderliggende problemen namelijk bloot te liggen en dat is heel stressvol en pijnlijk. Altijd ook iets doen aan onderliggende individuele problemen, systeemproblemen, onderwijsproblemen en problemen in de bredere context.
Vaak onderliggend ADHD, trauma’s (dus traumabehandeling), persoonlijkheidsstoornissen, hechtingsproblematiek. Ø Zodra een kind wil afkicken is er motivatie. Dan kan een specialistische behandeling hierop ingezet worden. Afhankelijk van de ernst kan dit ambulant of in een opname zijn. Een opname duurt ongeveer 8 weken, is dus vrijwillig omdat een kind motivatie heeft, en vindt dus niet plaats in de kleinschalige JZ+. Hiervoor zijn speciale programma’/opnames beschikbaar buiten de provincie NH. Eerst vindt de somatische afkick plaats (ontgifting), vervolgens wordt gestart met behandeling ter voorkoming van terugval. Belangrijk is dat- na opname in een dergelijk programma- aansluiting gevonden wordt op de woonvorm van het kind (thuis, open, kleinschalige JZ+), zodat de plek waar het kind uiteindelijk weer gaat wonen echt kennis heeft van hoe het kind verder te helpen om clean te blijven, hoe om te gaan met terugval, e.d. Het ‘afkicken’ is dus een onderdeel van de totale behandeling en kan niet losstaand plaatsvinden.
Ø Ervaringsdeskundigheid inzetten, ook in de kleinschalige JZ+ Ø Expertise op gebied van verslaving toevoegen aan waar het kind woont of naar school gaat Ø De omgeving waarin het kind woont, naar school gaat of behandeld wordt uitleg geven over verslaving en hoe hiermee om te gaan, zodat triggers herkend worden en het kind niet onbedoeld in te moeilijke situaties wordt gebracht. Ø Accepteren dat terugval een onderdeel is van verslaving. Een kind kan dus meerdere malen behandeling krijgen of opgenomen worden. Onderwijs: Ø Afkicken (duur 2 tot 4 weken, volgens een afkickprogramma) vindt plaats op vrijwillige basis buiten de kleinschalige JZ+: dan geen onderwijs, veel bewegen, alsmede ontspanning, want er vindt ontgifting plaats. Ø Bij terugplaatsing in de kleinschalige JZ+ wordt onderwijs vormgegeven aangepast op wat het kind dan kan, net als dat dit geldt voor andere kinderen in de kleinschalige JZ+. Wat helpt niet: Ø Meisjes die seksueel norm overschrijdend gedrag vertonen - maar zonder afhankelijkheidsrelatie - plaatsen tussen meisjes die in een afhankelijkheidsrelatie/loverboycircuit zitten. Dit roept heel veel weerstand op bij de meisjes die niet in een afhankelijkheidsrelatie zitten.
Wat helpt: Ø Goed onderscheid maken in deze doelgroep: a) Is dit een kind dat vanuit afhankelijkheid seksuele handelingen verricht, waarbij het kind vanuit die afhankelijkheid geen andere keuze meer ervaart (al dan niet onder betaling, al dan niet vanuit angst). B) is dit een kind dat makkelijk seksuele handelingen verricht omdat dat past bij haar eigen normen, maar zit er niet
Veelvuldig weglopen en daardoor niet ‘in contact’ kunnen komen met deze subdoelgro ep
Loverboyproblematiek, afhankelijkheidsrelaties, prostitutie
36
Ø
Ø
Loverboyproblematiek, afhankelijkheidsrelaties, prostitutie i.c.m. licht verstandelijke beperking en/of autisme
per se een afhankelijkheid achter. (Groep a valt onder loverboyproblematiek, groep b kan in een kleinschalige (opener) JZ+ opgevangen worden) Tijdelijk extra veiligheid bieden tav wonen en onderwijs (inpandig) in de fase dat dit nodig is, wanneer een kind nog niet uit het prostitutienetwerk wil of kan. Dan moet het kind niet weg kunnen lopen van zijn woon-/behandelplek of uit het onderwijs. Geen toegang hebben tot social media, etc. Duur: 3 maanden. Daarna meer openheid bieden, en bij terugval weer kortdurend meer geslotenheid bieden. Beide liefst vanuit hetzelfde pand, met dezelfde begeleiders die het kind goed kennen. Direct traumabehandeling beschikbaar hebben.
Onderwijs: Ø Onderwijs op niveau aanbieden. Binnen deze doelgroep betreft het regelmatig kinderen die functioneren op HAVO-VWO niveau. Zij zouden inpandig onderwijs op hun niveau aangeboden zouden moeten krijgen tijdens hun opname. Dan lopen ze geen achterstanden op. Ø Wat helpt niet: Ø Meisjes die seksueel norm overschrijdend gedrag vertonen - maar zonder afhankelijkheidsrelatie - plaatsen tussen meisjes die in een afhankelijkheidsrelatie/loverboycircuit zitten. Dit roept heel veel weerstand op bij de meisjes die niet in een afhankelijkheidsrelatie zitten. Wat helpt: Ø Tijdelijk extra veiligheid kunnen bieden tav wonen en onderwijs(inpandig) in de fase dat dit nodig is, wanneer een kind nog niet uit het prostitutienetwerk wil of kan. Dan moet het kind niet weg kunnen lopen van zijn woon-/behandelplek of uit het onderwijs. Duur: 5 maanden. Daarna meer openheid bieden, en bij terugval weer kortdurend meer geslotenheid bieden. Beide liefst vanuit hetzelfde pand, met dezelfde begeleiders die het kind goed kennen. Ø Het behandelprogramma moet aangepast worden op hun leervermogen. LVB: Het kan helpend zijn voor sommige kinderen om hen met kinderen van gelijke intelligentie op een groep te plaatsen, zodat het gevoel van falen minder getriggerd wordt. ASS: Niet voortdurend vragen naar gevoel e.d. Zij voelen minder goed aan dat de intenties van de ander niet goed zijn.
Juist helder zijn over: wat de maatschappij vindt, helpen signalen te zien, etc. Ø LVB: Accepteren dat deze kinderen kwetsbaarder zijn vanwege hun geringere intelligentie. Terugval moet gezien worden als onderdeel van hun traject. Behandelaren, ouders, GI, omgeving moet hier niet van schrikken, of dit veroordelen. Ø ASS: Accepteren dat deze kinderen kwetsbaar zijn vanwege het feit dat zij signalen van anderen minder goed begrijpen. Terugval zien als onderdeel van hun traject. Ø Een deel van deze kinderen moet langdurig (meerdere jaren) in een beschermde omgeving kunnen wonen, waar veel steun en toezicht is. Onderwijs: Ø LVB: Vanwege hun geringe intelligentie moet onderwijs op hun niveau aangeboden worden. Dit vraagt ook om praktijklokalen passend bij hun interesses, e.d. Ø ASS: zijn regelmatig gemiddeld intelligent. Het onderwijs hierop aanpassen, ook als dit inpandig geboden moet worden, zodat ze wel op hun niveau les kunnen krijgen.
Zeer prikkelgevoelige kinderen (autisme, chronisch trauma, licht verstandelijke beperking) Forse fysieke inpandige agressie
Verharde en vermijdende
Wat helpt niet? Wat helpt? Ø ASS + LVB + Chronisch trauma: Beperking van de prikkels waardoor draagkracht afgestemd wordt op het individuele kind. Dit kan zijn: met minder kinderen op een groep, meer buiten zijn, onderdelen van de dag zich kunnen terugtrekken (dus voldoende inpandige ruimte waarin dit kan), aantal taken/activiteiten op een dag verminderen, minder dingen samen met groepsgenoten hoeven doen, minder ‘druk’ voelen om te presteren/te ‘moeten’, faalervaringen voorkomen, laten ervaren dat ze belangrijk zijn en iets kunnen, etc. Ø Indien ondanks beperking van de prikkels forse inpandige agressie blijft bestaan dan veiligheid bieden aan andere kinderen en personeel door het kind tijdelijk te plaatsen in een extra aangepaste omgeving waar deze agressie wel gehanteerd kan worden. De oorspronkelijke omgeving krijgt dat de tijd om zich in te richten (zich in te richten) op de terugkomst van het kind. Ø Zo snel mogelijk traumabehandeling bieden bij chronisch complex trauma. Bij voorkeur een intensieve traumabehandeling zodat er sneller verbetering ervaren wordt. Ø Traumabehandeling bieden aan ouders. Vaak is er sprake van intergenerationele overdracht van trauma. Anderzijds zijn ouders ook vaak getraumatiseerd geraakt door de agressie van hun kind.
Ø In de tijdelijk extra aangepaste omgeving ook een goede omschrijving maken van hoe de oorspronkelijke omgeving zich kan aanpassen op de terugkomst van het kind. Onderwijs: Ø Onderwijs geheel op maat aanbieden: op het niveau van het kind, passend bij de interesse van het kind, in een context die past bij de prikkelgevoeligheid van het kind, aantal uur onderwijs dat past bij de belastbaarheid van het kind op dat moment. Ø Zorgen voor veel onderwijs gerelateerde activiteiten in de buitenlucht, buitenruimte, fysiek aan de slag, met dieren, etc. Wat helpt niet:
37
kenmerken, vaak justitieel ‘randje’
Ø Ø
Ø
Ø
Ø
Te snel stoppen in ambulante vormen (zoals bijv. MST, MDFT, RGT, FACT) als er agressie speelt. Hoe meer deze kinderen uit de maatschappij geduwd worden, hoe meer verhard zij worden. Uit hun ‘leefwereld’ halen, zolang er een klein beetje motivatie om te veranderen is. Liever weten dat zij delicten plegen, en met hen spreken over de oorzaken en de korte en lange termijn gevolgen van hun gedrag, dan de verwachting hebben dat een uit huis plaatsing alle delicten kan voorkomen. De taak om de maatschappij te beschermen neerleggen bij de hulpverlening. De maatschappij beschermen is een taak van de politie. Deze taak moet niet bij de hulpverlening neergelegd worden. Dan wordt een opname namelijk een straf en een ‘verkapte gevangenis’. Opname doorzetten terwijl het kind eigenlijk geen interne motivatie ontwikkelt. Dan lijkt de opname zinvol omdat het kind tijdens de opname ‘meedoet, maar wel veel incidenten veroorzaakt’. Maar ondertussen gebruikt het kind de opname als een ‘dak boven zijn hoofd’ van waaruit delicten gepleegd kunnen worden waar niet direct een langdurige gevangenisstraf op staat. En zodra de opname beëindigd wordt, bijvoorbeeld als kind 18 jaar is, is hij niet werkelijk veranderd en pakt hij zijn oude leven weer op. Een extra beveiligde voorziening creëren. Deze bestaat immers al in de vorm van de jeugdgevangenis of kleinschalige JJI.
Wat helpt: Ø Zo lang mogelijk thuisbehandeling bieden middels goede systeeminterventies (MDFT, MST, RGT, etc.). Door medewerkers die kennis hebben van deze ‘forensische’ doelgroep. Ø Een persoon bieden waarin het kind vertrouwen krijgt. Deze persoon is outreachend, schrikt niet van agressie of vermijdingsgedrag. Ø Oog hebben voor de gehele gezinscontext, en hier op aansluiten en in ondersteunen. Vaak speelt er armoede, huisvesting, werk, gezondheid, eigen problematiek van de ouders/andere gezinsleden. Ø Zinvolle dag invulling bieden. Iets waar zij interesse in hebben, of waarmee ze hun geld kunnen verdienen. Als dit onderwijs is, dan onderwijs. Als ze hier geen interesse voor hebben, dan vooral bieden waar ze wel interesse voor hebben (intern traineeship in een bedrijf, etc.) Ø Indien opname in de JZ+ nodig is, dan in een aparte kleinschalige JZ+-unit, met alleen verharde kinderen. Want deze kinderen zijn erg ontregelend voor kinderen die niet verhard zijn. Ø In deze kleinschalige JZ+unit werken medewerkers die getraind zijn in intensieve systeembehandelingen zoals MDFT, MST, RGT. Personeel is getraind door mensen met forensische expertise en krijgen jaarlijks boostertrainingen. Ø Het doel van de kleinschalige JZ+unit is: ‘terug naar huis’ werken. Daar moet de focus op liggen, en daar moet ook de behandeling op gericht zijn.
Kinderen die echt niet terug naar huis kunnen mogen blijven wonen in de kleinschalige JZ+unit, ook als de machtiging gesloten vervalt. Ø In de kleinschalige JZ+unit een scheiding maken: zeer verharde kinderen die echt niks willen op geen enkel vlak tegenover kinderen waarbij nog een sprankje contact en motivatie mogelijk is. Dus: mate van ‘verharding definiëren en dus ‘mate van bereikbaarheid voor hulpverlening/steun en verandering’. Ø Sprankje contact: dan warm op de relatie maar hard op de inhoud. Relatiegerichte benadering, maar wel kaders stellen, en bij overtreding hier consequenties op laten volgen (lik op stuk, ook in de vorm van aangiftes). Bij deze doelgroep heeft zwaar en streng inzetten op voorkomen van verder delict gedrag nog zin. Ø Bij deze doelgroep vooraf aangeven dat overal aangifte van gedaan wordt, en dit ook doen. Dat biedt voorspelbaarheid, ervaren zij als ‘straight’. Na een aangifte wel nieuwsgierig zijn naar het verhaal erachter. Ø Bij zeer verharde kinderen waarmee geen contact ontstaat: altijd de reden achterhalen waarom zij verhard zijn, waarom ze ‘niets lijken te geven om hulp van anderen’. Dit biedt soms toch een ingang. Ø Aangiftes doen. Bij meerdere aangiftes aansturen op een reclasseringsmaatregel, zodat uiteindelijk de opname doorgezet kan worden in een jeugdgevangenis, of kleinschalige JJI.
Ø Als er in de kleinschalige JZ+ geen motivatie ontstaat dan stoppen met de opname door machtiging gesloten te schorsen, terug naar huis laten gaan, met systeembehandeling (MST, MDFT, RGT). Dan heeft JZ+ feitelijk geen zin vanwege ontbreken interne motivatie. Anders wordt het een dure plaatsing tot aan 18e levensjaar, die ze ‘uitzitten’. Onvoldoen de gezamenlijk kunnen verdragen van risico’s
Chronische suïcidaliteit en automutilatie
Wat helpt niet: Ø Het kind alles afnemen waarmee het zichzelf kan beschadigen of een suïcidepoging kan doen. Of opsluiten zodat het zichzelf niet kan beschadigen of een suïcidepoging kan doen. Zelfbeschadiging en chronische suïcidaliteit komen voort uit spanning en stress. Zelfbeschadiging is een inadequate manier om de spanning en stress te verminderen. Door het wegnemen van spullen waarmee een kind zich kan beschadigen loopt de spanning en stress verder op. Waardoor de kans op zelfbeschadiging en suïcidepogingen toeneemt. Daarnaast bij ‘alles wegnemen’ onbedoeld de boodschap aan een kind meegegeven dat zij het niet zelf kan oplossen, zij een ander nodig heeft om de regie over te nemen, wat een negatieve uitwerking heeft op het zelfbeeld. Wat helpt: Ø Behandeling bieden door de J-GGZ. Ook in geval van agressie, LVB, ASS of forse vermijding mag de J-GGZ niet uitwijken naar de JZ+. Dus altijd J-GGZ behandeling toevoegen daar waar het kind woont. Ook bij agressie, LVB of extreme vermijding.
38
Ø Ø Ø Ø
Ø Ø Ø
Soms heeft thuis even ‘lucht’ nodig. Dan het kind enkele dagen of weken opnemen op een open behandelgroep in de J-GGZ. Daarna weer terug naar huis met J-GGZondersteuning. Soms is een langerdurende opname nodig. Ook deze vindt plaats in de J-GGZ. Chronische suïcidaliteit en automutilatie zijn geen redenen meer om iemand in de kleinschalige JZ+ te plaatsen. Deze kinderen worden binnen de J-GGZ geholpen. Gezamenlijk risico’s afwegen en dragen (aanbieder, ouders, GI, J-GGZ). Dit betekent een beleid waarbij het kind geen materiaal ontnomen wordt waarmee het zichzelf kan beschadigen, maar het kind zelf regie heeft over of het dit materiaal afgeeft of niet. Hierbij accepteren dat het bieden van volledige veiligheid gepaard gaat met het ontnemen van regie bij het kind, en op de lange termijn gepaard gaat met verslechtering van het beeld. Accepteren dat je een kind ook kunt ‘verliezen’ doordat je afgewogen risico’s met elkaar neemt. Deze afgewogen risico’s samen verdragen t.b.v. vergrote kans op positieve uitkomst. Intensieve traumabehandeling direct beschikbaar hebben. Kinderen die op het punt staan uit huis geplaatst te worden of gesloten opgenomen te worden moeten voorrang krijgen op wachtlijsten binnen de J-GGZ. Getraumatiseerde ouders? Dan deze ook behandelen, zodat trauma’s niet verder doorgegeven worden aan het kind. Hiervoor voorrang geven op wachtlijsten.
Onderwijs: Ø Bieden van perspectief door onderwijs aan te bieden op het niveau van het kind, en in een context die gericht is op inclusie, normalisatie en ontwikkeling.
Veroordelin g door groepsgeno ten vanwege ernstig seksueel grensovers chrijdend gedrag Forse agressie of forse angst, maar door taalbarrière geen behandelin g kunnen bieden
Wat helpt: Ø Zachte omgeving met lotgenoten (aparte unit) zodat kinderen hun ervaringen durven delen. Onderwijs: Ø Op niveau van het kind.
Vluchtelingen met forse agressie of forse angst, die Nederlandse taal niet spreken, zonder verblijfsstatus
Wat helpt niet: Ø Voortdurend verplaatsen van deze kinderen Ø De perspectiefloosheid leidt tot somberheid, angst, depressie (Mag ik in Nederland blijven, ook na mij 18e? Ben ik in staat een diploma te halen, en heb ik daar wat aan als ik toch teruggestuurd word? Waar kan ik voorlopig wonen? Etc.). Wat werkt wel: Ø Een omgeving bieden waarin het kind de taal begrijpt en er rekening gehouden wordt met zijn culturele achtergrond. Wanneer dit geboden wordt, ontstaat er meer duidelijkheid voor het kind, waardoor stress en spanning verminderen. Ø J-GGZbehandeling bieden alsmede ondersteuning. Cultuursensitief en in eigen taal. Ø Perspectief over al dan niet in Nederland mogen wonen moet snel duidelijk worden. Ø Traumabehandeling direct beschikbaar Onderwijs: Ø Laten werken, zodat zij geld kunnen verdienen om in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, of hun familie in land van herkomst geld kunnen sturen. Ø Indien zij onderwijs wensen dit niet alleen in het Nederlands aanbieden, maar zeker ook Engelstalig onderwijs bieden als zij geen verblijfsstatus krijgen.
39
Bijlage 4: Uitwerking van een Thuis voor Noordje voor SWV’s en scholen Wat is de kwestie? Het gaat om de landelijke afbouw van de bovenregionale open en gesloten residentiële instellingen voor kinderen en jongeren die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. Tot nu toe wordt de combinatie van zorg en onderwijs grotendeels buiten de scholen en de swv’s om geregeld. In Noord Holland Noord, Amsterdam en Zuid-Kennemerland loopt deze afbouw al. Er vindt een ombouw plaats van grootschalige residentiële voorzieningen plaats naar kleinschalige, vooral lokaal gesitueerde, woonvoorzieningen, waarbij de huisvesting en de zorg door de gemeenten geregeld wordt en het onderwijs door de scholen en de samenwerkingsverbanden. Er zal ook een klein aantal bovenregionale voorzieningen blijven, voor specifieke doelgroepen. Waarom gebeurt dit? We vinden het niet meer acceptabel dat jongeren vanwege ernstige psychische problemen in een gesloten setting verblijven. Ook vinden we het belangrijk dat het aantal suïcidepogingen onder jongeren in de gesloten jeugdzorg teruggebracht wordt. Door een ander leefklimaat en een daarop aangepaste bejegening te bieden wordt dat tegengegaan. Kleinschalige open voorzieningen (4 tot 6 jongeren) vormen voor de meeste jongeren een goed alternatief. Hoe ver staat het? In Noord-Holland is al afbouw gaande. Hier en daar zijn initiatieven voor ombouw gestart.
Maar grotendeels is de verkenning en fase van planvorming nu net afgerond en gaat de fase van uitvoering van start. Een projectteam heeft de verkenning en planvorming gedaan, met input en instemming van een aantal bestuurders van de gemeenten, de grote zorginstellingen en de samenwerkingsverbanden. Tot nu toe zijn de schoolbesturen en de scholen nog niet verbonden evenals sommige gemeenten. Welke vraagstukken staan nog open? • Om welke kinderen en jongeren gaat het precies? Waar verblijven ze nu? Hoeveel zijn het er? Wat zijn hun ondersteuningsvragen? Deze informatie is nu niet volledig voor de swv’s en de scholen beschikbaar, maar zou wel bekend moeten zijn bij de gemeenten en de instellingen. Om te kunnen inschatten wat er door de scholen en swv’s georganiseerd moet worden, is deze informatie van belang. • Hoe krijgen we de gemeenten die nog niet verbonden zijn geactiveerd? En hoe komen er goede plannen tussen samenwerkingsverbanden, scholen, gemeenten en zorginstellingen tot stand.
• Hoe maken we de schoolbesturen en de scholen bewust van deze opdracht en betrekken we ze bij de uitvoering? Aan wie is het om dat te doen? • In hoeverre is de ‘oude’ plaatsbekostiging voor het onderwijs binnen de residentiële instellingen nog steeds beschikbaar voor de scholen en de swv’s om de nieuwe opdracht uit te kunnen voeren? Wat is er te doen? Naast anticiperen op deze vraagstukken, is voor de korte termijn het volgende van belang: • Afspraken maken over de verdeling van rollen en verantwoordelijkheden. • Concreet uitwerken hoe het onderwijs voor deze kinderen en jongeren geboden kan worden. • Een duidelijk en gezamenlijk werkproces vaststellen. Bij voorkeur op provinciaal niveau. • Gezamenlijk een systematiek voor de bekostiging vaststellen. Bij voorkeur op provinciaal niveau. Wat doen we nu? • Er lopen gesprekken met de ministeries van VWS en OCW over het vraagstuk van de plaatsbekostiging. Nog onbekend wanneer hier uitsluitsel over komt. 40
•
Op 19 nov 2021 is er een vervolg werksessie van de swv’s met een aantal andere netwerkpartners om concreter in kaart te brengen welke onderwijsvarianten voor deze doelgroep denkbaar zijn.
Varianten voor onderwijs aan leerlingen in een kleinschalige woonvoorziening Doel: Continuïteit van het onderwijs waarborgen voor kinderen en jongeren die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. Uitgangspunten: • Algemeen: Het onderwijs voor deze kinderen en jongeren zo dicht mogelijk bij huis en de woonvoorziening organiseren, waar het kan ook binnen het regulier onderwijs. • Algemeen: Voor de ondersteuning is een integraal plan opgesteld met ouders, jongere, jeugdzorgpartners en het onderwijs (en zo mogelijk anderen). Gezamenlijke doelen geformuleerd en zijn er periodieke voortgangsbesprekingen. • Vanuit de swv’s: Residentiële leerlingen als doelgroep in het dekkend aanbod van de swv’s opnemen. • Vanuit de swv’s: Voor residentiële leerlingen zoeken we altijd naar een maatwerkoplossing, omdat in veel gevallen vormen van extra of gespecialiseerde ondersteuning nodig zijn. Denkbare varianten: Hieronder een overzicht van alle denkbare varianten, met daarbij een beknopte uitwerking. We beschouwen het als een palet van mogelijkheden, waaruit een keuze gemaakt kan worden, afhankelijk van de lokale of regionale situatie en de ondersteuningsbehoefte van de kinderen en jongeren. Dit bepaalt immers hoe wenselijk, realistisch en uitvoerbaar de varianten zijn.
Regulier VO of MBO Zonder extra ondersteuning
Individueel Residentiële leerling in de reguliere klas plaatsen, onder de basisondersteuning. Mentor houdt een directe lijn met de woonvoorzieningbehandelaar van de leerling. Wellicht extra bekostiging toekennen vanwege mentorverzwaring.
Regulier VO of MBO Met extra ondersteuning
Groepsmatig Op één school een aparte klas (+/- 10 lln) voor residentiële leerlingen inrichten, met een gespecialiseerde docent. Vraagt om veel differentiatie. Docent heeft intensieve afstemming met de woonvoorziening. Vraagt extra bekostiging voor personeel en materieel.
Residentiële leerling in de reguliere klas plaatsen. Extra ondersteuning organiseren, op basis van ondersteuningsbehoefte. Mentor en ondersteuner werken nauw samen en 41
hebben een directe lijn met de woonvoorziening behandelaar van de leerling. Extra bekostiging nodig voor inzet ondersteuner en taakverzwaring mentor. Gespecialiseerd onderwijs Zonder extra ondersteuning Gespecialiseerd onderwijs Met extra ondersteuning Optioneel: Bovenschoolse voorziening Zonder extra ondersteuning
Residentiële leerling in de voorziening plaatsen. Mentor houdt een directe lijn met de woonvoorzieningbehandelaar en de school van herkomst van de leerling. Mogelijkheden voor schoolgewenning, partiële deelname lessen en geleidelijke overstap.
Bovenschoolse voorziening met extra ondersteuning
Residentiële leerling in de voorziening plaatsen. Extra ondersteuning organiseren, op basis van ondersteuningsbehoefte. Mentor en ondersteuner werken nauw samen en hebben een directe lijn met de woonvoorziening behandelaar en school van herkomst van de leerling. Mogelijkheden voor schoolgewenning, partiële deelname lessen en geleidelijke overstap. Extra bekostiging nodig voor inzet ondersteuner en taakverzwaring mentor.
42
Dagbesteding/zorgboerderij zonder ondersteuning
Residentiële leerling in de voorziening plaatsen. Mentor DB/ZB houdt een directe lijn met de woonvoorziening-behandelaar en de school van herkomst van de leerling.
Op basis van nieuwe AMvB11 onderzoek naar mogelijkheid voor groepsvoorziening met koppeling onderwijs(bekostiging)
Extra bekostiging nodig voor aanhaken school van herkomst bij MDO’s, schoolgewenning, partiële deelname lessen en geleidelijke overstap. Dagbesteding/zorgboerderij Met extra ondersteuning
Residentiële leerling in de voorziening plaatsen. Mentor en ondersteuner werken nauw samen en hebben een directe lijn met de woonvoorziening behandelaar en school van herkomst van de leerling.
Op basis van nieuwe AMvB onderzoek naar mogelijkheid voor groepsvoorziening met koppeling onderwijs(bekostiging) Extra onderwijs-ondersteuning organiseren, op basis van ondersteuningsbehoefte.
Extra bekostiging nodig voor inzet ondersteuner en taakverzwaring mentor. Extra bekostiging nodig voor aanhaken school van herkomst bij MDO’s, schoolgewenning, partiële deelname lessen en geleidelijke overstap.
Bekostiging: Parallel aan het inhoudelijk uitwerken van de varianten, zoeken we naar een verantwoorde en proportionele vorm van bekostiging. Een idee hiervoor is te gaan werken met een leerling-volgend budget. Of dit werkbaar is, zoeken we verder uit. Een voor de hand liggend uitgangspunt is wel dat de swv’s er in elk geval voor garant staan dat al deze leerlingen een passend onderwijsarrangement krijgen. Hoeveel financiële speelruimte de swv’s hiervoor krijgen, zal mede afhangen van het vraagstuk van de plaatsbekostiging.
11
Tot 1-12 2021 vindt een internetraadpleging plaats naar een AMvB onderwijs. Het ligt in de bedoeling dat de AMvB op 1-1 2023 van kracht wordt. Hierdoor ontstaan meer mogelijkheden voor het inzetten van onderwijszorgarrangementen en het creëren van maatwerk. Voorwaarde is dat er een projecttoekenning heeft plaatsgevonden.
43
Bijlage 5: Toelichting: Uitstroom 16-27 naar andere verblijfs- (en behandel) voorzieningen Inleiding Het vraagstuk jongvolwassen in de overgang naar meerderjarigheid is steeds meer een onderwerp geworden waar aandacht voor is. Jongvolwassenen van 18 jaar met Jeugdhulp hebben vaak onvoldoende perspectief voor de overgang naar meerderjarigheid, wanneer ze 18 jaar zijn geworden en niet meer onder de Jeugdwet vallen. Jongeren die 18 jaar worden, zijn formeel ‘volwassen’. Dit betekent dat de bekostiging van hun zorg alleen nog uit de Jeugdwet (dus door gemeenten) komt als het ‘verlengde jeugdhulp’ is, zoals bij jongeren in pleegzorg en gezinshuizen die hulp vergoed kunnen krijgen tot respectievelijk hun 21e en hun 23ste jaar. Voor alle andere jongeren die 18 worden, vindt de bekostiging voortaan plaats via de Wmo als het om jeugdhulp gaat, via de Zvw of de Wmo (dus door zorgverzekeraars of gemeenten) als het om jeugdggz gaat en via de Wlz (door de zorgkantoren) als het gaat om langdurige zorg. Jongeren niet goed begeleiden doet de jarenlange investering vanuit de jeugdhulp teniet en is een risico voor maatschappelijke kosten. Noodzaak om iets te doen wordt op veel plekken gevoeld om jongeren perspectief te geven. Om dit goed te kunnen begeleiden is een mindshift nodig: werken vanuit de wens van de jongere en niet vanuit de logica van het systeem.
Dat vergt veel inzet en samenwerking van de jeugdhulpaanbieders, cliënt ondersteuners, onderwijs, participatie, dagbesteding, wooncorporaties etc. Het vraagt veel van professionals in denken en handelen in het toekomstgericht te werken. Werken vanuit duurzame indicatie vanuit het perspectief van de jongere. Waar richten we ons op binnen een Thuis voor Noordje? Afbakening van de doelgroep helpt om te bepalen in welke mate oplossingsrichtingen passend zijn. Om meer zicht te krijgen op de doelgroep is een onderverdeling gemaakt in vier profielen. De eerste twee profielen hebben betrekking op jongeren die zelfstandig kunnen wonen op een verblijfsplek met lichte mate van ondersteuning. Bij deze twee groepen is de BIG5 12op orde of wankel. In het kader van Thuis voor Noordje richten we ons op de meest complexe jongeren, met co morbiditeit en levenslang en levensbrede behoefte aan langdurig wonen met toezicht en begeleiding. Een scherpe afbakening tussen de laatste twee uitstroomprofielen is er niet, er zit een grijs gebied tussen wat maakt dat ook de groep met minder complexe problematiek ook onderdeel kan uitmaken van de van doelgroep. Zelfstandig wonen met tijdelijk toezicht en begeleiding dichtbij.
Zelfstandig wonen met langdurig toezicht en begeleiding (inclusief 24-uur zorg)
Ambulante ondersteuning met een verblijfsplek binnen MO of BW bij een WMO-aanbieder, mogelijk gecombineerd met verlengde jeugdhulp. Wlz, MO/BW financiering Mogelijk gecombineerd met verlengde jeugdhulp
Langdurige hulp, problemen op meerdere domeinen (o.a. GGZ, LVB, gedrag), geen/weinig steunend netwerk, BIG5 nog niet stabiel. Langdurige hulp, problemen op meerdere domeinen (o.a. GGZ, LVB, gedrag), geen/weinig steunend netwerk, BIG5 nog niet stabiel.
Daarbij zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd voor doorstroom jongvolwassenen uit jeugdhulp met verblijf • De levensloop van de doelgroep is van invloed op de ondersteuningsbehoefte • De behoefte aan ondersteuning kan wisselen, de beperking gaat niet over en de vraag is integraal • Behoefte aan begeleiding van de jeugdige zelf en het gezinssysteem kan wisselen over de tijd • Sociaal domein ondersteunt de doelgroep dichtbij en inclusief • Ondersteuning is voorwaardenscheppend voor alle levensdomeinen voor de jongvolwassenen en de ouders/naasten op het gebied van onderwijs – werk en wonen
12
BIG5: jongeren worden pas losgelaten wanneer er een stevige stabiele basis is en getoetst is op support, wonen, werk en school, inkomen en schulden, zorg en ondersteuning.
44
Framing, waar richten wij ons op voor de doelgroep? • Stabiel en zelfstandig wonen met begeleiding in de buurt • Ambulante begeleiding (op- en afschalen) • Kleinschalige wooneenheden met hoge mate van zorg intensiteit en nabijheid, toezicht en begeleiding • Behandelaanbod flexibel en snel inzetbaar (losgekoppeld van wonen) Onderwijs is beschikbaar of andere vorm van dagbesteding • Sociaal domein is aangehaakt Bovenregionale afspraken Wat is nodig om jongeren uit jeugdhulp op de leeftijd van 18 jaar bovenregionaal gebruik te laten maken van aanbod om door te stromen uit jeugdhulp met perspectief op wonen met op maat georganiseerde begeleiding? Voor dit onderdeel zijn een drietal workshops georganiseerd met 15 – 20 vertegenwoordigers in wisselende samenstelling vanuit de jeugdhulpaanbieders, Gecertificeerde Instellingen en gemeentelijke vertegenwoordigers. De eerste reactie was een tekort aan woonvoorzieningen voor deze doelgroep. Direct daaropvolgend kwam het inzicht dat niet zozeer de beperkte woonvoorzieningen het knelpunt is, maar dat er in het proces obstakels en dilemma’s zitten die een tijdige en soepele overgang en plaatsing naar een andere woonvoorziening belemmeren. Om tot een verbeterproces te komen zijn de volgende issues besproken met in de linker kolom de uitkomsten om tot een oplossing te komen.
We zijn ons ervan bewust dat de uitkomsten opnieuw vragen en uitwerking nodig hebben om tot een concrete gezamenlijke oplossing te komen waar bovenregionaal mee gewerkt kan worden. Bij de oplossingsvoorstellen wordt aangesloten bij de eigen plan en proces in de regio’s van Noord-Holland. Iedere regio heeft zijn eigen couleur locale maar er zijn een aantal werkzame elementen die identiek zijn en helpend zijn wanneer we de met elkaar omarmen om op bovenregionaal niveau het voor de doelgroep jongvolwassen, als beschreven in de intro, omarmen en invoeren. Het is helpen wanneer we de uitkomsten van de gesignaleerde problemen herkennen en uniform boven regionaal invoeren voor de doelgroep al boven omschreven. Thema Woonplaatsbeginsel
Eigenaarschap
Probleem Geconstateerd is dat jongeren niet tijdig toegeleid worden naar ander vorm van wonen met begeleiding met als gevolg dat er wel aanbod is waar geen gebruik van wordt gemaakt Woonplaatsbeginsel biedt nieuwe mogelijkheden om afspraken te maken over 18-/+. Het financieringsvraagstuk en de regiobinding zijn thans bepalende factoren welke gemeente verantwoordelijk is bij de overgang naar 18+. Het doorbreken van de regiobinding biedt kansen om woonvoorzieningen optimaal te benutten. Eigenaarschap is niet belegd. Er is behoefte is aan eenduidige betekenis en structuur over het begrip eigenaarschap. Gesignaleerd is dat er veel onbegrip en onduidelijkheid is en waar dit belegd wordt. Het gevolg is dat er in het systeem van de jeugdzorg niet scherp is en de jongere van hot naar her wordt gesleept met een en duidelijk perspectief en verlies van motivatie.