Bijlage bij Raadsvoorstel - Onderbouwing
Tekst van het document
De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen.
pagina 32 van 56
Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Voor de bestaande activiteiten kan ook een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de nieuwe VNGhandreiking (2024) niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
▪
Luchtverontreiniging.
▪
Externe veiligheid en gevaar.
▪
Trillinghinder.
▪
Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
▪
Lichthinder.
▪
Spuitzones.
▪
De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek Met deze BOPA wordt afgeweken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan wat ingevuld wordt door het bestemmingsplan ‘Utrechtseweg’ zoals deze op 3 december 2014 door de raad van de gemeente Hilversum is vastgesteld. In het kader van deze aanvraag dienen twee zaken beoordeeld te worden: 1.
Is er bij de nieuwe woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat, onderdeel van de ETFAL toets;
2.
Worden omliggende bedrijven, als gevolg van de woningbouw, gehinderd in hun (actuele) bedrijfsvoering of uitbreidingsmogelijkheden.
Om de bovenstaande twee vragen te kunnen beantwoorden dient uitgegaan te worden van de planologische mogelijkheden zoals deze in het bestemmingsplan ‘Utrechtseweg’ zijn toegekend. In dat bestemmingsplan is uitgegaan van de oude VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. In navolging op die beoordelingsmethodiek is in de navolgende beschouwing aangesloten bij de oude VNG-brochure om te beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven gehinderd worden in de bedrijfsvoering. Daarmee is eenzelfde beoordelingsmethode gebruikt als dit nu ook in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zit. Richtafstanden De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ start vanuit richtafstanden. Achterliggende gedachte hierbij is dat wanneer een gevoelige functie op voldoende afstand van bedrijvigheid is gelegen er sprake is van een goed woonen leefklimaat als ook dat omliggende bedrijven niet gehinderd worden in hun bedrijfsvoering.
pagina 33 van 56
Alvorens te kunnen bepalen of voldoende afstand wordt gehouden dient eerste bepaald te worden hoe het gebied te typeren is, als gemengd gebied of als rustige woonwijk. Uit raadpleging van het geldende bestemmingsplan 'Utrechtseweg' blijkt dat het plangebied in een gemengd gebied met wonen ligt. De VNG-brochure stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Rondom het plangebied zijn woningen, bedrijven, kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Gezien deze mate van functiemenging kan uitgegaan worden van gemengd gebied. Afstanden Vervolgens is inzichtelijk gemaakt wat de afstanden zijn van de nieuw beoogde woningen ten opzichte van de omliggende bedrijven.
Onderstaande tabel geeft de richtafstanden van de ontwikkeling tot de relevante bedrijfsbestemmingen weer. Activiteit
Adres
Richtafstand
Afstand
uit VNG
bedrijfsbestemming tot gevel
van van
nieuwe woningen Autoreparatie en servicebedrijf
Achterom
(Kwikfit)
Hilversum
181,
10
8,7 m
Autoreparatie en servicebedrijf
Achterom
en plaatwerkerij
t/m E, Hilversum
185 A
50
46 m
Autoreparatie en servicebedrijf
Kerklaan 22B
50
44 m
Kerklaan 24A
50
70,5 m
183,
10
25,5 m
en plaatwerkerij Autoreparatie en servicebedrijf en plaatwerkerij Autowasserij
Achterom Hilversum
Benzineservicestation
183,
10
28 m
LPG
zonder
Achterom Hilversum
Bedrijf
Kerklaan 12/12a,
10
17 m
10
17 m
Hilversum Bedrijf
Achter St. Vitus 1, Hilversum
pagina 34 van 56
de
Uit de bovenstaande tabel volgt dat de beoogde nieuwe woningen niet in alle gevallen op voldoende afstand zijn gelegen van bedrijven en andere milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. Het betreft hier de bedrijven die gevestigd zijn aan:
▪
Achterom 181
▪
Achterom 185a
▪
Kerklaan 22b
Voor de overige bedrijven geldt dat de nieuw beoogde woningen niet gehinderd worden in hun bedrijfsvoering of uitbreidingsruimte gezien de afstand van deze bedrijven tot de ontwikkeling, de nieuwe woningen bevinden zich buiten de richtafstanden. Tevens geldt dat deze bedrijven niet in de weg staan aan een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde nieuwe woningen. Niet voldaan aan de richtafstand Voor bedrijven die op een kortere afstand zijn gevestigd dan de te hanteren richtafstand kan veelal op basis van de beschikbare milieuruimte gemotiveerd worden dat voldaan wordt aan de vereisten van een evenwichtige toedeling functies aan locaties, voorheen een goede ruimtelijke ordening. In zijn algemeenheid geldt dat voor gemengde gebieden vaak dat bestaande woningen bepalend zijn voor de beschikbare milieuruimte en uitbreidingsruimte. Bij de beoordeling van de planologische mogelijkheden is dan ook de bestaande situatie van belang om eventuele uitbreidingsruimte van bedrijven te beoordelen.
7.5.2 Nadere beschouwing Achterom 181: KwikFit Voor Achterom 181 geldt dat sinds augustus 2009 een Kwik-Fit is gevestigd. Om de specifieke bedrijvigheid te kunnen beoordelen is bij de gemeente Hilversum de melding in het kader van het Activiteitenbesluit opgevraagd. Deze melding is door de bedrijfsvoerder op 20 juli 2009 ingediend en nadien niet meer gewijzigd. Het bedrijf is in deze melding getypeerd als een Type B bedrijf. Type B bedrijven zijn inrichtingen die bij de oprichting of een wijziging een melding moeten doen aan het bevoegd gezag. Ze hebben geen omgevingsvergunning milieu nodig. In de oude VNG brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat deze bedrijven in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend. Deze bedrijven hebben een zodanige milieubelasting dat zij bouwkundig afgescheiden van andere gevoelige functies kunnen plaatsvinden. De bestaande bedrijfsfunctie is bouwkundig afgescheiden van de nieuwe functie. Er is bijvoorbeeld geen gedeelde muur. Uitgaande van gemengd gebied kan op grond van de VNG brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ gemotiveerd worden dat de bedrijvigheid ook ten opzichte van de nieuwe woningen inpasbaar is. Uit de meegezonden inrichtingstekening blijkt dat de inrichting aan de zijde van het Achterom 181 twee ingangen kent. Eén naar de receptie/wachtruimte en één overheaddeur voor het naar binnen- en naar buitenrijden van auto’s.
Een nooduitgang is opgenomen in de noordgevel van het pand. Deze nooduitgang komt uit op het plangebied. Het gebruik als nooddeur schijnt notarieel beschreven te zijn. In normale bedrijfsomstandigheden is deze deur gesloten. De onderstaande foto laat deze nooddeur zien.
pagina 35 van 56
Nooduitgang richting het te ontwikkelen perceel
Het bedrijf aan Achterom 181 (KwikFit) is, in het kader van de bedrijvenlijst behorende bij het bestemmingsplan, aan te merken als een categorie 2 bedrijf. Daarmee geldt een richtafstand van maximaal 10 meter. De nieuwe woningen zijn gelegen op 8,7 meter afstand.
Uitsnede staat van bedrijven
pagina 36 van 56
Naast bedrijven in milieucategorie 1 en 2 laat het bestemmingsplan tevens een handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven met sbi-code 451, 452 en 453 tot en met maximaal categorie 3.2 toe. Uitgaande van dit typen bedrijven gelden daarmee de navolgende maximale richtafstanden (gemengd gebied): Geluid: 50 meter Geur:
30 meter
Stof:
10 meter
Gevaar: 30 meter Bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Utrechtseweg’ op 3 december 2014 is de door de gemeenteraad van Hilversum besloten dat die specifieke typen van bedrijfsvoering in milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. Hiermee is er door de gemeenteraad gemotiveerd afgeweken van de richtafstanden om deze bedrijvigheid toe te staan. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan werd al niet voldaan aan de richtafstanden behorende bij categorie 2 bedrijven en de specifieke categorie 3.2 bedrijven. De maatgevende woningen, Achterom 171 en 175 zijn op een afstand van respectievelijk circa 2,6 meter en 0,6 meter van de bedrijfsbestemming gelegen.
Huidige bedrijfsactiviteiten Achterom 181 Nu voor de nieuwe woningen niet voldaan wordt aan de richtafstand van 10 meter is door Adviesburo Van Der Boom (20 maart 2025 23-293r12) beschouwd of de huidige bedrijfsvoering in de weg staat aan de beoogde realisatie van woningen. Hierbij is eerst de representatieve bedrijfssituatie bepaald en vervolgens berekend en beoordeeld of bij de nieuwe woningen voldaan kan worden aan de hiervoor geldende eisen. In het geluidsmodel zijn de beoogde bergingen op het achterterrein en de beoogde tussenliggende schuttingen (betonnen schutting of schanskorven gevuld met puin) meegenomen. Met de te realiseren bergingen (2,7 meter hoog) en de tussenliggende schuttingen (2,7 meter hoog, betonnen schutting of schanskorven gevuld met puin) is al een voorziening getroffen om geluidsoverlast van het naastgelegen bedrijf tegen te gaan en ook in de tuin een prettig woon- en leefklimaat te krijgen. Van der Boom concludeert dat voor de huidige bedrijfsvoering geldt dat de richtwaarden voor de langtijdgemiddeld en maximale geluidniveaus bij de nieuwe woningen niet worden overschreden. Ook in de tuinen van de nieuwe woningen worden de richt- en grenswaarden niet overschreden. Er zal dus sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Daarnaast concludeert Van der Boom dat het nu aanwezige bedrijf niet beperkt wordt in haar bedrijfsvoering omdat aan de grenswaarden kan worden voldaan.
Maximale planologische invulling Achterom 181 Geluid Naast de bestaande bedrijfsvoering moeten, conform geldende jurisprudentie, ook de maximale planologische mogelijkheden beschouwd worden. Hierbij speelt ook mee of er concrete voornemens hiertoe kenbaar zijn gemaakt. Kwikfit is momenteel 16 jaar op locatie gevestigd. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor een andere invulling van het bedrijfsperceel. Naast bedrijven in milieucategorie 1 en 2 laat het bestemmingsplan ook een handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven met sbi-code 451, 452 en 453 tot en met maximaal categorie 3.2 toe. Voor het meest maatgevende aspect geluid is door Van der Boom eveneens een beschouwing gemaakt. Om de maximale mogelijkheden te bekijken is in eerste instantie bepaald welk geluidsniveau maximaal mogelijk is zonder dat bij de nu maatgevende woningen, Achterom 171 en 175, een overschrijding optreedt. Aan
pagina 37 van 56
de hand van dit maximale bronniveau is vervolgens bepaald wat de gevelbelasting is bij de nieuwe woningen. Geconcludeerd is op de gevels van de nieuwe woningen ook bij maximale planologische invulling van de activiteiten op het terrein van het bedrijf aan de eisen m.b.t. LAr,lt kan worden voldaan: 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht. Ook aan de eisen t.a.v. LAmax kan worden voldaan. In de punten in de tuinen van de nieuwe woningen kan eveneens aan de richt- en grenswaarden worden voldaan. Geur Planologisch is op het bedrijfsperceel Achterom 181 ook een type bedrijf toegestaan die mogelijk geur emitteert. Feitelijk is deze bedrijfsvoering niet aanwezig. Voor dit type bedrijf geldt dat voor geur een richtafstand van 30 meter (gemengd gebied) van toepassing is. Voor geur is onder de Omgevingswet ook afdeling 4.21 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Bij het starten van een geur-emitterend bedrijf zal aan de bepalingen van deze afdeling moeten worden voldaan, zoals o.a. het emitteren van geur middels een ‘schoorsteen’ boven daken van derden. Wettelijk is vastgelegd dat bedrijven geuroverlast zoveel mogelijk moeten beperken door "best beschikbare technieken" (BBT) toe te passen. Een hogere schoorsteen kan bijvoorbeeld worden gezien als een BBT-maatregel.
De vuistregel is dat een halvering van de geurbelasting kan worden bereikt door een verdubbeling van de schoorsteenlengte. Modellen zoals V-STACKS tonen aan dat een hogere uitstoot leidt tot lagere geurconcentraties op de grond. Hoewel het verhogen van de schoorsteen effectief is, kan het effect worden versterkt door bijvoorbeeld actieve koolfilters of biofilters toe te passen. Met de juiste maatregelen kan afgeweken worden van de richtafstand en is inpassing van een geur-emitterend bedrijf, conform het geldende regime mogelijk. Gezien de bestaande omliggende woningen en de ligging van het bedrijf in een gebied met meerdere omliggende woningen zullen de nodige voorzieningen sowieso getroffen moeten worden om geuroverlast tegen te gaan wanneer een geuremitterend bedrijf zich vestigt op locatie. Voor geur geldt dat de woningen aan Achterom 171 en 175 bepalend zijn voor de te treffen maatregelen. Gezien de te treffen maatregelen bij de vestiging van een eventueel geur emitterend bedrijf geldt dat bij de nieuwe woningen er sprake zal zijn van een goed, dan wel een aanvaardbaar, woon- en leefklimaat. Stof Op het bedrijfsperceel Achterom 181 is het planologisch ook mogelijk dat een bedrijf gevestigd wordt die stofoverlast kan veroorzaken. Voor stof geldt een richtafstand van 10 meter (gemengd gebied), de nieuwe woningen staan op een afstand 8,7 meter.
De bestaande woningen aan het Achterom 171 en 175 staan op een kortere afstand en zullen dus in belangrijke mate maatgevend zijn. Voor, de eventuele, emissie van stof geldt dat het bestaande bedrijfspand, behoudens één nooddeur, geen te openen delen heeft richting de beoogde bouwlocatie. Daarmee is de eventuele emissie van stof beperkt dan wel uitgesloten. Hierbij geldt dat aan deze zijde ook de woning Achterom 175 aanwezig is op kortere afstand. Alsmede dat de nieuwe woningen met schuurtjes en schuttingen (betonnen schutting of schanskorven gevuld met puin) van het bedrijf afgescheiden wordt. De huidige bedrijfsvoering, maar ook de planologische mogelijkheden worden niet verder belemmerd, door de nieuwe woningen. Bij een daadwerkelijke vestiging van een dergelijk bedrijf zal ook voor stof voldaan moeten worden aan de vereisten vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving. Hiervan uitgaande kan voor de nieuw beoogde woningen geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
pagina 38 van 56
Gevaar Voor het aspect gevaar geldt een richtafstand van 30 meter. De beoogde woningen staan op 8,7 meter. Bestaande woningen (Achterom 171 en 175) staan op een kleinere afstand. Deze woningen zijn daarmee maatgevend. Gezien de afstand tot deze woningen is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat sprake is van externe veiligheidsrisico’s buiten de inrichtingsgrens. De gevel van het bedrijf, richting de beoogde woningen, is gesloten behoudens één nooddeur met uitweg op het te ontwikkelen perceel. Daarnaast voorziet het bouwplan in bergingen en schuttingen (betonnen schutting of schanskorven gevuld met puin) op de erfgrens. Deze bebouwing heeft een afschermende werking bij een eventuele calamiteit. Daarnaast kan vanuit de woningen van het eventuele gevaar af gevlucht worden. Daarmee kan gemotiveerd op een iets kortere afstand van het bedrijf woningbouw plaatsvinden. Zonder dat daarmee het woonen leefklimaat in het geding komt of de uitbreidings-/ gebruiksmogelijkheden van het bedrijf worden beperkt. In zijn algemeenheid geldt dat de VNG-brochure richtafstanden bevat die als uitgangspunt dienen, maar in specifieke situaties gemotiveerd kan worden afgeweken, mits aangetoond wordt dat de veiligheid en het woon- en leefklimaat niet in het geding zijn. In deze specifieke casus speelt het aspect gevaar niet.
Enkel bij een wijziging van de bedrijfsvoering doet mogelijk deze situatie zich voor. Concrete plannen van een aanstaande wijziging in de bedrijfsvoering zijn niet bekend
7.5.3 Nadere beschouwing Achterom 185a Voor het bedrijf Achterom 185a geldt dat al uitvoering gegeven is aan de maximale invulling zoals nu planologisch mogelijk. De richtafstand voor geluid bedraagt 50 meter bij dit bedrijf. De nieuwe woningen zijn op 46 meter gelegen. Hiermee wordt niet voldaan aan de maximale richtafstand. Afwijken van de richtafstand met 4 meter is, in casu, te verantwoorden. Voor het bedrijf aan Achterom 185a geldt dat de woning Achterom 185, gelegen in directe aansluiting op het bedrijf (=0 meter) maatgevend is. Daarmee moet ter plaatse van die woning voldaan worden aan de wettelijke vereisten die gelden voor de achterliggende bedrijvigheid. Nu ter plaatse van deze woning voldaan moet worden aan o.a. de wettelijke vereisten voor geluid kan gesteld worden dat bij de nieuw te bouwen woningen zeker voldaan zal worden aan de wettelijke normen. Daarmee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hierbij moet meegewogen worden dat de tussenliggende bebouwing afschermend zal zijn waarmee de effecten verwaarloosbaar zullen zijn.
7.5.4 Nadere beschouwing Kerklaan 22b Voor het bedrijf Kerklaan 22b geldt, eveneens als voor het bedrijf aan Achterom 185b, dat al uitvoering gegeven is aan de maximale planologische mogelijkheden. De richtafstand voor geluid bedraagt in casu 50 meter. Het bedrijf is op 44 meter afstand gelegen van de nieuwe woningen. De woningen aan de Kerklaan 18 tot 22a zijn maatgevend voor dit bedrijf en zijn op een kortere afstand gelegen (kortste afstand circa 6 meter). Ook hier geldt, gelijk aan het bedrijf aan het Achterom 185a, dat daarmee gesteld kan worden dat ter plaatste van de nieuwe woningen er een goed woon- en leefklimaat is en dit bedrijf hierop niet van invloed is.
pagina 39 van 56
7.6
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2021 (receptor 32170443_20000049) van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,4 μg/m³ voor PM10, 8,8 μg/m³ voor PM2,5 en 16,6 μg/m³ voor NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
pagina 40 van 56
7.7
Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen.
De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek Archeologie In het bestemmingsplan ‘Utrechtseweg’ heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - Na 1850 bebouwd gebied - Hoog en middelhoog’. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Omdat deze normen overschreden worden, is een archeologisch onderzoek vereist. Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Transect, 26 september 2022). Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een stuwwal ligt, aan de rand van de historische kern van Hilversum. Stuwwallen zijn bewoonbaar vanaf het Paleolithicum vanwege hun hogere ligging binnen het landschap. Er is op de historische kaarten geen bebouwing bekend binnen het plangebied (pas vanaf begin 20e eeuw), maar is het in gebruik geweest als landbouwgrond. Hierdoor is de verwachting dat het archeologisch niveau bedekt is met een oud-bouwlanddek. Zodoende kunnen eventuele archeologische resten onverstoord zijn. Hierom is er een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Aangezien er geen bebouwing op de historische kaarten bekend is, is de verwachting voor bewoningsresten uit de Nieuwe Tijd laag.
pagina 41 van 56
Het voornemen bestaat om in het plangebied 11 nieuwe woningen (waarvan 4 sociaal) te realiseren (circa 717 m²). Tevens zullen er tuinen, bergingen en parkeerplaatsen worden aangelegd. Hiervoor wordt de huidige bedrijfsbebouwing gesloopt (1.316 m²). Uit het onderzoek blijkt een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf het Laat Paleolithicum. Zodoende wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Uit onderzoeken die voor de omgeving zijn uitgevoerd blijkt dat in booronderzoeken vaak verstoringen vastgesteld worden in bebouwd gebied. Uit een vervolgonderzoek bleek echter dat ondanks de verstoringen in het gebied weldegelijk archeologie aanwezig was in de top van de stuwwalafzettingen. Hierdoor en gezien de hoge mate van bebouwing in het plangebied, kan het vervolgonderzoek het beste plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding (IVO-P, variant AB). Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat door de gemeente beoordeeld en goedgekeurd is. In het vervolg zal nader onderzoek uitgevoerd te worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Cultuurhistorie Het zandige grondgebied van het stadsdeel rond de Utrechtseweg bestond alvorens het bebouwd werd overwegend uit heide en bos.
Vlakbij de kern van Hilversum, tussen de Soestdijkerstraatweg en de Utrechtseweg, lag bouwland in de vorm van engen. De pré-stedelijke infrastructuur bestond uit niet meer dan enkele heidepaadjes en de doorgaande wegen richting Soestdijk en Utrecht (Soestdijkerstraatweg en Utrechtseweg). Aangezien het bestraten van deze wegen particuliere initiatieven waren (rond 1830), werden langs de wegen tolhuizen geplaatst. Met uitzondering van deze tolhuizen was er in de pré-stedelijke situatie in dit stadsdeel nauwelijks bebouwing. Aan het einde van de 19e eeuw begon de uitleg van dit stadsdeel met de bouw van enkele villa's langs de eerdergenoemde wegen. Deze lintbebouwing was grotendeels het gevolg van de komst van bemiddelde forensen naar Hilversum na de opening van de spoorlijn in 1874. Meer lokaal ter plaatse van het plangebied kan ingegaan worden op het gegroeide dorp 'De Vitusbuurt'. Het gebied bestaat globaal uit de bebouwing van de Achterom, Diamantstraat, Wandelpad en de straten daartussen. Het gegroeide dorp van Hilversum bestaat hoofdzakelijk uit straten met een kleinstedelijk karakter en bebouwing van rond 1900. Zoals de naam zegt, is het gegroeid gebied dat niet planmatig is aangelegd. De bebouwing is overwegend pandsgewijs gebouwd en uitgevoerd in diverse stijlen. De Vitusbuurt grenst aan de binnenstad en is ontstaan als een geleidelijke uitbreiding vanuit dorpsbebouwing.
De buurt bestaat hoofdzakelijk uit stenige straten waarin individuele arbeiderswoningen worden afgewisseld met incidentele seriematige woningen, waaronder nieuwbouw. Het gebied heeft een dichte bebouwing van kleine aaneen gebouwde arbeiderswoningen in blokken van één tot twee bouwlagen met kap met daartussen poorten. De woningen staan langs lange noord/zuidlopende straten met enkele korte doorsteken. Het profiel van de wegen is smal. De woningen zijn in principe met hun voorgevel georiënteerd op de weg. Voortuinen komen vrijwel niet voor of zijn beperkt van omvang. De bebouwing is gevarieerd en afwisselend en heeft grotendeels, ondanks dat veel woningen deel uitmaken van rijen of blokken, een individueel karakter. De opbouw is in het algemeen eenvoudig. De oudere woningen hebben een opbouw van één of twee lagen met kap. Nieuwere bebouwing is veelal breder en hoger. In het gebied komen verschillende kapvormen voor. De overheersende nokrichting is evenwijdig aan de weg, waarbij een haakse richting voorkomt als accent en voor ritmiek in de straat zorgt. Veel woningen zijn vergroot door (woningbrede) dakkapellen,
pagina 42 van 56
dakopbouwen en geveloptrekkingen. Gevels hebben in het algemeen een traditionele opbouw met staande ramen. De waarde is vooral gelegen in het stedelijk weefsel met het kleinschalige afwisselende beeld van de straatwanden. Het gebied als geheel kent geen bijzondere waarde, maar enkele afzonderlijke panden zijn door hun vorm en positie cultuurhistorisch waardevol. De dynamiek van het gebied is gemiddeld. In de huidige situatie is de planlocatie vrijwel volledig bebouwd met bedrijfsbebouwing, waar in het verleden een magnesiethandel gevestigd was, met een bedrijfswoning op nummer 3. In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied. De bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Ter plaatse van de bedrijfsbebouwing worden nieuwe woningen gerealiseerd. De vormgeving van de nieuwe woningen sluit door het industriële karakter aan bij de voormalige functie en de omgeving. Zo wordt beoogd gebruik te maken van rood gemêleerd staand metselwerk, aluminium felsbeplating voor het dak en antraciet stalen of aluminium hekwerken en kozijnen. Daarmee wordt een verwijzing gemaakt naar de bedrijfsbebouwing die van oudsher in dit deel van Hilversum aanwezig is.
Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale en cultuurhistorische waarden aantast en wordt het geheel goed ingepast in de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief.
Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling.
7.8
Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
pagina 43 van 56
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (APS - Milieu, 2 september 2021). Het plangebied van dit onderzoek komt niet volledig overeen met het plangebied van de ontwikkeling, dit is in het aanvullend onderzoek gecorrigeerd. Navolgend zijn de resultaten van dit onderzoek weergegeven. Verkennend bodemonderzoek Bodem De ondergrond ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de tank met vulpunt is niet verontreinigd. Nader onderzoek ter plaatse van deze ondergrondse tanklocatie is niet noodzakelijk. Aanbevolen wordt de tank te laten lokaliseren en vervolgens te verwijderen (saneren) door een KIWA-erkend tanksaneringsbedrijf. Wanneer blijkt dat de tank elders op de locatie ligt, is mogelijk aanvullend bodemonderzoek voorafgaand aan de tanksanering noodzakelijk. Op enkele plaatsen zijn sterk met zink verontreinigde 'spots' aanwezig, zoals weergegeven op bijlage 3 in het onderzoek. De verwachting is dat geen sprake zal zijn van een geval van ernstige verontreiniging met zink in de grond ter plaatse van het plangebied.
De overige aangetroffen verontreinigingen in de grond betreffen lichte verontreinigingen die geen aanvullend onderzoek behoeven. Asbest Omdat geen bijmengingen met puin en/of asbestverdacht materiaal zijn aangetroffen is geen onderzoek naar asbest in grond conform de NEN 5707 uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat tijdens eerder onderzoek van 2013 wel bijmengingen in de vorm van puin en ander bodemvreemd materiaal in de grond zijn aangetroffen. Omdat de bebouwing dateert van 1914-1931 mag verwacht worden dat geen asbest in de bodem aanwezig zal zijn. De periode waarin veel asbest is toegepast is 1945-1995. Aanvullend bodemonderzoek Door de gemeente Hilversum zijn de rapportages beoordeeld. Door de gemeente is aangegeven dat nog actualiserend onderzoek noodzakelijk is omdat in 2021 ter plaatse van het zuidelijk deel van perceel N 4186 geen onderzoek is uitgevoerd en dit terreindeel in 2023 wel deel uitmaakt van het plangebied. Tevens wordt opgemerkt dat op basis van de onderzoeksgegevens tot en met 2021 nog niet te bepalen is of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Daarvoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Derhalve is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (APS - Milieu, maart 2023).
pagina 44 van 56
Uit het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat:
▪
Ter plaatse van het noordelijk terreindeel is sprake van circa 60 m³ sterk met zink verontreinigde grond.
▪
Ter plaatse van het middendeel van het terrein is sprake van circa 5 m³ sterk met zink verontreinigde grond
▪
Ter plaatse van het zuidelijk terreindeel is sprake is van circa 120 m³ (sterk met lood en/of zink verontreinigde grond.
▪
Omdat sprake is van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond is er sprake van een historisch geval van ernstige verontreiniging met lood en/of zink in grond.
▪
Een sanering wordt als spoedeisend beoordeeld op basis van onaanvaardbare risico’s voor de mens.
▪
De bovenste meter grond wordt wat betreft PFAS als toepasbaar (landbouw/natuur,
▪
wonen en industrie) aangemerkt.
Ten behoeve van de sanering van de grond dient een BUS-melding gedaan te worden bij het bevoegd gezag. Daarmee is het aspect bodem voldoende onderzocht. Op grond van artikel 6.2.c van de Wabo is een uitgestelde inwerkingtreding aan de orde. Dit betekent dat de omgevingsvergunning niet eerder in werking treedt dan nadat:
▪
op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden;
▪
op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of
▪
een melding van een voornemen tot sanering als bedoeld in artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming is gedaan (BUS-melding) en de bij of krachtens het vierde lid van dat artikel gestelde termijn is verstreken.
Bij het nader bodemonderzoek is asbestverdacht materiaal (onbenoemd puin) aangetroffen met een onbekende herkomst. Dit is bij het eerdere verkennende onderzoek niet aangetroffen en onderzocht. In het kader van de omgevingsvergunning zal indien noodzakelijk asbest in bodemonderzoek conform de NEN5707 uitgevoerd worden. Dit onderzoek bestaat uit het graven van asbestinspectiegaten en kan worden uitgevoerd nadat de vloeren/verhardingen zijn verwijderd. Voor de afvoer van de sterk verontreinigde grond zal mogelijk door de verwerker nog een bepaling van het PFAS gehalte worden gevraagd. De verontreiniging met zink is aan de noordzijde nog niet helemaal afgeperkt, in het huidig onderzoek werd hier bij één boring een verontreiniging boven de tussenwaarde aangetroffen, in eerder onderzoek, op bijna dezelfde locatie, werd een sterke verontreiniging aangetroffen. Ook ligt de matige verontreiniging van een andere boring (a34) daar tegen de interventiewaarde aan. Dit betreft een heterogene verontreiniging dus de totale hoeveelheid sterk verontreinigde grond kan meer bedragen dan aangegeven in het aanvullend bodemonderzoek.
pagina 45 van 56
Conclusie Op 22 februari 2023 is door APS een BUS-melding gedaan bij de Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek. Deze melding is gedaan voor de kadastrale percelen Hilversum N 9002 en Hilversum N 4186 (gedeeltelijk). Omdat het kadastrale perceel N 9002 reeds voldoet aan de klasse wonen heeft de BUS-Melding uitsluitend betrekking op het gedeelte van het perceel N 4186 waar herontwikkeling plaatsvindt.
7.9
Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.
Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico.
'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
pagina 46 van 56
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)
pagina 47 van 56
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting of gasleidingen aanwezig zijn. Transport gevaarlijke stoffen Op ca. 250 m ten oosten van het plangebied ligt een spoorweg dat deel is van het basisnet spoor. Het plangebied ligt binnen meerdere gifwolkaandachtsgebieden afkomstig van het spoor. Daarbij moeten de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden beschouwd vanuit een gifwolkscenario. Bij een ongeval met een tank/ketelwagen met gevaarlijke stoffen is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waarbinnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel weer tot voorbij de 1,5 km. Bestrijdbaarheid Het plangebied is vanuit de westzijde en de noordzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Voor het woningen worden tevens bouwtechnische maatregelen genomen, zoals afschakelbare (mechanische) ventilatie. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen.
De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de woning te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Dit is een verplichting vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.124 lid 4).
Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
pagina 48 van 56
7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.
Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
▪
aanwezige dier- en plantensoorten;
▪
typen natuurlijke habitats;
▪
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
▪
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
▪
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
pagina 49 van 56
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek Soortenbescherming Er is een ecologische quickscan uitgevoerd (De Slijpkruik, 25 juli 2022). Navolgend zijn per soortgroep de conclusies van het onderzoek weergegeven. Vleermuizen Er zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen binnen de te slopen bebouwing. De te behouden woning heeft mogelijk wel een functie als vleermuisverblijfplaats. De voorgestelde ontwikkelingen leiden echter niet tot effecten op deze mogelijke verblijfplaatsen, omdat de woning uitsluitend intern verbouwd wordt. Effecten op vaste, jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen zijn daarom uitgesloten onder de voorwaarde dat er geen ingrepen aan de dakconstructie van de woning plaatsvinden. De ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op essentieel foerageergebied en vliegroutes. Overige zoogdieren Het plangebied is geschikt voor enkele algemene grondgebonden zoogdiersoorten. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling voor zover ze beschermd zijn. Effecten op beschermde, niet-vrijgestelde overige zoogdieren zijn uitgesloten. Vervolgonderzoek naar deze soortgroep is daarom niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht. Sloop zoveel mogelijk in rustig tempo en in één richting om eventueel aanwezige dieren de kans te geven om te vluchten naar naastgelegen percelen.
Vogels - jaarrond beschermde nesten Binnen het plangebied komen geen vaste rust- of nestplaatsen of beschermde gebiedsfuncties voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen voor. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels als genoemd in artikel 3.1 lid 2 (beschadigen, vernielen of wegnemen van nesten en eieren) en/of lid 4 (opzettelijk verstoren van vogels). Het uitvoeren van nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde rust en nestplaatsen en bijbehorende functionele leefomgeving is niet aan de orde. Vogels - algemene broedvogels Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de gevelbegroeiing en andere opgaande beplanting rond de te slopen bebouwing niet uitgesloten. De sloopwerkzaamheden en het verwijderen van opgaand groen moet daarom uitgevoerd worden buiten het broedseizoen, tenzij er maatregelen genomen worden waarbij verstoring of vernieling voorkomen worden of een broedvogelcheck door een erkend broedvogeldeskundige uitwijst
pagina 50 van 56
dat er geen bezette nesten in de bebouwing aanwezig zijn. De maatregelen in de quickscan moeten in acht genomen worden. Amfibieën Negatieve effecten op beschermde, niet-vrijgestelde amfibieën zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar effecten op beschermde amfibieën is daarom niet aan de orde. Overige soorten Nader onderzoek naar overige beschermde soorten is niet aan de orde. Houdt wel rekening met de algemene zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. Gebiedsbescherming De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied en ligt ook niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op een afstand van ca. 4 km is het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN ligt op een afstand van ca. 2,7 km. Het plangebied ligt niet nabij een bijzonder provinciaal landschap. De ontwikkeling betreft het realiseren van 11 nieuwe woningen, wat in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase gepaard gaat met de uitstoot van stikstof. Daarom is een AERIUS-berekening voor de gebruiksfase en de aanlegfase uitgevoerd (Buro SRO, 26 februari 2025). Uit de stikstofberekening, zonder interne saldering, kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plan is uitvoerbaar wat betreft stikstofdepositie.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden ook voor de overige aspecten geen sprake. Op het gebied van gebiedsbescherming zijn er dan ook geen planologische belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Houtopstanden Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect natuur geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
pagina 51 van 56
7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.
De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het waterschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening is opgebouwd in 3 delen. Het eerste deel heeft algemene regels en gaat ondanks de invoering van de Omgevingswet in gebruik. Deel 2 gaat alleen in gebruik met de Omgevingswet en deel 3 gaat in gebruik zonder de Omgevingswet.
Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie bestaat het plangebied vrijwel geheel uit verharding, bestaande uit het bedrijfsgebouw, de bestaande woning, parkeerplaatsen, wegen en paden. Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing en overige verharding verwijderd. Hiervoor in de plaats worden nieuwe woningen gerealiseerd. Bij een toename van meer dan 1.000 m² aan verharding in stedelijk gebied moet 10% daarvan worden gecompenseerd.
pagina 52 van 56
In de bestaande situatie is circa 1.480 m² aan verhard oppervlak aanwezig (bestaande woning niet meegerekend). Dit betreft 1.316 m² bebouwing en 107 m² verharding. 37 m² van het plangebied is onverhard. In de nieuwe situatie bedraagt het verhard oppervlak minder, namelijk 1.163 m². Achter de woonbebouwing is daarnaast meer ruimte voor groen, dit bedraagt 252 m² onverhard oppervlak. Daarmee is er een afname aan verharding met 318 m2. Om te voldoen aan de gemeentelijke afkoppelplicht voor hemelwater bij nieuwbouw is in het plan voorzien in infiltratiegebieden in de achtertuinen bij de grondgebonden woningen. Door het toepassen van open verharding is tevens infiltratie mogelijk. Er wordt voldaan aan de gemeentelijke eisen. Met het bouwpeil wordt rekening gehouden met water op straat bij hevige regen. Hiermee wordt instroom van hemelwater zo veel mogelijk voorkomen. Waterafvoer De nieuwe woningen worden aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht blijkt dat er binnen het plangebied geen primaire- en/of regionale waterkeringen aanwezig zijn. Weging van het waterbelang Door Boot is het waterbelang ook nader gewogen (Boot, 3 april 2025).
Boot concludeert dat er sprake is van een afname van verharding. Watercompensatie is daarmee niet noodzakelijk. Vanuit de gemeente Hilversum geldt dat over het totaal verhard oppervlak 60 mm berging in een voorziening gerealiseerd dient te worden. Daarnaast dient 20 mm berging oppervlakkig aanwezig te zijn. Dit komt neer op 94 m3 te bergen water. Binnen het plangebied wordt achter de appartementengebouwen groenparkeren toegepast. Om ervoor te zorgen dat het gras in deze parkeerplaatsen goed ontwikkeld, dient onder de verharding een substraat toegepast te worden waarin voldoende voedingsstoffen aanwezig zijn voor het groen en voldoende poriën voor het ontwikkelen van de wortels. Tevens kan hierin waterberging gerealiseerd worden. Aanvullend op de berging in het substraat kan hieronder een waterbergend pakket aangebracht worden. Achter de appartementengebouwen, ter hoogte van de parkeerplaatsen is ondergrondse ruimte beschikbaar om waterberging te realiseren. Hiervoor kan de berging in de fundering gerealiseerd worden middels de toepassing van een waterbergende fundering. Onder de parkeerplaatsen wordt een groeisubstraat met een dikte van 0,25 m toegepast. Aanvullend daarop wordt onder de parkeerplaatsen en rijbaan een waterbergende fundering toegepast met een dikte van 0,45 m.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
pagina 53 van 56
8
Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.
Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt het gemeentelijk kostenverhaal en de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is het ruimtelijke plan financieel uitvoerbaar.
pagina 54 van 56
9
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde woningbouw aan de Achter St. Vitus in overeenstemming is met de wettelijke evenwichtige toedeling functies aan locaties vereisten.
pagina 55 van 56
pagina 56 van 56