Bijlage 5 : Chw-bestemmingsplan 1221_(gewijzigd)_Toelichting_Bijlage 9 Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Projectnummer: 51001953 Referentienummer: NL22-648800269-14903 Datum: 16-08-2022
Chw-bestemmingsplan 1221 Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling
Definitief
Opdrachtgever: Gemeente Hilversum
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. De Bilt Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Matthijs Vrij Peerdeman Projectleider/Adviseur Milieueffectrapportage M +31 6 12 95 93 58
Verantwoording Titel
Chw-bestemmingsplan 1221
Subtitel
Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling
Projectnummer
51001953
Referentienummer
NL22-648800269-14903
Revisie
D4
Datum
16-08-2022
Auteur
Laura van Munster, Matthijs Vrij Peerdeman
E-mailadres
matthijs.vrijpeerdeman@sweco.nl
Gecontroleerd door
Cor van Duin
Goedgekeurd door
Lourens Hogenbirk
2 (30)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 4
1.2
M.e.r.-beoordeling: waarom? ................................................................................... 5
1.3
Te nemen besluiten ................................................................................................. 6
1.4
Doel van deze aanmeldingsnotitie........................................................................... 6
1.5
Procedure m.e.r.-beoordeling .................................................................................. 7
1.6
Leeswijzer ................................................................................................................ 8
2
Kenmerken van het project .................................................................................. 9
2.1
Inleiding ................................................................................................................... 9
2.2
Gebied 1221 .......................................................................................................... 10
3
Locatie van het project ....................................................................................... 13
3.1
Inleiding ................................................................................................................. 13
3.2
Bestaand grondgebruik ......................................................................................... 13
3.3
Cultuurhistorische waarden ................................................................................... 13
3.4
Archeologische waarden ....................................................................................... 14
3.5
Aardkundige waarden ............................................................................................ 16
3.6
Beschermde natuurgebieden ................................................................................ 16
3.7
Bodem en (grond)water ......................................................................................... 18
4
Kenmerken van de potentiële effecten .............................................................. 20
4.1
Inleiding ................................................................................................................. 20
4.2
Natuur .................................................................................................................... 22
4.3
Verkeer .................................................................................................................. 22
4.4
Geluid .................................................................................................................... 23
4.5
Externe veiligheid .................................................................................................. 24
4.6
Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 25
4.7
Cultuurhistorie en landschap ................................................................................. 26
4.8
Archeologie ............................................................................................................ 26
4.9
Aardkundige waarden ............................................................................................ 26
4.10
Bodem ................................................................................................................... 27
4.11
Water ..................................................................................................................... 27
5
Beoordeling van effecten .................................................................................... 28
5.1
Conclusie t.a.v. mogelijk aanzienlijke milieueffecten ............................................. 28
3 (30)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Het postcodegebied 1221 staat aan de vooravond van een transformatie. Het gebied wordt ontwikkeld tot een centrum stedelijk milieu. Middels een open planproces met alle stakeholders is in het licht van de Omgevingswet de Gebiedsagenda 1221 opgesteld. In de Gebiedsagenda zijn korte en lange termijn opgaven opgenomen die het gebied de komende jaren veiliger, gezonder, duurzamer en leefbaarder zullen maken. De opgaven worden opgepakt via prachtprojecten, ontwikkellocaties en diverse activiteiten om een kwaliteitsimpuls te geven aan de bestaande woonwijk. Om de opgaven juridisch te borgen is een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor 1221, met uitzondering van het Bruisend Hart. Het plangebied is op grond van de Crisis- en herstelwet aangemerkt als innovatief experiment én als ontwikkelingsgebied, waardoor geëxperimenteerd kan worden met een bredere reikwijdte van het bestemmingsplan. Dit wordt een Chw-bestemmingsplan-plus met verbrede reikwijdte (hierna: Chwbestemmingsplan) genoemd. Op deze manier heeft het bestemmingsplan al meer het karakter van een omgevingsplan. Het plangebied 1221 is gelegen in het oosten van Hilversum en wordt globaal begrensd door de Huygensstraat/Hoge Larenseweg, de Jan van der Heydenstraat, de spoorlijn Hilversum – Amersfoort en de spoorlijn Hilversum – Amsterdam (figuur 1.1).
Het Bruisend Hart, een ontwikkellocatie aan het spoor, bevindt zich binnen 1221, maar niet tot het plangebied van het Chw-bestemmingsplan.
Figuur 1.1 | Ligging postcodegebied 1221 (rode cirkel). Inzet: begrenzing plangebied, exclusief Bruisend Hart.
4 (30)
1.2 M.e.r.-beoordeling: waarom? Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Voor een aantal activiteiten geldt daarom een zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor andere activiteiten geldt dat zij afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Voor deze laatste activiteiten geldt een zogenaamde m.e.r.-beoordelingsplicht. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft in de bijlage in onderdeel C en D aan of voor een project een m.e.r.-(beoordelings)plicht van toepassing is. De onderhavige activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D11.2 (zie tabel 1.1). Tabel 1.1 | Activiteit D11.2 uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 29-07-2020) Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten De vaststelling van D De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de De structuurvisie, activiteit betrekking bedoeld in de het plan, bedoeld in 11.2 uitbreiding van een heeft op: artikelen 2.1, 2.2 en artikel 3.6, eerste stedelijk 2.3 van de Wet lid, onderdelen a en ontwikkelingsproject ruimtelijke ordening, b, van de Wet 1°.
een oppervlakte met inbegrip van de en het plan, bedoeld ruimtelijke ordening van 100 hectare of bouw van winkelcentra meer, in artikel 3.1, eerste dan wel bij het lid, van die wet. ontbreken daarvan of parkeerterreinen. van het plan, 2°. een bedoeld in artikel aaneengesloten 3.1, eerste lid, van gebied en 2000 of die wet. meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Daarbij kunnen de volgende situaties zich voordoen (zie ook figuur 1.2): 1. Een project zit boven drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst. In dat geval geldt een rechtstreekse m.e.r.-plicht voor plannen en besluiten uit kolom 3 en 4. 2. Een project zit onder de drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst, maar boven de drempelwaarde van een activiteit uit de D-lijst. In dat geval geldt voor een plan dat is aangewezen in kolom 3 een directe m.e.r.-plicht. Voor besluiten die zijn aangewezen in kolom 4 geldt een formele m.e.r.-beoordelingsplicht. 3. Een project blijft onder de drempelwaarde van de activiteit uit de D-lijst. Voor die projecten moet via een (‘vormvrije’) m.e.r.-beoordeling worden bepaald of een MER nodig is. De voorgenomen stedelijke ontwikkeling staat niet op de C-lijst. Op basis hiervan geldt geen rechtstreekse m.e.r.-plicht. De voorgenomen stedelijke ontwikkeling blijft onder de drempelwaarden uit activiteit D11.2 (maximale oppervlak van het plangebied is 90 hectare, maximaal aantal extra te realiseren woningen is 1.550 tot 2040). Indien een activiteit uit de
5 (30)
D-lijst een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria uit de ‘Europese richtlijn milieueffectbeoordeling’ te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. In figuur 1.2 is schematisch weergegeven wanneer een m.e.r.-plicht, m.e.r.beoordelingsplicht of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling van toepassing is.
Figuur 1.2 | Schematische weergave m.e.r.-beoordeling (Kenniscentrum InfoMil)
1.3 Te nemen besluiten De plicht om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren geldt alleen in combinatie met een besluit of een plan dat voor de betreffende activiteit in kolom 3 of 4 is aangewezen. In het geval van dit stedelijke ontwikkelingsproject is er één relevant plan/besluit waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht kan gelden. Bestemmingsplanwijziging De ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan. Er moet daarom een planologische procedure doorlopen worden. De ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt via een bestemmingsplanprocedure. Omdat het bestemmingsplan de ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk maakt 1, is het een ’besluit' in kolom 4 (zie ”artikel 3.1, eerste lid” uit de Wet ruimtelijke ordening in tabel 1.1). 1.4 Doel van deze aanmeldingsnotitie De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is.
Bij de m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: • Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden → er dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden; • Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op → er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 1.1).
1
zijn geen binnenplanse wijzigingsbevoegdheden opgenomen (Wro artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a) en het is niet een nader uit te werken plan (Wro artikel 3.6, eerste lid, onderdelen b).
6 (30)
Dit uitgangspunt betekent dat geen nadere m.e.r.-procedure nodig is, tenzij sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van ‘Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten’. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. Omvang van het project; b. Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen; d. Productie afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder; f. Risico op ongevallen; g. Risico voor de menselijke gezondheid. 2. Plaats van de activiteit: a. Bestaand grondgebruik; b. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect; a. Bereik van het effect; b. De aard van het effect; c. Grensoverschrijdend karakter; d. Orde van grootte en complexiteit effect; e. Waarschijnlijkheid effect; f. Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect; g. De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; h. De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen.
1.5 Procedure m.e.r.-beoordeling Met deze aanmeldingsnotitie verzoekt de initiatiefnemer het bevoegd gezag om te beoordelen of een m.e.r.-procedure nodig is. Voor dit project is de gemeente Hilversum zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag. In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is. Omdat bevoegd gezag tevens initiatiefnemer is, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium een m.e.r.beoordelingsbeslissing. Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt verstaan het stadium voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Het m.e.r.beoordelingsbesluit wordt gepubliceerd. Op dit besluit is geen bezwaar/beroep mogelijk. Indien een belanghebbende, anders dan de initiatiefnemer, het niet eens is met de gevolgde procedure, dan kan deze bezwaar of beroep indienen bij het besluit in het kader waarvan de m.e.r.-beoordeling plaatsvond (de bestemmingsplanwijziging).
7 (30)
KADER 1.1 UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de m.e.r.-beoordelingsnotitie het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r.. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht. Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de m.e.r.beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige gevolgen, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.
1.6 Leeswijzer In deze inleiding is aan bod gekomen waarom een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, wat het doel is van deze aanmeldingsnotitie en wat de procedure is voor de m.e.r.-beoordeling. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de kenmerken van het project. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de kenmerken van het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt beschreven of het project potentiele nadelige milieueffecten met zich meebrengt. Dit gebeurt aan de hand van een beschrijving van de te verwachten effecten voor de thema’s natuur, verkeer, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, cultuurhistorie en landschap, archeologie, bodem, aardkundige waarden en water. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de effecten zoals beschreven in hoofdstuk 4 beoordeeld. Deze beoordeling leidt tot de conclusie of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en of dit leidt tot het moeten opstellen van een milieueffectrapport (MER).
8 (30)
2
Kenmerken van het project
2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kenmerken van het project. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de kenmerken van het project. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de daaropvolgende paragraaf worden relevante kenmerken van het project nader toegelicht. Potentiele effecten als gevolg van de kenmerken van het project worden in hoofdstuk 4 beschreven. Tabel 2.1 | Samenvatting van de kenmerken van het project Criteria
Beschrijving
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)
Het betreft een stedelijk ontwikkelingsproject met ontwikkellocaties van gezamenlijk ca. 90 hectare. Het gaat om een nieuw bestemmingsplan in een plangebied dat op grond van de Crisis- en herstelwet is aangemerkt als innovatief experiment en als ontwikkelingsgebied. De oppervlakte van het project valt onder de drempelwaarde van activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. van 100 hectare. Het project biedt ruimte voor maximaal 1.550 nieuwe woningen tot 2040, waavan er maximaal 1.550 in 2030 worden gerealiseerd.Dit aantal ligt onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Daarom volstaat een notitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De drempelwaarden zijn echter indicatief en het voornemen zit qua hectare (90 ha) net onder deze drempelwaarden. Daarnaast worden er maximaal 1.550 woningen mogelijk gemaakt en ligt het plangebied in gevoelig (dichtbevolkt) gebied. Er is daarom gekozen om in deze aanmeldingsnotitie dezelfde diepgang te hanteren als gebruikelijk is bij een ‘formele’ m.e.r.-beoordeling.
Cumulatie met andere projecten
Er is één relevante autonome ontwikkeling bekend waarmee cumulatieve effecten kunnen optreden. Het betreft het project ”Bruisend Hart”. Het project Bruisend Hart richt zich op het realiseren van een aantrekkelijk en levendig entreegebied, door een mix van wonen, (flex)werken, winkels, horeca en andere voorzieningen. Hiervoor wordt een structuurvisie opgesteld. In het bestemmingsplan Hilversum 1221 is dit gebied niet meegenomen. Voor het Bruisend Hart is namelijk nog niet bekend wat het uiteindelijke programma gaat worden. Op dit moment wordt gedacht aan een programma van circa 12.000 – 26.500 m2 bruto vloeroppervlak aan bedrijven, circa 250 woningen en 3.500 – 5.500 m2 werken en voorzieningen. In voorliggende aanmeldingsnotitie wordt deze ontwikkeling, daar waar relevant (verkeer, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid), meegenomen in het kader van mogelijke cumulatieve effecten. In het het voor het Chw-bestemmingsplan gemaakte verkeersprognosemodel zijn ook enkele andere ontwikkelingen in de omgeving meegenomen (herontwikkeling stationsgebied, aanpassen overweg Kleine Spoorbomen en de aanleg van de Alexiatunnel bij de Oosterengweg).
Gebruik natuurlijke hulpbronnen2
In het plangebied of in de nabijheid daarvan zijn geen natuurlijke hulpbronnen aanwezig die als gevolg van de activiteit worden beïnvloed. Het plangebied ligt op circa 200 - 300 meter van grondwaterbeschermingsgebied ’t Gooi.
Productie afvalstoffen3
Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. Bij de realisatie van het project is het streven om zoveel mogelijk in te zetten op waardeverhogende bouwmethodieken, milieu- en grondstofvriendelijke materialen en minder afval en uitstoot in het proces van bouwen. De hiervoor benodigde hulpbronnen worden van buiten het plangebied aangevoerd. Bij de realisatie van nieuwe woningen kan eventueel ontgronding plaatsvinden.
2
Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 3 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.
9 (30)
Bij de realisatie van nieuwe woningen en groen- en speelvoorzieningen en de voorzieningen in het Bruisend Hart komt (sloop- en bouw)afval vrij en is sprake van emissies van bouwverkeer. (Sloop- en bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Afvalstoffen die vrijkomen tijdens de gebruiksfase betreffen o.a. huishoudelijk-afval en bedrijfsafval. Verontreiniging en hinder
Verontreiniging: Tijdens de aanlegfase kan als gevolg van het bouwverkeer mogelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. De ontwikkelingen vinden verspreid over circa 20 jaar plaats. Wegens het toevoegen van maximaal 1.550 woningen als gevolg van het bestemmingsplan Hilversum 1221 (en in totaal 1.800 als daar Bruisend Hart cumulatief bij opgeteld wordt), wordt in de gebruiksfase een hogere verkeersintensiteit verwacht op de wegen. In de gebruiksfase kan dit leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierop wordt nader ingegaan onder ‘4. Kenmerken van het potentiële effect’. De ontwikkeling zal verder niet leiden tot een andere vorm van verontreiniging. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden en het bouwverkeer verkeershinder en geluidshinder optreden. In de gebruiksfase kan de ontwikkeling leiden tot een toename van verkeersbewegingen met als gevolg extra geluidshinder voor omwonenden. Op mogelijke effecten als gevolg van de verkeerstoename en geluidshinder wordt nader ingegaan onder ‘4. Kenmerken van het potentiële effect’.
Risico voor ongevallen
Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht. In het plangebied wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Wel zijn enkele risicobronnen nabij het plangebied 1221 aanwezig. Daardoor neemt het groepsrisico wel toe. Hierop wordt nader ingegaan onder ‘4. Kenmerken van het potentiële effect’.
Risico voor de menselijke gezondheid
Risico’s op de menselijke gezondheid kunnen ontstaan als gevolg van geluidhinder, luchtkwaliteit en risico’s op ongevallen. Hierop wordt nader ingegaan onder ’4. Kenmerken van het potentiële effect’.
2.2
Gebied 1221
2.2.1 Huidige structuur gebied 1221 Gebied 1221 is aan het einde van de 19e eeuw ontstaan door de aanleg van de eerste industrie- en arbeiderswijken. Vanaf de jaren ’20 van de vorige eeuw zijn daar enkele volkswoningbouwcomplexen bijgekomen, geïnspireerd op de tuinstadgedachte om zelfvoorzienende wijken met elk eigen functies te creëren. Het plangebied 1221 is ingedeeld in drie buurten: de Geuzenbuurt, de Electrobuurt en de Kleine Driftbuurt, elk met een eigen karakter (zie figuur 2.1). Kenmerkend voor de Geuzenbuurt is kleinschalige menging van functies en bebouwing. De Electrobuurt wordt gekenmerkt door haar grote diversiteit in functies, met name rondom het Oosterspoorplein. De Kleine Driftbuurt heeft twee gezichten. Het eerste deel heeft voornamelijk een woonkarakter en kent veel erfgoed. Het tweede deel heeft een meer gemengde functie van grootschalige bedrijvigheid en kleinschalige woningen.
10 (30)
Figuur 2.1 | Buurten 1221.
2.2.2
Chw-bestemmingsplan
Chw-Bestemmingsplan 1221 Vanuit het Chw-bestemmingsplan is het de ambitie dat plangebied 1221 op geleidelijke en organische wijze getransformeerd wordt in een gemengd woongebied met als doel om het woon,- werk,- en leefklimaat te versterken. Het Chw-bestemmingsplan houdt rekening met de bouw van maximaal 1.550 woningen tot 2040 (waarvan maximaal 1.150 tot 2030). Twee prachtprojecten verspreiden zich over de gehele wijk. In het bestemmingsplan zijn deze prachtprojecten vertaald in omgevingswaarden om de wijk te vergroenen en spelen en ontmoeten te stimuleren. De realisatie van extra woningen is mogelijk in daarvoor aangewezen ontwikkellocaties. Binnen deze ontwikkellocaties wordt in het bestemmingsplan echter nog niet vastgelegd waar welke woningen moeten komen. Er wordt dus een globale eindbestemming gegeven. Prachtprojecten Het eerste prachtproject is de ‘Groene Loper’. Dit prachtproject heeft als doel de wijk te vergroenen. In samenwerking met bewoners en ontwikkelaars zijn acht pleinen aangewezen als kansgebieden voor vergroening (zie figuur 2.2). De vergroening ondersteunt de wijk op het gebied van biodiversiteit, spelen/ontmoeten en klimaatadaptatie. Meer ontmoetingsplekken valt ook onder het tweede prachtproject. Het tweede prachtproject is ‘Spelen & Ontmoeten’.
Hierin staat de herinrichting en kwaliteitsverbetering van speelplekken en ontmoetingsplekken in gebied 1221 centraal. Op termijn (2030) is de wens om een netwerk van speel- en ontmoetingsplekken te realiseren, verspreid over de wijk, veilig te bereiken en welke voldoen in de behoefte van omwonenden. Figuur 2.2 | Vergroenen van pleinen – Groene Loper
11 (30)
Ontwikkelmogelijkheden: gebiedsdelen Een deel van de wijk 1221 bestaat uit consolideringsgebieden, waar de huidige inrichting en bestaande structuren in stand blijven en geen ingrijpende veranderingen in functies plaatsvinden. Binnen dit gebied vallen de consolideringsgebieden Geuzenbuurt, Electrobuurt, Villa Industria en de Kleine Driftbuurt. Andere delen van de wijk 1221 zijn aangewezen als moderniseringsgebieden. Hier staat vernieuwing en menging van functies centraal. Wonen, werken en leven bestaan naast elkaar. Het gaat om de gemengde straten. Voornamelijk langs de toegangswegen wordt meer ruimte geboden aan werk en voorzieningen. Ook ’s avonds wordt de begane grond actief gebruikt. Dit creëert een sociaal veilige en aantrekkelijke omgeving. De moderniseringsgebieden bestaan uit de Larenseweg, Minckelersstraat en de Spoorzone. Als laatste zijn er de ontwikkellocaties. Hier zijn ingrijpende veranderingen in hoofdfuncties gewenst. de ontwikkellocaties worden op termijn getransformeerd tot (hoog)stedelijk woonen werkgebieden met een hoge omgevingskwaliteit. De grotere bedrijfslocaties in 1221 worden volledig (her)ontwikkeld tot woon- en werklocaties.
Voor deze locaties zijn gebiedspaspoorten opgesteld Het gaat om de volgende ontwikkellocaties: Hunkemöller, Venetapark, Van Son, Wybertjesfabriek, Grote Sigarenfabriek, Zuiderweg/Lijsterweg en Korte Noorderweg, zie figuur 2.3 voor de locaties.
Figuur 2.3 | Ontwikkellocaties 1221.
12 (30)
3
Locatie van het project
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de plaats van het project beschreven. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de locatiekenmerken van het project. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de volgende paragrafen worden de mogelijk aanwezige waarden nader toegelicht. Tabel 3.1 | Samenvatting van de locatiekenmerken van het project Criteria
Beschrijving
Bestaande grondgebruik
Het plangebied 1221 is in de huidige situatie bebouwd binnenstedelijk gebied, met diverse functies in de vorm van wonen en bedrijvigheid.
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het plangebied 1221 is grotendeels al bebouwd en kent geen grootschalige hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen in de vorm van bos of water. De biodiversiteit in het gebied is gering. Regeneratie van in het gebied aanwezige natuurlijke hulpbronnen is daarom niet van toepassing.
Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.
•
• • • •
De oude industriële gebouwen en het erfgoed vormen nu de trots van 1221. Verder kent het plangebied 1221 een cultuurhistorische waarde door de verschillende monumenten die zich in het gebied bevinden (zie paragraaf 3.3). Aan het plangebied 1221 is grotendeels een middelhoge en deels een hoge archeologische verwachting toegekend (zie ook paragraaf 3.4). In het plangebied ligt geen aardkundig waardevol gebied (zie ook paragraaf 3.5). Het plangebied 1221 ligt op grote afstand van beschermde natuurgebieden (o.a. Natura 2000 en NNN, zie ook paragraaf 3.6). Binnen 1221 komen diverse bodemverontreinigingen voor. Een deel van de bodem in het gebied 1221 is verontreinigd met minerale olie, zware metalen, asbest, PAK en VOCL/PCB/OCB en een aantal bodemverontreinigingen met overige stoffen (zie paragraaf 3.7).
3.2 Bestaand grondgebruik Het plangebied 1221 is in de huidige situatie bebouwd binnenstedelijk gebied, met diverse functies in de vorm van wonen en bedrijvigheid. Het gebied is ingedeeld in drie buurten: de Geuzenbuurt, de Electrobuurt en de Kleine Driftbuurt, elk met een eigen karakter. Kenmerkend voor de Geuzenbuurt is kleinschalige menging van functies en bebouwing. De Electrobuurt wordt gekenmerkt door haar grote diversiteit in functies, met name rondom het Oosterspoorplein. De Kleine Driftbuurt heeft twee gezichten. Het eerste deel heeft voornamelijk een woonkarakter en kent veel erfgoed. Het tweede deel heeft een meer gemengde functie van grootschalige bedrijvigheid en kleinschalige woningen. 3.3 Cultuurhistorische waarden De gemeente Hilversum kent ruim 850 gemeentelijke monumenten, 250 Rijksmonumenten, en één Provinciaal monument. In het plangebied ligt een groot aantal gemeentelijke monumenten en acht Rijksmonumenten. Het betreft hoofdzakelijk gebouwen die het ontstaan van de eerste industrie- en arbeiderswijken (eind 19e eeuw) en de volkswoningbouwcomplexen (vanaf jaren ’20 van de vorige eeuw) representeren. De oostzijde van het plangebied grenst aan een van de drie beschermde stadsgezichten van de gemeente Hilversum: ’Plan Oost’ (figuur 3.1).
13 (30)
Figuur 3.1 | Monumenten in en rond het plangebied (Bron: monumentenkaart gemeente Hilversum). Rode lijn is globale ligging plangebied.
3.4 Archeologische waarden De gemeente Hilversum heeft voor haar grondgebied een Archeologische Verwachtingskaart opgesteld. Uit de Archeologische Verwachtingskaart van de gemeente Hilversum (figuur 3.2) blijkt dat aan het plangebied 1221 grotendeels een middelhoge en deels een hoge archeologische verwachting is toegekend.
Figuur 3.2 | Archeologische Verwachtingskaart (Lichtgroen: middelhoge verwachting, donkergroen: hoge verwachting). Rode lijn is globale ligging plangebied.
In het vigerende bestemmingsplan Over t Spoor geldt overal een dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Ter plaatse van het Lucentterrein geldt een dubbelbestemming
14 (30)
Waarde – Archeologie op een aantal locaties. De dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie in 1221 zijn weergegeven figuur 3.3.
Figuur 3.3 | Dubbelbestemmingen Archeologie postcodegebied 1221
15 (30)
Middels deze dubbelbestemming Waarde - Archeologie is geregeld dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad als gevolg van bouwwerken of andere werken en werkzaamheden. Enkel indien ingrepen niet dieper dan 0,40 meter in de bodem reiken en de oppervlakte van de ingrepen of bouwwerken niet meer bedraagt dan 100 m² wordt geacht dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Op een beperkt aantal locaties geldt zelfs een maximale diepte van 0,30 meter en een maximale oppervlakte van niet meer dan 25 m2. 3.5 Aardkundige waarden Het plangebied kent geen aardkundige waarden. Op een afstand van ca. 660 meter van het plangebied 1221 liggen aardkundige monumenten (figuur 3.4, bruin) en aardkundig waardevolle gebieden (figuur 3.4, geel).
Figuur 3.4 | Plangebied 1221 en rondomliggende aardkundige monumenten (bruin) en aardkundige waardevolle gebieden (geel).
3.6 Beschermde natuurgebieden Natura 2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden door heel Europa. Het zijn gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Bepaalde
16 (30)
diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving moeten worden beschermd om zo de biodiversiteit te behouden. In Nederland is deze bescherming wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Het gebied 1221 ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied, Oostelijke Vechtplassen, ligt op ca. 4,15 kilometer ten westen van het plangebied. In de noord- en noordoostelijke richting ligt op ca. 7 kilometer afstand het Natura 2000gebied Eemmeer & Gooimeer Zuidoever. Ten noordwesten van het plangebied ligt op circa 6,3 kilometer het Natura 2000-gebied Naardermeer (Zie figuur 3.5).
Figuur 3.5 | Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ten opzichte van Hilversum.
Naast de Natura 2000-gebieden kent Nederland een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden die een belangrijk onderdeel zijn van het natuurbeleid. Dit netwerk heet het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De NNN is op provinciaal niveau verder uitgewerkt in Natuurbeheerplannen en beschermd via de provinciale verordeningen. Binnen het plangebied 1221 ligt geen NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ruim 600 meter van het plangebied (zie figuur 3.6).
17 (30)
Figuur 3.6 | NNN-gebieden rondom Hilversum.
3.7 Bodem en (grond)water Het plangebied kent geen grote oppervlaktewateren. Daarom wordt in deze paragraaf alleen gekeken naar de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit. 3.7.1 Bodemkwaliteit Op grond van de Wet bodembescherming dient de kwaliteit van de bodem te worden bewaakt en dienen verontreinigingen in de bodem te worden voorkomen. De milieuhygiënische bodemkwaliteit van een gebied moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Voor een gevoelige functie als wonen gelden andere eisen dan voor bijvoorbeeld bedrijven. De milieuchemische bodemkwaliteit mag geen risico’s opleveren voor de gebruikers van een gebied. Andersom mogen de functies geen nadelig effect hebben op de kwaliteit van de ondergrond. Binnen het plangebied 1221 komen diverse bekende bodemverontreinigingen voor. Een deel van de bodem in het gebied is verontreinigd met minerale olie, zware metalen, asbest, PAK en VOCL/PCB/OCB. Ook op andere locaties binnen het plangebied kan sprake zijn van (nu nog niet bekende) bodemverontreiniging. 3.7.2 Grondwaterkwaliteit Er is een grondwaterbeschermingsgebied (wingebied ’t Gooi) op relatief korte afstand (vanaf ca. 200 meter) van het plangebied aanwezig (zie figuur 3.7 (blauw). Het grondwaterbeschermingsgebied ligt om waterwingebied ’t Gooi (figuur 3.7, oranje).
18 (30)
Figuur 3.7 | Plangebied 1221 en het nabijgelegen wingebied ’t Gooi, waaronder valt: het grondwaterbeschermingsgebied (blauw) en het waterwingebied (oranje).
19 (30)
4
Kenmerken van de potentiële effecten
4.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de potentiële effecten nader beschreven. In tabel 4.1 worden de aspecten die hierbij van belang zijn samengevat. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de daaropvolgende paragrafen worden verschillende (milieu)thema’s nader toegelicht. De effecten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de bestaande toestand van het milieu (huidige situatie) evenals de verwachte ontwikkelingen indien de voorgenomen activiteit niet gerealiseerd wordt (autonome situatie). Voor dit project geldt de huidige situatie als referentiesituatie. Er zijn geen relevante autonome ontwikkelingen bekend die in de referentiesituatie meegenomen moeten worden. Waar relevant zijn effecten steeds als volgt beoordeeld: effecten zonder aanvullende maatregelen en effecten met aanvullende maatregelen om effecten te voorkomen of te beperken (mitigerende maatregelen). Of sprake is van belangrijk nadelige gevolgen wordt beoordeeld op basis van het voornemen inclusief eventuele maatregelen. Het is daarbij van belang dat de betreffende maatregelen in het bestemmingsplan, of op een andere wijze, worden geborgd. Tabel 4.1 | Samenvatting van de kenmerken van de potentiële effecten Criteria
Beschrijving
Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)
Het betreft een stedelijk ontwikkelingsproject met gezamenlijk plangebied van ca. 90 hectare en maximaal 1.550 woningen tot 2040. De activiteiten zijn lokaal van aard en de omvang van de effecten op de omgeving is beperkt. De activiteiten vinden plaats in gevoelig (dichtbevolkt) gebied. Voor geen van de aspecten worden belangrijk nadelige gevolgen op de omgeving verwacht.
De aard van het effect
Tijdens de aanlegfase zijn er mogelijk effecten op lokaal aanwezige beschermde soorten. Wanneer dit het geval is, kunnen in de praktijk mitigerende maatregelen worden getroffen om belangrijk nadelige effecten te voorkomen. Dit wordt geborgd door de Wet natuurbescherming. Geluidshinder voor omwonenden is te verwachten in de aanlegfase en in de gebruiksfase, al is de toename aan geluid in verhouding tot het huidige geluidsniveau beperkt (minder dan 1,5 dB). Verder gaat ook het groepsrisico ten opzichte van de huidige situatie omhoog (externe veiligheid). Dit heeft echter geen effect op het risico van bestaande bewoners; deze blijft gelijk. Het voornemen leidt niet tot een toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen/leegebieden met een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Geen van de effecten zijn belangrijk nadelig.
Grensoverschrijdend karakter
Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten.
Orde van grootte en complexiteit effect
De meeste effecten treden op gedurende de aanlegfase van de ontwikkelingen. Deze effecten zijn voornamelijk tijdelijk (geluid, bouwverkeer, luchtkwaliteit) en leiden niet tot onevenredige hinder. De realisatie van de woningen gebeurt daarnaast naar verwachting verspreid over een periode van circa 20 jaar. De effecten in de aanlegfase zullen daarom niet in één keer optreden en daarom ook niet cumuleren. Eventuele effect op archeologische waarden zijn blijvend van aard, daarom worden deze in het bestemmingsplan beschermd middels een dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Overige blijvende effecten vinden plaats tijdens de gebruiksfase (verkeer en daaraan gerelateerde hinder). Gezien de huidige verkeersintensiteiten en daaraan gerelateerde hinder, is de toename van het effect relatief beperkt.
Waarschijnlijkheid effect
De beschreven effecten zullen zich voordoen. Alleen de kans dat effecten optreden op archeologische waarden is niet groot, vanwege de huidige bebouwing van het gebied. De mate waarin de beschreven effecten in de aanlegfase zullen optreden, hangt af van de snelheid van het bouwen van de 1.550 woningen. De effecten treden in mindere mate op wanneer het bouwen van de woningen wordt verspreid over 20 jaar. Zoals het er nu naar uitziet worden tot 2030 1.150 woningen gebouwd en in totaal 1.550 woningen (dus
20 (30)
inclusief de 1.150 tot 2030) tot 2040. Hoe korter de periode is waarbinnen de woningen worden gebouwd, des te groter zal het tijdelijke gezamenlijke effect zijn. Voor de gebruiksfase wordt verwacht dat de verkeersintensiteit omhoog gaat. Dit leidt naar verwachting niet tot negatieve effecten op de doorstroom van het verkeer in het gebied. Wanneer woningen worden gebouwd in de ontwikkelingsprojecten langs het spoor gaat het groepsrisico omhoog. Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
De effecten tijdens de aanlegfase zijn tijdelijk van aard. Ze kunnen optreden over een periode van 20 jaar. Bouwwerkzaamheden duren per ontwikkeling gemiddeld 1 tot 2 jaar. De meeste effecten zijn omkeerbaar. Alleen een eventuele aantasting van archeologische waarden is onomkeerbaar.
De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten
In deze aanmeldingsnotitie is gekeken naar mogelijk cumulatieve (milieu)effecten van voorliggend plan met de ontwikkeling van Bruisend Hart. De effecten van beide plannen zijn in grote mate vergelijkbaar met elkaar. Om een goed beeld te krijgen van de cumulatieve milieueffecten, zijn de berekeningen voor verkeer en verkeersgerelateerde onderzoeken uitgevoerd voor het cumulatieve programma van Chwbestemmingsplan 1221 enBruisend Hart. In het verkeersprognosemodel zijn ook enkele andere ontwikkelingen in de omgeving meegenomen (herontwikkeling stationsgebied, aanpassen overweg Kleine Spoorbomen en de aanleg van de oosterengtunnel). Daaruit blijkt dat de cumulatieve effecten zeer beperkt van aard zijn en niet leiden tot belangrijk nadelige gevolgen. Dit komt in de eerste plaats doordat de meeste grotere ontwikkelingslocaties op enige afstand van het Bruisend Hart liggen, waardoor cumulatieve effecten zijn uit te sluiten. Enkele ontwikkellocaties liggen wel in de buurt van Bruisend Hart en zullen met name op het gebied van verkeersgerelateerde effecten een beperkt cumulatief effect hebben. Dat deze effecten slechts beperkt zijn, komt doordat de verwachting is dat een groot deel van de gebruikers van Bruisend Hart uit de directe omgeving of met de trein zullen komen.
De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen
Voor geluidseffecten in de gebruiksfase kan worden overwogen om een geluidreducerend wegdek toe te passen. Verder worden in de verantwoording van het groepsrisico maatregelen genoemd om het groepsrisico te verkleinen (zie ook paragraaf 4.5). Eventuele archeologische effecten worden verminderd door de al gestelde bouweisen en door plaatselijk onderzoek. Om effecten op aanwezige beschermde diersoorten te voorkomen zijn in de praktijk verschillende maatregelen mogelijk. Deze moeten verder worden onderzocht in het kader van de vergunningaanvraag.
KADER 4.1 UITLEG POTENTIËLE EFFECTEN Vanwege de aard van het Chw-bestemmingsplan, waar de precieze invulling van de ontwikkellocaties op een organische manier zal plaatsvinden, zijn de onderzoeken naar de potentiële effecten alleen op de hoofdlijnen uitgevoerd. Dit is voor nu voldoende om te bepalen of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. In een eventuele vergunningsfase zal meer en specifieker onderzoek worden uitgevoerd.
KADER 4.2 Gebiedsanalyse In het Chw-bestemmingsplan moet worden aangetoond dat er geen onoverkomelijke belemmeringen zijn, die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Met behulp van een gebiedsanalyse is aangetoond welke aandachtspunten er zijn in 1221. De analyse is opgesteld aan de hand van data over bodemverontreiniging, archeologische waarden, monumenten, natuurgebieden, geluidsbelasting, luchtkwaliteit, wettelijke geluidzones, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid en ecologie. De gebiedsanalyse geeft voor de ontwikkellocaties in het plangebied een eerste indruk van de mogelijke aandachtspunten en draagt hiermee bij aan het aantonen van de globale uitvoerbaarheid van het Chw-bestemmingsplan. Op basis van de analyse is bepaald welke onderzoeken een initiatiefnemer bij een vergunningaanvraag dient aan te leveren. De onderzoeksplicht wordt als regel in het Chw-bestemmingsplan opgenomen en zal waar mogelijk gekoppeld worden aan specifieke werkingsgebieden. De analyse vormt tevens input voor de toelichting van het Chwbestemmingsplan en zijn gebruikt voor deze aanmeldingsnotitie.
21 (30)
4.2 Natuur Het gebied 1221 ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied, Oostelijke Vechtplassen, ligt op ca. 4,15 kilometer ten westen van het plangebied. In noord- en noordoostelijke richting ligt op ca. 7 kilometer afstand het Natura 2000-gebied Eemmeer & Gooimeer Zuidoever. In noordwestelijke richting ligt op ca. 6,3 kilometer afstand het Natura 2000-gebied Naardermeer. Er worden in verband met de grote afstanden geen directe negatieve effecten verwacht van het Chw-bestemmingsplan. Wel kunnen indirecte effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. Een AURIUSberekening is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitat (Sweco, juli 20224). Uit deze berekening blijkt dat het voornemen niet tot toename van stikstofdepositie leidt hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen/leegebieden met een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Omdat het plangebied al reeds intensief bebouwd is, treden geen onomkeerbare effecten op aanwezige natuurgebieden op. Een onderdeel van het voornemen is het toevoegen van groen als onderdeel van het prachtproject de ‘Groene Loper’. Dit kan een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit en de ondersteuning van (beschermde) planten en dieren in het plangebied.
In het bestemmingsplan wordt een regel opgenomen ten aanzien van natuurinclusief bouwen en realisatie van vierkantemeters groen. Volgens de ’Effectenindicator soorten’ is het mogelijk dat in gebied 1221 diverse beschermde soorten voorkomen. Het gaat hier om de gierzwaluw, de huismus en de gewone dwergvleermuis. De kans bestaat dat deze soorten hinder kunnen ondervinden naar aanleiding van de ontwikkelingen vanuit het Chw-bestemmingsplan. Hiernaar moet nader onderzoek worden uitgevoerd in de vergunningenfase, zodra de exacte locatie en plannen bekend zijn. Conclusie natuur De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belangrijk nadelig effect op in de omgeving aanwezige beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling van de ’Groene Loper’ kan een positief effect hebben op de aanwezige biodiversiteit. Bij een concrete ontwikkeling dient aandacht te worden besteed aan beschermde soorten. Mogelijk dient een initiatiefnemer op basis van een verkennend natuuronderzoek een aanvullend onderzoek te doen naar bepaalde beschermde diersoorten. Er kunnen mitigerende maatregelen nodig zijn om een ontwikkeling mogelijk te maken. Dit wordt geborgd in de ontheffing. In de praktijk kunnen belangrijk nadelige gevolgen worden voorkomen door het treffen van de juiste maatregelen. 4.3 Verkeer Als gevolg van de toename van het aantal woningen zal het aantal verkeersbewegingen in het plangebied toenemen.
De toename is berekend met een verkeersprognosemodel (RHDHV, 09-07-20215). Daarin is uitgegaan van de ontwikkeling van de woningen voor bestemmingsplan Hilversum 1221 en Bruisend Hart (1.550 + 250 = 1.800 woningen). De ontwikkeling van Bruisend Hart heeft binnen de berekende verkeersaantallen een beperkt aandeel. Dat komt doordat de ontwikkeling zich richt op voorzieningen voor de omliggende wijken. Daarnaast ligt het Bruisend Hart tegen het treinstation. Uit de modelberekening volgt op een aantal wegvakken een toename van orde grootte 500 motorvoertuigen per etmaal 4 5
Notitie stikstofdepositie Hilversum 1221 (15-07-2022) Verkeerskundige effecten Chw-bestemmingsplan 1221 te Hilversum (07-07-2022)
22 (30)
(mtv/etm). De grootste toename is voorzien op de Noorderweg – Larenseweg, waar de toename 700 tot 900 voertuigen per etmaal bedraagt. Er is gekeken of deze toenames mogelijk leiden tot problemen voor de verkeersafwikkeling. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de verkeerskundige effecten van de ontwikkellocaties beperkt zijn en dat het niet te verwachten is dat problemen met de verkeersafwikkeling ontstaan. Conclusie verkeer De verwachtte toenames in verkeersintensiteit zullen naar verwachtingen niet leiden tot problemen met de verkeersafwikkeling in en rond het plangebied. 4.4
Geluid
Aanlegfase Tijdens de aanlegfase kan als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden en het bouwverkeer geluidshinder optreden. Dit soort geluidshinder is tijdelijk. Omdat nu nog niet duidelijk is in welk tempo en op welke plek de woningen worden gebouwd, kan op dit moment geen uitspraak worden gedaan over de grootte van de geluidshinder. Omdat het een Chw-bestemmingsplan betreft met een lange looptijd, is de verwachting dat de 1.550 woningen verspreid over de periode van 20 jaar worden gebouwd. Een eerste inschatting is dat tot 2030 circa 1.150 woningen worden gebouwd en tot 2040 in totaal 1.550 (dus inclusief de 1.150 tot 2030). De kans dat alle woningen in één keer worden gebouwd (met potentieel de hoogste cumulatieve effecten) is zeer klein. Gebruiksfase: leefomgevingskwaliteit Uit verkeersonderzoek (RHDHV, juli 20226) blijkt dat de potentiële ontwikkelingen de verkeersintensiteit permanent verhogen. In het verkeersonderzoek is reeds gerekend met een verkeerstoename als gevolg van het bestemmingsplan Hilversum 1221 en Bruisend Hart. In het verkeersprognosemodel zijn ook enkele andere ontwikkelingen in de omgeving meegenomen (herontwikkeling stationsgebied, aanpassen overweg Kleine Spoorbomen en de aanleg van de oosterengtunnel). Er wordt niet verwacht dat verkeersafwikkeling in en rond het plangebied wezenlijk wordt beïnvloed.
In het akoestische onderzoek (Sweco, augustus 20227) zijn geluidcontouren berekend rondom de (spoor)wegen als gevolg van weg- en railverkeer. De optredende geluidsbelastingen overschrijden in een deel van het plangebied de ten hoogste toelaatbare waarde van Lden 48 dB ten gevolge van wegverkeer en 55 dB ten gevolge van railverkeer uit de Wet geluidhinder. Langs diverse wegen in het plangebied ligt de 68 dB-contour over een aantal (eerstelijns) woningen. Nergens wordt op de ontwikkellocaties de maximaal te ontheffen waarde overschreden. Met het vaststellen van het bestemmingsplan worden de berekende geluidbelastingen tot maximaal 63 dB voor wegverkeerslawaai (68 dB bij vervangende nieuwbouw) en 68 dB voor railverkeerslawaai vastgesteld als hogere waarden. In het akoestisch onderzoek is afgewogen dat bron- of overdrachtsmaatregelen voor de huidige invulling niet doeltreffend zijn of stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard. Bij het uitwerken van een omgevingsvergunning moet aangetoond worden dat voldaan kan worden aan de vastgestelde hogere geluidwaarden en de criteria die zijn opgenomen in het hogere waardenbesluit. Dit wordt beschouwd als een maatregel om te voorkomen dat de geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde komt en daarmee niet voldoet aan de wettelijke normen.
6 Verkeerskundige effecten Chw-bestemmingsplan 1221 te Hilversum (07-07-2022) 7
Bestemmingsplan 1221 Hilversum: Akoestisch onderzoek (11-08-2022)
23 (30)
Effect toename geluidhinder Wanneer naar de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal wordt gekeken, dan valt op dat de maximale toename ongeveer 35% procent is (Liebergerweg). Dit is inclusief de ontwikkeling van Bruisend Hart. Dit betekent dat langs die weg sprake zal zijn van een geluidtoename van tussen de 1,0 en 1,5 dB. In verhouding tot de huidige geluidsintensiteiten zal een dergelijke toename voor de meeste mensen niet waarneembaar zijn. Op andere wegen is de verkeerstoename aanzienlijk lager en zal de geluidstoename onder de 1 dB blijven. Conclusie geluid Bepaalde gebieden zijn vanuit de bestaande geluidbelasting meer geschikt voor nieuwe woningen dan andere. Met name de ontwikkellocaties langs het spoor en direct aan de weg liggen vaak boven de voorkeursgrenswaarde. Vanuit geluidshinder bekeken is op dergelijke locaties de leefomgevingskwaliteit matig tot onvoldoende. Het bestemmingsplan heeft voor die locaties hogere waarden vastgesteld tot de maximaal te ontheffen waarde. Wanneer naar het effect van van de verkeerstoename als gevolg van de nieuwbouw wordt gekeken, dan is de verwachting dat deze overal onder de 1,5 dB blijft. Gezien de huidige geluidbelasting is een dergelijke toename voor de meeste mensen niet waarneembaar. 4.5 Externe veiligheid In het plangebied wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen.
De voorgenomen ontwikkeling zal hier geen verandering in brengen. Wel volgt uit het onderzoek naar externe veiligheid (Sweco8, juli 2022) dat rondom het plangebied, binnen een straal van 2.000 meter, zich de volgende risicobronnen bevinden: transport van aardgas door een aardgastransportleiding (figuur 4.1, rood), aardgasontvangst en reduceerstation, transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27 (figuur 4.1, geel) en transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn (figuur 4.1, geel). Het plangebied bevindt zich echter niet binnen het invloedsgebied van de meeste van deze risicobronnen. Alleen het invloedsgebied van de spoorlijn Bussem – Hilversum – Baarn, waarover zeer toxische vloeistoffen (D4) worden vervoerd, ligt over het plangebied. In relatie tot de spoorlijn Bussum – Hilversum – Baarn, gaat het groepsrisico9 ten opzichte van de referentiesituatie met 37,5% omhoog. Het groepsrisico ligt reeds in de huidige situatie boven 1,0 van de oriëntatiewaarde, dit neemt door het toevoegen van woningen binnen het invloedsgebied toe. Omdat ook sprake is van een toename van meer dan 10%, moet conform het Besluit externe veiligheid transportroutes het groepsrisico volledig worden verantwoord. In het kader van het bestemmingsplan is daarvoor een verantwoording groepsrisico uitgevoerd.
Daaruit volgt dat de beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijven. In de verantwoording zijn verschillende maatregelen benoemd die dit risico kunnen verkleinen. Voorbeelden van mogelijke maatregelen zijn tijdige alarmering en communicatie vooraf over de noodplannen. De in de verantwoording genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de
8
Bestemmingsplan 1221 Hilversum: Deelrapport Externe Veiligheid (15-07-2022) Het groepsrisico is de cumulatieve kans per jaar dat een groep van ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van aanwezigheid in het invloedsgebied (van een inrichting of van een transportroute) en een ongewoon voorval (binnen die inrichting, of langs die transportroute) waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. (Bevt, artikel 1 [1]; Bevb, artikel 1 [2]; Bevi, artikel 1 [3]) 9
24 (30)
hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico, is altijd sprake van een restrisico.
Figuur 4.1 | Risicobronnen in de nabijheid van plangebied 1221 te Hilversum (transport van aardgas door een aardgastransportleiding: rood; transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27 en transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn: geel).
Conclusie externe veiligheid Er zijn meerdere risicobronnen aanwezig in de nabijheid van het plangebied. Alleen het invloedsgebied van de spoorlijn Bussum-Hilversum-Baarn ligt over het plangebied. Het groepsrisico gaat met het toevoegen van de 1.800 woningen (bestemmingsplan Hilversum 1221 en Bruisend Hart) omhoog. Dit is volgens het Bevt verantwoord. Mogelijke maatregelen zijn benoemd, waarna overigens altijd nog sprake is van een restrisico. Door de toename van het groepsrisico wordt het risico voor bestaande bewoners niet groter. In die zin heeft het voornemen geen belangrijk nadelig effect op de omgeving. 4.6 Luchtkwaliteit Op basis van de Atlas leefomgeving is de luchtkwaliteit binnen het plangebied in beeld gebracht. Op basis van kaartmateriaal van Atlas leefomgeving blijkt dat grenswaarden voor fijnstof (PM10: 40 µg/m3; PM2,5: 25 µg/m3) in plangebied 1221 niet worden overschreden. De waarde PM10 ligt in 1221 op maximaal 22 µg/m3 en de waarde PM2,5 ligt in 1221 op maximaal 14 µg/m3 (gegevens 2018, meest recent). Het toevoegen van 1.800 woningen (bestemmingsplan Hilversum 1221 en Bruisend Hart) kan worden gezien als een project dat
25 (30)
niet in betekende mate bijdraagt (NIBM)10. Conclusie luchtkwaliteit De grenswaarden voor fijnstof (PM10 en PM2,5) worden in het plangebied 1221 niet overschreden. Het toevoegen van 1.800 woningen (bestemmingsplan Hilversum 1221 en Bruisend Hart) kan worden gezien als een project dat niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) en zal niet leiden tot overschrijding van de grenswaarden. 4.7 Cultuurhistorie en landschap De oude industriële gebouwen en het erfgoed vormen de trots van het plangebied. Het versterken van deze identiteit is een centrale opgave in de Gebiedsagenda, en daarmee een belangrijke ambitie om na te streven bij ontwikkelingen. In dit Chw-bestemmingsplan is de monumentenverordening geïntegreerd. Alle gemeentelijke monumenten zijn op de verbeelding van het plan met een aanduiding opgenomen als werkingsgebied ‘gemeentelijke monumenten’. Voor deze monumenten zijn regelingen geïntegreerd voor zowel de activiteiten slopen, bouwen en gebruiken. Ook voor het toewijzen van monumenten zijn regelingen opgenomen. Conclusie cultuurhistorie en landschap De cultuurhistorische waarden zijn in kaart gebracht en worden in het bestemmingsplan beschermd. Nieuwe ontwikkelingen zullen daarom niet tot belangrijke nadelige gevolgen leiden voor cultuurhistorische waarden.
4.8 Archeologie Aan het plangebied 1221 is grotendeels een middelhoge en deels een hoge archeologische verwachting toegekend (zie paragraaf 3.4). Gelet op het reeds grotendeels bebouwde karakter van het plangebied is de kans echter vrij groot dat de bodem met de daarin eventueel aanwezige archeologische waarden al verstoord is. In het nieuwe bestemmingsplan wordt de huidige dubbelbestemming Waarde – Archeologie overgenomen. Dat betekent dat bij ingrepen dieper dan 0,30 - 0,40 m en een oppervlak groter dan 25 - 100 m2 (afhankelijk van de locatie) nader onderzoek uitgevoerd moet worden naar de aanwezigheid van archeologische waarden. Conclusie archeologie Vanwege de eerdere bebouwing is het de verwachting dat eventeel aanwezige archeologische waarden reeds verstoord zijn. Het is dan ook niet de verwachting dat belangrijk nadelige gevolgen zullen optreden op archeologische waarden. Desalniettemin is in het bestemmingsplan een werkingsgebied ‘Archeologische waarden’ opgenomen om de archeologische waarden in de grond te beschermen. Bij nieuwe ontwikkelingen met een oppervlakte van meer dan 100 m² en een diepte van meer dan 0,40 meter is een omgevingsvergunning nodig voor de aanlegactiviteit. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien is aangetoond dat archeologisch materiaal niet wordt verstoord.
In de procesregels is een regeling opgenomen dat initiatiefnemers dit kunnen doen middels een archeologisch onderzoek. 4.9 Aardkundige waarden Het plangebied kent geen aardkundige waarden. Activiteiten in het plangebied zullen geen effect hebben op de aardkundige monumenten of waardevolle gebieden die buiten het plangebied aanwezig zijn. 10 Het is vastgelegd in ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ (luchtkwaliteitseisen) wanneer sprake is van
NIBM. Voor woningbouw waarbij sprake is van 2 of meer ontsluitingswegen ligt de NIBM-grens op 3.000 woningen.
26 (30)
Conclusie aardkundige waarden Vanwege de afstand tussen het plangebied en de aardkundige monumenten en waardevolle gebieden, zullen geen belangrijk nadelige gevolgen optreden op de aardkundige waarden rondom het gebied. 4.10 Bodem De voorgenomen ontwikkeling brengt geen activiteiten met zich mee die kunnen leiden tot verontreiniging van (grond)water. Wel komen binnen het plangebied diverse bodemverontreinigingen voor, zoals minerale olie, zware metalen, asbest, PAK en VOCL/PCB/OCB. Bij realisatie van nieuwe gebouwen zal de bodem, waar nodig, worden gesaneerd, wat een positief effect zal hebben op de bodemkwaliteit. Bij nieuwbouw moet voldaan worden aan de regels van het waterschap (Amstel Gooi en Vecht) wanneer het gaat om compensatie van verhard oppervlak. Nieuw verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door realisatie van open water of bijvoorbeeld wadi’s. Conclusie bodem Er worden geen functies mogelijk gemaakt die leiden tot sterke verontreiniging van de bodem. De eventuele saneringsplicht van reeds aanwezige bodemverontreiniging zal leiden tot een positief effect op de bodemkwaliteit. 4.11 Water Het plangebied kent geen grote oppervlaktewateren. Op relatief korte afstand (ca. 200 meter) vanaf het plangebied 1221 ligt grondwaterbeschermingsgebied ’t Gooi rondom het waterwingebied ’t Gooi.