CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase

GEMEENTERAAD 11 december 2024, gemeente HilversumBij agendapunt: Advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) flexwoningen Circusterrein (1589095)10.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1,1

120

46

Boring 11

RD-coördinaten: 138641/469773

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 2,39 0

0,25

0,5

0,75

2,14

1,89

1,64

30

50

80 90

1

1,39

120

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, matig grindig, donkerbruin/ grijs, A-horizont, bouwvoor zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, matig grindig, bruin/ grijs, opgebracht zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, lichtgeel, opgebracht zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, bruin/ grijs, opgebracht zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, lichtgeel, C-horizont, dekzand

Boring 12

RD-coördinaten: 138682/469764

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 2,18 0

0,25

1,93

30 40

0,5

0,75

1

1,68

90

zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, grijs/ bruin, gevlekt/ verstoord

110

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, zwart

1,18

0,93

1,5

0,68

1,75

0,43

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, lichtgeel, opgebracht zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, donkerbruin/ grijs, gevlekt/ verstoord

1,43

1,25

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, donkerbruin/ grijs, A-horizont, bouwvoor

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, 140 donkerbruin, Bh-horizont zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, oranje/ 160 bruin, Bhs-horizont 150

180

zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, zwak humeus, sterk grindig, geel/ bruin, BC-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen

47

Boring 13

RD-coördinaten: 138715/469773

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 2,1 0 10

0,25

0,5

1,85

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, matig grindig, bruin/ grijs, opgebracht

1,6 60

0,75

zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, lichtgeel, opgebracht

1,35

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, lichtgeel, C-horizont, dekzand

Boring 14

RD-coördinaten: 138752/469773

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 2,16 0

0,25

1,91

30 40

0,5

1,66

0,75

1,41

1

1,16

1,25

0,91

1,5

0,66

1,75

0,41

2

0,16

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, donkerbruin/ grijs, A-horizont, bouwvoor zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, lichtgeel, opgebracht zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, bruin/ grijs, gevlekt/ verstoord

90

170 180

200

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, , lichtgeel, C-horizont, dekzand zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, , matig grindig, geel, C-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen

48

Boring 15

RD-coördinaten: 138552/469886

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 2,38 0

0,25

0,5

0,75

2,13

30

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, bruin/ grijs, gevlekt/ verstoord

1,88

1,63

zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, , lichtgeel, opgebracht 80 90

1

1,38

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, matig grindig, donkerbruin/ grijs, A-horizont, bouwvoor

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, bruin/ grijs, gevlekt/ verstoord

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, 120 donkerbruin, Bh-horizont 110

1,25

1,13

1,5

0,88

1,75

0,63

130

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak humeus, oranje/ bruin, Bhs-horizont

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, 160 zwak humeus, oranje/ bruin, BC-horizont, dekzand, gevlekt 180

zand, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, , zwak grindig, lichtgeel, C-horizont, dekzand

49

50

BIJLAGE 11 DIEPTE ONVERSTOORDE, NATUURLIJKE ONDERGROND

51

BIJLAGE 12 NIVEAU ONVERSTOORDE, NATUURLIJKE ONDERGROND

52

BIJLAGE 13 VERSCHIL STATISTISCH VASTGESTELDE MAAIVELDHOOGTE EN ONVERSTOORDE, NATUURLIJKE ONDERGROND

53

BIJLAGE 14 HANDREIKING PAALFUNDERING IN EEN ARCHEOLOGIEVRIENDELIJK BOUWPLAN De Handreiking Paalfundering in een archeologievriendelijk bouwplan beschrijft op welke manieren schade aan het bodemarchief als gevolg van (het inbrengen van) funderingspalen zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Geadviseerd wordt deze handreiking in samenhang met de Handreiking Algemene uitgangspunten archeologievriendelijk bouwen te gebruiken. Een fundering op palen wordt toegepast wanneer een draagkrachtige grondlaag heel diep gelegen is. Of een dergelijke fundering nodig is, wordt bepaald door het ontwerp en het gewicht van het bouwwerk en de draagkracht van de bodem.

Uitgangspunten archeologievriendelijk bouwplan Bodemingrepen die de archeologische vindplaats raken en verstoren, worden zoveel mogelijk voorkomen. De voorkeur gaat uit naar een fundering op staal, mits die aangelegd kan worden boven het archeologische niveau. Voor alle paalfunderingen geldt:

1. De noodzaak van paalfundering kan gemotiveerd worden aan de hand van het bouwplan en het uitgevoerde zettingsonderzoek. 2. Minimalisering van het aantal palen om bodemverstoringen te beperken. 3. Uitgaande van de oppervlakte van palen, verstoren palen maximaal 2% van de oppervlakte van de vindplaats in het plangebied. 4. Afstand tussen de palen(rijen) gerekend van rand tot rand bedraagt minimaal 4 m. 5. Typen palen gebruiken die de bodem zo weinig mogelijk verstoren.

a.

bij voorkeur grondvervangende palen in stevige (zandige) bodems.

b.

grondverdringende palen kunnen eventueel in slappe klei- of veenbodems.

c.

grondverdringende schroefpalen en groutinjectiepalen altijd vermijden.

6. Methode van inbrengen van palen gebruiken die de bodem zo weinig mogelijk verstoort.

Beoordeling bouwplan op het aspect paalfundering In de Handreiking Algemene uitgangspunten archeologievriendelijk bouwen wordt beschreven hoe en op welke aspecten een bouwplan kan worden beoordeeld en welke gegevens over de vindplaats en het bouwplan daarvoor nodig zijn. Ten aanzien van paalfundering wordt een bouwplan op de volgende criteria beoordeeld:

54

1. Is een fundering op palen noodzakelijk of kan een minder verstorende fundering (op staal) worden toegepast? 2. Bedraagt de afstand tussen de palen(rijen) van rand tot rand minder dan 4 meter? 3. Bedraagt de totale verstoringsoppervlakte van palen meer dan 2% van de oppervlakte van de vindplaats? Zo ja:

a. Zijn alle palen noodzakelijk of kan met minder palen worden volstaan? b. Is het voorgestelde type paal noodzakelijk of kan een minder verstorend paaltype worden toegepast?

4. Bevat de vindplaats omvangrijke houten of stenen constructies?

Oplossingen De volgende oplossingen kunnen het bouwplan archeologievriendelijk(er) maken. Oplossingen op het niveau van het funderingsplan:

1. Andere funderingstechniek toepassen. Vooral bij lichte bouwwerken kan een fundering op staal toegepast worden. Ook een hybride funderingsplan, waarbij het bouwwerk voor een deel op een fundering op staal rust en voor een deel op funderingspalen, beperkt de omvang van de verstoring. Zie hiervoor de Handreiking Fundering op staal in een archeologievriendelijk bouwplan. 2. Het clusteren van palen. Een oplossing kan zijn om (dikkere) palen dicht bij elkaar te plaatsen (te clusteren), als daardoor de totale verstoring van de vindplaats door palen kan worden verkleind en de hele zone waarin het cluster palen staat vooraf opgegraven wordt. Als deze aanpak juist tot een grotere verstoring leidt, kan clusteren beter vermeden worden. 3. Op minder palen funderen.

55

a. Minimalisering aantal palen. Uit de archeologische praktijk blijkt dat wanneer in detail gekeken wordt naar de noodzaak van elke afzonderlijke paal, het voorziene bouwplan soms toe kan met minder palen. b. Lichter bouwen. Het aantal palen kan worden verminderd als op de fundering een lichter bouwwerk rust. Dat kan door toepassing van lichtere materialen of door aanpassing van het bouwontwerp. c. Minder – en dikkere – palen gebruiken. In voorkomende gevallen kan de totale verstoring door palen gunstiger uitvallen wanneer minder palen worden gebruikt, die dan vaak wat dikker moeten zijn. Dit kan in combinatie met het volgende punt worden uitgevoerd. d. Zwaardere funderingsbalken gebruiken. Het aantal palen kan worden verminderd door het gebruik van zwaardere funderingsbalken, waarmee grotere afstanden kunnen worden overbrugd. Als daardoor een diepere ontgraving nodig is, waardoor de vindplaats wordt geraakt, zal de funderingsbalk hoger, dat wil zeggen boven het archeologisch niveau, aangebracht moeten worden (een eventueel niveauverschil met het maaiveld kan vervolgens aangevuld worden). e. Bestaande palen en funderingsbalken hergebruiken. Wanneer bij de sloop van een gebouw de palen niet getrokken worden, kunnen ze mogelijk opnieuw gebruikt worden, vooropgesteld dat bepaald kan worden in hoeverre ze nog kunnen worden belast. 4. Het palenplan optimaliseren.

Hieronder vallen aanpassingen van het palenplan die niet het aantal palen wijzigen, maar wel de plaatsing ervan. a. Palen in rijen plaatsen. Als het niet mogelijk is het aantal palen te verminderen om voldoende afstand tussen de palen te houden, kan het plaatsen van palen in rijen die minimaal 4 meter van elkaar afstaan een oplossing zijn. Toekomstig onderzoek met een graafmachine blijft dan tussen de rijen mogelijk. b. Aanpassen van de locatie van palen. Uit archeologisch onderzoek is soms bekend waar de bodem plaatselijk verstoord is of waar lage vondstconcentraties liggen. Door palen te positioneren op plaatsen in het plangebied waar geen of weinig archeologische resten liggen, kan de schade aan het bodemarchief worden beperkt.

56

Oplossingen op paalniveau:

1. Grondvervangende palen gebruiken. Veel grondverdringende funderingspalen verstoren niet alleen het eigen paalvolume, maar drukken ook grond rondom weg, wat voor meer bodemverstoring zorgt. Een grondvervangende paal verstoort in stevige zandige bodems minder, ondanks het feit dat dit type palen in verhouding tot grondverdringende palen doorgaans iets dikker 2. Voorboren of voorheien. Als er omvangrijke resten van hout- of steenbouw in de bodem liggen, dan kunnen funderingspalen daar vaak niet doorheen. Vooral in slappe bodems kunnen dergelijke archeologische constructies kapot of zelfs helemaal naar beneden gedrukt worden. Er bestaan twee manieren om dergelijke schade te voorkomen: a. Scherp voorboren. Bij deze techniek wordt de locatie van de paal bijvoorbeeld met een grote holle kernboor voorgeboord, zodat harde constructies in de grond – zoals funderingen – van een gat worden voorzien waar de paal doorheen kan. b. Voorheien. Bij deze techniek wordt met behulp van een kleinere paal of een Hstaalprofielbalk de locatie van de toekomstige paal voorgeheid. Daarbij worden eventuele obstakels kapot getrild en/of doorboord. Daarmee wordt het wegdrukken, vervormen of meeslepen van constructies voorkomen.

NB Alle informatie is gebaseerd op de stand van kennis van deze materie medio 2015. Deze handreiking kan op zichzelf nooit inspelen op bijzondere gevallen en uitzonderingen. Belangrijk is dan ook dat alle betrokken partijen zich realiseren dat er ook andere, niet in deze handreiking benoemde risico’s kunnen bestaan die voortvloeien uit het gebruik van paalfunderingen in specifieke bouwplannen.

57

BIJLAGE 15 VERKLARENDE WOORDENLIJST AMK-terreinen - De AMK (Archeologische Monumentenkaart) is een bestand van alle bekende, behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland. Op de kaart staan terreinen van archeologische, hoge archeologische en zeer hoge archeologische waarde (al dan niet wettelijk beschermd) aangegeven. De AMK wordt niet meer geactualiseerd. Donk - Pleistocene zandopduiking (= de top van een rivierduin). Es – een es (enk, eng) is een areaal bouwland dat door meerdere grondgebruikers wordt gebruikt. Een es is ruimtelijk begrensd en als zodanig herkenbaar, maar de individuele percelen zijn niet gescheiden door duidelijk herkenbare grenzen. Fluvioglaciaal – door smeltwater (afkomstig van gletjers) afgezet. Fluvioperiglaciaal – door stromend water afgezet onder periglaciale omstandigheden Formatie van Boxtel – de Boxtel-afzettingen bestaan overwegend uit zand en in wat mindere mate uit leem. Deze afzettingen zijn vooral onder koude, periglaciale omstandigheden gevormd. Het betreft onder andere afzettingen die door de wind zijn afgezet (eolische afzettingen), niet-eolische afzettingen zoals löss, kleinschalige fluviatiele afzettingen, hellingafzettingen, en lacustiene afzettingen. Formatie van Drenthe – de sedimenten van de Drentheformatie bestaan overwegend uit matig fijn tot uiterst grof grindhoudend zand, klei en leem.

Deze sedimenten zijn gevormd door of nabij het landijs tijdens het Saalien. Het afzettingsmilieu was glaciaal, inclusief subglaciaal (keileem/grondmorene; diamict), fluvioglaciaal (sandur, kame en esker; (kei)zand), en glaciolacustrien (klei met warven). Glaciolacustriene afzettingen – deze afzettingen zijn gevormd in een glaciaal. Het zijn zeer fijngelaagde kleiafzettingen, waarbij de fijne gelaagdheid is ontstaan door de toenmalige grote verschillen in temperatuur en organische activiteit tussen zomer en winter. Bodemhorizont – een bodemhorizont is een laag of zone die wordt gevormd door bodemvorming. Een bodemhorizont onderscheidt zich van andere lagen door kleur, textuur, structuur en abiotische factoren. De aan- of afwezigheid van bodemhorizonten in podzolgronden geeft belangrijke informatie in hoeverre het vroegere loop-/woonniveau nog intact is en in welke mate daarmee archeologische resten zijn te verwachten. De A-horizont ligt meestal aan of vlak onder het maaiveld en is vaak humeus. Vaak vormt de bouwvoor de A-horizont. De E-horizont ligt meestal onder de A-horizont. De E-horizont is ontstaan onder invloed van (regen)water, waardoor klei, humus en/of aluminium omlaag zijn getransporteerd. De E-horizont is vaak lichtgrijs van kleur (‘loodzand’). De B-horizont ligt onder de E-horizont. Dit is een inspoelingslaag. De B-horizont is meestal bruin of donkerbruin gekleurd.

De BC-horizont kan onder de B-horizont voorkomen. Dit is een overgangslaag van B- naar C-horizont. De kleur is meestal donkergeel, bruingeel of geelbruin De C-horizont is de minerale horizont van ongeconsolideerd materiaal. Het is het moedermateriaal waarin de bovenliggende horizonten zijn gevormd. 58

Laagpakket van Wierden - (Boxtelformatie). Tot dit laagpakket worden de dekzanden gerekend. Dekzand is gedurende het laat-Weichselien – vroeg-Holoceen gevormd onder invloed van de wind Loodzand - In een plaggendek wordt regelmatig loodzand aangetroffen: bij het winnen van plaggen werd eerst de natuurlijke toplaag afgestoken. In deze toplaag was een Ehorizont (uitspoelingslaag) aanwezig met een kenmerkende grijze kleur. Loodzand wordt meestal aangetroffen in de onderzijde van het plaggendek. Moedermateriaal – ook wel het uitgangsmateriaal genoemd, is het materiaal waaruit de bodem is gevormd, het verse sediment vóór de verandering door de bodem vorming. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) – De RCE is een onderdeel van het ministerie van OCW. Het voert wet- en regelgeving uit, ontwikkelt kennis en geeft advies over rijksmonumenten, landschap & omgeving, archeologie en roerend erfgoed. Saalien – een geologische periode in het Pleistoceen die duurde van 236 – 126 duizend jaar geleden. Het Saalien was de voorlaatste ijstijd (voorlaatste glaciaal). Gedurende deze periode kwam het landijs tot in Midden-Nederland. Stuwwallen - de stuwwallen zijn in de loop van de voorlaatste ijstijd (Saalien, 238 – 126 duizend jaar geleden) gevormd. Gedurende deze ijstijd waren grote delen van Nederland bedekt met landijs.

Het gewicht van het ijspakket, dat vele honderden meters dik kon zijn, perste oudere afzettingen onder het ijs weg. Aan de voor- en zijkanten van gletsjertongen ontstonden hierdoor opgestuwde heuvels. De stuwwal kenmerkt zich door een patroon van min of meer evenwijdig lopende dagzomen, die soms door een overschuivingsvlak worden gescheiden. Weichselien – een geologische periode in het Pleistoceen die duurde van 116 – 11,7 duizend jaar geleden. Het Weichselien is de laatste ijstijd (glaciaal) die we in Nederland gehad hebben. Het landijs bereikte de Nederlandse grenzen niet, maar wel was de bodem van grote delen permanent bevroren (permafrost).

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=c588e2b6-9ec1-4636-8977-27f6e5256131