Bijlage 3 Accountantsverslag 2021 Stichting Gemeentelijk Gymnasium Hilversum
Tekst van het document
Het bestuur publiceert: a. het jaarverslag, conform de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs; b. de statuten; c. het bestuursreglement; d. de samenstelling, nevenfuncties (zowel bezoldigd als onbezoldigd) en honorering van bestuursleden en intern toezichthouders; e. het rooster van af- en aantreden van de intern toezichthouders conform de maximale termijn van 4 jaar en de maximale totale zittingsduur van 8 jaar; f. de klachtenregeling; g. de klokkenluidersregeling; h. de integriteitscode. Het bestuur rapporteert in het jaarverslag over de wijze waarop de evaluatie van het bestuur door het intern toezicht heeft plaatsgevonden.
4.
Een (oud-)toezichthouder kan niet binnen vier jaar na aftreden benoemd worden tot (dagelijks) bestuurder bij dezelfde onderwijsorganisatie als waar hij toezichthouder is of is geweest.
De MBO Raad heeft maart 2021 de code goed bestuur mbo 2020 gepubliceerd. https://www.mboraad.nl/sites/default/files/documents/m bo_raad_code_goed_bestuur.pdf Deze code is vastgesteld door alle colleges van bestuur van de mbo-scholen en de raden van toezicht ondersteunen de afspraken die erin zijn gemaakt. De code is waarde gedreven en geeft richting en houvast aan de belangenafwegingen die een college van bestuur van een mbo-school maakt om positie te bepalen en keuzes te maken bij het realiseren van de publieke taak.
Nieuw is de verplichtende bepaling voor publicatie van de klokkenluidersregeling en integriteitscode. Voor het Voortgezet onderwijs is de code goed bestuur VO 2019 van toepassing https://www.voraad.nl/system/downloads/attachments/000/000/003/ori ginal/Code_Goed_Onderwijsbestuur_VO_2019_0701.p df?1561974995. De besturen van de PO-Raad en de VO-raad hebben uitgesproken dat ze streven naar één gezamenlijke governance code voor het funderend onderwijs. Bijlage bij accountantsverslag 2021
26
Financiële staat van het onderwijs In de kamerbrief van 4 november 2021 is de kamer geïnformeerd door het ministerie van OCW over de financiële positie van het onderwijs ultimo 2020. De conclusie van het ministerie is dat het onderwijs er financieel goed voor staat. De totale liquiditeit en solvabiliteit namen iets af in 2020, maar dat de reserves (publiek eigen vermogen) bij veel onderwijsbesturen nog hoog zijn. Wij zien dat er steeds meer aandacht komt voor vorming van (bovenmatige) reserves. In 2019 concludeerde de Inspectie dat besturen en raden van toezicht voorzichtig waren bij het maken van structurele keuzes. In 2020 toonde de Financiële Staat van het Onderwijs dat onderwijsbesturen net als in voorgaande jaren gemiddeld ruim voldoende reserves hadden. De reserves in 2021 zijn mede vanwege de inzet van convenantsmiddelen in de sectoren po, po en het swv afgenomen. In de sector mbo, hbo en wo namen de reserves, in tegenstelling tot de begrote resultaten over 2021, toe. Ook wijzen de ministers op de onvoorspelbaarheid vanwege de coronacrisis en pleit voor een behoud van gezonde financiële situatie van het onderwijsveld. Anderzijds pleiten zij voor een afbouw van de onnodig hoge reserves.
Wij adviseren u het proces van lerend verantwoorden en beleidsrijk begroten te vergroten door periodieke evaluatie en meetmomenten van uw strategische doelen en resultaten en uitgaven op te stellen. Door ook de omgeving bij de besluitvorming te betrekken wordt de daadkracht voor doelrealisatie vergroot. Met inzicht en goede communicatie als basis voor een transparante verantwoording ontstaat er zicht in de doelmatigheid van bestedingen. Financiële positie onderwijs In het primair onderwijs is sprake van 50 mln. lager negatief resultaat over 2020 dan was begroot (realisatie 205,3 mln. negatief begroot 155 mln. negatief). Het negatieve resultaat is de 150 mln. die in 2019 is gekregen voor convenant aanpak lerarentekort, waardoor het resultaat over 2019 hoog uitviel. Ook is de eenmalige uitkering 170 mln. op basis van de nieuwe cao in februari 2020 uitgekeerd. In 2020 zijn er 6 besturen in het PO die onder verscherpt toezicht staan. In het voortgezet onderwijs is het resultaat 45 mln. hoger dan was verwacht. (realisatie 16,4 mln. negatief begroot 61,4 mln. negatief). Het aantal besturen onder verscherpt toezicht in VO is toegenomen ten opzichte van 2019 naar 12 (2019: 5) besturen. De financiële positie in het mbo is over het algemeen financieel gezond.
De studentaantallen zijn afgenomen en de krimp zet naar verwachting ook komende jaren door, maar er zijn ook verschillen per regio en er zijn ook nog scholen met groei. De verhouding BOL 75% en BBL is 25%. De financiële positie in het HBO is solide. De invloed van de corona crisis is vooral merkbaar in de lagere baten voor werk in opdracht van derden en overige baten.
Bijlage bij accountantsverslag 2021
27
Verslaggevingsontwikkelingen Verwerking kosten voor groot onderhoud Met ingang van 1 januari 2020 is Richtlijn 212 ‘Materiële vaste activa; de verwerking van de kosten van groot onderhoud’ aangepast. Hierdoor is de mogelijkheid om kosten van groot onderhoud direct te verwerken in de winst-en-verliesrekening vervallen. Na 1 januari 2020 resteren er twee mogelijkheden voor de verwerking van de kosten van groot onderhoud: 1.
De componentenmethode waarbij de kosten van groot onderhoud in de boekwaarde van het actief worden verwerkt.
2.
Het vormen van een voorziening voor groot onderhoud.
De overgang van de vervallen methode naar een van de twee genoemde methoden dient overeenkomstig Richtlijn 140 Stelselwijzigingen retrospectief te worden toegepast. Wel attenderen wij u erop dat indien met terugwerkende kracht activeren in plaats van het opbouwen van een voorziening wordt gekozen: ▪
Dit leidt tot een toename van activa en daarmee een toename van het eigen vermogen. Ook het wegvallen van de eventueel voorheen aanwezige voorziening leidt tot een stijging van het eigen vermogen.
▪
Dit resulteert in een lager afschrijvingspotentieel dan bedrijfseconomisch wenselijk, omdat er niet wordt afgeschreven op groot onderhoud uit het verleden.
▪
Het wegvallen van een eventueel voorheen aanwezige voorziening leidt bovendien tot het wegvallen van de jaarlijkse dotaties. Daarmee lijkt er een bestedingsruimte te ontstaan die er feitelijk niet is.
Op 1 oktober 2020 is het onderzoeksrapport Verslaglegging groot onderhoud schoolgebouwen uitgebracht. Bij de evaluatie van de verwerking van groot onderhoud in de jaarrekening kwam naar voren dat een aantal manieren van verwerken van voorzieningen voor groot onderhoud door schoolbesturen, ontstaan door interpretatieverschillen, in de toekomst mogelijk niet meer zullen leiden tot goedkeurende controleverklaringen bij de jaarverslagen. Bij veel schoolbesturen leidde dit tot de zorg dat het strikter toepassen van de geldende regelgeving, de hoogte van de voorzieningen als onderdeel van het vreemd vermogen flink zou doen toenemen ten koste van het eigen vermogen. Aanleiding voor het onderzoek was de constatering van de Raad van de Jaarverslaggeving (RJ) en de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie Accountancy (NBA) dat een aanzienlijk aantal schoolbesturen een methode gebruikt die afweek van de regels van de RJ.
Bijlage bij accountantsverslag 2021
Verder staat in het rapport dat helder moet zijn hoe de verantwoordelijkheden voor onderhoud zijn verdeeld tussen schoolbesturen en gemeenten. Die helderheid is mede nodig omdat investeringen nodig zijn voor uitvoering van het klimaatakkoord. Daarnaast hebben diverse schoolbesturen ervaren dat meerjarige onderhoudsplannen realistischer, praktischer en dunner worden als ze die met de gebruikers beleidsrijk maken. Daarvoor moeten besturen wel investeren in kennis en ervaring opbouwen. Schoolbesturen moeten daarbij zorgen voor voldoende (financiële) expertise. Wij adviseren u, om ongeacht de door u gekozen systematiek, altijd inzicht te hebben en houden in de toekomstige onderhoudsverplichtingen per onderhoudscomponent, per schoolgebouw. Door periodiek door een deskundige een actueel meerjarenonderhoudsplan op te stellen blijft u inzicht houden in de toekomstige onderhoudsverplichtingen. Inzicht in ontwikkelingen geeft een goed startpunt voor het maken van beleidsrijke keuzes.
RJ uiting 2021-7 – Aanpassingen in RJ 660 Als gevolge van wijzigingen in de Regeling Jaarverslaggeving onderwijs (Rjo) zin er wijzigingen in hoofdstuk 660 van Richtlijnen voor de jaarverslaggeving toegepast. Aanpassing model G Voor de verantwoording van subsidies moet model G, zoals opgenomen in bijlage 4 van de Rjo, worden gehanteerd Dit model is van toepassing vanaf boekjaar 1 januari 2020. Signaleringswaarde in bestuursverslag In het bestuursverslag moet een toelichting worden opgenomen indien de signaleringswaarde bovenmatig publiek eigen vermogen, zoals gehanteerd door de Inspectie van het Onderwijs en toegelicht in de kamerbrief van 29 juni 2020, wordt overschreden. Verlenging overgangsregeling voorziening onderhoud De overgangsregeling over de voorziening groot onderhoud is verlengd tot en met verslagjaar 2022.
Fraude en continuïteit Ingevolge het NBA bestuursbesluit van 8 december jl. dat er vanaf controlejaar 2022 een verplichting is om van een paragraaf inzake fraude én inzake continuïteit in de controle verklaring op te nemen bij jaarrekeningcontroles in het wettelijk controledomein, volgen wij het advies van de NBA om eventueel met gebruikmaking van een schaduwverklaring, hier ook bij onderwijsbesturen alvast mee te oefenen. Voor meer informatie zie: https://www.nba.nl/nieuws-enagenda/nieuwsarchief/2021/december/bestuursbesluitverplichte-rapportage-continuiteit-en-fraude/
28
Wet normering topinkomens (WNT) De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, kortweg: Wet normering topinkomens (WNT) beoogt het tegengaan van bovenmatige beloningen en ontslagvergoedingen bij instellingen in de (semi) publieke sector. Op grond van de WNT worden inkomens en ontslagvergoedingen van topfunctionarissen bij instellingen met een publieke taak genormeerd en openbaar gemaakt. De maximering is van toepassing op de hoogst leidinggevenden (topfunctionarissen) van de instellingen en interne toezichthouders (leden raad van toezicht of raad van commissarissen). Jaarlijks worden de bezoldigingsnormen in een ministeriële regeling aangepast. Topfunctionarissen zijn, kort gezegd, degenen die behoren tot het hoogste uitvoerende of toezichthoudende orgaan, of de laag daaronder, en in die rol verantwoordelijk zijn voor de gehele instelling of rechtspersoon. Ook extern ingehuurde topfunctionarissen vallen onder de WNT, zodra zij in een aaneengesloten periode van 18 maanden zes maanden of meer de functie van een topfunctionaris vervullen. WNT-norm en wijziging bepaling bezoldigingsklasse WNT 2022 Jaarlijks worden de maxima aangepast bij ministeriële regeling (geïndexeerd). Voor onderwijsinstellingen gelden sectorale normen.
Zie hiervoor : https://wetten.overheid.nl/BWBR0032452/2021-01-01 Voor de sector onderwijs geldt een sectorale bezoldigingsnorm die gekoppeld is aan een bezoldigingsklasse. Door het toezichthoudend orgaan wordt deze klasse jaarlijks vastgesteld aan de hand van het aantal berekende complexiteitspunten. In de Regeling normering topinkomens OCW sectoren heeft met ingang van 2022 een aanpassing plaatsgevonden voor de berekening van het aantal complexiteitspunten. Tot en met 2021 werd het aantal complexiteitspunten onder andere bepaald aan de hand van: ▪
het gemiddelde van de totale baten in de jaren de jaren t-2, t-3 en t-4, én
▪
het gemiddelde van het aantal leerlingen, deelnemers of studenten per 1 oktober van de jaren t-2, t-3 en t-4, én
▪
het aantal gewogen onderwijssoorten of sectoren.
Wij adviseren u, voor zover u dit nog niet heeft gedaan, om na te gaan of deze aanpassing effect heeft op het aantal complexiteitspunten en daarmee ook op uw bezoldigingsklasse voor 2022. Dienstbetrekking bij een andere WNT instelling Op het moment dat een leidinggevende topfunctionaris met een lopende dienstbetrekking bij een WNTinstelling tevens een dienstbetrekking als leidinggevende topfunctionaris bij een andere WNTinstelling aangaat op of na 1 januari 2019, dan dient deze leidinggevende topfunctionaris ervoor te zorgen dat de gecumuleerde bezoldiging bij alle WNTinstellingen niet boven het voor het betreffende jaar geldende algemene bezoldigingsmaximum uitkomt. De topfunctionaris dient direct de WNT-instellingen waarbij hij/zij reeds een dienstbetrekking heeft als leidinggevende topfunctionaris alsmede de WNTinstellingen waarmee hij/zij een dienstbetrekking als leidinggevende topfunctionaris aangaat, hierover te informeren. In de controleverklaring bij de jaarrekening is een passage opgenomen waarin is aangegeven dat de naleving van het anti-cumulatiebeding geen onderdeel uitmaakt van de controle van de accountant. Er is aangegeven dat de WNT-toezichthouders hier wel zelfstandig onderzoek naar kunnen doen en indien nodig handhavend kunnen optreden.
Wij adviseren u jaarlijks navraag te doen bij uw topfunctionarissen over eventuele dienstbetrekkingen die zij eventueel hebben met overige WNT- instellingen. Overigens is de anti-cumulatie regeling niet van toepassing voor toezichthoudende topfunctionarissen. Wel adviseren wij u, voor zover u dit nog niet heeft gedaan, om in overeenstemming met de in de governance code gemaakte afspraken in het jaarverslag de nevenfuncties van de (toezichthoudende) topfunctionarissen op te nemen. Het is voor alle WNT-instellingen verplicht de WNTverantwoording jaarlijks uiterlijk 1 juli op algemeen toegankelijke wijze op internet openbaar te maken voor een periode van tenminste zeven jaar. De gegevens moeten vrij toegankelijk en eenvoudig te vinden zijn. Wij vragen u om openbaarmaking van de in jaarrekening opgenomen WNT-opgave vanaf 2017 minimaal zeven jaar te borgen. Voor 2020 betekent dit dat u tenminste de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 én 2020 gepubliceerd moet hebben op uw site.
Met ingang van 2022 moet voor de berekening van het aantal complexiteitspunten niet meer uitgaan worden van het gemiddelde over de jaren t-2, t-3 en t-4, maar alléén van de waarde in het jaar t-2. Voor 2022 geldt dus dat het aantal complexiteitspunten wordt bepaald aan de hand van: ▪
de totale baten uit 2020;
▪
het aantal leerlingen, deelnemers of studenten op 1 oktober 2020;
▪
het aantal gewogen onderwijssoorten of sectoren.
Bijlage bij accountantsverslag 2021
29
Wetsevaluatie voor doelmatigere WNT in volle gang Hoewel de minister van mening is dat de WNT effectief is, is de tweede wetsevaluatie in volle gang. In deelonderzoeken wordt in klankbordgroepen vanuit diverse gremia voorstellen gedaan voor een doelmatigere wet, waarbij controle-inspanningen en daarmee gemoeide kosten en het maatschappelijk nut meer in balans zijn. In december 2020 is de tweede deelrapportage over ontslagvergoedingen gepubliceerd. De conclusies uit de tweede deelrapportage zijn: ▪
De WNT is doeltreffend in het tegengaan van bovenmatige bezoldigingen en ontslagvergoedingen.
▪
De doelmatigheid van de WNT is vanwege de complexiteit van de WNT voor verbetering vatbaar.
▪
Het is niet vast te stellen of zich niet-beoogde neveneffecten van de WNT voordoen of hebben
Bijlage bij accountantsverslag 2021
voorgedaan op het gebied van loongebouw, omvang en samenstelling van het bestuur en kwaliteit van het bestuur. Op het gebied van arbeidsmobiliteit lijken er zich wel niet-beoogde invloeden zich voor te doen. Over met name het bovengenoemde tweede punt heeft onze beroepsorganisatie voorstellen gedaan ter vereenvoudiging van de WNT. Bij de val van het kabinet Rutte III is de WNT echter controversieel verklaard en de evaluatie ervan stilgelegd. De Verwachting is dat die evaluatie snel wordt hervat, net als de behandeling in de Tweede Kamer. De NBA pleit er voor de accountantscontrole alleen te richten op overschrijding van het algemene WNTmaximum en het huidige stelsel met verschillende (lagere) maxima per sector en instelling over te laten aan zelfregulering. De WNT-verantwoording moet, ook in het kader van privacy, tot de hoogst noodzakelijke gegevens worden beperkt, aldus de beroepsorganisatie.
30
UBO-register Vanaf 27 september 2020 zijn ondernemingen verplicht om hun eigenaren of de personen die zeggenschap hebben in het UBO-register in te schrijven. Het UBOregister is een register waar alle ‘Ultimate Beneficial Owners’ of ‘uiteindelijk begunstigden’ van een vennootschap of andere juridische entiteit in geregistreerd staan. Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht een dergelijk register bij te houden krachtens artikelen 30 en 31 van Europese richtlijn 2015/849. Het doel van het register is verdere bestrijding van witwaspraktijken en andere economische criminaliteit in Europa. De Ultimate Beneficial Owner is de ‘uiteindelijk belanghebbende’ of ‘uiteindelijk begunstigde’ binnen een organisatie. Dit kan de eigenaar zijn of iemand anders die de zeggenschap heeft binnen een juridische entiteit. In Nederland is het register ingevoerd met de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Het UBO-register is bij de Kamer van Koophandel onderdeel van het Handelsregister. Het register is grotendeels openbaar. De volgende organisaties zijn verplicht hun uiteindelijke begunstigden te registreren in het UBO-register:
▪ ▪
(niet-beursgenoteerde) B.V.’s en N.V.’s;
▪
verenigingen zonder volledige rechtspersoonlijkheid met een onderneming;
▪
personenvennootschappen: maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen;
▪ ▪
rederijen;
▪ ▪ ▪
Europese coöperatieve vennootschappen (SCEs);
overige rechtspersonen: stichtingen, verenigingen met volledige rechtspersoonlijkheid, onderlinge waarborgmaatschappijen en coöperaties;
Europese naamloze vennootschappen (SEs); Europees economisch samenwerkingsverbanden; kerkgenootschappen.
De volgende organisaties hebben géén registratieplicht:
▪
beursgenoteerde vennootschappen (ook een 100% dochtervennootschap van een van binnen de EU/EER gereguleerde beursgenoteerde vennootschap hoeft geen UBO te registreren);
▪
verenigingen zonder volledige rechtspersoonlijkheid die géén onderneming drijven;
▪ ▪ ▪
eenmanszaken; publiekrechtelijke rechtspersonen; verenigingen van eigenaren;
Bijlage bij accountantsverslag 2021
▪
enkele historische rechtspersonen (zoals hofjes, boermarken, fundaties en gilden).
Organisaties die worden opgericht vanaf 2020 zijn direct verplicht zich te registreren. Voor bestaande organisaties geldt een overgangsregeling, zij krijgen 18 maanden tijd om hun UBO's in het register vast te leggen. De UBO is verplicht mee te werken aan deze registratie door alle benodigde informatie door te geven. Het niet voldoen aan de registratieplicht is strafbaar. Per overtreding kan een boete worden opgelegd tot maximaal € 21.750. Tevens kan een taakstraf worden opgelegd en dreigt er zelfs hechtenis. Voor het volledig en juist kunnen inschrijven van de UBO, is de entiteit afhankelijk van haar UBO’s. Op de UBO’s komt daarom een meewerkverplichting te liggen. De UBO’s dienen aan de entiteit alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor een juiste registratie. Voor het niet voldoen aan de meewerkverplichting staan dezelfde sancties als voor het niet voldoen aan de registratieplicht door de entiteit. Bij onderwijsinstellingen (stichting of vereniging) met een on-tier model komen er vaak niet aan toe om een specifieke UBO te kunnen aanwijzen. Dit omdat er bijvoorbeeld een bestuur is van vijf personen gecombineerd met een Algemene Ledenvergadering als hoogste orgaan.
De minister geeft aan dat het UBOregister in dat geval als volgt moet worden gevuld: “Als geen natuurlijke persoon op grond van uiteindelijk eigendom of zeggenschap kwalificeert als uiteindelijk belanghebbende, dan dient elke bestuurder in de zin van artikel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, zijnde het gehele statutair bestuur te worden geregistreerd in het register. In dat geval worden zij dus enkel geregistreerd vanwege hun functie, en niet op basis van uiteindelijk eigendom of zeggenschap.’ In het UBO-register moet expliciet worden opgenomen dat de registratie niet vanwege een eigendoms- of zeggenschapsbelang heeft plaatsgevonden, maar vanuit de functie als (statutair) bestuurder. Intern uitkeringenregister voor stichtingen Een onderbelicht punt van de Implementatiewet is dat voor stichtingen nog meer veranderingen worden doorgevoerd. Naast de invoering van het UBO-register geldt voor het bestuur van stichtingen ook dat zij verplicht worden een intern register bij te houden. Waarin de namen en adressen van alle personen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan 25% van het voor uitkering vatbare bedrag in een boekjaar en de datum en bedrag van uitkering, staan. Wij adviseren u om te controleren dat de UBO’s op juiste wijze zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, en wijzigingen van UBO tijdig door te geven.
31
Integrated Reporting Flynth onderwijspraktijk: onderwijs “core and more” Stakeholders hebben al geruime tijd behoefte aan meer en betere informatie. Tegelijkertijd is het onderwerp rondom lastenverlichting enorm belangrijk. Integrated reporting combineert deze aspecten door het jaarverslag beknopter, relevanter en goedkoper te maken door te werken aan een “core and more” jaarverslag. De “core” wordt gevormd door regeling jaarverslaggeving onderwijs en paragraaf 2.2.2. bestuursverslag van het onderwijsaccountantsprotocol OCW (hierna: eisen). De overige informatie wordt beschouwd als “more”.
we in de analyse onderscheid gaan maken tussen (wettelijk) verplichte onderdelen, en onderdelen die misschien wel weggelaten kunnen worden (en eventueel in een separate bijlage kunnen worden bijgevoegd). Op deze manier maken we het jaarverslag gestroomlijnder, wordt het rapport leesbaarder, wordt de inhoud relevanter en tegelijkertijd bespaart deze aanpassing kosten bij het opstellen en controleren van het jaarverslag. Daarnaast heeft deze discussie veelal als positieve bijvangst dat organisaties opnieuw gaan kijken naar processen wat ook daar mogelijkerwijs tot extra kostenreductie kan leiden.
Aanleiding
Het doel van integrated reporting is het geven van een holistische visie, waarbij financiële informatie op een geïntegreerde manier wordt gecombineerd met nietfinanciële informatie. In lijn met Integrated Reporting zit de kracht van het verslaggevingsbeleid derhalve in "core and more", waarbij onderwijsinstellingen ook bewust dingen weg kunnen (of zelfs moeten) laten om de relevantie van het externe jaarverslag te vergroten:
In de motie Bruins1 wordt uiteengezet dat er vanuit de politiek gestreefd moet worden naar lastenverlichting in de onderwijssector, met name ook door analoog met de private sector een betere verdeling te maken tussen micro, klein, middel en grote instellingen. Het onderscheid zou helpen bij de administratieve lastenverlichting met name onder primaire onderwijs (PO) scholen. Ook de Auditdienst Rijk adviseerde in haar rapport ‘Verkenning controlelast accountantscontrole PO en VO’ om te onderzoeken of het mogelijk is om bij de toepassing van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ), de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO)7 en het Onderwijsaccountantsprotocol (OAP) een onderscheid te maken tussen kleine en grote instellingen als mogelijke oplosrichting voor het verminderen van de controlelast. Jaarverslag korter en kernachtiger; core and more Stakeholders hebben al geruime tijd behoefte aan meer niet-financiële informatie over organisaties, vooral over strategie, risicobeheersing, governance en de bredere impact van de organisatiestrategie op mens, milieu en maatschappij. Van organisaties wordt verwacht dat zij verantwoording afleggen over hun maatschappelijke relevantie, inzicht geven in de wijze waarop zij haar strategie uitvoeren en hoe zij waarde toevoegen aan de wereld van vandaag én morgen.
Organisaties zullen hun interne werk- en rapporteringsprocessen meer en meer gaan inrichten op basis van een geïntegreerde strategie. Het Integrated Reporting format verbindt financiële informatie en niet- financiële informatie. Het jaarverslag wordt bondiger en kernachtiger gericht op de informatiebehoeften van de stakeholders. Er ontstaat een vertaalslag van de strategie naar KPI’s. Wat vinden wij belangrijk als onderwijsinstelling? Waartoe zijn wij op aarde? Het helpt de organisatie derhalve ook stap voor stap met de operationalisatie rondom dingen die uiteindelijk belangrijk zijn om te meten. Dus wat houdt “core and more” in? Daarom zijn we van start gegaan met het project “slimmer en slanker”, wat er grofweg op neerkomt dat
Welke onderdelen zijn vereist om op te nemen in het bestuursverslag? Wat is in dit kader dus "Nice to have"? Welke onderdelen zijn vanuit wet- en regelgeving verplicht om op te nemen in de jaarrekening? Welke mogelijkheden zijn er binnen weten regelgeving om zaken weg te laten? Vanuit Flynth betekent dat een focus op de kern (“core”: het jaarverslag met alle wettelijke eisen), en daarnaast het uitgeven van additionele rapportages (bijvoorbeeld rondom duurzaamheid van de school bedoeld voor de ouders; lees " more").
Hoe? Checklist Flynth onderwijsinstellingen Om keuzes te kunnen maken in het kader van de distinctie tussen “core and more” dienen eerst de wettelijke kaders te worden bepaald. Hierbij worden de belangrijkste standaarden meegenomen, zodat hier later naar verwezen kan worden. De basis voor de verslaggeving begint bij de regeling jaarverslaggeving onderwijs en het onderwijsaccountantsprotocol OCW. De core is de verantwoording over het jaar aan haar stakeholders in de maatschappelijke rol en moet voldoen aan de eisen van RJ 660 en wettelijke vereisten. En het is vervolgens de bedoeling om de “overige” informatie te verwijderen uit het jaarverslag en deze (indien nodig) op een andere manier toe te passen. Dus het gaat om: ▪ Verwijderen van overtollige ballast. ▪ Gewoon een beter verhaal; betere stroomlijning en aansluiting tussen de onderdelen. ▪ Wel uiteraard met het blijven voldoen aan de eisen van OCW en regeling jaarverslaggeving onderwijs Wij vinden een goed jaarverslag van evident belang voor alle belanghebbenden. Bestaan er bij uw onderwijsinstelling mogelijkheden voor een beknopter jaarverslag, met behoud van kwaliteit en voldoen aan vereisten? Wij gaan hierover graag met u in gesprek.
1 TK 2019-19 35000-VIII, nr.74 & Bijlage 1
Bijlage bij accountantsverslag 2021
32
Actualiteit Fiscale Zaken onderwijsinstellingen Vergoeding voor toezichthouders nog mogelijk-via opting –in-regeling
Dit besluit heeft een terugwerkende kracht tot de datum waarop het Europese Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan, namelijk 13 juni 2019.
De fictieve dienstbetrekking van de toezichthouder in de loonheffing is per 1 januari 2017 afgeschaft. Voor toezichthouders die hun werkzaamheden uitoefenden als ondernemer, betekende het afschaffen van de VAR vanwege de fictieve dienstbetrekking dat zij, ondanks hun ondernemerschap, altijd onder de loonbelasting zouden vallen. De mogelijkheid om met een VAR-wuo (winst uit onderneming) of een VAR-dga (directeurgrootaandeelhouder) buiten de loonbelasting te vallen, is met het afschaffen van de VAR verdwenen. Dit was een onbedoeld neveneffect van het afschaffen van de VAR en daarom is besloten de fictieve dienstbetrekking voor toezichthouders af te schaffen.
Dit betekent dat toezichthouders geen BTW meer hoeven te vermelden op de facturen en dus ook geen BTW meer hoeven af te dragen over hun diensten. Daarentegen kan aan hun in rekening gebrachte BTW, gerelateerd aan de toezichtdiensten ook niet meer worden teruggevraagd. Er kan voor de in Q3 2020 (en eventueel Q4 2020) reeds in rekening gebrachte en reeds aangegeven en afgedragen BTW worden verzocht om vermindering van de opgelegde aanslag. De voorwaarde hiervoor is dat de toezichthouder een creditfactuur moet uitreiken aan de betreffende instelling. Ook adviseren wij dat u als toezichthouder aan de Belastingdienst doorgeeft dat u – met verwijzing naar vorenstaande rechtspraak – niet langer als BTWondernemer kan worden aangemerkt.
Voor toezichthouders die geen ondernemer zijn, blijft het ook na het afschaffen van de fictieve dienstbetrekking mogelijk om onder de loonbelasting te vallen. Zij kunnen samen met de instelling gebruikmaken van de zogenoemde opting-in-regeling. Het voordeel daarvan is vooral gelegen bij de toezichthouder, aangezien er dan geen verplichting achteraf meer is om zelf via de aangifte Inkomstenbelasting de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet te voldoen.
Het is in bijzondere gevallen mogelijk dat er toch wel BTW-plicht resteert. Als uw instelling BTW in rekening gebracht krijgt, adviseren wij u ook om hier kritisch naar te kijken. Voor deze bijzondere situaties kan uiteraard contact worden opgenomen met uw contactpersoon bij Flynth.
Die bijdrage wordt bij de opting-in-regeling namelijk door de instelling betaald.
Toepassing van de ‘vrijwilligersvergoeding’ verduidelijkt
De toezichthouder was overigens niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen en dat is ook nog steeds het geval.
De vrijwilligersregeling blijft een regeling die in discussies met de belastingdienst nog wel eens de gemoederen blijft bezighouden.
Het blijft van belang om de juiste toepassing van de fiscale regelgeving te monitoren aangezien in de praktijk blijkt dat dit nog steeds niet altijd helemaal op een juiste manier wordt toegepast.
Van een vrijwilligersvergoeding is sinds 1 januari 2019 sprake als iemand vergoedingen krijgt met een gezamenlijke waarde van maximaal € 170 per maand en maximaal € 1.700 euro per kalenderjaar. Deze maximale bedragen zijn per 1 januari 2021 geïndexeerd naar € 180 per maand en maximaal € 1.800 euro per kalenderjaar.
Omzetbelasting (BTW) Toezichthouder – geen BTW meer op facturen Tot en met juni 2020 was de Belastingdienst van mening dat toezichthouders in vrijwel alle gevallen BTW-plichtig waren. Met als gevolg dat de toezichthouder een passende boekhouding moest bijhouden en een factuur voor de vergoeding verzenden aan de organisatie waar het toezicht gehouden werd. Het bijhouden van de administratie en het afdragen van BTW kon worden voorkomen door gebruik te maken van de Kleine Ondernemersregeling. Echter, in 2020 heeft het Europese Hof van Justitie een belangrijke uitspraak gedaan over de BTW-positie van een toezichthouder. De uitspraak luidt: “een toezichthouder verricht niet zelfstandig economische activiteiten en kwalificeert daarom niet als ondernemer voor de BTW.” De Nederlandse Hoge Raad heeft deze uitspraak overgenomen in haar uitspraak van 26 juni 2020 (zaaknummer 18/02684) met een uitbreiding naar commissarissen en leden van bezwaar- en/ of andere commissies en rekenkamers. Op 28 april 2021 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd waarin eerder genoemde Hoge Raad uitspraak is vastgelegd (Besluit van 28 april 2021, nr. 2021-9403, Stcrt. 2021, nr. 22627). Bijlage bij accountantsverslag 2021
Aan beide voorwaarden moet zijn voldaan. Blijft iemand binnen de hiervoor genoemde maximumbedragen? Dan is volgens de Belastingdienst sprake van een vrijwilligersvergoeding, mits de vergoeding maximaal € 5,00 per uur bedraagt. Bij vrijwilligers jonger dan 21 jaar (t/m 30-6-2020 gold nog een leeftijd van 22 jaar) geldt een maximale vergoeding van € 2,75 per uur. Is de beloning een marktconforme beloning en is degene aan wie deze wordt betaald aan te merken als een werknemer? Dan gelden de normale regels voor de loonheffingen en kan geen gebruik worden gemaakt van de vrijwilligersregeling. Als vrijwilliger geldt voor de Wet Loonbelasting dat het moet gaan om iemand die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een ANBI, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld.
Werkkostenregeling- jaarlijkse monitoring Sinds de invoering van de WKR dient u over alle vergoedingen (in geld) of verstrekkingen (in natura) die als loon worden aangemerkt, in beginsel ‘gewoon’ loonheffingen in te houden. 33
U mag een groot aantal van deze vergoedingen of verstrekkingen ook in de WKR onderbrengen. Voor diverse vergoedingen of verstrekkingen gelden echter gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen. Verder is de WKR vormgegeven als een forfaitaire regeling. Daarbij mag u als werkgever een vrijstelling toepassen van 1,2% van de totale fiscale loonsom (exclusief eindheffingsbestanddelen) voor diverse zaken die u aan uw personeel verstrekt en waarvoor geen gerichte vrijstelling of nihilwaardering geldt. LET OP: met ingang van 1 januari 2020 is de vrije ruimte aangepast. Over het fiscale loon tot en met € 400.000 geldt in beginsel een vrije ruimte van 1,7% en over het meerdere is dan 1,2% vrijgesteld. Het kabinet heeft echter in het kader van de COVID-19 crisis het percentage van 1,7% voor het jaar 2020 verhoogd naar 3%. Voor het jaar 2021 zou het percentage van 3% over het fiscale loon tot en met € 400.000 weer teruggaan naar 1,7% en wordt het percentage van 1,2% over het meerdere verlaagd naar 1,18%. Dat is echter in de Kamerbrief van 21 januari jl. weer aangepast. Ook voor 2021 geldt voor het fiscale loon tot en met € 400.000 een vrije ruimte van 3% maar voor het meerdere wordt het percentage wel verlaagd naar 1,18%. In 2022 wordt het percentage van de vrije ruimte gesteld op 1,7%. Daarnaast is een thuiswerkvergoeding toegevoegd aan de vrijgestelde vergoedingen.
De WKR is nog steeds een complexe regeling met veel uitzonderingen en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze regeling steeds complexer wordt. Bijvoorbeeld geldt dat de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel niet ongebruikelijk mag zijn en dat is voor een belastingplichtige niet makkelijk vast te stellen. Wij adviseren u om deze regeling jaarlijks goed te monitoren. Ook adviseren wij u om duidelijk in de administratie vast te leggen dat beloningsbestanddelen als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen. Dit om te voorkomen dat als de administratie ondeugdelijk en onduidelijk is, deze vergoedingen en verstrekkingen als individueel loon aangemerkt worden en met loonheffing van de werknemer belast wordt. In verband met Corona is er een aantal besluiten gepubliceerd teneinde de reiskostenvergoedingen voor werknemers die vanwege de covidmaatregelen niet naar de werkplek kunnen komen om de werkkostenregeling te kunnen vergoeden. Naast de werkkostenregeling zijn er nog enkele andere actualiteiten op het gebied van de loonheffingen. Zo bepaalt de werkkostenregeling mede de omvang van de loonsom hetgeen van invloed kan zijn op de voorwaarden en omvang van de NOW regelingen. Dit kan een belangrijk aandachtspunt zijn. Vanaf 2006 heeft de levensloopregeling bestaan. Deze is in 2021 definitief tot een eind gekomen.
Met ingang van 1 januari 2021 mag een werknemer fiscaal 100 weken fiscaal gefaciliteerd verlofsparen. Dit was 50 weken. Voor het uit het buitenland aangetrokken talent geldt dat met ingang van 2019 de maximale termijn voor de 30% regeling is gewijzigd. Vanaf 1 januari 2021 bestaan er uitsluitend nog werknemers die maximaal 5 jaar recht kunnen hebben op deze regeling. De baangerelateerde investeringskorting (BIK) is een afdrachtskorting op de loonbelasting. Dit wetsvoorstel is aangemeld in Brussel en, nadat knelpunten zijn gesignaleerd met Europese regels, weer ingetrokken. Bijlage bij accountantsverslag 2021
Uitsluitend bedrijven die belasting over de winst betalen hadden van deze regeling gebruik kunnen maken.
Uitlening onderwijsmedewerkers binnen samenwerkingsverband niet met BTW belast In de zomer van 2020 heeft Rechtbank Den Haag uitspraken gedaan over de BTW-positie ingeval van het uitlenen van onderwijspersoneel tussen verschillende scholen. Het betrof hier een samenwerkingsverband tussen 84 schoolbesturen, waarbij een pool van onderwijsmedewerkers (leerkrachten) werd aangehouden. De betreffende onderwijsmedewerkers werden ingezet in de verschillende scholen voor het geven van onderwijs. De betreffende faciliterende afdeling binnen het samenwerkingsverband bemiddelde tussen de betreffende scholen. De leerkrachten waren in dienst bij een van de scholen of kwamen bij de inlenende school in dienst. De samenwerkende schoolbesturen betaalde een bedrag voor elke bemiddeling. De uitspraken van de Rechtbank Den Haag houden in dat onder voorwaarden de vergoeding voor de bemiddelingsdiensten vrijgesteld zijn van BTW (onder toepassing van de zogenoemde ‘koepelvrijstelling’). Het moet dan gaan om: ▪
bemiddelingsdiensten (en eventuele aanvullende diensten) die nauw verbonden zijn met de onderwijsdiensten van de betreffende scholen; en
▪
de bemiddelingsdiensten zijn rechtstreeks benodigd voor het verstrekken van het onderwijs; en
▪
de bemiddelingsdiensten mogen niet leiden tot concurrentieverstoringen, oftewel ze moeten binnen een besloten kring worden uitgevoerd.
De Rechtbankuitspraken bieden voor efficiencyprocessen binnen grotere onderwijssamenwerkingsverbanden mogelijke BTW voordelen c.q. voorkomen ongewenste BTW nadelen.
34
BTW aftrek ondanks onderwijsvrijstelling? Impact op uw pro rata regeling? Een ander interessante uitspraak van de Hoge Raad midden 2020 voor de BTW betrof weliswaar geen onderwijsinstelling, maar kan daar wel worden toegepast. De Staatssecretaris van Financiën is van mening dat openbare onderwijsinstellingen hun onderwijs verzorgen als overheid. In die perceptie kan een onderwijsinstelling geen BTW-ondernemer zijn en kan daardoor geen BTW in aftrek brengen.De betreffende Hoge Raaduitspraak staat haaks op deze perceptie en leidt ertoe dat onderwijs binnen het bereik van de BTW valt. Wel moet dan nog worden gekeken of de BTW-vrijstelling voor onderwijs van toepassing is. Pas als dat niet het geval is kan aan BTW-heffing (en dus aftrek van BTW) worden toegekomen. De BTWvrijstelling geldt voor: ▪
onderwijs aan kinderen of jongeren;
▪
school- of universitair onderwijs;
▪
beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen die hiermee nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend en lessen die particulier door docenten worden gegeven en betrekking hebben op het school- of universitair onderwijs.
Een zogenoemde grote ANBI (onderwijsinstellingen met een ANBI-status vallen onder de kwalificatie groot) moet voor het publiceren gebruikmaken van een standaardformulier dat beschikbaar is op de website van de belastingdienst. Speciaal voor onderwijs is een standaardformulier beschikbaar: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcon tentnl/themaoverstijgend/programmas_en_formulieren/s tandaardformulier-publicatieplicht-onderwijsinstellingen Wij adviseren u de gegevens tijdig te publiceren indien uw instelling een ANBI-status heeft. De belastingdienst kan bij niet tijdig publiceren de ANBI-status (zelfs met terugwerkende kracht) intrekken. Dit kan financiële gevolgen hebben voor uw instelling.
Veel van de activiteiten zullen dus weliswaar in de BTW worden betrokken, maar dan mogelijk wel weer onder de onderwijsvrijstelling kunnen vallen. De kans is groot dat deze jurisprudentie gevolgen heeft voor de berekeningswijze van het recht op aftrek van voorbelasting, in het bijzonder voor de berekening van het pro-ratapercentage. Een aftrekbeperking vanwege overheidshandelen is immers niet meer van toepassing. Op het niveau van de individuele onderwijsinstelling moet worden vastgesteld of en wat de impact is van de uitspraak en de mogelijke wijzigingen die daarop volgen. Dat is maatwerk en we adviseren alle instellingen aan de potentiële impact al in kaart te brengen.
Publicatieplicht Anbi- instellingen Indien uw instelling een ANBI-status heeft dan moet u jaarlijks binnen zes maanden ná afloop van het boekjaar uw cijfers openbaar maken. Sinds 1 januari 2021 dient met betrekking tot de publicatieplicht van ANBI’s onderscheid te worden gemaakt tussen de publicatievoorwaarden voor grote en kleine ANBI’s. Van een grote ANBI is sprake wanneer een ANBI in een betreffend boekjaar: ▪
Niet actief geld of goederen verwerft onder derden (een niet-fondsenwervende instelling) en waarvan de totale lasten in een boekjaar ten minste € 100.000 bedragen.
▪
Actief geld of goederen verwerft onder derden (een fondsenwervende instelling) en waarvan de totale baten ten minste € 50.000 bedragen.
Bijlage bij accountantsverslag 2021
35
Actualiteit Subsidies onderwijsinstellingen Het onderwijs klaar voor de toekomst!
Kansen(on)gelijkheid
Op het moment dat u dit leest leven we alweer (bijna) twee jaar met corona-maatregelen. Daar waar we wellicht aan het begin van de corona-crisis de digitalisering van het onderwijs als grootste uitdaging zagen, met bijbehorende vraag van creativiteit en flexibiliteit van docenten en leerlingen, lijkt nu toch steeds meer de kwaliteit van het onderwijs en de kansengelijkheid in het gedrang te komen.
Onderwijs moet de talenten van kinderen en jongeren tot bloei laten komen en hen voorbereiden op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. Dat begint uiteraard met goed onderwijs, maar even belangrijk is de toegankelijkheid van het onderwijs en de buitenschoolse activiteiten.
Voor het komende jaar ligt vanuit het ministerie van OCW de nadruk op het herstel van cognitieve en/of sociaal-emotionele achterstanden in het PO en VO en herstel van achterstanden en studievertragingen in het MBO en HBO. Hoewel er in het primair en voortgezet onderwijs positieve resultaten zijn geboekt, blijft het lerarentekort een aandachtspunt. Onderstaand nemen wij u mee in de subsidiemogelijkheden op de belangrijkste speerpunten: ▪
lerarentekort;
▪
kansen(on)gelijkheid.
Let wel, het betreft hier slechts een greep uit de subsidiemogelijkheden. Wij informeren u graag over de subsidiemogelijkheden passend bij uw specifieke behoefte of situatie.
Lerarentekort Afgelopen kabinetsperiode heeft het ministerie diverse maatregelen genomen om het lerarentekort tegen te gaan. Ondanks de positieve resultaten in het primair en voortgezet onderwijs, vraagt het lerarentekort ook in de toekomst aandacht. Zo blijft in de grote steden voorlopig sprake van een tekort aan schoolleiders in het primair onderwijs en kampt het voortgezet onderwijs in het hele land met een tekort aan leraren voor de exacte vakken en het vreemdetalenonderwijs. Naar aanleiding van de aanbevelingen van Merel van Vroonhoven en de uitwerking daarvan door de sectororganisaties is een agenda opgesteld die moet zorgen voor verbetering en flexibilisering van de lerarenopleiding en voor regionale samenwerking om het aantal zijinstromers te verhogen en te werken aan personeelsbehoud. Om docenten, anders dan net-afgestudeerden, aan te trekken en te begeleiden heeft het Ministerie in de afgelopen jaren subsidie beschikbaar gesteld door de Regeling subsidie zij-instroom po, mbo, vo (max. € 20.000 per zij-instromer). Deze regeling is verlengd tot 2023. Daarnaast biedt de Subsidieregeling onderwijsassistenten opleiding tot leraar een tegemoetkoming (€ 5.000 per onderwijsassistent per jaar voor max. 4 jaar) in de studiekosten en kosten van studieverlof van de onderwijsassistent die een opleiding tot leraar volgt.
De aanvraagperiode voor deze regeling loopt van 16 oktober 2021 tot en met 15 oktober 2022 voor kalenderjaar 2022.
Bijlage bij accountantsverslag 2021
Hoe zorgt u ook tijdens deze corona-periode voor gelijke kansen? Voor niet ieder kind is het vanzelfsprekend dat hij/zij voldoende ondersteuning krijgt om die prestaties eruit te halen die erin zit. De Subsidieregeling doorstroomprogramma’s po-vo voor gelijke kansen maakt het mogelijk om voor die leerlingen doorstroomprogramma’s, gericht op het versoepelen van de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs, te realiseren. In de periode 20 februari tot en met 30 april 2022 kan subsidie worden aangevraagd. Het subsidiebedrag bedraagt € 1.000 per deelnemer aan het programma. Op basis van de Subsidieregeling structureel voorkomen onnodig zittenblijven vo 2021-2023 kan subsidie worden verstrekt voor interventies die zijn gericht op het herijken, ontwikkelen, verbeteren en/of intensiveren van diverse activiteiten die onnodig zittenblijven in het voortgezet onderwijs voorkomen. Per locatie kan € 15.000 worden aangevraagd. Aanvullend kan subsidie worden aangevraagd voor zomerschoolprogramma’s en eventueel voor andere remediërings- en ondersteuningsprogramma’s buiten het reguliere onderwijsprogramma gedurende het schooljaar voor leerlingen die achterstanden (dreigen) op (te) lopen. In april 2020 sloten scholen vanwege corona hun deuren. Hierdoor maakten toenmalige leerlingen van groep 8 geen eindtoets.
Nu blijkt dat deze leerlingen gemiddeld een lager schooladvies ontvingen en op een lager niveau instroomden op het voortgezet onderwijs. Met de Subsidieregeling capaciteitentesten 2021-2023 kunnen scholen in het voortgezet onderwijs toetsen gaan afnemen in het eerste en tweede leerjaar om het best passende onderwijsniveau voor hun leerlingen te meten en vervolgens leerlingen op het best passende onderwijsniveau plaatsen. De subsidie betreft een tegemoetkoming in de kosten voor de inkoop en de afname van capaciteitentesten, uitsluitend voor klassikale afname, voor leerlingen in het eerste of tweede leerjaar van het voortgezet onderwijs.
Nationaal onderwijslab Met investeringen in digitale leer- en hulpmiddelen en ICT wil het ministerie het onderwijs verbeteren en daarmee het verdienvermogen van Nederland structureel vergroten. Vanuit het Nationaal Groeifonds is € 80 miljoen voorwaardelijk toegekend voor het Nationaal Onderwijslab. In een Nationaal Onderwijslab gaan partijen, kennisinstellingen, onderwijsveld, uitgeverijen en ICT-experts, vanaf 2022 aan de slag om AI-innovaties te ontwikkelen die bijdragen aan bijvoorbeeld onderwijs op maat, leesvaardigheid en digitale kennis van scholieren. De toegekende publieke financiering is voor een periode van tien jaar. 36
Juridische Actualiteiten Flexkrachten krijgen per 2022 eerder medezeggenschapsrechten
Wijzigingen wet op ondernemingsraden De ondernemingsraad (OR) moet een zo goed mogelijke afspiegeling zijn van de werknemerspopulatie van bedrijven. Om ervoor te zorgen dat ook werknemers met korte of tijdelijke dienstverbanden aanspraak kunnen maken op medezeggenschapsrechten, wordt de Wet op de Ondernemingsraad (WOR) op dit punt gewijzigd. De Eerste Kamer heeft op 14 december 2021 ingestemd met de desbetreffende wetswijziging, die per 1 januari 2022 van kracht wordt. Het is van belang voor werkgevers en HR-adviseurs – en voor ondernemingsraden – om daar goede notie van te nemen. De wijzigingen in het kort: ▪
verkorting van de termijnen voor het actief kiesrecht (het recht om te mogen stemmen) van 6 naar 3 maanden;
▪
verkorting van de termijn voor het passief kiesrecht (het recht om je kandidaat te stellen voor de OR) van 12 naar 3 maanden;
▪
uitzendkrachten gaan na 15 maanden (in plaats van na 24 maanden) medezeggenschapsrechten opbouwen in de onderneming van de inlener en verwerven na 18 maanden actief en passief kiesrecht (15+3 =18 maanden).
Daarnaast blijft het mogelijk in het OR-reglement (ten positieve) af te wijken van de wet, door nog kortere termijnen op te nemen. Het is raadzaam dat te doen om een evenwichtige medezeggenschap mogelijk te maken als er veel flexkrachten werken in de onderneming. Ook blijft het mogelijk om de groep “in de onderneming werkzame personen” uit te breiden met bijvoorbeeld uitzendkrachten die nog geen 15 maanden werkzaam zijn in de organisatie.
Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie) en inhuur zzp’ers Als een opdrachtgever een zzp’er inhuurt voor een opdracht, en het gaat in de praktijk toch om loondienst, dan heet dat schijnzelfstandigheid. De opdrachtgever is dan werkgever en moet belastingen betalen die bij loondienst horen. Voor 2016 kon de opdrachtgever de VAR (Verklaring Arbeidsrelatie) gebruiken om de werkrelatie aan te tonen. De VAR is afgeschaft en de Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie) moest de regels duidelijker maken, maar dat is niet gebeurd. Veel onzekerheid is gebleven. De handhaving van de wet DBA is inmiddels op een laag pitje gezet. In januari 2021 is een pilot met de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie online gegaan https://ondernemersplein.kvk.nl/webmodulebeoordeling-arbeidsrelatie/. Opdrachtgevers kunnen anoniem de vragenlijst invullen. De uitkomst van de ingevulde vragenlijst moet meer duidelijkheid geven of sprake is van schijnzelfstandigheid of niet. Uit de tussentijdse evaluatie van de webmodule blijkt dat in circa 28% van de gevallen sprake is van een “echte opdracht”. In ruim 43% van de situaties is sprake van een echte dienstbetrekking (33,9%) of een fictieve dienstbetrekking (9,7%). En in 28,4% kan de arbeidsrelatie niet worden beoordeeld. Dit weerspiegelt wel de grote mate van onzekerheid bij het inhuren van zzp’ers.
De webmodule blijft voorlopig als voorlichtingsinstrument bestaan. De ingevulde gegevens worden gebruikt voor verbetering. De besluitvorming over de verdere stappen rond de inhuur van zzp’ers ligt bij het nieuwe kabinet. Eerst moeten nog de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk worden getoetst. De handhaving van de wet DBA werd al meerdere keren uitgesteld. Nu is bekend gemaakt dat dit handhavingsmoratorium gehandhaafd blijft totdat een besluit wordt genomen over de invoering van nieuwe regelgeving. Voorlopig kan de Belastingdienst slechts beperkt naheffingen opleggen als een zzp’er toch in dienstbetrekking werkzaam is. Dat kan alleen bij kwade opzet of wanneer aanwijzingen van de Belastingdienst niet (tijdig) worden opgevolgd. Het is verstandig om voorbereid te zijn op het aflopen van het handhavingsmoratorium. Belangrijk is de afspraken met de zzp’er goed vast te leggen. Mocht de opdrachtgever gebruik maken van een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst., dan is het raadzaam de geldigheidsduur te controleren. De meeste (oude) modelovereenkomsten zijn inmiddels niet meer geldig. Een aantal daarvan is al vernieuwd. Met gebruikmaking van de nieuwe modelovereenkomst kunnen in de toekomst naheffingen worden voorkomen (als de gemaakte afspraken feitelijk ook zo worden uitgevoerd).
Bijlage bij accountantsverslag 2021
37