CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 29 Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten 07-11-2022

GEMEENTERAAD 11 december 2024, gemeente HilversumBij agendapunt: Advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) flexwoningen Circusterrein (1589095)37.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Saricon heeft de collectie 575 in het verleden gedigitaliseerd en heeft de bestanden ten behoeve van dit vooronderzoek doorzocht. De geraadpleegde inventarisnummers zijn opgenomen in de bronnenlijst in bijlage 2. De relevante informatie is opgenomen in hoofdstuk 5.4. Relevant kaartmateriaal is gepositioneerd in het GIS.

21S105-VO-02

Pagina 17 van 168

➢

Collectie Vliegtuigcrashes 1940-1945 (toegangsnummer 798)

De collectie met toegangsnummer 798, ‘Vliegtuigcrashes 1940-1945’, bevat in de inventarisnummers 55-151 informatie over individuele vliegtuigcrashes op datum uit de periode 1940-1945. De inventarisnummers 21-49 bevatten informatie over crashes van Duitse vliegtuigen in de periode 1940-1945. In de collectie is gezocht naar achtergrondinformatie over mogelijk voor het onderzoeksgebied relevante vliegtuigcrashes (zie paragraaf 5.6.) Slechts in één geval is relevante informatie aangetroffen. ➢

Beeldbank NIMH

In de online beeldbank van het NIMH zijn enkele vooroorlogse luchtfoto’s aangetroffen die tussen 1920 en 1940 werden vervaardigd door de fototechnische dienst van de Luchtvaartafdeeling (de voorloper van de Koninklijke Luchtmacht). Het betreft foto’s van (camouflage)oefeningen door het Nederlandse leger, maar ook luchtfoto-mozaïeken en oblique-foto’s van Hilversum en omgeving. De foto’s, waarvan hieronder voorbeelden zijn weergegeven, zijn gebruikt bij de luchtfotointerpretatie.

Figuur 3. Voorbeeld van een door de Luchtvaartafdeeling vervaardigd luchtfoto-mozaïek. Aan de linkerzijde is het stadscentrum van Hilversum zichtbaar. Rechts de wijk Trompenberg, de Crailosebrug en het Spanderswoud. (Bron: NIMH Beeldbank, objectnummer 50243-001).

21S105-VO-02

Pagina 18 van 168

Figuur 4. Oblique luchtfoto van de wijk Trompenberg met daarachter het Spanderswoud (Bron: NIMH Beeldbank, objectnummer 2011-5079).

Figuur 5. Nederlands veldgeschut, vermoedelijk op de Bussumseheide. (Bron: NIMH Beeldbank, objectnummer 2011-5126).

21S105-VO-02

Pagina 19 van 168

3.9

NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies

Saricon heeft enkele collecties geraadpleegd die afkomstig zijn uit het NIOD te Amsterdam. Belangrijke documenten betreffende de luchtoorlog bevinden zich onder meer in de volgende collecties: ➢ ➢

Collectie Generalkommissariat für das Sicherheitswesen – Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West (toegangsnummer 077) Collectie Departement van Justitie (toegangsnummer 216k)

In eerstgenoemde collectie bevindt zich een relatief compleet Duitstalig overzicht van bomafworpen en andere luchtoorlog-gerelateerde gebeurtenissen op Nederlands grondgebied in de periode september 1940 – april 1941. Het gaat om summiere meldingen, die evenwel details kunnen bevatten die in andere bronnen niet worden aangetroffen. In de tweede collectie bevinden zich processen-verbaal over luchtoorlog-gerelateerde gebeurtenissen in een beperkt aantal Nederlandse gemeenten. Saricon heeft gezocht naar meldingen met relevantie voor het onderzoeksgebied aan de hand van eerder vervaardigde zoeksleutels. De geraadpleegde dossiers zijn vermeld in de bronnenlijst in bijlage 2. Er werden geen voor het onderzoeksgebied relevante gegevens aangetroffen. ➢

Collectie Documentatie II (toegangsnummer 249)

Deze collectie is opgebouwd uit documentatie die door het NIOD is verworven van particulieren. Zij bevat 2170 dossiers die op onderwerp zijn geordend. Deze dossiers bevatten een allegaartje aan gegevens, waaronder her en der documenten met details over luchtaanvallen en andere oorlogshandelingen. De geraadpleegde inventarisnummers zijn opgenomen in de bronnenlijst in bijlage 2. Er zijn stukken aangetroffen met betrekking tot een bomafworp die in november 1944 plaats zou hebben gevonden. De relevante informatie is verwerkt in hoofdstuk 5.3.

3.10

Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD)

Saricon heeft twee collecties geraadpleegd afkomstig uit het archief van de EOD en haar voorgangers: de collectie ruimrapporten en de collectie mijnenvelddocumentatie. ➢

Collectie ruimrapporten, 1971-heden

Voor de periode vanaf 1971 is het mogelijk een (min of meer) volledig overzicht te geven van ruimingen van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied en de directe omgeving. Sinds dat jaar zijn alle rapporten (zogeheten MORA’s en UO’s) van geruimde ontplofbare oorlogsresten van de EOD en haar voorgangers centraal gearchiveerd.7 Het grootste gedeelte van dit archief wordt tegenwoordig beheerd door de Semi-Statische Archiefdiensten van het Ministerie van Defensie te Rijswijk. Dit archief is doorzoekbaar op (door de EOD samengestelde) registers op plaatsnaam. Saricon heeft ten behoeve van dit vooronderzoek het register van de gemeente Hilversum gebruikt. De stukken betreffende meldingen tot medio 2010 zijn bij het SSA te Rijswijk aangevraagd en digitaal aangeleverd. Vanaf medio 2010 maakt de EOD geen fysieke ruimrapporten meer op. Van deze ruimingen is een door de EOD opgesteld overzicht beschikbaar waarin de datum, locatie en eventueel aangetroffen ontplofbare oorlogsresten zijn opgenomen. Bijzonderheden over de omstandigheden van de vondsten zijn uit deze gegevens vaak niet te herleiden. Dit overzicht is bijgewerkt tot december 2021.

7

Het is binnen de opdracht voor dit vooronderzoek dus niet mogelijk een overzicht met dezelfde mate van volledigheid samen te stellen van explosievenruimingen in de periode tot 1971. Dit volgt uit het beschrevene m.b.t. de archieven van het Korps Hulpverleningsdienst in paragraaf 3.5.

21S105-VO-02

Pagina 20 van 168

De meldingen met een locatieverwijzing die naar inschatting van Saricon relevantie kan hebben voor dit onderzoek, zijn opgenomen in bijlage 6.8 De munitievondsten zijn geanalyseerd in hoofdstuk 5.8 en, als een direct verband met bekende oorlogshandelingen te leggen was, opgenomen in de betreffende paragrafen. ➢

Collectie mijnenvelddocumentatie, 1944-1947

Kort na de Tweede Wereldoorlog, in juni 1946, is een inventarisatie gemaakt van alle bekende en vermoedelijke mijnenvelden in Nederland. De Commandant van de Mijnopruimingsdienst (MOD) verklaarde toen dat er op Nederlands grondgebied zo’n 5.400 mijnenvelden waren gekarteerd en dat nog ongeveer 900 mijnenvelden gekarteerd moesten worden. In de jaren direct na de oorlog zijn de, zowel door Duitse als geallieerde eenheden gelegde, mijnenvelden opgeruimd. Het totale aantal in Nederland geruimde landmijnen wordt geschat op 1,8 miljoen. Alleen al door Duitse krijgsgevangenen zijn een kleine 1,4 miljoen landmijnen geruimd. Verder werden er onder meer mijnen geruimd door geallieerde eenheden (operationeel ruimen – d.w.z. alleen het mijnenvrij maken van gebieden waarvan het direct voordeel opleverde voor de oorlogsinspanning), door burgermijnopruimingsorganisaties en door het Korps Hulpverleningsdienst. In het najaar van 1947 staakten de organisaties die nog met het systematisch opruimen van mijnen waren belast hun werkzaamheden. Sindsdien zijn op of nabij de locaties van voormalige mijnenvelden nog sporadisch mijnen aangetroffen. Zelfs eind 20e en begin 21e eeuw zijn in Nederland nog meerdere vondsten gedaan van in grote hoeveelheden gedumpte mijnen.

Het betrof hier mijnenvelden die in de periode 1944-1947 wel waren ‘opgeruimd’, maar waarbij de mijnen niet zijn afgevoerd of vernietigd, maar ter plaatse bleken te zijn begraven. Ook het ter plaatse achterlaten van losse ontstekingsmechanismen, al dan niet bewust, kwam voor.9 De bij de mijnenruimingen in de periode 1944-1947 gebruikte mijnenlegrapporten, en de destijds opgestelde mijnenruimrapporten, zijn nu in beheer bij de EOD. Uit de ruimrapporten blijkt dat niet in alle gevallen alle gelegde landmijnen zijn aangetroffen. De EOD beschikt over een zoeksleutel op de collectie. Voor zover bekend hebben binnen de gemeentegrenzen van Hilversum geen door de EOD geregistreerde mijnenvelden of op landmijnen verdachte gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde Duitse mijnenveld (genummerd 11-368/1G) bevond zich op een afstand van ca 100 meter in de gemeente Baarn.

3.11

The National Archives

In The National Archives te Londen (TNA), het nationaal archief van Groot-Brittannië, ligt belangrijk archiefmateriaal over de luchtoorlog in Nederland in de periode 1940-1945, en over de bevrijding door o.a. Britse en Canadese grondtroepen in 1944-1945. Saricon heeft in het verleden een grote hoeveelheid voor Nederlands grondgebied relevante gegevens uit dit archief verzameld. In het kader van dit vooronderzoek is in deze gegevens gezocht naar mogelijk voor het onderzoeksgebied relevante informatie. De dossiers die ten behoeve van dit vooronderzoek zijn doorzocht, zijn vermeld in de bronnenlijst in bijlage 2. Meldingen met mogelijke relevantie voor het onderzoeksgebied zijn verwerkt in hoofdstuk 5. In TNA bevinden zich verslagen van uitgevoerde acties door de Royal Air Force in de Tweede Wereldoorlog. Deze verslagen zijn ondergebracht in het archief van het Air Ministry. De structuur van dit archief volgt op hoofdlijnen de structuur van de organisatie van de RAF. De RAF was verdeeld in verschillende commands, die elk bestonden uit groups, die weer bestonden uit squadrons. Meerdere squadrons jachtvliegtuigen of lichte bommenwerpers konden ook zijn samengevoegd in een wing. Over de door de RAF gedocumenteerde luchtaanvallen is doorgaans informatie gearchiveerd op elk bevelsniveau (command, group, squadron; en eventueel wing/airfield en station).

Elke luchtaanval kan daardoor, met verschillend detailniveau, in wel tien of twintig verschillende dossiers zijn beschreven. Op voorhand zijn geen eenduidige uitspraken te doen over in welk van deze dossiers de meest relevante informatie (vanuit het oogpunt van een Vooronderzoek conflictperiode) kan worden aangetroffen. De van RAF-zijde opgestelde documentatie over een luchtaanval is over het algemeen tot stand gekomen op basis van debriefings van de bemanningen kort na de missie. Grofweg vanaf 1942 is er een grotere kans dat in de documentatie 8

Omdat, zowel in de beschikbare registers als op de ruimrapporten zelf, soms duidelijke beschrijvingen van de exacte locaties waar de EOD of haar voorgangers actief was ontbreken, kan niet worden uitgesloten dat in onderstaand overzicht relevante ruimrapporten ontbreken. Ook zijn rapporten met een locatieverwijzing die vermoedelijk niet overeenkomt met de vondstlocatie, zoals bijvoorbeeld politiebureaus, afvalverwerkingsbedrijven etc., niet opgevraagd. 9 Informatie ontleend aan A/H. Meijers, Achtung Minen – Danger Mines. Het ruimen van landmijnen in Nederland 1940-1947 (Soesterberg 2013).

21S105-VO-02

Pagina 21 van 168

ook andere bronnen zijn gebruikt, te weten tijdens of na de bombardementen gemaakte luchtfoto’s. Over de acties van bemanningen die niet terugkeerden van hun missie is dus normaliter geen informatie beschikbaar, omdat geen debriefings konden worden uitgevoerd. Ook zogenoemde ‘jettisons’ zijn minder goed te onderzoeken.10 De door bemanningen tijdens debriefings verstrekte informatie kan doorgaans niet worden beschouwd als een betrouwbare bron aangaande de locaties waar de bommen zouden zijn gevallen en aangaande de aangerichte schade. Dit geldt zeker voor de luchtaanvallen uitgevoerd tot medio 1942 en voor bij duisternis uitgevoerde luchtaanvallen. De operationele gegevens van de RAF zijn wel waardevol en betrouwbaar met betrekking tot de volgende aspecten: • De data van de missies waarbij het onderzoeksgebied mogelijk, waarschijnlijk of met zekerheid is gebombardeerd; • De wijze waarop aanvallen werden uitgevoerd; • De vliegtuigtypes die bij de luchtaanvallen zijn ingezet; • De soorten en hoeveelheden van de bij deze missies afgeworpen bommen en raketten en de daarbij gebruikte ontstekingsinrichtingen. De operationele commands van de RAF met de meeste relevantie voor het Vooronderzoek conflictperiode waren Bomber Command, Coastal Command en Fighter Command. •

•

•

•

•

De meeste bommenwerpers van de RAF waren ingedeeld bij RAF Bomber Command. In de gehele periode tussen mei 1940 en mei 1945 heeft Bomber Command luchtaanvallen uitgevoerd op doelwitten op Nederlands grondgebied. Tot maart 1942 vonden de meeste bombardementen bij duisternis plaats. Na die tijd opereerde Bomber Command in Nederland vooral nog overdag. In diverse toegangen in het archief van het Air Ministry zijn gegevens ondergebracht van Bomber Command. In AIR 14 bevinden zich verschillende overzichten van in Europa uitgevoerde luchtaanvallen. Relevante operationele gegevens bevinden zich onder meer in de day and night bomb raid sheets en de form E summaries. Ten behoeve van dit vooronderzoek zijn de form E summaries, (en daarnaast voor No. 2 Group het ORB voor de periode 1941-1943 uit toegang AIR 25) doorzocht wanneer uit andere bronnen indicaties voor luchtaanvallen aanwezig waren.. Ook RAF Coastal Command heeft in 1940 en 1941 bombardementen uitgevoerd in Nederland, hoofdzakelijk op nabij de kust gelegen doelwitten. In de toegang AIR 15 zijn diverse operationele en aanverwante gegevens van Coastal Command ondergebracht. Een van de documentsoorten die inzicht kunnen verschaffen in de aard en omvang van hun acties boven Nederland zijn de strike sheets. Saricon heeft een groot deel van deze aanvallen middels een zoeksleutel in kaart gebracht en doorzocht..

Vanaf november 1944 voerden Spitfire-jachtbommenwerpers van Fighter Command een groot aantal luchtaanvallen uit in West-Nederland. Daarvóór voerde Fighter Command hooguit sporadisch luchtaanvallen in Nederland uit. De aanvallen vanaf november 1944 waren gericht tegen infrastructurele doelen (spoorwegen, verkeerswegen, bruggen) en andere doelen die verband hielden met de Duitse inzet van V-wapens tegen doelen in Engeland. Voor onderzoeksgebieden in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht kunnen onder meer de appendices van de Operations Record Books HQ Fighter Command uit AIR 24 relevant zijn. Saricon heeft deze aanvallen middels een zoeksleutel in kaart gebracht. Het gros van de luchtaanvallen op Nederlands grondgebied in de laatste negen maanden van de bezetting is uitgevoerd door de tactische luchtmacht van de RAF, de Second Tactical Air Force (2nd TAF). De 2nd TAF opereerde direct vanaf de oprichting medio 1943 boven Nederlands grondgebied. De 2nd TAF werd samengesteld uit verschillende bestaande luchtmachtonderdelen, met als doel specifieke luchtsteun te verzorgen aan de opmars van de geallieerde landstrijdkrachten in Noordwest-Europa. De 2nd TAF had zowel jachtvliegtuigen, jachtbommenwerpers als middelzware bommenwerpers tot zijn beschikking. Met name toegang AIR 37 bevat voor Nederlands grondgebied relevante documenten van de 2nd TAF, waaronder de dagelijkse rapporten.

Aan de hand van deze daily logs kan inzicht worden verkregen in de aard en omvang van een luchtaanval. Saricon heeft de in de dagrapporten vermelde aanvallen op Nederlands grondgebied middels een zoeksleutel in kaart gebracht. Voor relevante luchtaanvallen is, voor zover deze stukken bij Saricon aanwezig waren, onderzoek gedaan in de Operations Record Books van de squadrons (AIR 27) die bij de aanval betrokken waren. Deze logboeken

10

Voor dit woord bestaat geen goede Nederlandse vertaling. Het gaat hier zowel om noodafworpen, bijvoorbeeld wanneer een bommenwerper werd opgejaagd door een vijandelijk jachtvliegtuig, als om afworpen op min of meer willekeurige locaties als een bemanning eerder geen geschikte doelwitten had gevonden en de bommen kwijt wilde alvorens de terugtocht naar de vliegbasis te aanvaarden.

21S105-VO-02

Pagina 22 van 168

op squadron-niveau geven vaak de meest gedetailleerde informatie over bijvoorbeeld de ingezette bommenlading per toestel. Om locaties aan te duiden maakte de Royal Air Force gebruik van het Nord de Guerre-coördinatensysteem. In de daily logs werden de coördinaten aangegeven door middel van een letter-cijfercombinatie. Met vier cijfers werd een kaartvierkant aangegeven, terwijl door extra cijfers toe te voegen een locatie binnen het kaartvierkant kon worden vastgelegd. Het onderzoeksgebied lag in het gebied tussen de kaartvierkanten Z2013-Z2101-Z2701-Z2711. Deze en tussenliggende kaartvierkanten zijn gebruikt als zoekterm bij het onderzoek in Britse stukken.

Figuur 6. Geallieerde luchtfoto van het vliegveld Hilversum, afkomstig uit een ‘Target folder’ (dossier met doelwitfoto’s) 1 januari 1945 (Bron: TNA, AIR37/922)

3.12

Bundesarchiv-Militärarchiv

Het Bundesarchiv is het nationaal archief van Duitsland. De vestiging van deze archiefinstelling die voor het Vooronderzoek conflictperiode het meest relevant is, betreft het Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg im Breisgau. Hier bevinden zich stukken uit de archieven van de Wehrmacht (Luftwaffe, Kriegsmarine, Heer) en Waffen-SS uit de periode van de Tweede Wereldoorlog. De overlevering van de archieven van de Duitse strijdkrachten is relatief onvolledig en versnipperd. Grote delen van deze archieven zijn in de laatste fase van de oorlog en kort na de oorlog verloren gegaan, als gevolg van oorlogsgeweld en bewuste vernietigingsacties. Andere delen zijn na de geallieerde overwinning op Duitsland door de geallieerde strijdkrachten in beslag genomen, en later (nadat zij in de VS op microfilm waren gekopieerd) aan de Duitse overheid geretourneerd. Hoe dan ook bevat het Bundesarchiv-Militärarchiv diverse toegangen met waardevol archiefmateriaal die in het kader van het Vooronderzoek conflictperiode kunnen worden doorzocht. Saricon beschikt als resultaat van eerdere bezoeken aan het Bundesarchiv-Militärarchiv over kopieën van diverse documenten.

21S105-VO-02

Pagina 23 van 168

De belangrijkste verzameling meldingen met relevantie voor het vooronderzoek die Saricon middels een zoeksleutel integraal heeft ontsloten betreft de Lageberichte (dagrapporten) van de Luftwaffenführungsstab Ic met meldingen van luchtaanvallen op Nederlands grondgebied.11 De stukken zijn afkomstig uit de volgende dossiers: ➢

Luftwaffenführungsstab (toegangsnummer RL2-II) Inventarisnummer 204 (9 mei 1940) tot inventarisnummer 269 (9 november 1941)

➢

Seekriegsleitung (toegangsnummer RM 7) Inventarisnummer 345 (14 augustus 1940) tot inventarisnummer 348 (8 september 1940)

Deze meldingen zijn via een zoeksleutel in kaart gebracht en doorzocht. De geraadpleegde dossiers zijn vermeld in de bronnenlijst in bijlage 2. De relevante gegevens zijn verwerkt in hoofdstuk 5.3

3.13

The National Archives and Records Administration (NARA)

The National Archives and Records Administration (NARA) is het nationaal archief van de Verenigde Staten. NARA heeft diverse vestigingen, waarvan de belangrijkste twee in de regio Washington DC zijn gelegen. Documenten uit de periode van de Tweede Wereldoorlog, waaronder een groot deel van het archief van de Amerikaanse strijdkrachten, berusten op de locatie National Archives II in College Park, Maryland (NARA II). ➢

Mission Reports USAAF (RG 18)

In NARA II bevinden zich onder meer verslagen van in de Tweede Wereldoorlog uitgevoerde operaties door de Amerikaanse luchtstrijdkrachten. Vanaf medio 1942 gingen de United States Army Air Forces (USAAF) zich mengen in de luchtoorlog boven West-Europa. Ook Nederland kreeg te maken met Amerikaanse luchtaanvallen, zij het in beperkte mate in vergelijking met het aantal Britse luchtaanvallen. De zogeheten Mission Reports kunnen beschikbaar zijn op meerdere bevelsniveaus (Air Force, Division, Wing, Group, Squadron. In deze rapporten zijn de belangrijkste missiegegevens te vinden, zoals: datum en tijdstip aanval, doel aanval, afwerphoogte, summiere resultaten zoals aangegeven door de bemanning en gebruikte bommenladingen. De Mission Reports zijn veel vollediger en uitgebreider verslagen dan de tegenhangers van de RAF. Dit hangt samen met de verschillende wijze van opereren van de luchtmachten. Bij de RAF gaat het doorgaans om verslagen van de bemanning van één toestel; bij de USAAF om de verzamelde verslagen van bijvoorbeeld een gehele Bomb Group of Bombardment Wing. De Mission Reports bevatten ook allerlei evaluaties en tijdens de missies gemaakte luchtfoto’s en plots. Overigens bevatten ook de Mission Reports van de USAAF voor een deel informatie die tot stand is gekomen op basis van debriefings van de bemanningen kort na de missie.

Deze moet dus als minder betrouwbaar worden geclassificeerd als het bijvoorbeeld gaat om de behaalde resultaten. Dit archief wordt geraadpleegd als uit het literatuur- of overige archiefonderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied is getroffen door luchtaanvallen uitgevoerd door de United States Army Air Forces (USAAF). Omdat Hilversum voor zover bekend niet werd getroffen door Amerikaanse aanvallen is deze bron niet geraadpleegd.

3.14

Library and Archives Canada (LAC)

Library and Archives Canada (LAC), gevestigd in Ottawa, is het belangrijkste overheidsarchief van Canada. Hier worden onder meer de Canadese militaire archieven bewaard, waaronder een grote collectie kaartmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog. Deze collectie bevat ook een groot aantal Defence Overprints van Nederlands grondgebied. Dit zijn kaarten waarop de bij de geallieerde militaire inlichtingendiensten bekende informatie over Duitse verdedigingswerken werd weergegeven. Sommige kaarten werden gedrukt, andere kaarten bestonden uit een stafkaart met een doorzichtig overlegvel waarop aantekeningen werden gemaakt. In de collectie van het LAC zijn twee relevante Defence Overprints aangetroffen waarmee het onderzoeksgebied geheel gedekt kan worden: • Defence Overprint 361 (Bussum, Holland) Schaal 1:25.000, zonder datum; • Defence Overprint 368 (Hilversum, Holland) Schaal 1:25.000 d.d. 25 maart 1945.

11

Het bij de dagrapporten behorende kaartmateriaal (Lagekarte) is wegens de omvang en in verhouding daarmee relatief geringe aanvullende waarde niet geraadpleegd.

21S105-VO-02

Pagina 24 van 168

De kaarten zijn gepositioneerd in het GIS. Op de Defence Overprint 361, die het uiterste noorden van het onderzoeksgebied dekt, zijn rond de legerplaats Crailo Duitse loopgraven en stellingen ingetekend. Ook de daar aanwezige schietbanen staan op de kaarten aangegeven. De meeste objecten liggen echter buiten het onderzoeksgebied. Op de Defence Overprint 368 zijn onder meer de rond Hilversum aangelegde tankgracht en het vliegveld zichtbaar. Verder is de kaart voorzien van een groot aantal kleinere aantekeningen die echter als gevolg van de slechte kwaliteit van de kaart helaas niet goed leesbaar zijn.

Figuur 7. Het onderzoeksgebied op de Defence Overprints 361 en 368. De aantekeningen op de Defence overprint 368 zijn als gevolgvan de slechte kwaliteit nauwelijks leesbaar.

3.15

Verliesregister SGLO/NIMH

Gedurende de Tweede Wereldoorlog hebben crashes en noodlandingen van Duitse en geallieerde gevechtsvliegtuigen plaatsgevonden. Bij een deel van deze crashes bestaat de kans dat ontplofbare oorlogsresten, wrakstukken of stoffelijke resten in de bodem zijn achtergebleven. In 2008 is het verliesregister van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 (SGLO) samengesteld. Aanvankelijk is het register gepubliceerd in pdf-vorm; tegenwoordig is het te raadplegen via de website van de SGLO, in de vorm van een digitale database. Dit register, dat van tijd tot tijd wordt bijgewerkt aan de hand van nieuw beschikbaar komende historische informatie, betreft een in verregaande mate correct en volledig overzicht van de verliezen van militaire vliegtuigen die in de Tweede Wereldoorlog op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden.12 Het register bevat 19 vermeldingen van vliegtuigverliezen waarbij Hilversum als crashlocatie werd genoemd. Hierbij dient echter bedacht te worden niet in alle gevallen sprake was van een vliegtuigcrash. Ook noodlandingen, ongelukken en (zware) beschadigingen op de grond worden namelijk in het register opgenomen. In deze gevallen is het niet aannemelijk 12

Dit register werd in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Militaire Historie in Den Haag opgesteld en is via de website https://www.verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/ te raadplegen

21S105-VO-02

Pagina 25 van 168

dat als gevolg van deze gebeurtenis ontplofbare oorlogsresten in de bodem zijn ingedrongen. Veel van deze vermeldingen kunnen worden toegeschreven aan gebeurtenissen op en rond het vliegveld Hilversum. Zo zijn 4 verliezen opgenomen van Nederlandse toestellen die in de meidagen van 1940 op het vliegveld beschadigd raakten, en nog eens 10 Duitse toestellen die het vliegveld als schadelocatie aangeven. De relevante gegevens worden uitgewerkt in hoofdstuk 5.6.

3.16

Saricon collectie nieuwsberichten explosievenvondsten

Saricon beschikt over een omvangrijke collectie nieuwsberichten over vondsten van explosieven uit de periode 1982 – heden. Voor de periode van 1982 tot 2003 betreft het een krantenknipseldatabase, voor de periode sinds 2008 betreft het een database met meldingen van nieuwswebsites. Relevante gegevens zijn verwerkt in hoofdstuk 5.

3.17

Koninklijke Bibliotheek

De Koninklijk Bibliotheek in Den Haag heeft via de website Delpher een omvangrijk krantenarchief toegankelijk gemaakt. Daaronder zijn ook kranten uit de Tweede Wereldoorlog en daarna. Hierin kan bijvoorbeeld worden gezocht naar nieuwsberichten over vondsten van ontplofbare oorlogsresten in de gehele periode van de Tweede Wereldoorlog tot heden. Deze bron is in aanvulling op de Saricon-collectie nieuwsberichten geraadpleegd. Relevante gegevens zijn verwerkt in hoofdstuk 5.

3.18

Utrechts Archief (Archief Nederlandse Spoorwegen)

In het Utrechts Archief te Utrecht worden de archieven van de Nederlandse Spoorwegen bewaard. Hierin bevinden zich meldingen van luchtaanvallen met gevolgen voor de spoorinfrastructuur voor een veertigtal plaatsen in Nederland in 1940 en 1941. Saricon heeft deze ontsloten middels een database, die voor dit vooronderzoek is doorzocht. De geraadpleegde dossiers zijn vermeld in de bronnenlijst in bijlage 2. Er werden geen meldingen aangetroffen met relevantie voor het onderzoeksgebied.

3.19

Getuigen, locatiedeskundigen, Heemkundekringen en historische verenigingen

In overleg met de opdrachtgever is besloten voor dit vooronderzoek geen gesprekken te voeren met getuigen, locatiedeskundigen of leden van heemkundekringen of historische verenigingen. Wel is gebruik gemaakt van publicaties van de Hilversumse Historische Kring ‘Albertus Perk.’

3.20

Kadaster

Saricon heeft de collectie Duitse en geallieerde stafkaarten uit de Tweede Wereldoorlog van het Kadaster te Zwolle geraadpleegd. Deze zijn onder meer gebruikt om een beter inzicht te krijgen in de topografie van het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog. Verder is gebruik gemaakt van de ArcGIS-kaartlagen Historische Topografische Data 19351950, zoals beschikbaar gesteld door Esri Nederland. Deze kaartlagen zijn samengesteld uit stafkaarten uit de collectie van het kadaster. In de collectie van het Kadaster zijn ook zogenoemde Defence Overprints aanwezig (zie ook paragraaf 3.14). Van de omgeving van het onderzoeksgebied zijn bij het Kadaster echter geen Defence Overprints aanwezig.

21S105-VO-02

Pagina 26 van 168

3.21

Luchtfoto’s

Gedurende de Tweede Wereldoorlog voerden de Britse en Amerikaanse luchtmachten verkenningsvluchten boven Nederlands grondgebied uit waarbij luchtfoto’s werden gemaakt. Deze foto’s moesten de geallieerde strijdkrachten inlichtingen verschaffen over geschikte doelwitten voor luchtaanvallen, over de resultaten van eerder uitgevoerde luchtaanvallen, over Duitse militaire aanwezigheid, en over Duitse oorlogsproductie en overige economische activiteiten. Hoewel aan de mogelijkheden voor interpretatie van dergelijke luchtfoto’s diverse beperkingen kunnen kleven, vormen zij doorgaans een zeer belangrijke bron in het vooronderzoek. Idealiter is via deze foto’s vast te stellen wat exact de locaties zijn geweest die zijn getroffen door luchtaanvallen, en wat exact de locaties zijn geweest waar militaire objecten aanwezig zijn geweest (en waar dus een verhoogde kans geldt op het achterblijven van ontplofbare oorlogsresten). Selectie en dekking van luchtfoto’s Voor dit onderzoek zijn de volgende collecties met historische luchtfoto’s geraadpleegd: • Wageningen UR, Afdeling Speciale Collecties van de Universiteitsbibliotheek. Dit archief bevat circa 93.000 luchtverkenningfoto’s van Nederlands grondgebied in de oorlogsperiode, gemaakt door de RAF en United States Army Air Forces (USAAF) tijdens de Tweede Wereldoorlog. • Kadaster te Zwolle.

Dit archief bevat circa 110.000 luchtverkenningfoto’s van Nederlands grondgebied in de oorlogsperiode, gemaakt door de RAF en USAAF. Ook bevat het archief voor- en naoorlogse luchtfoto’s. • The National Collection of Aerial Photography te Edinburgh (NCAP). Dit archief bevat een zeer groot aantal luchtverkenningfoto’s van Nederlands grondgebied in de oorlogsperiode, gemaakt door de RAF en USAAF. Vermoedelijk betreft het op zijn minst het tienvoudige van het aantal luchtfoto’s dat zich bevindt in de Nederlandse luchtfotoarchieven. De luchtfotocollectie is in beheer van het instituut Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland. The National Collection of Aerial Photography bevat van oorsprong twee voor Nederlands grondgebied belangrijke luchtfotocollecties: ACIU (Allied Central Interpretation Unit) en JARIC (Joint Allied Reconnaissance Interpretation Centre). Gezien de enorme hoeveelheid luchtfoto’s van Nederlands grondgebied, en de verspreiding van deze foto’s over verschillende archieven, is het vinden van de meest geschikte luchtfoto’s voor een vooronderzoek vaak geen sinecure.

De geschiedenis van de diverse luchtfotocollecties is complex, onder meer als gevolg van de uitwisseling van luchtfotomateriaal onder de diverse takken van de verschillende geallieerde land-, lucht- en zeestrijdkrachten, maar ook als gevolg van het naoorlogs verplaatsen, dupliceren en vernietigen van (delen van) luchtfotocollecties. Hierdoor bevinden zich vaak kopieën van dezelfde foto’s in verschillende archieven– in Nederland, Engeland, Schotland, Canada en de VS. Van sommige foto’s bestaan wereldwijd tientallen kopieën van wisselende kwaliteit, terwijl van andere foto’s geen enkele kopie meer beschikbaar is. Saricon heeft zoeksleutels ontwikkeld op de luchtfotocollecties van de Wageningen UR en het Kadaster. Deze zijn gebaseerd op zowel originele zoeksleutels uit de oorlogsperiode (zogeheten sortieplots) als op zoeksleutels die na de Tweede Wereldoorlog zijn vervaardigd door de beheerders van de collecties. De Duitse firma Luftbilddatenbank, waarmee Saricon heeft samengewerkt voor het onderzoek in NCAP, heeft zoeksleutels ontwikkeld op de NCAP-collecties. De door Saricon en Luftbilddatenbank vervaardigde zoeksleutels zijn in verregaande mate volledig, maar garanties dat álle relevante luchtfoto’s van een bepaald gebied kunnen zijn gevonden, beoordeeld en gebruikt, kunnen niet worden gegeven.

De vindbaarheid van luchtfoto’s kan worden beïnvloed door onnauwkeurigheden in zoeksleutels die reeds in de oorlogsperiode en de daaropvolgende decennia zijn gemaakt. Daarnaast kunnen foto’s in het verleden zijn vernietigd of vermist zijn geraakt; maar ook kunnen verloren gewaande foto’s alsnog opduiken - zaken waarmee alle soorten archiefdocumenten nu eenmaal te maken hebben. Aan de hand van bovengenoemde zoeksleutels op de collecties luchtfoto’s van de Wageningen UR, Kadaster en NCAP, zijn luchtfoto’s verzameld. Bij de selectie is rekening gehouden met opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit en schaal van de foto’s. Voor elke luchtaanval die het onderzoeksgebied mogelijk heeft getroffen, zijn de best mogelijke luchtfoto’s verworven zoals mogelijk was via de bekende zoeksleutels. Echter, niet voor alle voor het onderzoek relevante gebeurtenissen konden voor interpretatie geschikte luchtfoto’s worden gevonden. Een totaaloverzicht van de geraadpleegde luchtfoto’s is opgenomen in de bronnenlijst in bijlage 2. De interpretatie van de luchtfoto’s is per thema beschreven in hoofdstuk 5. Mogelijkheden en beperkingen van luchtfoto-interpretatie Luchtfoto-interpretatie is een belangrijk aspect van het Vooronderzoek conflictperiode. Via luchtfoto-interpretatie probeert Saricon oorlogshandelingen te herleiden tot concrete locaties.

Via luchtfoto-interpretatie kunnen ook de locaties van

21S105-VO-02

Pagina 27 van 168

Duitse militaire objecten worden herleid. Daarmee krijgen de gebeurtenissen en militaire objecten een duidelijke geografische duiding, die eventueel kan dienen als basis voor het aanmerken en afbakenen van verdachte gebieden. Hieronder zal het een en ander worden uitgelegd over de mogelijkheden en beperkingen van luchtfoto-interpretatie, zowel in algemene zin als specifiek voor het onderzoeksgebied. Luchtfoto-interpretatie kan helpen bij de verificatie van een oorlogshandeling (zoals een bominslag) en bij het onomstotelijk vaststellen van de juiste locatie daarvan, zonder subjectieve component. Het is echter niet zo dat luchtfoto-interpretatie op dezelfde manier onomstotelijk kan aantonen dat op een bepaalde locatie géén oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Gedetoneerde granaten of bommen hoeven namelijk niet per se een op luchtfoto’s waarneembaar schadebeeld te veroorzaken. De mate van kratervorming (en dus de zichtbaarheid daarvan op luchtfoto’s) kan mede worden bepaald door de kalibers/gewichtsklasse van de granaat/bom, de gebruikte ontsteker, de grondsoort waarin het explosief is neergekomen, et cetera. Ook kan schade zijn hersteld vóór de datum van de luchtfoto-opname. Inslagen van blindgangers zijn daarnaast slechts zeer zelden waarneembaar op luchtfoto’s.

Voor stedelijke en industriële gebieden zijn de mogelijkheden beperkt om via luchtfoto-interpretatie inslaglocaties vast te kunnen stellen. Op verharde kades, wegen en straten zal van daadwerkelijke kratervorming namelijk minder vaak sprake zal zijn dan in weilanden en akkers. Voor woonwijken en fabrieken geldt dat een bom die door een dak valt en vervolgens ontploft, niet zozeer een op luchtfoto’s waarneembare krater veroorzaakt; maar eerder een verwoest pand – dat evengoed door twee of meer bommen verwoest kan zijn. Verder kunnen hoge objecten in stedelijke en industriële gebieden op luchtfoto’s zorgen voor sterke schaduwwerking die de waarneming van oorlogsschade kan bemoeilijken. Specifiek voor het onderzoeksgebied en de omgeving gelden de volgende hindernissen bij luchtfoto-interpretatie: • •

De hoeveelheid beschikbare luchtfoto’s met dekking van het onderzoeksgebied is beperkt te noemen. Met name in de eerste oorlogsjaren (1940-1941) zijn weinig luchtfoto’s beschikbaar.; In en rond het onderzoeksgebied waren bosrijke- en heidegebieden aanwezig. Daar zijn als gevolg van relief en vegetatie sporen van oorlogshandelingen doorgaans minder goed waarneembaar;

Luchtfoto-interpretatie dient voor een goede betrouwbaarheid multitemporeel plaats te vinden: met gebruik van foto’s van zowel vóór als van na een oorlogshandeling. Hoe meer verschillende series luchtfoto’s (hoe meer verschillende opnamedata), hoe betrouwbaarder de interpretatie. Luchtfoto-interpretatie wordt verder betrouwbaarder wanneer zij plaatsvindt met gebruikmaking van meldingen uit overige bronnen (idealiter lokale rapportages) waarin bijvoorbeeld de locaties van inslagen zijn beschreven. De multitemporele luchtfoto-interpretatie in GIS voor dit onderzoek is uitgevoerd door historisch onderzoeker T.M. Blok en GIS-specialist G.J. van Dam, beiden deskundig op het gebied van luchtfotointerpretatie. In alle gevallen waarbij zij twijfelden over een waarneming hebben zij onderling overlegd. Bij het interpreteren van de luchtfoto’s is chronologisch gewerkt zodat geen verwarring kan ontstaan wat de oorzaak van een bepaalde schade is. Tijdens bovenstaand proces is door elk van de deskundigen die de luchtfoto’s hebben geïnterpreteerd een classificatie gegeven aan de in GIS ingetekende objecten. Op deze manier kan men zich een beeld vormen van de betrouwbaarheid van de waarnemingen. Er is onderscheid gemaakt tussen de niveaus van betrouwbaarheid ‘waarschijnlijk’ en ‘mogelijk’.

Bij gebruik van ‘waarschijnlijk’ is Saricon overwegend zeker van de classificatie van een object op de luchtfoto; bij gebruik van ‘mogelijk’ is Saricon daarvan overwegend onzeker. Het intekenen van relevante indicaties gebeurde altijd via de best gepositioneerde luchtfoto’s. Tolerantie Bij het aanmerken van verdachte gebieden op basis van objecten en gebeurtenissen die zijn waargenomen op luchtfoto’s en kaartmateriaal en zijn ingetekend in GIS, is, conform het CS-VROO, een extra buffer aan het verdachte gebied toegevoegd. Deze moet de afwijking compenseren die ontstaat bij het positioneren van luchtfoto’s en kaartmateriaal in GIS. Zelfs bij zeer nauwgezet werk in het positioneren kan een afwijking ontstaan ten opzichte van de werkelijke situatie. Dit kan meerdere oorzaken hebben. De belangrijkste zijn: (perspectief)vervormingen die zijn ontstaan tijdens het maken van de opname en vervormingen die zijn ontstaan vanwege de veroudering van analoog fotomateriaal. Voorts te weinig overeenkomst tussen de huidige topografie ten opzichte van de situatie in de Tweede Wereldoorlog. Hierdoor kunnen niet genoeg referentiepunten gebruikt worden bij het positioneren van een luchtfoto en is het niet mogelijk een correcte transformatie van de foto toe te passen. Afwijkingen kunnen ook ontstaan bij het intekenen van gebeurtenissen in GIS aan de hand van kaartmateriaal uit de oorlogsperiode.

Deze kaarten kunnen minder nauwkeurig zijn dan de kaarten die heden worden gebruikt.

21S105-VO-02

Pagina 28 van 168

Omdat de afwijking niet exact te kwantificeren is, maakt Saricon een inschatting van de nauwkeurigheid in een aantal categorieën. Dit resulteert in een extra veiligheidsbuffer bij het aanmerken van verdachte gebieden, zogenoemde tolerantie. Deze moet waarborgen dat de locaties van waarnemingen op kaart- en fotomateriaal overeenkomen met de locatie die in de huidige situatie wordt aangemerkt. Saricon beschouwt 5 meter als de minimale tolerantiegraad voor bronnenmateriaal uit de oorlogsperiode, aangezien ook bij een optimale positionering de resolutie van het gepositioneerde materiaal een precisie van enkele centimeters – zoals met hedendaags materiaal gebruikelijk is – onmogelijk maakt. In dit onderzoek is bij het afbakenen van verdachte gebieden een tolerantiegraad aangehouden van 5 meter. Naoorlogse luchtfoto’s Voor naoorlogse luchtfoto’s is gebruik gemaakt van ‘World Imagery Map’, beschikbaar gesteld door Esri Nederland. Dit bestand bevat recente luchttoto’s van hoge kwaliteit. Van deze luchtfoto’s is gebruik gemaakt om te bezien of er na de oorlog grote veranderingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Aangezien een onderzoek naar naoorlogse werkzaamheden in principe deel uitmaakt van een Vooronderzoek na-conflictperiode, heeft dit onderzoek vooral een oriënterend karakter.

21S105-VO-02

Pagina 29 van 168

4 Toelichting beoordeling bronnenmateriaal 4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een uitleg gegeven over de algemene uitgangspunten en onderzoeksmethoden die ten grondslag liggen aan een vooronderzoek van Saricon.

4.2

Methoden bij het aanmerken en afbakenen van verdachte gebieden

Bij het beoordelen van de indicaties is gebruikgemaakt van de volgende richtlijnen en methoden (zie ook paragraaf 2.6): •

•

• •

De richtlijnen afkomstig uit het document Nadere bepalingen voor het beoordelen van bronnenmateriaal en afbakening van verdacht gebied bij het Certificatie Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten gepubliceerd door de Stichting VOMES d.d. 8 februari 2021 Versie 21-01. Het document Richtlijn voor het opstellen van een deel-Risico-Inventarisatie & Evaluatie ontplofbare oorlogsresten SIVOON, versie 1.04, 18 februari 2021). In dit document zijn per soort oorlogshandeling/indicatie onderzoeksvragen en uitgangspunten opgesteld. Deze onderzoeksvragen en uitgangspunten worden door Saricon in dit vooronderzoek toegepast als dit een toegevoegde waarde heeft. Het Normenboek van Saricon; Afbakeningsmethoden die Saricon zelf in de loop van jaren heeft ontwikkeld; met name op het gebied van luchtaanvallen.

Behalve van de bovenstaande – min of meer vastomlijnde – methoden heeft Saricon bij alle afwegingen gebruikgemaakt van logisch redeneren en expertinschattingen. Gebruik van dergelijke inschattingen (die onmogelijk in methodiek zijn te vatten) kan onvermijdelijk zijn in gevallen waarbij ook het best denkbare bronnenonderzoek niet de gehoopte antwoorden heeft opgeleverd. Hier stellen wij ons dan de vraag: is op basis van de bekende gegevens überhaupt te komen tot een horizontale afbakening van het verdacht gebied, zonder dat dit buitenproportioneel grote verdachte gebieden oplevert? 13

4.3

Leemten in kennis

In het Vooronderzoek conflictperiode is het gebruikelijk de leemten in kennis te beschrijven waarmee de onderzoekers te maken hebben gehad. Deze leemten in kennis kunnen een hindernis zijn in het proces van aanmerken en afbakenen van verdachte gebieden. Zij hebben doorgaans te maken met het ontbreken van historisch bronnenmateriaal, tegenstrijdigheden in het bronnenmateriaal, beperkingen aan de mogelijkheden van luchtfoto-interpretatie en het niet achterhalen van concrete locaties van gebeurtenissen of objecten. Het is niet doelmatig geacht om in deze paragraaf alle leemten in kennis specifiek per oorlogshandeling te benoemen, omdat dit al is gebeurd in de analyses per oorlogshandeling in hoofdstuk 5. Hieronder zijn een aantal leemten in kennis genoemd die in algemene zin belangrijk en vermeldenswaardig zijn: • Informatie over munitieruimingen in de periode 1940-1970 is veelal niet bewaard gebleven, niet gearchiveerd dan wel niet centraal gedocumenteerd, waardoor het binnen de scope van dit vooronderzoek niet mogelijk is hiervan een overzicht samen te stellen waarvan kan worden beweerd dat dit (min of meer) volledig is; • Voor de jaren 1940-1942 is er beperkte beschikbaarheid aan kwalitatief goede luchtfotoseries. • Tijdens de Duitse bezetting golden verschillende delen van het onderzoeksgebied en de directe omgeving als zogenoemd Sperrgebiet of ‘kriegswichtige’ objecten.

In deze gebieden was de toegang voor burgers en

13

In feite vallen we bij zulke denkprocessen terug op de gangbare werkwijzen tot ongeveer de eeuwwisseling, vóór de periode dat historisch onderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten door gespecialiseerde bedrijven werd uitgevoerd. In die oude situatie was een locatie in principe pas ‘verdacht’ in het geval dat er een ‘harde melding’ bekend was van de aanwezigheid van een blindganger op een concrete locatie. Zo’n harde melding kon bijvoorbeeld zijn: een situatietekening uit een technisch archief waarop een vermoedelijk onontplofte bom is aangegeven, of een betrouwbare melding van een getuige die een concrete locatie van een blindganger wist aan te wijzen.

21S105-VO-02

Pagina 30 van 168

•

•

autoriteiten verboden of beperkt. Dit betekent dat er een verhoogde kans is dat informatie met relevantie voor de mogelijke aanwezigheid van munitie (zoals informatie over de inslaglocaties van vliegtuigbommen bij luchtaanvallen) destijds niet is gedocumenteerd door Nederlandse autoriteiten; en bijgevolg een verlaagde kans dat hierover nog informatie is te vinden in de gangbare bronnen. Een deel van de in het bronnenmateriaal aangetroffen beschrijvingen van locaties van mogelijk relevante oorlogshandelingen en/of munitievondsten is niet herleid tot locaties in de huidige topografie. Zo is de aanduiding van adressen in delen van het onderzoeksgebied sinds de Tweede Wereldoorlog gewijzigd ten opzichte van de huidige straatnamen en huisnummering. Ook werd bij sommige gebeurtenissen geen concrete locatie genoemd. Enkele mogelijk relevante gebeurtenissen zijn daardoor niet herleid tot een concrete locatie; Niet alle boven Nederland uitgevoerde bomafworpen zijn van geallieerde zijde even nauwkeurig geregistreerd. Met name ‘willekeurige’ afworpen (jettisons) als gevolg van het in nood geraken van bommenwerpers zijn hierdoor moeilijker onderzoekbaar.14

4.4

Gebeurtenissen die niet zijn beoordeeld

In deze paragraaf worden nog een aantal relevante onderzoekskeuzes benoemd die kunnen helpen om de conclusies begrijpelijk te maken voor gebruikers van het onderzoek. •

•

•

•

•

Dit vooronderzoek heeft zich gericht op inventarisatie en analyse van bronnen over oorlogshandelingen in de periode mei 1940 – mei 1945 en vondsten en ruimingen van munitie tijdens en na de oorlog. Er is geen onderzoek gedaan naar gebeurtenissen vóór of ná de Tweede Wereldoorlog in Nederland die kunnen hebben geleid tot het achterblijven van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied; Luchtaanvallen die in het kader van dit onderzoek in principe niet uitputtend zijn onderzocht, zijn luchtaanvallen waarvan op enig moment duidelijk werd dat enkel kleinere (4 lb.) brandbommen zijn afgeworpen. De locaties van inslagen van brandbommen zijn in de regel niet via luchtfoto-interpretatie herleidbaar. De brandbommen werden gewoonlijk in clustervorm afgeworpen uit ‘small bomb containers’ die elk 40 tot 150 brandbommen bevatten. Het spreidingspatroon van deze bommen was normaliter veel groter dan dat van brisantbommen. Naar inzien van Saricon kunnen uit via archiefbronnen bekende gegevens over de plaatsen van inslag van brandbommen geen conclusies worden getrokken aangaande de locaties van eventuele niet-ontbrande brandbommen die zijn afgeworpen uit dezelfde container.

Door de beperkingen in het bronnenmateriaal is op basis van meldingen over dergelijke afworpen over het algemeen niet te komen tot een zinnige afbakening van verdachte gebieden; Luchtaanvallen die in het kader van dit onderzoek in principe niet uitputtend zijn onderzocht, zijn luchtaanvallen waarvan op enig moment duidelijk werd dat het ging om boordwapenbeschietingen, dus zonder inzet van afwerpmunitie of raketten. De duur van het gebruik, de gebruikte hoeveelheid munitie en de spreiding daarvan zijn niet vast te stellen. Door de beperkingen in het bronnenmateriaal is daarom op basis van meldingen over boordwapenbeschietingen over het algemeen niet te komen tot een beredeneerde afbakening van verdachte gebieden. In en rond het onderzoeksgebied waren tijdens de bezettingsperiode Duitse luchtafweerstellingen aanwezig, die talloze malen vuur zullen hebben afgegeven. Hiernaar is geen onderzoek gedaan. Inslagen van blindgangers van luchtafweergeschut in de bodem hebben namelijk een ‘lukraak’ karakter. Op basis van dergelijke meldingen is niets te zeggen over de waarschijnlijkheid van grotere hoeveelheden blindgangers in de omgeving.

Zij zijn daarom niet meegenomen bij het beoordelen van het bronnenmateriaal; In het kader van dit vooronderzoek is geen onderzoek gedaan naar naoorlogs grondverzet, inbrengen van funderingen, baggerwerk en dergelijke als contra-indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Dit betekent dat de bodembelastingkaart moet worden gezien als een ‘startpunt’ voor nader onderzoek naar dergelijke naoorlogse werkzaamheden, in de vorm van een ‘Vooronderzoek na-conflictperiode’.

14

Een noodsituatie kon zich voordoen wanneer een bommenwerper werd opgejaagd door een vijandelijk jachtvliegtuig, omdat het was aangeschoten door luchtafweer, of door allerlei technische problemen. Ook kon het gebeuren dat als gevolg van een mechanische storing (een deel van) de bommenlading boven het doelwit niet uit het bommenruim was losgekomen (een zogenoemde hang-up). In alle gevallen werd bij zo’n ‘willekeurige’ afworp door geallieerde bommenwerpers gesproken van een ‘jettison’ (werkwoord: to jettison). Een jettison kon echter ook als oorzaak hebben dat er eerder geen geschikte doelwitten waren gevonden en men de bommen kwijt wilde alvorens de terugtocht naar de vliegbasis te aanvaarden. Wanneer het toestel niet terugkeerde op de basis, konden de noodafworpen uiteraard niet in logboeken worden geregistreerd. En wanneer het toestel wel terugkeerde, was de plaats van de afworp voor de bemanning vaak niet geheel duidelijk geweest.

21S105-VO-02

Pagina 31 van 168

5 Beoordeling gebeurtenissen 5.1

Inleiding het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog

Saricon heeft een goed beeld gekregen van het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog. Dit beeld is gevormd door het onderzoek beschreven in hoofdstuk 3 en daarnaast via het raadplegen van historisch kaartmateriaal. Daaronder zijn de uitgebreide collectie Duitse en geallieerde stafkaarten uit de Tweede Wereldoorlog van het Kadaster te Zwolle en de ArcGIS-kaartlagen Historische Topografische Data 1935-1950, zoals beschikbaar gesteld door Esri Nederland. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog bestond een relatief groot deel van het onderzoeksgebied uit verstedelijkt gebied. Buiten de bebouwde kom was het onderzoeksgebied slechts spaarzaam bewoond. De voornaamste objecten van strategische betekenis waren het Vliegveld Hilversum, dat overigens maar beperkt in gebruik is geweest, en de spoorlijn. Beide objecten zijn slechts sporadisch doelwit geweest van luchtaanvallen. In de meidagen van 1940 zijn militaire eenheden door het onderzoeksgebied getrokken, maar gevechten vonden daarbij niet plaats. In de bezettingsjaren werd het onderzoeksgebied getroffen door (kleinschalige) luchtaanvallen, vaak zonder aanwijsbaar doelwit. Ook vonden enkele vliegtuigcrashes plaats. Wel werd veelvuldig melding gemaakt van het inslaan van granaten van het bij Soesterberg opgestelde luchtafweergeschut. Delen van het onderzoeksgebied waren in gebruik als militair terrein.

Daarbij ging het zowel om legerings- en oefenterreinen als om stafkwartieren. Britse luchtaanvallen op deze hoofdkwartieren op 29 december 1944 en 20 maart 1945 behoren, samen met de luchtaanval op de Nieuwe Haven van 11 april 1945, tot de zwaarste oorlogshandelingen die Hilversum troffen. Saricon heeft op basis van de in hoofdstuk 3 beschreven bronnen een overzicht van oorlogshandelingen opgesteld met mogelijke relevantie voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Dit overzicht volgt hieronder. De informatie is veelal weergegeven in tabellen. De linkerkolom van de tabellen bevat de bronvermelding; de rechterkolom bevat de in de bron aangetroffen informatie. Tenzij de tekst tussen vierkante haken staat, gaat het om een letterlijke weergave van de bronteksten.

5.2

Grondgevechten en Artilleriebeschietingen

5.2.1

Inleiding

Onder grondgevechten worden oorlogshandelingen verstaan die door grondtroepen, zoals bijvoorbeeld infanterie, cavalerie of artillerie zijn geleverd. Bij grondgevechten bestreden tegenstanders elkaar op relatief korte afstand met bijvoorbeeld handvuurwapens, mitrailleurs, hand- en geweergranaten, granaatwerpers et cetera. Tevens kon sprake zijn van de inzet van bijvoorbeeld pantserwagens, tanks en kleinere kalibers mortieren. Onder een artilleriebeschieting valt de inzet van grondgebonden geschut, mortieren, grondgebonden (meervoudige) raketwerpsystemen of scheepsgeschut. Bij een artilleriebeschieting werden veelal grote hoeveelheden granaten, raketten en/of mortiergranaten afgevuurd. Als gevolg van dergelijke beschietingen kunnen ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven. Als vuistregel geldt dat ca. 10% van alle verschoten munitie niet naar behoren functioneerde en als blindganger is achtergebleven.

5.2.2

Meidagen 1940

Aan de vooravond van de oorlog, lag de gemeente Hilversum ingeklemd tussen twee stellingen die door het Nederlandse leger waren voorbereid (zie figuur 8). Ongeveer 6 kilometer ten oosten van Hilversum lag langs de Eem de Valleistelling, onderdeel van de Grebbelinie. Dit was een ‘waterlinie’, die tegen een vijandelijke aanval beschermd werd door inundaties: Door het land voor de stelling onder een ondiepe laag water te zetten zou dit ontoegankelijk worden voor vijandelijke infanteristen. Hoewel deze Grebbelinie in de vooroorlogse jaren verwaarloosd was, besloot de Nederlandse legerleiding enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog dat de verdediging tegen een eventuele Duitse aanval hier gevoerd zou moeten worden. Bij het uitbreken van de oorlog was deze stelling dan ook permanent bezet door Nederlandse troepen. In de omgeving van Hilversum ging het om eenheden van het Nederlandse IVe Legerkorps.

21S105-VO-02

Pagina 32 van 168

Ten westen van Hilversum lag de voormalige Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze vormde het oostfront van de Vesting Holland, het gebied dat volgens de Nederlandse defensieplannen bij een inval het langst verdedigd zou moeten worden. Deze stelling werd op 10 mei 1940 slechts bezet door enige bewakingstroepen. Pas bij een doorbraak van de Grebbelinie zou het oostfront Vesting Holland door terugtrekkende troepen bezet worden. In het onderzoeksgebied zelf lagen op 10 mei 1940 nagenoeg geen Nederlandse troepen. Op het Vliegveld Hilversum en het zenderpark lagen bewakingsdetachementen. Verder waren er op verschillende locaties in de gemeente transport eenheden (IV Autobataljon), verzorgingseenheden en een medische eenheid aanwezig. Geen van deze troepen had gevechtstaken.

Figuur 8. Ligging van Hilversum ten opzichte van de Nederlandse stellingen in de meidagen van 1940 (Bron: Nierstrasz, De Strijd op Nederlands grondgebied, Deel III onderdeel 3: De operatiën van het Veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland (Den Haag 1955) Schets/kaart A1 ‘De uitgangstoestand van het Veldleger 9/10 mei 1940’

Bij de Duitse inval, op 10 mei 1940, bleef het in het onderzoeksgebied relatief rustig. Duitse vliegtuigen voerden een beschieting uit op het Vliegveld Hilversum (zie daarvoor paragraaf 5.3.4.) en de drie in het Corversbosch gelegerde compagnieën van het IVe Autobataljon voerden in het aan het IVe Legerkorps toegewezen gebied transportopdrachten uit.15 Al snel bleek dat het zwaartepunt van de Duitse aanval aan de zuidzijde van de Grebbelinie, bij Rhenen, zou komen te liggen. Na hevige gevecht wisten de Duitsers de Grebbelinie daar te doorbreken. Nadat Nederlandse tegenaanvallen niet succesvol bleken, gaf de legerleiding in de avond van 13 mei 1940 opdracht om terug te vallen op het oostfront van de Vesting Holland. Nederlandse eenheden die in de Valleistelling waren gelegerd, trokken daarna via Hilversum richting het westen (zie onderstaande figuur). Over deze terugtocht is uit de beschikbare bronnen weinig bekend, maar er zijn geen aanwijzingen dat daarbij binnen het onderzoeksgebied op grote schaal munitie en uitrustingsstukken zijn achtergelaten.

15

NIMH, collectie 409, inv 499069: ‘Verslag van de commandant van de 2e Compagnie van het IVe autobataljon’, 13 juni 1940

21S105-VO-02

Pagina 33 van 168

Na het bombardement op Rotterdam, op 14 mei 1940, capituleerde het Nederlandse leger. Daarmee kwam er een einde aan de strijd voordat Duitse troepen het onderzoeksgebied hadden bereikt. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat zich binnen het onderzoeksgebied grondgevechten of artilleriebeschietingen hebben voorgedaan

Figuur 9. Nederlandse troepen trokken vanaf de avond van 13 mei 1940 door het onderzoeksgebied richting het oostfront van de Vesting Holland. (Bron: Nierstrasz, De Strijd op Nederlands grondgebied, Deel III onderdeel 3, Schets/Kaart D4: ‘Globaal overzicht van de terugtocht van II en IV Legerkorps op het Oostfront Vesting Holland 13/14 mei 1940.’

5.2.3

Bevrijding 1944-1945

De gemeente Hilversum werd bevrijd als gevolg van de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland. De eerste geallieerde troepen bereiken de stad pas later, op 7 mei 1945. Het onderzoeksgebied is daarmee in de bevrijdingsperiode buiten frontlinies gebleven. Er zijn geen aanwijzingen dat zich binnen het onderzoeksgebied grondgevechten of artilleriebeschietingen hebben voorgedaan. Deze indicaties zijn dan ook niet relevant voor het onderzoeksgebied.

21S105-VO-02

Pagina 34 van 168

5.3

Luchtaanvallen

5.3.1

Inleiding

In en rond het onderzoeksgebied hebben in de periode 1940-1945 meerdere luchtaanvallen plaatsgevonden. In de eerste oorlogsjaren betrof het vooral meldingen van bommen die het onderzoeksgebied troffen, zonder dat het beoogde doelwit in Hilversum lag. In 1944 en 1945 zijn wel doelbewust aanvallen uitgevoerd binnen het onderzoeksgebied, waaronder bijvoorbeeld op spoorinfrastructuur, Duitse hoofdkwartieren en munitieschepen.

5.3.2

Procesbeschrijving beoordeling luchtaanvallen

Saricon heeft een overzicht van voor het onderzoeksgebied relevante luchtaanvallen tijdens de bezettingsjaren opgesteld, waarbij gebruik is gemaakt van alle in hoofdstuk 3 en bijlage 2 genoemde bronnen. NB. Voor aanvallen met boordwapens worden geen verdachte gebieden aangemerkt (zie paragraaf 4.4.) De relevante informatie is in dit hoofdstuk per luchtaanval in tabelvorm weergegeven. De analyse van deze gebeurtenissen, en de eventueel daarbij aangemerkte verdachte gebieden, zijn eveneens in een tabel weergegeven. Hieronder volgt een toelichting bij elk van de vakken in deze tabellen. Datum Gebeurtenis-ID

Omschrijving Doelwit

Bommenlading per toestel

Totale afgeworpen bommenlast Detailgegevens ontstekers

Afwerphoogte Voornaamste getroffen locaties

Luchtfoto-interpretatie Meldingen blindgangers

21S105-VO-02

Hier is de datum genoteerd waarop de luchtaanval plaatsvond, zoals herleid uit het geraadpleegde bronnenmateriaal. Uniek kenmerk dat Saricon aan elke luchtaanval of afzonderlijke bomafworp heeft toegekend als identificatiehulpmiddel. Voor een goede analyse is steeds getracht om een op de grond gemelde bomafworp te koppelen aan de bekende gegevens betreffende aantal en type bom zoals gedocumenteerd door de uitvoerende luchtmacht. In de naam van de gebeurtenis-ID is de datum van de luchtaanval verwerkt alsmede een ‘volgletter’ A t/m Z. Op één datum kan dus sprake zijn van meerdere gebeurtenis-ID’s, waarbij opvolgende volgletters zijn gebruikt. Korte omschrijving van de gebeurtenis, waarin meestal de eenheid die de aanval uitvoerde, het toesteltype en het doelwit of de getroffen locatie worden genoemd. Het doelwit van de aanval. (Dit hoeft niet de daadwerkelijk getroffen locatie te zijn.) Het hier genoteerde doelwit is normaliter naar opgave van de uitvoerende luchtmacht. In enkele gevallen was geen officiële opgave bekend, in welke gevallen ‘onbekend’ (of woorden van soortgelijke strekking) is ingevuld, of het doelwit uit de context is herleid. De bommenlading die elk afzonderlijk toestel dat aan de luchtaanval deelnam meevoerde. De hier genoteerde bommenlading is afgeleid uit primaire brongegevens van de uitvoerende luchtmacht in de tabel ‘inventarisatie bronnenmateriaal’.

Het totale aantal bommen dat vermoedelijk bij deze gebeurtenis-ID is afgeworpen. Hier zijn, indien bekend, de detailgegevens genoteerd over de ontstekingsinrichtingen op de hierboven genoemde bommen, zoals bekend uit het geraadpleegde bronnenmateriaal. Hier zijn indien bekend de hoogte vanaf welke de bomafworp plaatsvond en de vliegrichting aangegeven. Hier is per gebeurtenis-ID aangegeven welke locaties in en rond het onderzoeksgebied zijn getroffen. Dit is in principe zoals dit is aangegeven in lokale meldingen, meestal van politie, luchtbeschermingsdienst of Duitse politie of militaire eenheden. De resultaten van de luchtfoto-interpretatie zijn hier normaalgesproken nog niet bij opgenomen. Wanneer uit het bronnenmateriaal getroffen locaties bekend zijn die verder niet daadwerkelijk relevant zijn bevonden voor het onderzoeksgebied, zijn deze hier genoteerd onder ‘Geen gebeurtenis-ID toegekend’. Hier zijn per gebeurtenis-ID de resultaten van de luchtfoto-interpretatie genoteerd. Hier is het aangegeven indien er destijds concrete meldingen zijn gedaan van de aanwezigheid van blindgangers, en is de locatie vermeld die daarbij is opgegeven.

Pagina 35 van 168

Verdere relevante conclusies Verdacht gebied

5.3.3

In dit vak is alle overige informatie genoteerd die mogelijk relevant kon zijn bij het vaststellen van conclusies en advies. In dit vak is per gebeurtenis-ID aangegeven of er een verdacht gebied is aangemerkt. Hierbij is een argumentatie toegevoegd en is het kenmerk van het verdacht gebied genoemd.

Afbakeningsmethoden

Algemeen: tolerantie en offset Bij het aanmerken van verdachte gebieden op basis van objecten en gebeurtenissen die zijn waargenomen op luchtfoto’s en kaartmateriaal en zijn ingetekend in GIS, is, conform het CS-VROO, een extra buffer aan het verdachte gebied toegevoegd. Dit wordt tolerantie genoemd. In dit onderzoek is in alle gevallen een tolerantie van 5 meter aangehouden. Behalve met tolerantie, dient tijdens een vooronderzoek bij het horizontaal afbakenen van op mogelijke aanwezigheid van afwerpmunitie verdachte gebieden rekening te worden gehouden met de horizontale ondergrondse verplaatsing van een vliegtuigbom direct na inslag. Voor deze horizontale ondergrondse verplaatsing (offset) zijn binnen de branche geen vaste richtlijnen opgesteld. In rapportages komt men afstanden tegen tot wel 25 meter, zonder onderbouwing van de gestelde afstand. Saricon hanteerde tot 2014 een maximale horizontale ondergrondse verplaatsing van 15 meter. In 2014 heeft Saricon documentenstudie uitgevoerd naar deze offset om zo tot een gestandaardiseerde afstandstabel te komen (deze studie is op te vragen bij Saricon). De beschikbare documenten geven aan dat er verschil bestaat tussen offset van een bomaanval van lage hoogte t.o.v. een aanval van grote hoogte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=db22f6b8-a340-47f8-8b08-68cb3434fb21