Bijlage 1: Bestemmingsplan (ontwerp)
Tekst van het document
bestemmingsplan
Heuvellaan 50
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0402.04bp14heuvellaan50-on01
Datum:
04-08-2022
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR180107
Opdrachtgever:
Villa Heuvel BV
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Toelichting
Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................................................ 5 1.3 Functie van het bestemmingsplan ................................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 6
hoofdstuk 2 Begrenzing plangebied en vigerende bestemmingsplan .................................................... 7 2.1 Begrenzing plangebied ...................................................................................................................................... 7 2.2 Vigerende bestemmingsplan ............................................................................................................................ 8
hoofdstuk 3 Karakteristieken plangebied............................................................................................... 10 3.1 Ruimtelijke structuur .......................................................................................................................................10 3.2 Wonen, werken en voorzieningen ...................................................................................................................12 3.3 Verkeer .............................................................................................................................................................13 3.4 Duurzaamheid en leefbaarheid ......................................................................................................................13 3.5 Cultuurhistorische waarden ............................................................................................................................15 3.6 Bodem en watersysteem.................................................................................................................................19 3.7 Kabels en leidingen .........................................................................................................................................20 3.8
Veiligheid..........................................................................................................................................................20
hoofdstuk 4 Relevante beleidskader ...................................................................................................... 21 4.1 Rijk ...................................................................................................................................................................21 4.2 Provincie en waterschap .................................................................................................................................23 4.3 Regio ................................................................................................................................................................26 4.4 Gemeente ........................................................................................................................................................28
hoofdstuk 5 Ruimtelijk plan ..................................................................................................................... 34 5.1 Ruimtelijke structuur .......................................................................................................................................34 5.2 Wonen, werken en voorzieningen ...................................................................................................................36 5.3 Verkeer .............................................................................................................................................................37 5.4 Groen, blauw en natuur...................................................................................................................................38 5.5 Duurzaamheid en leefbaarheid ......................................................................................................................40 5.6 Cultuurhistorische waarden ............................................................................................................................43 5.7 Bodem en watersysteem.................................................................................................................................44 5.8
Veiligheid..........................................................................................................................................................46
hoofdstuk 6 Implementatie...................................................................................................................... 47 6.1 Planmethodiek.................................................................................................................................................47 6.2 Bestemmingsregeling......................................................................................................................................47 6.3 Handhaving ......................................................................................................................................................51 6.4 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................52 6.5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................52
3
4
hoofdstuk 1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de aanleiding, doelstelling en functie van het bestemmingsplan opgenomen. In dit hoofdstuk staat ook de leeswijzer.
1.1 Aanleiding Het voormalige VARA-terrein in Hilversum wordt herontwikkeld. Het bestaande omvangrijke kantoorgebouw is in massa niet passend en moeilijk verhuurbaar. Daarom is gekozen voor een herontwikkeling van de locatie. Hierbij wordt de bestaande bebouwing gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een combinatie tussen wonen en werken mogelijk gemaakt in het plangebied. De gemeente wil de kwaliteit van dit perceel en daarmee van de Heuvellaan als geheel verbeteren. De locatie is momenteel een werklocatie. Maar de gemeente ziet dat een dergelijk groot kantoor als in de huidige situatie aanwezig is, niet goed past, moeilijk is om ‘vol’ te krijgen. Om die reden is ervoor gekozen om, naast kantoren, ook woningen toe te staan. De nieuwe kantoren zullen kleinschalig van aard zijn, waardoor deze zich beter voegen in de omgeving. De invulling van de locatie met een menging van wonen en werken, sluit goed aan bij de functiemenging in het gehele noordwestelijk villagebied. Hierbij wordt uitgegaan van een verdeling van ongeveer 50% wonen en 50% werken, zodat de werkgelegenheid in Hilversum voldoende blijft geborgd. Met het initiatief worden woningen in het middeldure segment en in de vrije sector gerealiseerd. In vorm en korrel is aansluiting gezocht bij het omliggende gebied. Hiermee ontstaat er een meer passende invulling van het plangebied.
Het geldende bestemmingsplan 'Noordwestelijk Villagebied', vastgesteld door de gemeenteraad op 4 mei 2010, staat wonen binnen het plangebied niet toe. Onder het huidige bestemmingsplan is enkel een kantoorfunctie toegestaan. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig, waarin een bestemmingswijziging naar wonen en een verruiming van de kantoorfunctie naar kantoren, bedrijvigheid en dienstverlening worden doorgevoerd om de nieuwe woningen en andere functies mogelijk te maken. Naast de functie is het ook nodig de bouwmogelijkheden te wijzigen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Doelstelling Het doel van het bestemmingsplan is het tot stand brengen van een planologische regeling die voorwaarden schept voor de gewenste ruimtelijke (her)ontwikkeling van het plangebied. Het bestemmingsplan is een toetsingskader voor de nog aan te vragen omgevingsvergunningen. Het bestemmingsplan maakt de gewenste ontwikkelingen mogelijk (zie hoofdstuk 5).
1.3 Functie van het bestemmingsplan Het bestemmingsplan 'Heuvellaan 50' regelt het gebruik en de bouwmogelijkheden van de gronden voor het betreffende gebied. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (kaart), regels en een toelichting. De verbeelding en de daarop aangewezen bestemmingen en regels vormen tezamen het juridische plan. De plantoelichting heeft geen rechtskracht. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De regels geven per bestemming de gebruiks- en bouwmogelijkheden aan. In de toelichting worden de achtergronden en beweegredenen aangegeven die hebben geleid tot de bestemmingen en geeft een uitleg over hoe de regels en de verbeelding moeten worden gelezen.
5
Het bestemmingsplan wordt met de daarbij behorende toelichting langs elektronische weg vastgelegd. Een volledige papieren versie van het bestemmingsplan wordt ook gemaakt. Indien de inhoud van het langs elektronische weg vastgelegde bestemmingsplan na vaststelling en die van de papieren versie daarvan tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, is de eerstbedoelde inhoud beslissend.
1.4 Leeswijzer De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. In het inleidende hoofdstuk is al ingegaan op de aanleiding, doelstelling en functie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven waar het plangebied ligt en wat de exacte plangrenzen zijn. In hoofdstuk 2 wordt ook aangegeven welke bestemmingsplan nu voor het plangebied geldt en met de vaststelling van dit bestemmingsplan komt te vervallen. De hoofdstukken 3-5 vormen de kern van de toelichting. In hoofdstuk 3 worden de karakteristieken van het gebied beschreven. Dit is een beschrijving van de bestaande situatie. Relevante beleidskaders van Rijk, provincie/regio/waterschap en gemeente staan centraal in hoofdstuk 4. De voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen en bijbehorende facetten worden behandeld in hoofdstuk 5. Per planaspect wordt hierbij gemotiveerd aangegeven wat er komt. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de bestemmingsregeling, de (economische) uitvoerbaarheid, de inspraak en het ambtelijk overleg, en op de externe communicatie. Deze paragraaf vormt de relatie tussen het juridische plan en de toelichting. De voor het bestemmingsplan verrichte onderzoeken en ook de 'watertoets' zijn als bijlage opgenomen.
6
hoofdstuk 2 Begrenzing plangebied en vigerende bestemmingsplan 2.1 Begrenzing plangebied Het plangebied van het beoogde initiatief bevindt zich op het voormalig VARA-terrein aan de Heuvellaan 50 te Hilversum. Het plangebied is onderdeel van het 'Stedelijk Villagebied' en ligt ten zuiden van Nimrodpark en Trompenberg. Het omliggende gebied wordt gekenmerkt door een bosrijke omgeving met veelal villawoningen op ruime percelen. Ten zuiden van het plangebied, aan de Heuvellaan 33, is het 'Muziekcentrum van de Omroep' gesitueerd. Het plangebied betreft het kadastrale perceel bekend onder de gemeente Hilversum, sectie Q, perceel 1334 en heeft een oppervlakte van 11.456 m². De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
7
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
2.2 Vigerende bestemmingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Noordwestelijk Villagebied', vastgesteld op 4 mei 2010 door de gemeente Hilversum. De gronden zijn in het geldende bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Kantoordoeleinden'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Beschermd stadsgezicht'. De voor 'Kantoordoeleinden' aangewezen gronden zijn bestemd voor kantoren en de daarbij behorende tuinen en erven. Voor het westelijke gedeelte van het huidige gebouw geldt een goothoogte van 16 m en voor het oostelijke gedeelte een goothoogte van 12 m. De gronden met de dubbelbestemming 'Beschermd stadsgezicht' zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht, de landschappelijke waarden en het groene karakter van villa's in het groen. Op navolgende afbeelding staat een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven:
8
Uitsnede bestemmingsplan 'Noordwestelijk Villagebied', rood omkaderd
Het ontwikkelen van woningbouw en het verbreden van bedrijvigheid (anders dan kantoren) is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Noordwestelijk Villagebied'. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
9
hoofdstuk 3 Karakteristieken plangebied In dit hoofdstuk komt de huidige situatie aan de orde. Onder andere wordt aandacht besteed aan de wegenstructuur (verschillende typen en/of categorieën wegen), groen- en waterstructuur en bebouwingsstructuren.
3.1 Ruimtelijke structuur 3.1.1 Historie Het plangebied bevindt zich in het Noordwestelijk Villagebied te Hilversum. De ontwikkeling van het Noordwestelijk Villagebied is rond 1875 begonnen. Het gebied is ontstaan door de aanleg van verschillende los van elkaar ontwikkelde villaparken. Op 21 februari 2007 is het Noordwestelijk Villagebied aangewezen als beschermd stadsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988. Het plangebied kent verschillende cultuurhistorische waarden. In paragraaf 5.6 wordt hier nader op in gegaan. In de jaren ‘20/’30 vestigden omroepen zich in het noordwestelijk villagebied en zijn hier de kantoren en studio’s van mediabedrijven gevestigd. Sindsdien is het een gebied waar wonen en werken samenkomt. Het is belangrijk om werkplekken op dit soort informele kantoorlocaties te behouden In de jaren 80 heeft de VARA zich op deze locatie gevestigd. Hiervoor is het nu aanwezige kantoorgebouw opgericht. Jaren later is de locatie verlaten door de VARA en hebben verschillende bedrijven gebruik gemaakt van het gebouw.
3.1.2 Stedenbouwkundige structuur Het plangebied is gelegen in de wijk Noordwest te Hilversum en is onderdeel van het Stedelijk Villagebied. Het perceel ligt in een gebied met de aanduiding beschermd stadsgezicht. Op het perceel is een voormalig kantoorgebouw aanwezig welke in de huidige situatie verhuurd wordt ten behoeve van 'anti-kraak'. De functie, grootte en uitstraling kan gezien worden als een bedreiging voor de cultuurhistorische waarde van het gebied. Rond het voormalig kantoorgebouw is tuin aanwezig met groen en een vijver. De staat van de tuin is matig als gevolg van beperkt onderhoud door de jaren heen. Op het terrein bevinden zich twee monumentale bomen, een tamme kastanje en beuk, die momenteel nog in goede staat verkeren. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de planlocatie en plattegrond in de huidige situatie:
10
Aanzicht huidige situatie vanaf de Heuvellaan (bron: Google streetview)
Plattegrond huidige situatie (bron: Gent en Monk Architecten)
3.1.3 Groenstructuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland of een Natura 2000-gebied. Het groen binnen het plangebied bevindt zich voornamelijk achter het kantoorgebouw en komt voort uit het ontwerp van ca. 1988. Het betreft een tuin inclusief vijver met aangebrachte hoogteverschillen. Aan de Heuvellaan is relatief weinig groen aanwezig ten opzichte van de omgeving.
11
3.1.4 Waterstructuur Op de in de tachtiger jaren aangelegde vijver na, is er geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een grotere waterstructuur.
3.1.5 Verkeersstructuur Het plangebied is te bereiken via een toegangsweg vanaf de Heuvellaan. Voor de wegen rond het plangebied geldt een snelheidsregime van 30 km/u. De dichtstbijzijnde weg met een snelheidsregime van 50 km/u is de Krugerweg/Godelindeweg ten noorden van het plangebied.
3.1.6 Natuur Gebiedsbescherming Ter bescherming van natuurwaarden zijn door de Europese Unie richtlijnen opgesteld: de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Europa heeft tevens een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De Nederlandse Natura 2000-gebieden worden op basis van die wet vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten. Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura 2000-doelendocument. Dit document is eind 2005 besproken met alle provincies, betrokken gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties. Op basis van de Wnb worden speciale beschermingszones en zogenaamde beschermde natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. De planlocatie bevindt zich niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Soortbescherming De Europese regels (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) zijn ook onder meer vertaald in de Wet natuurbescherming. De bescherming bestaat met name uit de volgende verboden:
• • •
het verbod om beschermde dieren opzettelijk te verontrusten het verbod tot het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van nesten, holen, etc. het verbod tot het verwijderen van beschermde planten van hun groeiplaats
Om te kunnen bepalen of er in het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn, is onderzoek nodig. Dit onderzoek is uitgevoerd en wordt in paragraaf 5.4.3 toegelicht. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op ca. 3 km afstand ligt het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Het gebouw en de bomen kunnen potentiële nestlocaties zijn voor (beschermde) vogels en vleermuizen. Wanneer beschermde planten- of diersoorten aanwezig zijn binnen het plangebied is de Wet natuurbescherming van toepassing. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een QuickScan flora en fauna en een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd. In toelichting paragraaf 5.4.3 wordt nader ingegaan op het aspect natuur.
3.2 Wonen, werken en voorzieningen 3.2.1 Wonen Het plangebied heeft in de huidige situatie de bestemming 'Kantoordoeleinden'. Op gronden met deze bestemming is wonen niet toegestaan. Binnen Hilversum en ook breder in de regio bestaat er een behoefte aan woongelegenheid. Zie hiervoor ook hoofdstuk 4 van deze plantoelichting.
3.2.2 Werken Op de planlocatie is het voormalige VARA-kantoor gesitueerd. Het kantoorgebouw heeft een oppervlakte van circa 6.560 m² b.v.o. en is gebouwd in 1988. In de huidige situatie staat het gebouw grotendeels leeg
12
en heeft het zijn functie als kantoorgebouw verloren. Gelijk aan de landelijke trend vinden ook in Hilversum transformaties plaats van kantoren naar wonen.
3.2.3 Voorzieningen Er zijn binnen het plangebied geen voorzieningen aanwezig, zoals maatschappelijke voorzieningen of detailhandelsvoorzieningen. Volgens het geldende bestemmingsplan zijn voorzieningen hier ook niet toegestaan.
3.3 Verkeer 3.3.1 Autoverkeer Ontsluiting Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten via drie inritten aan de Heuvellaan. Snelheid Het merendeel van de wegen rond het plangebied hebben een snelheidsregime van 30 km/uur. De dichtstbijzijnde weg met een snelheidsregime van 50 km/uur is de Krugerweg/Godelindeweg ten noorden van het plangebied. Parkeren In de huidige situatie zijn er rond het gebouw ca. 110 parkeerplaatsen beschikbaar op eigen terrein ten behoeve van het kantoorgebouw.
3.3.2 Langzaam verkeer Fietser Het plangebied bevindt zich in een 30 km-zone waar fietsers gebruik maken van de weg. Voetganger De wegen rond het plangebied beschikken aan weerszijden over voetpaden.
3.4 Duurzaamheid en leefbaarheid 3.4.1 Duurzaamheid Duurzaamheid is gericht op drie kwaliteitsaspecten: people, planet en profit/prosperity. De pijler 'people' richt zich op aspecten van sociale kwaliteit en proceskwaliteit: de leefbaarheid van de omgeving, sociale veiligheid en de betrokkenheid van bewoners, bedrijven en overheden (sociale duurzaamheid). De pijler 'planet' is direct gerelateerd aan de milieukwaliteit en thema's als energie, ecologie en water, maar ook aan gezondheid, verkeer en afval, en daarmee aan verschillende grote milieuproblemen zoals verlies aan biodiversiteit, klimaatverandering, bedreigingen van de gezondheid en aantasting van de leefomgeving (fysieke duurzaamheid). Uitgangspunten zijn een brongerichte benadering, het sluiten van kringlopen en behoud en versterking van de kwaliteit van de leefomgeving. De pijler 'profit/prosperity' richt zich op de aanwezigheid van voorzieningen, voldoende werkgelegenheid en inkomensdifferentiatie en dragen bij aan het functioneren van de leefomgeving (economische duurzaamheid). De essentie van deze zogenaamde Triple P-benadering is een evenwichtige integrale ontwikkeling van de kwaliteitsaspecten. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu, en is daarmee een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.
Dit betekent dat de gezondheids- en milieuaspecten in alle fasen van de inrichting van de gebouwde omgeving, de bouw en het gebruik (inclusief sloop) betrokken dienen te worden. Hierbij wordt gestreefd naar een duurzame (stedelijke) ontwikkeling die leidt tot een extensiever energieverbruik / lage milieubelasting, integraal ketenbeheer en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving (ruimtelijke
13
kwaliteit). Duurzaam bouwen betekent ook dat de gerealiseerde kwaliteit in de toekomst wordt gehandhaafd, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. In de huidige situatie is op locatie een 'gedateerd' pand aanwezig. Dit pand voldoet niet aan de huidige duurzaamheidsvereisten en heeft ook geen 'ecologische' meerwaarde in die zin dat er natuurinclusieve maatregelen getroffen zijn. Met de beoogde nieuwbouw kan hieraan wel invulling gegeven worden.
3.4.2 Leefbaarheid 3.4.2.1 Geluid Een (geluids)zone is een aandachtsgebied waarbinnen, indien er geluidsgevoelige bestemmingen zijn of kunnen worden gerealiseerd, moet worden getoetst aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder (verder: Wgh). Geluidsgevoelige bestemmingen zijn onder andere woningen, scholen en gebouwen voor de gezondheidszorg. De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB. De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van spoorweglawaai bedraagt voor woningen 55 dB en voor andere geluidsgevoelige gebouwen 53 dB. De regelgeving die betrekking heeft op geluidshinder staat in een aantal wetten. De Wgh voorziet in een zonering van wegen, spoorwegen en industrieterreinen waar 'grote lawaaimakers' zijn of kunnen worden gevestigd, en stelt eisen aan de geluidsbelasting binnen de zones rond en langs die (spoor)wegen en industrieterreinen. De geluidshinder die afkomstig is van inrichtingen (met name bedrijven) wordt gereguleerd op basis van de Wet milieubeheer (verder: Wm). De geluidsproductie van een inrichting is afhankelijk van de soort inrichting en van de in de milieuvergunning opgenomen regels met betrekking tot geluid. Zie voor indicatieve geluidszones de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Het plangebied bevindt zich niet op een industrieterrein of binnen de geluidszone van een industriegebied.
Op een afstand van ca. 750 m bevindt zich een spoorlijn, waarmee het plangebied buiten de onderzoekszone valt. De Godelindeweg bevindt zich op een afstand van ca. 75 m. Een onderzoek naar wegverkeerlawaai is dan ook noodzakelijk. In toelichting paragraaf 5.5.2 wordt nader ingegaan op het aspect geluid.
3.4.2.2 Geur Sinds 1 januari 2007 geldt de Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wgv). Deze wet geeft het toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder vanuit dierenverblijven van veehouderijen. Anders dan op grond van de oude regeling, onder meer de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996, geeft de Wgv grenswaarden in 'odour units' per kubieke meter lucht (ou/m) voor de toelaatbare geurbelasting bij woningen. Daaraan gekoppeld is er een nieuw rekenprogramma (V-Stacks), waarmee de geurbelasting van veehouderijen, rekening houdend met diersoorten en stalsystemen, kan worden berekend. Tevens zijn in de Wgv minimumafstanden vastgelegd tussen stallen en geurgevoelige objecten (alle woningen van derden en recreatiewoningen). De grenswaarden en minimumafstanden zijn echter niet geheel hard: gemeenten kunnen desgewenst binnen in de wet aangegeven marges via een gemeentelijke verordening andere grenswaarden en/of minimumafstanden vaststellen. De planlocatie is niet gelegen binnen een geurcontour.
3.4.2.3 Licht Er bestaan nog geen specifieke wetten rond lichthinder. Indirect echter wel, want lichtoverlast valt vaak binnen gemeentelijke milieuwetgeving. Verder heeft de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) een aantal richtlijnen uitgebracht voor het beoordelen van lichthinder. Deze gelden algemeen als maatgevend. In en rond het plangebied zijn geen inrichtingen en/of wegen aanwezig die lichthinder veroorzaken.
14
3.4.2.4 Lucht In de Wet milieubeheer (verder: Wm) gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit gaat over het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % (= 1,2 µg/m³) bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2)een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen of een kantoor van minder dan 100.000 m² bruto vloeroppervlak niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Voorliggend bestemmingsplan ziet niet op de realisatie van dergelijke objecten. Het besluit is dan ook niet van toepassing op deze ontwikkeling. In toelichting paragraaf 5.5.2 wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit.
3.5 Cultuurhistorische waarden 3.5.1 Historisch-geografische waarden Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn aangewezen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Het betreft objecten in gebieden die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, en in welke zich één of meerdere monumenten bevinden. Als een gebied is aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht, dan dient dit in het bestemmingsplan opgenomen te zijn. Informatie over beschermde stads- en dorpsgezichten is te verkrijgen bij het ministerie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
15
Het plangebied ligt in het 'Noordwestelijk Villagebied'. Dit gebied is op 21 februari 2007 aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht heeft als doel 'de karakteristieke, met de historie samenhangende, structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij verdere ontwikkeling binnen het gebied'. Bij het opstellen van een bestemmingsplan voor een beschermd stadsgezicht dient een evenwicht gezocht te worden tussen de structuur van het gebied, de functie van het gebied en het beeld van het gebied. De gezichtsbescherming richt zich op de stedenbouwkundige en cultuurhistorische, landschappelijke waarde van het gebied en wil het waardevolle beeld en functioneren daarvan voor de toekomst veiligstellen. In hoofdstuk 5 wordt nader in gegaan op het stedenbouwkundigplan in relatie tot de karakteristiek van de wijk.
3.5.2 (Steden)bouwkundige waarden Het Noordwestelijk Villagebied is vanaf circa 1875 ontstaan door de aanleg van verschillende los van elkaar ontwikkelde villaparken. Het eerste villapark werd ver van het dorp af in het noorden van de gemeente ontwikkeld. De overige villaparken ontwikkelden zich vanaf het centrum in noordwestelijke richting. In 1907 was de structuur van dit deel voltooid. Wel werden er nadien nog vele nieuwe woningen langs de bestaande infrastructuur gebouwd. Het gezicht van het Noordwestelijk Villagebied is zeer gedifferentieerd doordat er zowel kleinschalige geleidelijk ontwikkelde villabuurten als ruime planmatig opgezette villaparken zijn. De Heuvellaan is een laan in het villagebied die meer verdicht is met woningen op kleinere kavels. Desondanks kent het gebied een duidelijke ruimtelijke samenhang door de stedenbouwkundige structuur, het groene karakter en de harmonische aansluiting van de wijken en parken onderling. Daarbij vormt het Noordwestelijk Villagebied een geleidelijke overgang van het verstedelijkte centrum naar de bosgebieden Spanderswoud en Corversbos. De ontwikkeling van de villaparken was in eerste instantie een puur particulier initiatief. Bouwmaatschappijen kochten een stuk grond aan, waarop zij een wegenplan ontwierpen.
De percelen grond binnen zo'n park werden veelal weer aan particulieren doorverkocht, waardoor er een individuele invulling van de parken plaatsvond. De gemeente Hilversum zou zich pas vanaf circa 1909 gaan bezighouden met de ontwikkeling en het beheer van deze villaparken. Het plangebied ligt ten zuiden van het Nimrodpark en het Kannesheuvelpark. Het Nimrodpark werd in 1899 aangelegd naar een ontwerp van tuinarchitecten. Het plan bestaat uit een stratenpatroon van brede gebogen lanen rond een langgerekt ovaal plein met in het midden een rondpoint (Parklaan). Het plein is ontworpen met drie plantsoenen en wordt ter hoogte van het rondpoint doorsneden door een rechte noordzuidas (Nimrodlaan). Omdat het villapark tevens als wandelpark moest dienen, is in het ontwerp nadruk gelegd op de laanbeplanting met zichtlijnen. Aanvankelijk verrezen in het park grote villa’s op zeer ruime kavels, vanaf 1910 werd de verkaveling iets dichter met kleinere villa’s en landhuizen. Het Kannesheuvelpark kent een kronkelend wegenpatroon met groene pleintjes op de splitsingen, hierdoor is er van zichtassen in dit park nauwelijks sprake. Het park bevat een aantal grote villa's met daartussen een aantal kleine buitenwoonhuizen. Het straatbeeld in dit park en het gebied rond het plangebied wordt dan ook merendeels bepaald door reeks van kleine villa's en buitenwoonhuizen.
3.5.3 Archeologische waarden Een lastig aspect van de archeologie is dat de meeste archeologische vindplaatsen nog niet ontdekt zijn, maar ergens in de ondergrond verborgen liggen. Om vast te stellen waar vindplaatsen zijn en of deze al dan niet behoudenswaardig zijn, is inventariserend archeologisch vooronderzoek nodig. Dit inventariserende onderzoek bestaat uit bureauonderzoek en veldwerk. Als regel geldt dat inventariserend archeologisch vooronderzoek overal verplicht is waar plannen met bodemingrepen worden voorgenomen. Dus daar waar bijvoorbeeld gebouwd, geheid, gegraven, opgehoogd, geplaveid of ontwaterd gaat worden. Vooronderzoek is
16
daarentegen niet verplicht in delen van een plangebied waar de bestaande inrichting ongewijzigd gehandhaafd wordt, bijvoorbeeld een groenstrook die in de nieuwe inrichting behouden blijft. De gemeente Hilversum maakt gebruik van de Structuurvisie Archeologie 'De ondergrondse stad'. Op onderstaande afbeelding is de Archeologische beleidskaart met de te verwachten archeologische waarden weergegeven.
17
Archeologische beleidskaar gemeente Hilversum
Zoals op de bovenstaande archeologische beleidskaart van de gemeente Hilversum te zien is, heeft het gebied van de planlocatie de verwachtingswaarde 'hoog'. In toelichting paragraaf 5.6.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.
18
3.6 Bodem en watersysteem 3.6.1 Bodem Bodem De gemeente Hilversum is onderdeel van de geografische eenheid het Gooise stuwwallencomplex met o.a. fysisch geografische eenheden zoals stuwwallen. De bodem bestaat voornamelijk uit matig fijne tot zeer grove zanden. Het watervoerende pakket, waar de zanden onderdeel van zijn, heeft haar basis op een diepte van N.A.P. -160 meter. Tot een diepte van 50 meter onder het maaiveld bevindt zich gestuwd materiaal waar plaatselijk fijnzandige, lemige en slib houdende lagen voorkomen. Aardkundige waarden Het stuwwallencomplex van het Gooi kent een grote verscheidenheid en gaafheid van geografische verschijnselen wat het bijzondere waarden geeft. Vanuit het provinciale landschaps- en bodembeschermingsbeleid is één van de speerpunten het beschermen van onderdelen in het landschap die iets vertellen over de geologische ontstaanswijze van het gebied. De provincie Noord-Holland heeft een lijst met 80 gebieden met aardkundige waarden vastgesteld waarbij 17 gebieden als aardkundig monument zijn aangewezen. Het plangebied is geen aardkundig monument of een aardkundig waardevol gebied.
3.6.2 Watersysteem Grondwater Hilversum ligt op een stuwwal van het Gooi en is infiltratiegebied. De grondwaterstanden kunnen in de toekomst stijgen door invloed van het klimaat en activiteiten in de regio zoals afname van drinkwaterwinningen en opzetten van polderpeilen (de laatste aan de westkant van Hilversum). Bij ondergrondse bouw moet rekening worden gehouden met de grondwaterstand. Kelders moeten waterdicht worden uitgevoerd, zodat de noodzaak tot het lokaal verlagen van de grondwaterstand wordt voorkomen. Bij de bepaling van de maximale grondwaterstand ten behoeve van ondergrondse bouw moet rekening worden gehouden met een marge als gevolg van toekomstige regionale grondwaterstandstijgingen. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Om het lokaal verwerken van hemelwater te bevorderen zal bij nieuwe ontwikkelingen gestreefd moeten worden naar ruimte voor water, bijvoorbeeld wadi's in groenstructuren. Dit zullen geen permanente oppervlaktewateren zijn, deze wadi's lopen onder water bij veel regenval. Bestaand afwateringssysteem In het plangebied is sprake van een gemengd gerioleerd gebied. Dit houdt in dat het afvalwater en het hemelwater via het hetzelfde rioolsysteem wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Voor nieuw aan te sluiten bebouwing moet contact worden opgenomen met de gemeente.
Het afkoppelen van hemelwater van dit systeem wordt bevorderd door bij nieuwe ontwikkelingen het hemelwater lokaal vast te houden, her te gebruiken en/of te infiltreren in de bodem. Berging kan plaats vinden op daken en in ondergrondse (infiltratie) voorzieningen. Hierbij moet voldoende bergend vermogen worden gecreëerd om het waterbezwaar te kunnen bergen en verwerken. De infiltreerbaarheid van de infiltratievoorzieningen moet goed worden bewaakt. Onderhoud aan de infiltratievoorzieningen is voor de perceelseigenaar. Hemelwater kwaliteit Om bodem- en grondwaterverontreiniging bij de infiltratiepunten op het eigen terrein te voorkomen is het belangrijk om geen onbehandeld koper, zink, lood, teerhoudende dakbedekking (PAK) en andere uitlogende (bouw)materialen toe te passen op oppervlakken/straatmeubilair die in aanraking komen met het regenwater. Daarnaast dient er géén gebruik te worden gemaakt van (chemische) onkruidbestrijdingsmiddelen. De perceelseigenaar is verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit onder het perceel en dus voor de kwaliteit van het infiltrerende hemelwater.
19
3.7 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen geen relevante kabels, leidingen of straalpaden. Voordat de werkzaamheden zullen starten wordt een zogenaamde Klic-melding gedaan. Een KLIC-melding is een melding die aan het Kadaster moet worden gedaan voordat gestart wordt met graven met een machine. Deze melding is wettelijk verplicht. Zodra een KLIC-melding is gedaan stuurt het Kadaster de gegevens van ligging van de kabels en leidingen van een locatie.
3.8 Veiligheid 3.8.1 Sociale veiligheid Sociale veiligheid omvat de bescherming tegen elke vorm van criminaliteit en fysieke bedreiging/gevoelens van onveiligheid. Er gelden geen bijzonderheden voor het plangebied in de bestaande situatie.
3.8.2 Fysieke veiligheid Fysieke veiligheid betreft de bescherming van mens, dier en milieu tegen daadwerkelijke ongelukken. In de huidige situatie is het plangebied in principe goed bereikbaar voor hulpdiensten.
3.8.3 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, LPG en munitie over weg, water, spoor en door buisleidingen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. In toelichting paragraaf 5.8.1 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.
20
hoofdstuk 4 Relevante beleidskader In dit hoofdstuk is het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur en de functionele structuur opgenomen. Ook is aandacht besteed aan relevant Europees beleid.
4.1 Rijk 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van de planontwikkeling is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (verder: Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (verder: SVIR) en in de navolgende Nationale Omgevingsvisie (verder: NOVI) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van onderhavig plan zijn er geen raakvlakken met het Barro. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
21
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017is gewijzigd. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven (hieronder de betreffende artikel leden): 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Bij het voorliggende initiatief is dan ook sprake van een stedelijke ontwikkeling, doordat er 24 extra woningen worden toegevoegd en 2.780 m² aan andere functies wordt ontwikkeld. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Aangezien het plangebied in een woonwijk ligt met gemengde functies kan geconcludeerd worden dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt.
Behoefte Zowel uit de Provinciale woonvisie (toelichting paragraaf 4.2.3), de Regionale Woonvisie (toelichting paragraaf 4.3.1) en de gemeentelijke woonvisie blijkt dat er behoefte is aan binnenstedelijke woningbouw. De binnenstedelijke woningbouwopgave zal in de toekomst aan blijven houden. Tevens is er vanuit de regio (toelichting paragraaf 4.3.3) behoefte aan ruimte voor (kleine) creatieve en innovatieve bedrijvigheid, zowel binnenstedelijk als in de 'groene randen'. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
22
4.1.4 Waterbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.2 Provincie en waterschap 4.2.1 Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving a.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.
23
b.
c. d.
Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De ambitie van de provincie is onder andere het streven naar een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te versterken is een goed beheer van de bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten van belang. Het bestaande kantoorpand past niet meer goed in de omgeving. Met de nieuwe voorgestelde bebouwing, met een mix van wonen en werken wordt een betere aansluiting gevonden. Tevens luidt een van de ambities om wonen en werken beter met elkaar in overeenstemming te laten zijn en dat ontwikkelingen zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied plaatsvinden. Aangezien de planlocatie in bestaand stedelijk gebied ligt waar zowel woningbouw als bedrijvigheid aanwezig is, kan gesteld worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities uit de omgevingsvisie.
4.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
24
• • •
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken; het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 wordt gesteld dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakt schriftelijke afspraken. Aan deze afspraken wordt ook voldaan. Deze locatie is regionaal afgestemd. Zie ook: https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Omgevingsvisie_en_PRV/Beleidsdocumenten/Handreiking_ uitvoeringsregeling_regionale_afspraken_nieuwe_stedelijke_ontwikkelingen_printversie.pdf In toelichting paragraaf 4.1.3 is ingegaan op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hieruit blijkt dat het plangebied zich binnen het stedelijk gebied bevindt en wordt de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de behoefte van de regio. Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020, waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
4.2.3 Provinciale Woonvisie 2010 - 2020 De provinciale woonvisie ´Goed wonen in Noord - Holland´ heeft als doelstelling dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland over voldoende woningen beschikken met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. De doelstelling is uitgewerkt in drie speerpunten:
•
Verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning.
•
Verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners.
•
Verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.
Door samen met de regio's Regionale actieprogramma's (RAP) te ontwikkelen met duidelijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma's en deze uit te voeren, wil de provincie deze doelstelling en speerpunten behalen. De RAP is in 2015 voor de volgende periode (2016-2020) opgesteld, mede op basis van de woonmonitor 2014. Voor de regio Gooi en Vechtstreek wordt een RAP opgesteld. Planspecifiek In Noord-Holland Zuid blijft de druk op de woningmarkt hoog, terwijl de ruimte om te bouwen schaars is. Hierdoor is er een relatief grote binnenstedelijke woningbouwopgave. De woningbouwvraag concentreert zich steeds meer in stedelijk gebied. Met het toevoegen van in totaal 24 woningen wordt een bijdrage geleverd aan de doorstroming in de woningmarkt. Tevens gaat het om een binnenstedelijke ontwikkeling. Hiermee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met Provinciale Woonvisie 2010-2020.
4.2.4 Beleid waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van AGV omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie
25
Utrecht en Noord-Holland. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van stedelijk afvalwater. De zorg voor het watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Waternet is de organisatie die de taken namens AGV uitvoert. Het beleid van AGV is verwoord in het onder andere het Waterbeheerplan, de Waterschapsverordening (Keur) en in diverse beleidsnota’s. In de Keur staan de regels voor het gebruik van het watersysteem. De Keur heeft als belangrijkste doel om een veilig en gezond watersysteem te waarborgen en het te beschermen tegen risico’s van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de goede staat en werking van het watersysteem. Denk aan de waterkwaliteit, het waarborgen van verbeteren, de doorstroming in sloten en het sterk houden van dijkenveilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied 10 % daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Onder voorwaarden kan het waterschap ook instemmen met de aanleg van alternatieve vormen van waterberging. In het kader van de planontwikkeling is ook de 'watertoets' doorlopen. De uitkomsten hiervan zijn opgenomen in paragraaf 5.7.2.
4.3 Regio 4.3.1 Regionale woonvisie 2016-2030 De regio Gooi en Vechtstreek wil een complete regio zijn, waar het aanbod aan woningen en woonmilieus aansluit bij de woningvraag van nu en in de toekomst. Een complete regio is ook een regio waar wonen, werken, recreëren en gezondheid hand in hand gaan en elkaar versterken. Er wordt ingezet op een gevarieerde samenstelling van inwoners en woningvoorraad. Het behoud en aantrekken van middengroepen is belangrijk voor de sociaal en economische doelstellingen van de regio. De gemeenteraad heeft de visie 8 maart 2017 vastgesteld. Planspecifiek Tot 2040 zal de bevolking in de regio blijven groeien. Hierdoor zal het nodig blijven om nieuwbouw te realiseren. Niet alleen voor de directe woningbehoefte, maar ook voor de doorstroming in wijken op gang te brengen. De focus moet blijven liggen op binnenstedelijk bouwen en transformatie. Daarbij is het behoud van de ruimtelijke kwaliteit in de bebouwde omgeving kaderstellend. De herontwikkeling van het plangebied draagt bij aan de groeiende woningbehoefte en het verbeteren van de kwaliteit van de omgeving. Tevens is het beoogde initiatief een binnenstedelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat het initiatief in lijn is met de regionale woonvisie van de regio Gooi en Vechtstreek.