CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

8. Mail van de heer R. Graafsma inzake Overlijden dochter Dascha

GEMEENTERAAD 29 januari 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Stukken ten aanzien waarvan de voorzitter voorstelt deze ter afdoening in handen te stellen van de burgemeester of van burgemeester en wethouders11.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

René Graafsma sluit af met de mededeling dat JenV verzoeken zal ontvangen via Knoops’ advocaten. Via Knoops’ advocaten zal aan JenV ook de presentatie die tijdens het gesprek is gebruikt worden toegezonden*. >> De verdere communicatie zal verlopen via Knoops’ advocaten; >>>> Naar aanleiding van: ….. natuurlijk. Maar deze vorm van communicatie kan vanzelfsprekend pas als de notulen en de opgekomen bijkomende vragen met de door de Miniaster te geven reacties en antwoorden eerst onderling correct zijn vastgesteld opdat een volledig en juist verslag kan worden gedaan aan Knoops’ advocaten. Knoops’ advocaten heeft wel meer te doen en behoeft niet onnodig te worden belast. Zij zijn de advocaten van Dascha en moeten er op kunnen rekenen geen overbodige werkzaamheden te moeten verrichten om volstrekt in slechts het belang van Dascha te kunnen handelen. - René Graafsma geeft daarnaast aan dat hij de Tweede Kamer en/of de media zal benaderen waar nodig; >>>> Waarvan akte. >>>> Naar aanleiding van: het is zeer te betreuren dat dit niet in goed overleg kan, nu de Minister heeft aangegeven aan deze afstemming geen behoefte te hebben.

- De dgRR zegt te willen benadrukken dat JenV zelf geen (opsporings)onderzoek uitvoert en daar ook niet toe is geëquipeerd; >>>> Naar aanleiding van: hoe kunnen de Minister en zijn Staatssecretaris dan zelfstandig beslissen op de alleen aan de Minister persoonlijk bij wet toegekende bevoegdheden? - René Graafsma zegt dat de minister van JenV de mogelijkheid heeft het openbaar ministerie een bijzondere aanwijzing te geven; >>>> Zo is het. - De directeur DJOA en de dgRR bedanken René en Anja Graafsma voor hun komst naar het ministerie van JenV en voor het doen van hun verhaal. Ook de medewerker van Slachtofferhulp Nederland wordt bedankt voor de aanwezigheid. Het gesprek wordt beëindigd. >>>> Zonder dat kon worden vastgesteld dat de wederzijdse doelen zijn bereikt. Integendeel. Kortom 1: de notulen geven geen adequaat en noodzakelijk juist verslag van het gesprek. Dit dient te worden hersteld.

Bijlagen: - Leeswijzer René Graafsma ‘Zwijgen is voor daders’; >>>> Door tijdgebrek zijn de relevante punten niet besproken. - Afspraken gemaakt voorafgaand aan gesprek >>>> Het blijft benadrukt: het mogen maken van opnamen voor eigen gebruik is een wettelijk recht. De tijdsduur was te beperkt. De weigering de advocaten van Dascha aanwezig te laten zijn is onbegrijpelijk. - *Op 26 juli 2024 is door Knoops’ advocaten, op verzoek van de heer en mevrouw Graafsma, een e-mailbericht verzonden met daarin een digitale link naar de op 23 juli 2024 door René Graafsma getoonde presentatie. De presentatie staat als zogeheten ‘verborgen bestand’ op het YouTube-kanaal van René Graafsma. Dit is de link naar de presentatie: DASCHA: 'ZWIJGEN IS VOOR DADERS'. (youtube.com). De presentatie wordt geacht met deze link als bijlage bij dit verslag en daarmee in het archief van JenV te zijn gevoegd. >>>> Naar aanleiding van: de toegestuurde link naar YouTube komt uit bij ‘de presentatie zonder extensies’. In het bijzonder met daarin niet opgenomen de fotografie van de obductie. Daar waar publicisten al schrijven over het belang van obducties in het algemeen, ‘Het begint bij de dood’, rapport Adema, enzovoort: het is allemaal al lastig genoegen daarmee toch in ieder geval niet passend dit materiaal op YouTube te plaatsen. Ook niet als verborgen bestand.

Daarmee is het zeer jammer dat de toelichting op de volledige presentatie niet is genotuleerd. Het voorstel is dat deze omissie in de verslaglegging door de notuliste wordt hersteld. De Minister en zijn Staatssecretaris dienen van de benoemde feiten kennis te kunnen nemen. Uit rechtvaardigheid naar Dascha en zorgvuldigheid ten behoeve van heer advocaten kan niets anders worden verwacht. Immers de eerste grondslagen voor het moordscenario, naast de vele andere signalen die wegens tijdgebrek niet konden worden besproken, komen uit de obductie voort. Kortom 2: de notulen geven geen adequaat en noodzakelijk juist verslag van het gesprek. Dit dient te worden hersteld.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2019–2020

2

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1903 Vragen van de leden Van den Berge (GroenLinks), Van Nispen (SP), Kuiken (PvdA) en Van der Graaf (ChristenUnie) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en voor Rechtsbescherming over het onderzoekverloop naar de dood van Dascha Graafsma (ingezonden 15 januari 2020). Antwoord van Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister voor Rechtsbescherming (ontvangen 2 maart 2020) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1622. Vraag 1 Kunt u, in algemene zin, een beeld schetsen hoe de second opinion naar de doodsoorzaak van Dascha Graafsma is vormgegeven? Antwoord 1 Het College van procureurs-generaal heeft mij het volgende bericht. Naar aanleiding van aanhoudende twijfels van de nabestaanden over de doodsoorzaak van Dascha Graafsma heeft het Openbaar Ministerie (OM) besloten een second opinion uit te laten voeren. De second opinion wordt verricht door de forensische opsporing van een andere politieeenheid. De desbetreffende forensisch experts van de eenheid Amsterdam zijn niet eerder bij het onderzoek betrokken geweest en zijn gevraagd met een frisse blik te kijken naar de conclusies van het verrichte forensische onderzoek.

Bij de forensische second opinion worden door hen zowel de bevindingen van de politie MiddenNederland, de schouwarts en de toxicoloog van het NFI betrokken als ook de bevindingen van de door de nabestaanden ingeschakelde forensisch deskundigen. Vraag 2 Hoe wordt in de praktijk voorkomen dat de stelling dat de eerdere vaststellingen rond de dood van Dascha onvolkomenheden bevatte, maar geen aanleiding geeft te twijfelen aan de eindconclusies het huidige onderzoek beïnvloedt?1

1

ah-tk-20192020-1903 ISSN 0921 - 7398 ’s-Gravenhage 2020

«Nieuw onderzoek naar doodsoorzaak Dascha Graafsma», RTLnieuws.nl 6 augustus 2019, https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4805146/dascha-graafsma-onderzoekdoodsoorzaak-dood-zelfdoding-zelfmoord

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Aanhangsel

1

Antwoord 2 De resultaten van de forensische second opinion zullen door de zaaksofficier of rechercheofficier van het arrondissementsparket Midden-Nederland worden voorgelegd aan ervaren officieren van justitie van verschillende OM-onderdelen, die niet eerder bij het onderzoek betrokken waren. In een zogenoemde reflectiebijeenkomst zullen deze resultaten kritisch worden beschouwd. De vraag die in deze reflectiebijeenkomst centraal zal staan is of de uitkomsten van de forensische second opinion, in combinatie met het opsporingsonderzoek van de politie en het rapport van de onderzoekers van de nabestaanden aanwijzingen opleveren voor een misdrijf en daarom een voortzetting of heropening van het onderzoek rechtvaardigen. Vraag 3 Geven de ervaringen in de onderzoeken die tot nu toe zijn gedaan en de bevindingen van de kring rond Dascha aanleiding voor maatregelen ten aanzien van de wet- en regelgeving, de toepassing van de onderzoekskaders en/of de wijze waarop nabestaanden worden betrokken in het onderzoek? Antwoord 3 Nee.

Vraag 4 Zijn u de klachten en wensen van de nabestaanden van Dascha bekend? Zo ja, herkent u zich in hun gevoel dat de structuur van het proces en de organisatie(cultuur) de werkwijze in de communicatie bemoeilijkt en hindernissen opwerpt om nieuwe feiten en omstandigheden in het onderzoek met elkaar te delen? Zo ja, bent u bereid maatregelen te nemen om de waarheidsvinding in dit soort onderzoeken verder te versterken en welke maatregelen neemt u zich precies voor? Antwoord 4 De klachten en wensen van de nabestaanden zijn bij het OM bekend. Het OM en ik vinden het van groot belang dat zo open mogelijk gecommuniceerd wordt met de nabestaanden. De politie en het OM hebben veelvuldig contact met de nabestaanden en/of team TDO en de nabestaanden zijn in de gelegenheid gesteld om het dossier in te zien en daarover vragen te stellen. De politie en het OM hebben daarnaast geprobeerd zo goed mogelijk antwoord te geven op de vragen die bij de nabestaanden/team TDO leven. De kanttekeningen van de nabestaanden/team TDO bij het onderzoek zijn serieus bekeken. Het OM en politie hebben excuses gemaakt voor eerdere communicatie waarin te stellig werd geconcludeerd dat in deze zaak sprake was van zelfdoding. Ook ik betreur deze gang van zaken.

Door de nabestaanden zo goed mogelijk te blijven informeren en hun vragen te beantwoorden zet het OM in op een open en duidelijke communicatie richting nabestaanden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Aanhangsel

2

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2018–2019

2

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

440 Vragen van het lid Krol (50PLUS) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Vader van omgekomen Dascha start petitie voor camerabeelden» (ingezonden 14 september 2018). Antwoord van Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 30 oktober 2018). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 167. Vraag 1 Kent u het bericht «Vader van omgekomen Dascha start petitie voor camerabeelden» van 10 september 2018?1 Antwoord 1 Ja. Vraag 2, 3 en 4 Indien er zich nieuwe feiten voordoen in afgesloten opsporingsonderzoeken naar mogelijke hals- en zedenmisdrijven, zou het dan niet standaard moeten worden dat het openbaar ministerie (OM) de zaak heropent of heroverweegt? Indien kan worden aangetoond door nieuwe feiten dat het onderzoek van de politie en het OM mogelijk onzorgvuldig is uitgevoerd, zou het dan standaard moeten worden dat het OM de zaak heropent of heroverweegt en zou er in die gevallen een nieuw onderzoeksteam nodig zijn? Hoe staat u tegenover een onderzoekplicht van het OM bij mogelijke hals- en zedenmisdrijven, zoals bijvoorbeeld in Duitsland? Antwoord 2, 3 en 4 Het (wettelijk) in algemene zin voorschrijven dat de officier van justitie een onderzoek moet starten of stoppen past niet in ons strafrechtelijk systeem.

Het opsporingsonderzoek vindt plaats onder gezag van de officier van justitie; hij waardeert de resultaten daarvan en neemt een beslissing over het instellen of afzien van vervolging. Dat komt voort uit het opportuniteitsbeginsel dat wij in Nederland hanteren. Daarin verschilt Nederland met bijvoorbeeld Duitsland waar het legaliteitsbeginsel geldt. Op basis daarvan is het

1

ah-tk-20182019-440 ISSN 0921 - 7398 ’s-Gravenhage 2018

https://www.nhnieuws.nl/nieuws/231028/Vader-van-omgekomen-Dascha-16-start-petitie-voorcamerabeelden-Help-ons

Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, Aanhangsel

1

Duitse OM verplicht in alle gevallen door de politie onderzochte strafbare feiten te vervolgen. In afgesloten zaken waarin nieuwe feiten (waaronder ook begrepen ontdekte fouten in het eerdere onderzoek) aan het licht komen zal de officier van justitie moeten beslissen, of deze zodanig serieus zijn dat het onderzoek moet worden heropend. Als het gaat om opheldering van een ernstig strafbaar feit, zal hij daartoe in het algemeen overgaan. Als aan een gewezen verdachte al een kennisgeving van niet-vervolging is verzonden en nieuwe bezwaren tegen hem zijn gerezen, moet de officier van justitie voor de heropening van het onderzoek een machtiging vragen aan de rechter-commissaris. Het kan voorkomen dat ervoor wordt gekozen een nieuw onderzoeksteam te formeren, maar dat is lang niet altijd noodzakelijk. Dat ligt – los van praktische elementen – aan de aard van het onderzoek en de nieuwe feiten of vermeende fouten in het eerdere onderzoek.

Vraag 5 Wat is uw mening over het geconstateerde tekortschietende toezicht op strafvorderlijk optreden, nu in een rapport in opdracht van het WODC de onderzoekers concluderen dat het in Nederland ontbreekt aan een centrale externe instantie die toezicht houdt op het optreden van justitie en politie?2 Bent u bereid het onderzoeksrapport snel naar de Tweede Kamer te sturen, voorzien van een reactie daarop? Antwoord 5 Op 7 maart 2018 heb ik uw kamer een brief3 gestuurd over het toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden in reactie op een artikel in het NJB «Is het totaal meer dan de som der delen?»4, waarin de auteur voortborduurt op het WODC-rapport «Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden». Zowel in de eerder genoemde brief als in het algemeen overleg Strafrechtelijke onderwerpen op 18 april 20185 heb ik u geschetst op welke wijze dit onderwerp wordt betrokken bij de modernisering van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Inmiddels heb ik de consultatie-adviezen ontvangen over de boeken 3–6 van het nieuwe Wetboek, die relevant zijn voor het vraagstuk rondom het toezicht op strafvordering overheidsoptreden. Momenteel bestudeer ik de adviezen en zal deze betrekken bij nadere voorbereiding van het wetboek. In de voortgangsrapportages modernisering Sv wordt een overzicht gegeven van alle onderzoeken die in het kader van de modernisering worden gedaan.

Als een onderzoek is afgerond wordt in de rapportages vermeld op welke wijze de resultaten worden meegenomen in de wetgeving, onder vermelding van de vindplaats van het rapport. Dat is ook gedaan met het onderhavige WODC-rapport. Vraag 6 In hoeverre geldt artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, ook voor nabestaanden? Antwoord 6 Artikel 6 EVRM is er specifiek op gericht om de persoon tegen wie vervolging is ingesteld een eerlijk proces te geven. Dat betekent dat artikel 6 EVRM bescherming biedt aan de verdachte.

2

Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden, Eindrapport onderzoek i.o.v. het WODC, 2017 Kamerstuk 29 279, nr. 414. 4 M. Malsch, «Is het totaal meer dan de som der delen?», NJB 43 (2017). 5 Kamerstuk 29 279, nr. 428. 3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, Aanhangsel

2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=d8ffd029-20f9-4910-928d-c7f983eb2980