CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

8. Mail van de heer R. Graafsma inzake Overlijden dochter Dascha

GEMEENTERAAD 29 januari 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Stukken ten aanzien waarvan de voorzitter voorstelt deze ter afdoening in handen te stellen van de burgemeester of van burgemeester en wethouders11.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

T.a.v. College Burgemeester & Wethouders Gemeente Hilversum

Geachte heer, Geachte mevrouw,

In de eerste plaats: hoop dat u allen mooie kerstdagen hebt gehad. En wens u natuurlijk een prachtig 2025. Vanwege het totaal aan ontwikkelingen graag een memo, voor de planning en afstemming van het vervolg: kun je al voor zsm een datum / tijd noemen? Voor de juistheid van de gang van zaken is bij dit bericht ook 'de griffie' toegevoegd, vanzelfsprekend. Immers 'die weg zal de procedure zijn'. 'De griffie' vraag ik ook vriendelijk, bij deze, dit verzoek als ontvangen burgerverzoek / burgerbrief aan de individuele leden van de Raad en de Commissies te doen toekomen.

Met zeer hartelijke dank en groet,

René (Graafsma) M. 06-48462230

---------- Forwarded message --------Van: René Graafsma <mail@renegraafsma.nl> Date: ma 30 sep 2024 om 08:29 Subject: Fwd: DASCHA To: <burgemeester@hilversum.nl>, <b.heller@hilversum.nl>, <p.torresbarrera@hilversum.nl>, <f.voorink@hilversum.nl>, <g.vanvoorden@hilversum.nl>, <j.kalk@hilversum.nl>, <e.gobbels@hilversum.nl>

T.a.v. College Burgemeester & Wethouders Gemeente Hilversum

Geachte heer, Geachte mevrouw,

In verband met de 'moord-ontwikkelingen Dascha' graag het onderstaande bericht aan de Minister van Justitie & Veiligheid en de Staatssecretaris Rechtsbescherming ter kennisname. Mede, in verband met daaraan verbonden kwesties, aan de Minister van Financiën en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen. Alsmede aan de Minister President.

Zoals u ziet zal vanwege het algemeen belang het één en ander nader behandeld worden door onder andere de zaken voor te leggen aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer. Aangezien de aanstaande publicatie van het 'onderzoek Beke': https://bureaubeke.nl/projecten/hilversum-in-het-vizier-krijgen/ zeer relevant zal blijken stel ik u graag van het één en ander voortijdig graag op de hoogte. Reeds nu doe ik u het verzoek de mogelijkheid om een presentatie (vergelijkbaar met de vermelde presentatie vergelijkbaar met die zoals gegeven op het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te geven aan uw Gemeenteraad. Daaruit zullen de relevantie uit de casus van Dascha -als voorbeeld dus- en de verbanden met het algemeen belang blijken. Waarmee de noodzaak volgt de communicatie te richten op uw Gemeenteraad en daarmee de burgers van Hilversum. Goed overleg daartoe spreekt dan ook graag voor zich: 06-48462230. Het is ook voor te stellen dat u contact opneemt met Minister David van Weel en Staatssecretaris Teun Struycken voor hun standpunten en beleidsinzichten.

Met hartelijke dank en vriendelijke groet,

René Graafsma

---------- Forwarded message --------Van: René Graafsma <mail@renegraafsma.nl> Date: za 28 sep 2024 om 23:43 Subject: DASCHA To: Secretariaat - DJOA <secretariaat.djoa@minjenv.nl>, Anja Graafsma <mail@anjagraafsma.nl>, Regering, Mark Rutte <rvd.pers.mp@minaz.nl> Cc: <a.van.der.heiden@minjenv.nl>, Protocol MinJenV NL - DBO <protocol@minjenv.nl>, <a.s.posthumus@minjenv.nl>, <m.s.scheffer@minjenv.nl>, <w.j.a.uijtdehage@minjenv.nl>, <c.s.van.der.meer@minjenv.nl>, <j.j.w.van.velzen@minjenv.nl>, <r.n.buisman@minjenv.nl>, <l.g.hoogakker@minjenv.nl>, <c.j.hees@minjenv.nl>, <f.l.althof@minjenv.nl>, <d.j.van.dam@minjenv.nl>, <i.m.c.freriksen@minjenv.nl>, <a.l.e.geerts@minjenv.nl>, <d.a.van.loon@minjenv.nl>, <m.g.van.den.eng@minjenv.nl>, <d.b.m.van.bakel@minjenv.nl>, <b.m.a.de.bruin@minjenv.nl>, Dick Schoof <h.w.m.schoof@minjenv.nl>, <secretariaat.sg@minjenv.nl>, Herman Bakkenes <herman4846@gmail.com>, <m.t.planken@minjenv.nl>, <c.n.syrier@minjenv.nl>, <hayat@minfin.nl>, <r.j.f.mikkers@minfin.nl>, <r.koole@minfin.nl>, <l.priem@minfin.nl>, <t.m.cijntje@minfin.nl>, <haverkort@minfin.nl>, <j.wegen@minfin.nl>, <w.m.bakhuizen@minfin.nl>, <j.lowe@minfin.nl>, <j.f.h.sande@minfin.nl>, <j.eikelboom@minfin.nl>, <p.broeke@minfin.nl>, <e.c.s.cool@minfin.nl>, <h.e.stenfertkroese@minfin.nl>, <s.demirhan@inspectiebtd.nl>, <pers@belastingdienst.nl>, <fiod.persvoorlichting@belastingdienst.nl>

Geachte heer, mevrouw,

Ter verdere behandeling: ziet u svp de bijlagen (6). Het basisdocument is bijlage 00......

Met hartelijke dank en vriendelijke groet,

René Graafsma

Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden Juridische Bestuurlijke Operationele Zaken Mevrouw Sharon Prins, Mevrouw Anna Lodeweges, De heer Rob Huijser, Mevrouw Anneke van Dijk, De heer Christian Syrier, Mevrouw Marieke Planken, Uw referentie 5775340

Bilthoven, 28 september 2024 Middels u, als persoonlijk geadresseerden, ter attentie van: De heer David van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid, De heer Teun Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming, De heer Eelco Heinen, Minister van Financiën, De heer Eppo Bruins, Minister van Onderwijs en Wetenschappen, De heer Dick Schoof, Minister van Algemene Zaken, Minister President, per email: secretariaat.djoa@minjenv.nl (met voor zich sprekende CC’s). (Verzoek aan het secretariaat: graag uw bevestiging van ontvangst en doorzending aan de persoonlijk geadresseerden, >>>>>> en ook direct aan de RVD (waaraan tevens het verzoek om een bevestiging van ontvangst en doorzending aan de persoonlijk geadresseerden, ....... waarvoor dank!).

Geachte heer Van Weel, zijne excellentie, Geachte heer Struycken, zijne excellentie, (als tevens op de rechtsbescherming betrokkene),

Hartelijk dank voor uw brief van 26 september 2024 als reactie op onder andere mijn e-mailberichten van 21 en 30 augustus en 3, 6, 11, 15 en 23 september 2024 (dank u voor de bevestiging van ontvangst!)en de daaraan vooraf gaande berichten als ook het gesprek met uw directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving en de directeur van de Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden d.d. 23 juli 2024. Het wordt op prijs gesteld dat u tevens de correspondentie vermeld met de advocaten van Dascha.

1

Echter met uw in de brief geformuleerde antwoorden kan ik onmogelijk een juist verslag doen, van het gesprek en het geheel van uw reacties en antwoorden, aan de advocaten van Dascha. Ik kom voor schut te staan bij hen, nu het in deze alleen maar gaat om eerst de vraag “Wat is er echt gebeurd?” om daarna pas over te gaan tot de vraag “Who done it?”. Men mag van mij de juiste inzet verwachten op een correcte beantwoording van u voor het eerste traject gedeelte. (Overigens het tweede traject ‘ligt al voor’). Daarom graag het volgende. Voor u was het gesprek bedoeld als gelegenheid om onze eventuele vragen over uw brieven van 29 augustus 2023 (met kenmerk 4848193), 11 september 2023 (met kenmerk 4892988) en 19 juni 2024 (met kenmerk 5559890) te beantwoorden en indien gewenst de inhoud van de brieven te verduidelijken. Dit betrof met name de verhouding tussen het openbaar ministerie en de minister van Justitie en Veiligheid en waarom u zich als minister van Justitie en Veiligheid niet mengt in individuele zaken – ook niet in het geval van Dascha. >>>> Herhaald zal blijven worden dat u zich niet van de materie kunt blijven vervreemden, vanwege het algemeen belang dat met uw juiste betrokkenheid behoort ter worden gediend.

Benadrukt wordt en is steeds dat Dascha slechts als een voorbeeld, van vele vergelijkbare zaken, waarbij het opportuniteitsbeginsel in zijn bedoelingen wordt bezoedeld door machtsmisbruik en manipulaties, dient te worden gezien. Uw automatismen om naar het OM en de politie te blijven verwijzen passen niet als ook het OM en de politie in de ‘crime-scripting’ (Boom, ISBN 978-90-4730-234-6) blijken te moeten worden opgenomen. Daar waar opzettelijk en gewetenloos de rechtsmiddelen worden verkracht helpen de beste advocaten en de meest eerlijke rechters ook niet meer. Er zijn zoveel vergelijkbare zaken die ook door het EVD-team ook zijn onderzocht en tot gelijke conclusies leiden. Het gaat om een algemeen (rechtstatelijk) belang en om ‘mensenrechten’! Juist ook als de mens door systeemkrachten, of in symboliek vergelijkbaar het lichaam door een trein, is gefragmenteerd. U schrijft: “Met dit gesprek hebben wij getracht om, in aanvulling op meerdere schriftelijke uitwisselingen, direct met u in contact te treden, uw vragen te beluisteren en duidelijkheid te verschaffen over de rol en positie van de minister van Justitie en Veiligheid. Tijdens het gesprek bent u in de gelegenheid gesteld uw verhaal te delen, mede aan de hand van een presentatie.” >>> Dit was, is en wordt zeer op prijs gesteld.

Met wel de aanhoudende aantekening dat uw weigering om de advocaten van Dascha eveneens aanwezig te laten zijn als een onnodige en beschamende tekortkoming wordt gezien in de nakoming van de erkenning van de waarde van het leven en de dood van Dascha. De betreffende advocaten zijn echt heel aardige mensen maar vooral ook echte professionals die niets anders beogen dan het met elkaar vaststellen van “Wat is er echt gebeurd?”. Ze zijn immers de advocaten van Dascha, en die is (al) dood, dus kan zichzelf niet vertegenwoordigen laat staan verdedigen. Daarbij: de aannemelijkheid van moord, met een epistemologisch / methodologisch volwassen kader en aanhoudende (empirische) cycli van falsificatie / affirmatie is door het collectief van het EVD-team met een BVI-waarde per heden, naar de huidige stand van wel verricht onderzoek, aangenomen op > 9100). Dat brengt met zich mee dat het toch wel minstens naar redelijke verwachting zo zou moeten zijn dat u ook zelfdenkend, niet delegerend, optreedt. Wat kan er de oorzaak van zijn dat u nog steeds niet in voldoende mate geïnformeerd blijkt te zijn om gemotiveerd te kunnen besluiten ten aanzien van de alleen

2

aan u persoonlijk toegekende discretionaire bevoegdheden, ex artikel 1 onder lid f jo. artikel 127 Wet RO? (Zie hieronder ‘de notulen’). Verder schrijft u: “Daarnaast lees ik in uw recente e-mailberichten een herhaling van de twee verzoeken die eerder op 26 juli 2024 door uw advocaat werden gedaan. Dit betreffen verzoeken tot het ter beschikking stellen van het volledige dossier van het openbaar ministerie en het laten verrichten van onderzoek door de Rijksrecherche. In mijn reactie van 6 augustus 2024 (met kenmerk 5679070) heb ik aangegeven waarom ik niet op deze verzoeken in ga. Hierin heb ik gezegd dat het aan het openbaar ministerie is een verzoek tot verstrekking van het dossier te beoordelen en dat hierbij voor mij als minister van Justitie en Veiligheid geen rol is weggelegd. Ook heb ik aangegeven hierbij geen aanleiding te zien om gebruik te maken van mijn bevoegdheid tot het geven van algemene of bijzondere aanwijzingen betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.” Daarnaast heb ik uitgelegd dat over de inzet van de Rijksrecherche wordt beslist door de Coördinatiecommissie Rijksrecherche, die wordt voorgezeten door een lid van het College van procureurs-generaal van het OM. Ook daarbij is voor mij als minister van Justitie en Veiligheid geen rol weggelegd.

Ik heb naar aanleiding van de herhaling van uw verzoeken, geen toevoegingen op mijn brief van 6 augustus 2024. >>>> Of er voor u geen rol is weggelegd? Dat kan een vraag zijn als men niet wil ‘dat de slager, met een voorzitterschap van de Coördinatiecommissie Rijksrecherche vanuit het OM, ‘dezelfde slager is die zijn eigen vlees keurt’. Helemaal nu er een verzoek ligt, maar weer herhaald, tot toepassing van uw discretionaire bevoegdheid ex artikel 1 onder lid f jo. artikel 127 Wet RO terwijl blijkt dat u de juiste informatie niet bereikt en er sprake is van ongeremd en onbeantwoord blijvend liegen, bedriegen, verduisteren, bedreigen, enzovoort. Welke verschijnselen zich ook voordoen in vergelijkbare zaken en daarmee een systemisch karakter hebben. Hoe kan u dan – algemeen gesproken – geloofwaardig en gemotiveerd een besluit nemen? En u schrijft: “Ik zie ook geen reden om in te gaan op uw uitnodiging tot een werkbezoek, waarin u mij in kennis wilt stellen van bepaalde zaken. Hiertoe bent u in de gelegenheid gesteld tijdens het gesprek op 23 juli 2024. >>>> Jammer. Vooralsnog mist u de pointe. De gelegenheid is er helemaal niet voldoende geweest en de gemitigeerde omstandigheden - de weigering van de aanwezigheid van de advocaten van Dascha, het verbod tot wettelijk wel toegestane opnamen, de zeer beperkte tijd, enzovoort - maakten er een handeling voor de buhne van.

(Te vergelijken met een geënsceneerde ‘Second Opinion’ en ‘Reflectie’. Met een vervolg in een onderhandelingsaanbod “Laten we er een ongeval van maken”). Plus: “Aan u is meermaals uitgelegd waarom ik niet in kan gaan op uw verzoeken. Ik zal mij niet mengen in deze zaak en daarom zal verdere brief- en/of mailwisseling naar mijn oordeel slechts leiden tot een herhaling van zetten. Verdere correspondentie van uw kant over deze zaak waarin geen nieuwe gezichtspunten worden aangevoerd, zal op mijn ministerie daarom ter kennisgeving worden aangenomen. U zult daar geen (inhoudelijke) reactie meer op ontvangen. >>>> Conform de RO/RJ-factoren is dat duidelijk. U vraagt dus om nieuwe gezichtspunten. Welnu, deze zijn tijdens het gesprek van 23 juli gegeven, maar – zo zal u zien - niet genotuleerd. Dus wederom bereiken u de juiste berichten niet. Ziet u svp de opmerkingen bij de notulen. Eén aanvullend voorbeeld: “Al daags na de dood meldde zich een bron,

3

herleidbaar naar het OM – volgens consequente lijn in het dossier benoemd als ‘de tante’ wiens verhaal werd verstrekt door een andere medewerker van het OM - in het dossier consequent aangeduid als ‘Anouk’ – met de waarschuwing dat op het OM de zaak van Dascha gekwalificeerd zou worden als een zelfmoord terwijl men wist dat daar geen sprake van was. De melding was dat er een framing gedaan zou worden – zoals we nu weten van professionals van het CID ((lid van het EVD-team) )heet dat ‘het in gang zetten van een schaduwprotocol’ - van een zelfmoord. Vervolgens meldde zich, ongevraagd, het heerschap PR de Vries en kornuiten zich om hun diensten aan te bieden. Tja, dat hebben we geweten, zoals ook in de presentatie opgenomen, tot op elk denkbaar (media-)niveau werden de bijbehorende leugens uitgemunt. (Je vraagt je toch of tot wat voor een afgetrokken stuk drek van de mensheid je moet zijn vervallen om je te laten gebruiken om van de dood van een meisje van 16 een zelfmoord ‘in elkaar te zetten’. Wat een tuig). Ziet u svp voor een verder vervolg mijn meest recente bericht aan de heer Schoof. U begrijpt nu misschien meer waartoe ‘de gelegaliseerde verklaring (bijlage 01….) onder andere dient. Eén van de genoemde CID-specialisten heeft een ‘safe-house-constructie’ voor mij geregeld. Daar zal onder de huidige omstandigheden hoe dan ook geen gebruik van gemaakt kunnen worden.

Respectievelijk de aanstaande geboorte uit m’n dochter Dominique verhindert dat en ook de verstoring van de orde als gevolg van de beenbreuk door een tumor bij mijn kleinzoon Ferre (8) verdraagt zich niet met dergelijke bewegingen. Meer praktisch: met aanstaande publicaties aangaande ‘de anexis’ in het vooruitzicht is dat ook al helemaal niet handig, met het aanhangende belang tot vertegenwoordiging op het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschap. En: “Het blijft u vrij staan zich tot mijn ministerie te wenden met betrekking tot eventuele overige onderwerpen. Voor vragen of opmerkingen met betrekking tot aangiften kunt u zich richten tot de politie en/of het openbaar ministerie. >>> Dat is fijn, maar het heeft geen zin. Bij de politie en het OM gaat alles wat door het EVD-team wordt aangeleverd ongelezen het dossier in, zoals u weet. In andere zaken wacht ik nog op, wel met vertrouwen overigens, op de inzet van de FIOD. Een vervolg op correspondentie betreffende ‘overige onderwerpen’ kunt u per 5 uiterlijk 6 oktober aanstaande tegemoet zien. Ik ben zo vrij geweest vanwege de uiteindelijke confluenties (die zullen blijken) uw gerelateerde collega’s in de adressering op te nemen. Met als vriendelijk verzoek aan uw secretariaat zorg te dragen voor doorzending aan hen als persoonlijk geadresseerden en deze doorzending te bevestigen.

De gemeenschappelijk factor is het ‘gedonder met het opportuniteitsbeginsel c.a.’. En tot slot: “Ik hecht eraan te herhalen dat ik besef dat u met het overlijden van uw dochter een vreselijk verlies te verwerken hebt. Ik wens u en uw naasten daarbij veel sterkte. >>> Dank u voor uw beleefdheid. Mooi hoor. Inderdaad is er om de notulen van het gesprek verzocht. Het bedoelde gespreksverslag is als bijlage bij uw brief inderdaad aangetroffen. U vermeldt dat “eventuele opmerkingen die bij dit gespreksverslag, zullen als bijlage bij het gespreksverslag in het digitaal archief van mijn ministerie worden gevoegd.” >>>> Die toevoeging aan uw digitaal dossier: dat is fijn. Het ontvangen van de notulen van het gesprek bevond zich al in een vanzelfsprekende verwachting. Immers er moet verslag gedaan kunnen worden aan de advocaten van Dascha, van wie u helaas de aanwezigheid hebt geweigerd zonder sluitende motivering. De bedoeling van notulen en

4

het ‘door allen vaststellen daarvan’ is om tot de registratie te komen dat alle deelnemers het gesprek op gelijke wijze hebben kunnen beoordelen, aan de hand van de juiste vastlegging van het gesprokene / besprokene en de genoemde feiten. Dit zowel ten opzichte van de tekst als ‘naar aanleiding van’. Helaas blijken de notulen naar de eerst rubriek niet adequaat opgesteld. Ook hier verwacht ik tot echt wel van u dat er daarover geen verschil van mening is. Immers bij afwijkingen kan men zich afvragen wat de notulist heeft bewogen de tekst te manipuleren, in wiens opdracht, met welk doel, enzovoort? De politie Hilversum (= “Als je het onderzoek naar Dascha voortzet dan maken we je kapot!) had naar een grote behendigheid in. Reden genoeg om u te vragen de gemaakte (geluids-)opname te mogen ontvangen. Ziet u verder svp de gemaakte aantekeningen bij de van u ontvangen notulen, de het gevraagde herstel van de omissies. Graag verneem ik van u of de notulen met de gemaakte opmerkingen en na het herstel van de omissies als zodanig wederzijds kunnen worden vastgesteld, ten behoeve van de juiste overdracht aan de advocaten van Dascha. (Bijlage 05….).

Aan de hand van het complete oeuvre aan correspondentie (binnen het OM spreekt men, zonder dat men weet dat ik het weet, over en van ‘de riedel van Graafsma’, ‘die galbak’, ‘die lul’) zal ik deze dagen een actielijst maken en ter gemeenschappelijke vaststelling aan u voorstellen opdat die dan tevens aan uw digitaal dossier kan worden toegevoegd. Tot slot, graag, een ‘mantra-systeemanalyse’ en een verzoek als aanreiking voor een nadere gedachtewisseling: “Ze spelen een spel, ze spelen het spel dat ze geen spel spelen. Als je niet mee doet, word je verstoten, als je wel meedoet, dan word je gek”. Maar dat ‘verstoten’ en ‘gek worden’ hoeft niet te gebeuren. Daarom het verzoek deze notitie, met uw toelichting, ook door te sturen naar uw Tweede en Eerste Kamerleden. Uit hen zijn de u al bekende Kamervragen gesteld, welke door uw voorgangers zijn beantwoord. Overigens zien we nu dat de daarbij gedane toezeggingen niet worden nagekomen. Dat is toch wel teleurstellend en onpraktisch. De Kamerleden zullen gevraagd worden de nakoming van uw voorgangers te bevorderen. Ik zal zelf de notitie ook naar uw Tweede en Eerste Kamer (leden) sturen. In het bijzonder naar de leden van de Commissie Justitie en Veiligheid. Zoals uit de genoemde Kamervragen vragen blijkt hebben de vele soortgelijke gevallen al de betrokken aandacht van een praktisch volledige Kamer.

Van elke fractie heb ik wel, direct of indirect, de leden mogen spreken. Het thema is geen politiek onderscheidende kwestie. Met de huidige actualiteit ligt het Dascha-voorbeeld bij drie recent geïnformeerde Kamerleden. Zoals we dat inmiddels betekenisloos zeggen ‘van links, tot midden, apart, tot rechts’.

5

Aan deze drie zal ik de notitie rechtstreeks sturen. Middels hen zal ik vragen om aan uw Kamerleden te vragen, aan de leden van de Commissie Justitie en Veiligheid in het bijzonder, een presentatie te mogen verzorgen. Zoals aan u gegeven, maar tevens uitgebreid door en met materiaal van overige EVD-teamleden. Deze ‘totaal-presentatie’ kan dan natuurlijk heel goed met uw Ministerie, de juiste personen van het OM, de juiste personen van de politie, vertegenwoordigers van de politiebonden, enzovoort, worden voorbereid. Voor een aanvullend en nader kader, dat komt wel naar de diverse gremia toe, wil ik graag onder uw aandacht brengen: - ten aanzien van maar één ander voorbeeld: ‘Sharleyne’, ECLI:NL:GHARL:2017:2315 (bijlage 02…..); - ‘De Zeeuwse Motorrijder’, als voorbeeld van de strekking, het elastieken karakter, van het opportuniteitsbeginsel: “Volgens de Hoge Raad strekt artikel 12 Sv er toe om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het OM aan rechtelijke controle te onderwerpen. De Hoge Raad stelt dat er onvoldoende recht aan de strekking van artikel 12 Sv wordt gedaan indien het hof niet kan toetsen welk strafbaar feit ten laste gelegd zou moeten worden. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat het hof een volledige toetsingsbevoegdheid heeft.

Het hof dient namelijk, indien het hof daar redenen toe ziet, de beslissing te nemen die eigenlijk door de officier van justitie genomen had moeten worden. De Hoge Raad oordeelt dat onder deze beslissing tevens de keuze voor een bepaald strafbaar feit valt en dat het hof derhalve kan bepalen welk strafbaar feit opgelegd moet worden. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof “ ECLI:NL:HR:1996:ZD0502 (bijlage 03…..); - de motiveringsplicht: ECLI:NL:HR:2021:1662 (bijlage 04……). Ten aanzien van de motiveringsplicht: mijn mening is dat deze ook moet gelden voor uw besluiten ten aanzien van de aan u als Minister van Justitie en Veiligheid, in persoon want door wet aan u persoonlijk discretionair bepaald, aanwijzingsbevoegdheden. Alsmede het wel of niet inschakelen van de Rijksrecherche, in het bijzonder bij zaken waarbij het OM en de politie zelf object en subject van onderzoek behoren te zijn. Formuleringen als ‘geen aanleiding zien’ en ‘geen rol te hebben’, ‘ik zal me niet mengen’, ‘naar mijn oordeel’, ‘mijn Ministerie bergt de stukken op zonder dat ik deze zelf gezien heb’, enzovoort, zonder sluitende motivatie, slaan nergens op. Bij herhaling: graag verzoek ik u andermaal direct de gevolgen van de genoemde bedreigingen, de transculpaties en andere oorzaken van schadevergroting serieus te nemen.

Ik zal met mijn contacten bij de Rijksrecherche contact opnemen over de mogelijkheden van de aanvullende aangiften. Uw informatie ter zake verschilt van die van uw voorganger. Uitziende naar uw vervolg op de aandachtspunten, ……….

met hartelijke groet en dank,

René Graafsma E. mail@renegraafsma.nl M. 06-48462230

6

ECLI:NL:GHARL:2017:2315 Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

23-03-2017

Datum publicatie

23-03-2017

Zaaknummer

K15-1068

Rechtsgebieden

Strafprocesrecht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Bevel art. 12 Sv ter zake van moord c.q. doodslag door moeder na overlijden 8jarige dochter als gevolg van val van flat in Hoogeveen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl EeR 2017, afl. 3, p. 121

Uitspraak Klachtnummer 15/1068 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Beschikking d.d. 23 maart 2017 inzake de klacht van:

[klager] , woonplaats kiezende ten kantore van mr. L.H. Poortman-de Boer, advocaat te Groningen, hierna te noemen klager,

ter zake van het uitblijven van een strafvervolging tegen

[beklaagde] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen beklaagde.

Het procesverloop De klacht is bij het hof binnengekomen op 23 november 2015.

Ingevolge de beschikking van dit hof d.d. 24 november 2015 heeft de advocaat-generaal, onder overlegging van de processtukken, schriftelijk verslag gedaan.

Klager is, bijgestaan door mr. Poortman-de Boer voornoemd, op 25 mei 2016 door één van de leden van het hof in raadkamer gehoord.

Beklaagde is opgeroepen teneinde haar in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in de klacht gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. Beklaagde heeft laten weten geen gebruik te maken van de haar geboden gelegenheid om op 12 oktober 2016 te worden gehoord. Wel is de advocaat van beklaagde mr. P.Th. van Jaarsveld, in raadkamer verschenen

Namens het openbaar ministerie is zowel op 25 mei 2016 als 12 oktober 2016 de advocaat-generaal mr. M.C. Weel in raadkamer verschenen.

De motivering De inhoud van de klacht 1. De klacht richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie, beklaagde niet te vervolgen ter zake van (medeplichtigheid aan) moord dan wel doodslag, volgens klager gepleegd op 8 juni 2015 te Hoogeveen.

Het standpunt van de advocaat-generaal 2. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de klacht dient te worden afgewezen wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling 3. Ter zake van het feit waarop de klacht betrekking heeft, is door de politie Noord-Nederland een onderzoek ingesteld, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een dossier. 4. Uit de inhoud van voormeld dossier blijkt dat op 8 juni 2015 omstreeks 1.23 uur bij de meldkamer Noord-Nederland een melding binnen kwam van [naam 1] over een meisje dat op de grond voor de flat

[naam complex] te Hoogeveen lag. Ter plaatse troffen politie-eenheden het levenloze lichaam aan van [slachtoffer] , de op 15 mei 2007 geboren dochter van beklaagde. Klager, die tussen 2006 en 2012 een relatie met beklaagde had, had [slachtoffer] , hoewel hij niet haar biologische vader was, als zijn kind erkend.

5. In een proces-verbaal van bevindingen relateert verbalisant [verbalisant 1] dat hij ter plaatse uit zijn dienstvoertuig stapte toen hij een man hoorde zeggen: "Daar loopt de moeder van het kindje". [verbalisant 1] zag een vrouw, naar later bleek beklaagde, vanaf de hoofdingang van de flat in de richting van een zwarte Peugeot op de parkeerplaats lopen. [verbalisant 1] en zijn collega [verbalisant 2] liepen naar beklaagde, die een bos met sleutels in haar handen had en het bestuurdersportier van de Peugeot probeerde te openen. [verbalisant 1] vroeg beklaagde wat ze aan het doen was. Beklaagde keek hem verdwaasd, met rooddoorlopen ogen aan. Haar adem riekte naar inwendig gebruik van alcohol. Ze was onvast ter been en liep op blote voeten. Beklaagde zei dat ze een sigaret wilde en dat die in de auto lagen. Beklaagde droeg iets onder haar hemd, ter hoogte van haar broeksband, naar later bleek twee flesjes bier. Ze begon te huilen en zei dat ze haar meisje wilde zien. Nadat beklaagde de cautie was gegeven, verklaarde ze dat ze die middag ruzie met haar dochter had gehad en dat haar dochter had gezegd dat ze haar moeder haatte. Beklaagde had een afscheidsbriefje van haar dochter in de woning zien liggen. Beklaagde verklaarde dat ze bier had gedronken en had liggen slapen. 6. [slachtoffer] werd aangetroffen op ongeveer 2 meter afstand van de gevel van de flat.

Ze droeg een roze korte broek en een wit met roze gestreept t-shirt. Ze lag op haar rechter zij met haar linker hand over haar hoofd. Een paar meter van het lichaam lag een geelkleurige knuffel. [adres] , waar [slachtoffer] met haar moeder woonde, betreft een flatwoning op de tiende verdieping van een flatgebouw dat uit elf verdiepingen bestaat. Er is een centrale toegang voor bewoners die een sleutel hebben. Het licht op de galerij voor de woning knipperde. De galerij is voorzien van een balustrade, gemaakt van een metalen verzinkt hekwerk. Op een hoogte van 105 cm loopt een horizontale buis en op een hoogte van 20 centimeter een horizontale strip. Daartussen zitten verticale spijlen met een onderlinge afstand van 11 centimeter. Op de bovenste horizontale buis werden twee veegsporen aangetroffen met een onderlinge afstand van 44 centimeter. De verlichting in de woning was uit. De woning maakte een rommelige indruk. Er waren geen sporen van geweld of een worsteling. De slaapkamer van [slachtoffer] lag aan de galerijzijde. Het bed leek beslapen en het naar binnen draaiende raam stond open. De bovenste grendel stond op de 'open' stand en de onderste grendel op de 'gesloten' stand. Op het kozijn werden geen vingersporen van bruikbare kwaliteit aangetroffen. Op de vensterbank werden, behalve veel sporen van kattenpootjes, geen bruikbare sporen aangetroffen.

Onder het raam stond een plastic poppenhuis, dat als opstap zou kunnen dienen. Daarop werden geen sporen van voetafdrukken aangetroffen. Niet bevestigd kon worden of iemand recentelijk vanuit de slaapkamer naar buiten was geklommen. Naast het bed lag een wit vel papier van A-4 formaat met daarop met blauw geschreven het woord 'liefste'. Daaroverheen stond met roze letters 'mama ik haat je'. Op het bed lag een soortgelijke knuffel als de knuffel die in de nabijheid van het lichaam van het meisje was aangetroffen. Het tweepersoonsbed in de slaapkamer van beklaagde leek eveneens beslapen. In de keuken op het aanrecht stonden twee lege bierflesjes. In de prullenbak in de keuken lagen bovenop twee lege bierflesjes en een lege fles Martini. 7. In opdracht van de officier van justitie vond op 9 juni 2015 een gerechtelijke sectie plaats door forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het intreden van de dood werd door deze arts verklaard op grond van uitgebreide weefselschade aan de hersenen en longen met functieverlies van deze vitale organen, opgelopen in het kader van bij leven doorgemaakt hoogenergetisch trauma, zoals bij een val van een hoogte of een transportongeval kan worden opgeleverd. 8.

[naam 1] , die de dood van [slachtoffer] als eerste bij de politie meldde, verklaart dat hij die nacht bij zijn moeder, woonachtig op de tweede verdieping van [adres] , sliep. Om 1.00 uur werd hij wakker, rookte een sigaret en ging weer naar bed. Toen hij een raar geluid hoorde - hij dacht eerst dat er een vuilniszak naar beneden werd gegooid - ging hij buiten kijken. Daar trof hij [naam 2] , de buurman van [adres] . [naam 1] zag vlak voor de flat iets liggen, naar hij vermoedde een persoon. Hij trok zijn broek aan, pakte

zijn telefoon en sleutels en rende op blote voeten naar beneden. Ondertussen belde hij 112. Meteen nadat hij had opgehangen, keek hij omhoog en zag een vrouw vanaf de negende verdieping, die waar de lamp flikkerde, over de reling kijken. Hij schrok van haar en zij leek van hem te schrikken. Hij en [naam 2] gingen op straat staan. [naam 1] had meteen het idee dat de vrouw bij het meisje hoorde. Hij hoorde een deur en zag de vrouw in de richting van de liften rennen. Daarna zag hij de vrouw de flat [adres] , op de tweede verdieping, binnengaan. Heel kort daarna kwam ze weer naar buiten. Ze rende en leek in paniek. 9. [naam 2] verklaart dat hij die nacht omstreeks 1.30 uur een doffe knal hoorde. Hij liep naar buiten en zag zijn buurman [naam 1] over de reling kijken. Hij zei dat er beneden iemand lag. [naam 2] pakte zijn sleutels en liep via het trappenhuis naar beneden en zag een jong meisje liggen. [naam 2] belde de politie. [naam 2] dacht dat er misschien nog wel iemand zou springen. Hij en [naam 1] gingen op straat staan. Kort daarna zagen ze op de negende of tiende verdieping een jonge vrouw naar buiten lopen. Het staat hem vaag bij dat ze nog over de reling keek. Daarna ging de vrouw naar [adres] op de tweede verdieping. Hij zag haar daar naar binnen gaan. Toen ze weer naar buiten kwam, liep ze naar haar auto en deed de kofferbak open.

Toen de politie kwam, wees [naam 2] de agenten op de vrouw. 10. In zijn aangifte verklaart klager dat hij het uitgesloten acht dat [slachtoffer] zichzelf iets aangedaan heeft en dat hij ervan overtuigd is dat beklaagde betrokken is geweest bij haar dood. 11. Beklaagde heeft zich in alle verhoren bij de politie op haar zwijgrecht beroepen. 12. Na het overlijden van [slachtoffer] is onder de naam 'Markab' een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarbij gewerkt is met de volgende drie scenario's: 1) er is sprake van zelfmoord 2) er is sprake van een ongeluk, bijvoorbeeld als gevolg van slaapwandelen 3) er is sprake van een levensdelict.

13. Op 29 november 2016 ontving het hof via mr. Poortman-de Boer de resultaten van een in haar opdracht door het AC Kenniscentrum uitgevoerd onderzoek naar de mogelijke toedracht van het overlijden van [slachtoffer] . Allereerst is door de onderzoekers een klimexperiment uitgevoerd, waarbij negen kinderen tussen de zeven en twaalf jaar met een gemiddelde lengte van 1.30 m in een gymzaal over de legger van een brug moesten klimmen. De legger maakte onderdeel uit van een opstelling, die grotendeels overeenkwam met de balustrade van het flatgebouw [naam complex] te Hoogeveen. Alle deelnemers kozen voor een methode waarbij zij met de buik richting de denkbeeldige gevel stonden en alle kinderen plaatsen minstens één hand - maar meestal twee - op de legger van de brug. Indien [slachtoffer] over de reling geklommen zou zijn, zou een duidelijker dactyloscopisch spoort te verwachten zijn, aldus de onderzoekers. Daarnaast hebben de onderzoekers een valreconstructie uitgevoerd in een leegstand flatgebouw in Amsterdam, waarbij drie dummies zijn gebruikt die in totaal zestien keer in verschillende aanvangsposities vanaf de negende verdieping naar beneden zijn geworpen.

De conclusie luidde dat de resultaten van het experiment met een aanvangspositie waarbij de dummie actief in horizontale liggende positie over de reling werd geworpen het meest overeenkwam met omstandigheden waarin het slachtoffer werd aangetroffen. 14. Door het openbaar ministerie en de advocaat van beklaagde zijn vraagtekens gezet bij de door het AC Kenniscentrum gebruikte onderzoeksmethodes, de specifieke expertise van de deskundigen die het onderzoek hebben uitgevoerd en de door hen getrokken conclusies. Hoewel het hof de ook door de onderzoekers toegegeven noodzakelijkerwijs beperkte opzet van het onderzoek onderkent, wil dat niet zeggen dat aan dit onderzoek geen enkele zeggingskracht kan worden toegekend. Uit het dossier lijkt geen andere redelijke verklaring voor de val van [slachtoffer] naar voren te komen zodat scenario 3 door het hof als het meest waarschijnlijke scenario wordt beschouwd.

15. [slachtoffer] bevond zich de betreffende nacht in de woning van beklaagde en stond onder haar zorg en toezicht. Er zijn geen sporen in of rondom de woning aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van andere personen ten tijde van de val. Het stilzwijgen van beklaagde draagt bij aan die opvatting. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat toen [slachtoffer] de woning op welke wijze dan ook verliet, alleen beklaagde zich daar bevond. Vast staat bovendien, gezien de getuigenverklaringen, dat beklaagde zich, onmiddellijk na de val, op de galerij bevond. Naar het oordeel van het hof is er derhalve een redelijk vermoeden dat beklaagde betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] en vergt het openbaar belang, nu het hier gaat om een zeer ernstig misdrijf dat de rechtsorde heeft geschokt, dat beklaagde alsnog wordt vervolgd.

De beslissing Het gerechtshof:

beveelt de vervolging van beklaagde ter zake van (medeplichtigheid aan) moord dan wel doodslag, gepleegd op 8 juni 2015 te Hoogeveen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.J. Beswerda, P.W.J. Sekeris en W.M. van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Schwerzel als griffier.

ECLI:NL:HR:1996:ZD0502 Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

25-06-1996

Datum publicatie

26-05-2020

Zaaknummer

103.681

Formele relaties

Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:15

Rechtsgebieden

Strafrecht

Bijzondere kenmerken

Cassatie

Inhoudsindicatie

Artikel 12 Sv-procedure ; klacht niet-vervolging door het Openbaar Ministerie.

Wetsverwijzingen

Wet op de rechterlijke organisatie 98 Wetboek van Strafvordering 12 Wetboek van Strafvordering 456

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1996, 714 met annotatie van T.M.C.J. Schalken VR 1996, 203

Uitspraak 25 juni 1996 Strafkamer nr. 103.681 AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie "in het belang der wet" van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 februari 1995, gegeven op een beklag als bedoeld in art. 12 Sv van: [klager] EN [klaagster], wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking Het Hof heeft [klagers] niet-ontvankelijk verklaard in hun beklag.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de Procureur-Generaal bij de voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet, waarin een middel van cassatie wordt voorgesteld. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. Het beklag [klagers] hebben bij het Hof op de voet van art. 12 Sv schriftelijk beklag gedaan: ter zake van het feit dat het openbaar ministerie te Middelburg [beklaagde] , verder te noemen: beklaagde (die op 30 april 1994 met een door hem bestuurde motorfiets een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan het dochtertje van klagers is overleden) niet heeft willen dagvaarden ter zake van het misdrijf van artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (doodslag) doch wel ter zake van het (lichtere) misdrijf van artikel 36 van de Wegenverkeerswet, subsidiair verkeersovertredingen.

4. Motivering van de bestreden beschikking Het Hof heeft [klagers] in hun beklag niet-ontvankelijk verklaard, na te hebben overwogen: 5. Het hof wil niet nalaten in de eerste plaats nogmaals blijk te geven van zijn oprechte deelneming met het onuitsprekelijke leed dat de klagers, [klagers] , heeft getroffen door het verlies van hun dochtertje [betrokkene 1] . 6. Het vorenstaande neemt niet weg dat het hof de taak heeft het beklag te beoordelen naar de juridische maatstaven aangelegd door de artikelen 12 en volgende van het Wetboek van Strafvordering. 7. In dat kader ziet het hof zich primair geplaatst voor de vraag of klagers in hun beklag kunnen worden ontvangen. 8. Hoewel blijkens mededeling van de procureur-generaal in raadkamer de officier van justitie de oorspronkelijk aan de beklaagde uitgereikte dagvaarding heeft ingetrokken (overigens onder mededeling aan betrokkene dat zulks geen einde van de strafvervolging impliceerde) kan als vaststaande worden aangenomen dat het openbaar ministerie nog steeds voornemens is het door de beklaagde begane feit te vervolgen, en wel primair als misdrijf, te weten handelen in strijd met artikel 36 van de Wegenverkeerswet. 9.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat zich de situatie voordoet, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet. 10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu ook de overige bepalingen van de vierde afdeling van Boek I, titel I van het Wetboek van Strafvordering geen aanknopingspunt bieden om het onderhavige beklag ontvankelijk te verklaren. 11. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of een vervolging ter zake van doodslag in casu al dan niet kansen van slagen heeft komt het hof derhalve niet toe. 12. Het hof merkt echter wel op dat het vorenstaande er niet aan in de weg staat dat klagers zich alsnog wenden tot de procureur-generaal bij dit hof, die – anders dan het hof zelve – als hiërarchiek meerdere in casu in beginsel de bevoegdheid heeft concrete aanwijzingen te geven aan het openbaar ministerie te Middelburg met betrekking tot de vraag welke strafbare feiten in de telastelegging dienen te worden

opgenomen.

5. Beoordeling van het middel 5.1. Volgens art. 167 Sv is het aan het openbaar ministerie overgelaten om, indien het naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek van oordeel is dat vervolging moet plaatsvinden, daartoe zo spoedig mogelijk over te gaan, behoudens het in het tweede lid bepaalde. Hieruit volgt dat het tot de taak van het openbaar ministerie behoort om aan de hand van de resultaten van het opsporingsonderzoek te beoordelen of er voldoende grond bestaat om aan te nemen dat een persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en of deze daarvoor vervolgd moet worden. Indien het openbaar ministerie tot het oordeel komt dat zulks het geval is, zal het – met het oog op een bepaalde wettelijke strafbaarstelling – de feiten en omstandigheden naar de in art. 261 Sv gestelde eisen in de telastelegging moeten omschrijven.

5.2. Uit een en ander vloeit het stelsel voort dat het vervolgingsbeleid bij uitsluiting is voorbehouden aan het openbaar ministerie, als hiërarchisch georganiseerd orgaan van de staat (het monopoliebeginsel) en dat het in beginsel aan het openbaar ministerie vrijstaat om al of niet tot vervolging over te gaan en om te bepalen welk strafbaar gesteld handelen te laste zal worden gelegd (het opportuniteitsbeginsel).

5.3. Dit stelsel heeft voor belanghebbenden bezwaren. Teneinde aan die bezwaren tegemoet te komen, kent art. 12 Sv aan rechtstreeks belanghebbenden de bevoegdheid toe om, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet, daarover beklag te doen bij het in dat artikel nader aangeduide gerechtshof. Art. 12 Sv strekt derhalve er toe om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen, de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie aan rechterlijke controle te onderwerpen.

5.4. Aan deze strekking wordt onvoldoende recht gedaan indien het gerechtshof zich ertoe beperkt acht te onderzoeken of het openbaar ministerie voornemens is een vervolging in te stellen of te doen voortduren ter zake van de uit het opsporingsonderzoek (onderscheidenlijk, ingeval art. 242 Sv van toepassing is, uit het voorbereidend onderzoek) blijkende feiten, ongeacht ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling dat het geval is. Veeleer moet worden aangenomen dat het mede tot de taak van het hof behoort, te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld.

5.5. De parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 8 november 1984 tot herziening van de bepaling van het Wetboek van Strafvordering omtrent het beklag over het niet of niet verder vervolgen van strafbare feiten, Stb. 1984, 551, biedt daaraan steun. De Memorie van Antwoord bij genoemde wet, Kamerstukken II, 1981/1982, 15 831, nr. 6, blz. 13-14, houdt onder meer het volgende in: "In par. 4.2 van de memorie van toelichting heb ik, onder verwijzing naar het rapport van de commissieDuk, uiteengezet wat de grondslag van het vervolgingsbevel van het hof behoort te zijn. De overwegingen van het hof, die kunnen leiden tot het gevraagde vervolgingsbevel, dienen dezelfde te zijn als die welke ten grondslag hadden moeten liggen aan de beslissing van het openbaar ministerie wanneer het die beslissing wèl had genomen. Dit betekent dat het hof niet slechts marginaal, maar in volle omvang de beslissing tot niet-vervolging kan toetsen. Deze ruime toetsingsbevoegdheid komt het hof ook in de bestaande regeling toe. Ook nu is het hof bevoegd het verlangde bevel te weigeren om redenen aan het algemeen belang ontleend, op grond waarvan immers ook het openbaar ministerie van (verdere) vervolging kan afzien. Het hof dient derhalve, wanneer het vervolgingsbevel niet wordt geweigerd, zijn

beschikking op dezelfde gronden te baseren als ware de beslissing tot vervolging door het openbaar ministerie zelf genomen. Ik meen dan ook dat, nu de wetgever enerzijds aan de individuele burger niet de bevoegdheid heeft willen toekennen om zelfstandig een strafvervolging aan te spannen en anderzijds de rechterlijke controle op het sepotbeleid in concrete gevallen aan het hof heeft opgedragen, het hof ook de mogelijkheid moet hebben om de beslissing van de officier van justitie in het individuele geval in haar volle omvang te toetsen. Het hof behoort, indien het daartoe termen aanwezig acht, die beslissing te nemen die naar zijn oordeel aanvankelijk door de officier van justitie genomen had moeten worden. Om die volle beleidstoetsing tot uitdrukking te brengen is in artikel 12k (thans 12i Sv –HR) weloverwogen voor de formulering gekozen dat het hof het vervolgingsbevel kan geven wanneer het van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben".

5.6. Aangezien de beslissing tot vervolging "die aanvankelijk door de officier van justitie genomen had moeten worden" uiteraard betrekking zou hebben gehad op bepaalde wettelijke strafbaarstellingen, dient de beoogde "volle beleidstoetsing" door het hof zich ook daartoe uit te strekken.

5.7. Het middel is derhalve gegrond.

6. Slotsom Uit het hiervoor onder 5 overwogene vloeit voort dat de bestreden beschikking wegens schending van het recht niet in stand kan blijven.

7. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt in het belang der wet de bestreden beschikking; Verstaat dat deze beslissing geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Davids, Keijzer, Bleichrodt en Koster, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 25 juni 1996.

ECLI:NL:HR:2021:1662 Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

09-11-2021

Datum publicatie

09-11-2021

Zaaknummer

20/02775

Formele relaties

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:833 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:2775

Rechtsgebieden

Strafrecht

Bijzondere kenmerken

Cassatie

Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, art. 287 Sr. Motivering van beslissingen inzake voorlopige hechtenis. 1. Afwijzing verzoeken tot schorsing dan wel opheffing van voorlopige hechtenis voldoende gemotiveerd? 2. HR ziet aanleiding enkele opmerkingen te maken over motiveringsplicht bij beslissingen m.b.t. voorlopige hechtenis. Art. 5.1.a en 5.1.c EVRM. Ad 1. Verdachte mist vereist belang bij bespreking van klacht, omdat cassatieberoep wordt verworpen en o.g.v. art. 6:2:2.a Sv de door hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op dag van uitspraak van HR, waarbij in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering zal worden gebracht (vgl. HR:2012:BW7369). Ad 2. Recente uitspraken van EHRM (Maassen t. Nederland, Hasselbaink t. Nederland en Zohlandt t. Nederland), waarin schending van art. 5 EVRM is geconstateerd, zien op situatie waarin vrijheidsbeneming van verdachte plaatsvindt terwijl redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Het gaat dan om situatie a.b.i. art. 5.1.c EVRM. Hof heeft aan voortzetting gevangenhouding van verdachte mede ten grondslag gelegd dat in vonnis in e.a. aan verdachte vrijheidsbenemende straf is opgelegd van ten minste even lange duur als de door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging met door hof bevolen termijn van gevangenhouding. Hof heeft daarmee toepassing gegeven aan art. 75.1, 3e volzin, Sv.

Daarmee is sprake van situatie die niet onder art. 5.1.c EVRM, maar onder art. 5.1.a EVRM valt. Laatstgenoemde bepaling heeft betrekking op detentie na veroordeling door daartoe bevoegde rechter. Dit volgt uit o.m. uitspraak EHRM in Saez t. Nederland. Dit betekent dat genoemde uitspraken van EHRM op andere situatie betrekking hebben dan in onderhavig geval aan de orde is. Vorenstaande laat onverlet dat beslissingen m.b.t. voorlopige hechtenis telkens op de voorliggende zaak toegesneden motivering moeten bevatten. Deze algemene motiveringsplicht komt, als beslissing over voorlopige hechtenis beschikking van raadkamer betreft, tot uitdrukking in art. 24.1 Sv en vloeit ook mede voort uit eisen die art. 78.2 Sv stelt aan bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging van geldigheidsduur daarvan. Volgt verwerping.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2021-0344 met annotatie van J.H.J. Verbaan NJB 2021/3033 RvdW 2021/1110 JIN 2021/180 met annotatie van Oort, C. van NJ 2022/221 met annotatie van J.M. Reijntjes

Uitspraak HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02775 Datum 9 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 september 2020, nummer 20-001284-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt allereerst dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. 2.2 Deze klacht kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2.3 Het cassatiemiddel klaagt verder over de beslissingen die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis. 2.4 Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang. - Artikel 5 lid 1, aanhef en onder a en c van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM): “Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter; (...) c.

indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een

strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;” - Artikel 24 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv): “De beschikking van de raadkamer is met redenen omkleed.” - Artikel 75 lid 1 Sv: “Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De artikelen 65, tweede lid, 66, tweede lid, en 67 tot en met 69, zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op artikel 67 gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.” - Artikel 78 leden 1 en 2 Sv: “1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend. 2.

Het omschrijft zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen en de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen, feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 67a gestelde voorwaarden zijn vervuld.” - Artikel 6:2:2, aanhef en onder a, Sv: “De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in: a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, op de dag waarop de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.” 2.5 De verdachte mist om de navolgende reden het vereiste belang bij een bespreking van deze klacht. De hiervoor besproken klacht over de redelijke termijn in hoger beroep slaagt niet, terwijl namens de verdachte geen andere cassatiemiddelen zijn voorgesteld. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen. Op grond van artikel 6:2:2, aanhef en onder a, Sv zal de door het hof opgelegde gevangenisstraf ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht. (Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369.) 2.6.1 De Hoge Raad ziet niettemin aanleiding nog het volgende op te merken.

2.6.2 De klachten die het cassatiemiddel aanvoert over de beslissingen die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis, zijn gebaseerd op een aantal recente uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) waarin een schending van artikel 5 EVRM is geconstateerd (EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 10982/15 (Maassen t. Nederland); EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 73329/16 (Hasselbaink t. Nederland) en EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 69491/16 (Zohlandt t. Nederland)). 2.6.3 Deze uitspraken van het EHRM zien op de situatie waarin de vrijheidsbeneming van de verdachte plaatsvindt terwijl er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Het gaat dan om een situatie als bedoeld in artikel 5 lid 1, onder c, EVRM. In deze rechtspraak wordt door het EHRM onder meer overwogen dat “justification for any period of detention, no matter how short, must be convincingly demonstrated by the authorities” en dat “the domestic courts’ arguments for and against release must not be “general and abstract”, but contain references to specific facts and the personal circumstances justifying an applicant’s detention” (zie onder meer EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 73329/16 (Hasselbaink t. Nederland), § 69 en § 72).

2.6.4 In de onderhavige zaak heeft het hof – zoals blijkt uit het in de conclusie van de advocaatgeneraal onder 2.4 weergegeven procesverloop – aan de voortzetting van de gevangenhouding van de verdachte mede ten grondslag gelegd dat in het vonnis in eerste aanleg aan de verdachte een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de

verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging met de door het hof bevolen termijn van gevangenhouding. Het hof heeft daarmee toepassing gegeven aan artikel 75 lid 1, derde volzin, Sv. Daarmee is sprake van een situatie die niet onder artikel 5 lid 1, onder c, EVRM, maar onder artikel 5 lid 1, onder a, EVRM valt. Die laatstgenoemde bepaling heeft betrekking op detentie na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. Dit volgt uit onder meer de uitspraak van het EHRM in de zaak Saez tegen Nederland (25 mei 2004, appl. nr. 51197/99), waarin het EHRM heeft geoordeeld: “The Court recalls its constant case-law that, for the purposes of the Convention, detention while an appeal against a conviction by a first-instance court is pending is to be considered as detention “after conviction” within the meaning of Article 5 § 1 (a) of the Convention, even if the detention continues to be considered as detention on remand under domestic law (see, Wemhoff v. Germany, judgment of 27 June 1968, Series A no. 7, pp. 23-24, § 9; B. v. Austria, judgement of 28 March 1990, Series A no. 175, pp. 14-16, §§ 35-40; and Hristov v. Bulgaria (dec.), no. 35436/97, 19 September 2000).” Dit betekent dat de door de stellers van het cassatiemiddel ingeroepen uitspraken van het EHRM op een andere situatie betrekking hebben dan in het onderhavige geval aan de orde is.

2.6.5 Het vorenstaande laat onverlet dat – ook als na de uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg de toepassing van voorlopige hechtenis (mede) komt te berusten op de in artikel 75 lid 1, derde volzin, Sv genoemde grond – beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis telkens een op de voorliggende zaak toegesneden motivering moeten bevatten. Deze algemene motiveringsplicht komt, als de beslissing over de voorlopige hechtenis een beschikking van de raadkamer betreft, tot uitdrukking in artikel 24 lid 1 Sv en vloeit ook mede voort uit de eisen die artikel 78 lid 2 Sv stelt aan bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan.

3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2021.

Schriftelijk verslag gesprek de heer en mevrouw Graafsma 23 juli 2024, 15.30 – 16.45 uur, ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) Toegevoegd: opmerkingen RG, ‘tekstueel’ en ‘naar aanleiding van’. Aanwezigen: - Directeur-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving (hierna: dgRR); - Directeur Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden (hierna: directeur DJOA); - Medewerker DGRR/DJOA; >>>> Deze medewerker is de notuliste. Om de mogelijkheid van een latere getuigenis niet onmogelijk te maken vernemen wij graag de NAW-gegevens van deze mevrouw. Alsmede ontvangen wij graag de geluidsopname. - René Graafsma (vader Dascha Graafsma); - Anja Graafsma (moeder Dascha Graafsma); - Medewerker Slachtofferhulp Nederland, ter begeleiding van familie Graafsma. Verslag: - De directeur DJOA en de dgRR heten de aanwezigen welkom. Alle aanwezigen stellen zich voor; - René Graafsma legt een leeswijzer over, getiteld ‘Zwijgen is voor daders’. De leeswijzer is als bijlage bij dit verslag gevoegd. - René Graafsma geeft aan dat voor hem en voor zijn vrouw Anja de volgende vraag centraal staat: “Wat is er écht gebeurd met Dascha?”. Het lichaam van Dascha, de dochter van René en Anja, is aangereden door een trein. René Graafsma vertelt dat hem heel snel de conclusie werd medegedeeld dat het zelfmoord betrof en dat er geen onderzoek mogelijk was.

René Graafsma vertelt dat hij zelf veel onderzoek heeft laten uitvoeren door diverse onderzoekers en dat de uitkomsten daarvan op een andere conclusie duiden. René Graafsma zegt dat hij met die resultaten bij het openbaar ministerie voor een dichte deur staat en dat wordt geweigerd dit onderzoeksmateriaal in ontvangst te nemen. Zo komen de resultaten van dit onderzoek niet bij de juiste beslissers van het openbaar ministerie terecht en zijn de onderzoeksresultaten ook niet betrokken bij het second opinion onderzoek en de reflectiebijeenkomst. De familie Graafsma is ervan overtuigd dat het overlijden van Dascha geen zelfmoord maar moord betreft; >>>> Naar aanleiding van: de genoemde overtuiging ontstaat op de tijdlijn door het berekende resultaat van de scenarioanalyses door het EVD-team met ,per heden van de onderzoeksresultaten, een BVI-waarde van > 9100. Dus: niet als ‘wensuitkomst’, maar als een zelfstandige beoordeling door deskundigen van het EVD-team.

- René Graafsma licht toe dat de aangifte die hij bij de politie heeft gedaan niet op een juiste wijze is afgehandeld; >>>> Waarvan akte. De inhoud van de toelichting is niet genotuleerd. - René Graafsma geeft aan dat hij snapt dat de minister van JenV niets kan zeggen over individuele zaken, maar dat er hier sprake is van een patroon. Wanneer dit patroon wordt erkend kan de conclusie worden getrokken dat dit patroon ook een rol heeft gespeeld bij Dascha; >>>>> Naar aanleiding van: dit onderstreept het algemeen belang. Er zijn zoveel meer soortgelijke zaken. - René Graafsma vraagt wat de directeur DJOA en de dgRR hebben gezien en gelezen in de voorbereiding op dit gesprek. De dgRR geeft aan dat JenV beschikt over brieven en e-mails die met René Graafsma zijn gewisseld door JenV en het OM, maar niet over het politie- of justitiedossier. JenV beschikt niet over dergelijke dossiers in individuele zaken. >>>> Naar aanleiding van: de vraag is dan op grond waarvan de Minister en zijn Staatssecretaris dan zelfstandig, zoals de wet vraagt, gemotiveerde beslissingen kunnen nemen? - De dgRR geeft desgevraagd aan dat voor JenV het doel van het gesprek is om René en Anja Graafsma aan te horen. >>>> Naar aanleiding van: dat is fijn, …… en dan? - De directeur DJOA vraagt of René en Anja Graafsma professionele ondersteuning hebben (gehad) bij hun rouwverwerking.

René Graafsma geeft aan van niet, maar dat hij juist door anderen wordt benaderd voor hun rouwverwerking. Anja Graafsma geeft aan alleen te willen praten met mensen die Dascha kunnen terugbrengen; >>>> Naar aanleiding van: we zitten niet op ‘procedureel meejanken’ te wachten. Openings- en slotzinnen dat men het ook allemaal zo verschrikkelijk vindt hebben geen betekenis als dit allemaal slechts voor de vorm en de buhne is. Voor de rest: “We delen het leven”. - René Graafsma vertelt vervolgens gedurende circa vijftig minuten zijn verhaal en doet dit door middel van een presentatie op zijn laptop met meegenomen luidsprekerboxen, aan de hand van vele digitale slides met daarbij ook geluidsfragmenten, foto’s en filmpjes. Anja Graafsma heeft tijdens een deel van de presentatie de ruimte verlaten. Omdat René Graafsma aangaf dat deze presentatie aan JenV wordt nagezonden is de inhoud ervan niet apart in dit verslag opgenomen, maar zal als bijlage bij dit verslag in het archief van JenV worden gevoegd*; >>>> De benoemde ‘leugens’, ‘manipulaties’ (enzovoort) en vooral ook de ‘moordindicaties’(!) zijn niet genotuleerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=d8ffd029-20f9-4910-928d-c7f983eb2980