5. Collegebrief inzake Stand van zaken NOVEX Groene Hart 2024
Tekst van het document
GEMEENTE HILVERSUM POSTBUS 9900 1201 GM HILVERSUM BEZOEKADRES: RAADHUIS
Aan de gemeenteraad cc commissieleden cc pers
DUDOKPARK 1 TELEFOONNUMMER: 14 035 WWW.HILVERSUM.NL
6 november 2024 ZAAKNUMM ER 1585855 BEHA NDELD DOOR Arnold Huisman TELEFOON (035) 629 2026 DATUM
UW KENMERK
3 BETREFT Stand van zaken NOVEX Groene Hart 2024
BIJLAGEN
Geachte raadsleden, Inleiding Op 19 mei 2022 ondertekenden 5 ministeries, 3 provincies, 5 waterschappen en 30 gemeenten de bestuursovereenkomst NOVEX-gebied Groene Hart (Nationale Omgevingsvisie). De vier overheidslagen hebben afgesproken de komende jaren gezamenlijk uitvoering te geven aan verschillende grote transitieopgaven zoals wonen, energie, klimaat, landbouw, natuur en bodemdaling. Ook Hilversum is hieraan verbonden en wil als partner meewerken aan de kernopgaven in het Groene Hart. Het Bestuurlijk Platform Groene Hart is de regiehouder van dit proces. Over het NOVEX Groene Hart hebben wij u eerder geïnformeerd in een collegebrief na het tekenen van de bestuursovereenkomst en een raadsinformatiebrief over het ontwikkelperspectief 1.0. De door Hilversum ingebrachte zienswijze op het ontwikkelperspectief 1.0 om ruimte te geven aan regeneratieve landbouw bij Zonnestraal en de Hilversumse Meent is niet overgenomen. De inbreng is weliswaar waardevol maar wordt voor deze fase als te specifiek gezien. De relevantie van de NOVEX Groene Hart is op dit moment beperkt voor de gemeente Hilversum. De meeste van onze laaggelegen gebieden zijn aangewezen als natuurgebied. Het raakt hoogstens het kleine landbouwgebied ten westen van de Hilversumse Meent.
Wel relevant is dat het project de toekomstbestendige Heuvelrug Gooi en Vechtstreek door de provincie en regio is voorgedragen als sleutelproject. Sleutelprojecten zijn ruimtelijke opgaven die o.a. grens overstijgend zijn, waarbij meerdere partners nodig zijn, waar meervoudig doelbereik van toepassing is en die bijdraagt aan de ontwikkeling van het Groene Hart zoals beschreven in het Ontwikkelperspectief 1.0. Doel Het doel van deze informatiebrief is om inzicht te geven in de voortgang van het uitvoeringstraject van de Bestuursovereenkomst NOVEX-gebied Groene Hart, kennis te nemen van de communicatiemomenten en kennisproducten en tijdig mogelijkheden aan te geven om hierin als raadslid te participeren. Overlegstructuur Het Bestuurlijk Platform Groene Hart is een afstemmingsoverleg tussen vertegenwoordigers van gemeenten (5 bestuurlijke regio’s), vertegenwoordigers van de vijf waterschappen, drie provincies en vertegenwoordigers van het Rijk (BZK en LNV namens de vijf betrokken departementen). Het doel is om
de specifieke kwaliteiten en belangen van het Groene Hart in beleid en uitvoering van alle overheidslagen een plek te geven. Studies en documenten die in opdracht van het Bestuurlijk Platform worden opgesteld en vastgesteld dienen daarbij als inspiratie of bouwsteen voor doorwerking in het lokale en regionale beleid. Besluitvorming over het beleid vindt plaats bij de afzonderlijke overheden via de gebruikelijke structuren. De Maatschappelijke Klankbordgroep Groene Hart bestaat uit vertegenwoordigers van diverse organisaties en stichtingen op het terrein van natuur, landbouw, wonen, recreatie en toerisme. De Klankbordgroep geeft gevraagd en ongevraagd advies ten aanzien van het uitvoeringsprogramma van het Ontwikkelperspectief Groene Hart en de verschillende projectplannen en activiteiten. Vooral waar het gaat om de impact van de activiteiten in de samenleving. In het Bestuurlijk Platform heeft de klankbordgroep een adviserende rol. In Noord-Holland wordt ambtelijk en bestuurlijk samen opgetrokken in dit dossier. Gemeente OuderAmstel vertegenwoordigt de belangen van de regio’s Amstelland-Meerlanden en Gooi- en Vechtstreek. De regionale visies op de terreinen Ruimte, Wonen, Economie, Duurzaamheid/RES en Verkeer & Vervoer liggen hieraan ten grondslag.
Het NOVEX-traject biedt onder andere kansen voor de lokale en regionale realisatieagenda, een platform om schuurpunten te agenderen, noodzakelijke keuzes met het rijk te bespreken en kennis te ontwikkelen op het schaalniveau van het Groene Hart. Ontwikkelperspectief Groene Hart Afgelopen jaar is gewerkt aan de uitwerking van een gezamenlijke Ontwikkelperspectief. Er zijn gezamenlijke ontwikkelprincipes benoemd met betrekking tot de grote transitieopgaven zoals water en bodem, landbouw, bodemdaling, natuur, klimaat, wonen, recreatie, economie en energie. Ook zijn er openstaande vragen en discussiepunten geagendeerd voor beleidsontwikkeling zoals de ruimtelijke voorstellen en omgevingsvisies. Het traject om te komen tot een gezamenlijk Ontwikkelperspectief doorliep de volgende fasen: • Onderzoeksfase t/m april 2023: experts hebben op basis van bestaande en nieuwe Groene Hart onderzoeken en eigen expertise een Toekomstbeeld voor het Groene hart opgesteld. • Inputfase mei-augustus 2023: door middel van bestuurlijke en ambtelijke werksessies, bijeenkomsten en schriftelijke rondes is input en reflectie gevraagd wat tot een concept van het Ontwikkelperspectief heeft geleid. Ook is een maatschappelijk, agrarisch en jongeren perspectief uitgevraagd.
• Consultatiefase najaar 2023: in deze periode zijn de dagelijks en algemeen besturen van de vier overheidslagen in gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op deze conceptversie van het Ontwikkelperspectief. • Vaststelling: de periode tot mei 2024 is benut om de input te verwerken en op 23 mei heeft het Bestuurlijk Platform Groene Hart het Ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Groene Hart vastgesteld. In volgende versies van het ontwikkelperspectief neemt de mate van concreetheid van gebieds- en beleidsafspraken toe naarmate de op kennis gebaseerde inzichten groeien. Het dient als een inspiratiedocument en een integraal (afwegings)kader voor ontwikkelingen in het Groene Hart waarbij onderlinge verschillen en keuzes voor deelgebieden gerespecteerd worden. Realisatieagenda Vanuit het Ontwikkelperspectief wordt een Realisatieagenda gemaakt, gericht op de uitvoering van de gewenste maatschappelijke opgaven en doelen in het Groene Hart. De Realisatieagenda van de NOVEX Groene Hart wordt naar verwachting dit najaar vastgesteld en is onder andere opgebouwd uit drie sporen: 1. Bijdragen aan structurerende keuzes. Dit betreft strategische of lange termijn ruimtelijke keuzes die veelal niet binnen het Groene Hart gemaakt worden maar op nationale of internationale schaal. Het Coördinatiebureau Groene Hart vervult hier de rol om onderzoeken en projecten te verbinden,
2.
3.
kennis te verspreiden en versnelling mogelijk te maken op de maatschappelijke opgaven die voor het Groene Hart relevant zijn. Sleutelprojecten: Sleutelprojecten zijn ruimtelijke opgaven die o.a. grensoverschrijdend zijn, waarbij meerdere partners nodig zijn, waar meervoudig doelbereik van toepassing is en die bijdraagt aan de ontwikkeling van het Groene Hart zoals beschreven in het Ontwikkelperspectief Groene Hart. De sleutelprojecten vormen de eerste Regionale Investeringsagenda (RIA). We starten hierbij niet een nieuw proces maar bouwen voort op afspraken en samenwerkingen in de verschillende regio’s. Monitoring: De huidige monitor Groene Hart zal omgebogen worden naar een nieuwe vorm om te kunnen volgen of de ruimtelijke ontwikkelingen in het Groene Hart passend zijn bij het Ontwikkelperspectief en of de beleidsinspanningen leiden tot een samenhangend en toekomstbestendig Groene Hart.
De conceptversie van de Realisatieagenda wordt binnenkort via de leden van het Bestuurlijk Platform Groene Hart aan de achterban voorgelegd voor een reactie. Indien u hier vragen over heeft kunt u contact opnemen met wethouder mevr. P.D.A.M. Koek-Baks van gemeente Ouder-Amstel als bestuurlijk vertegenwoordiger namens de regio in het Bestuurlijk Platform. Afstemming andere NOVEX-gebieden en BOL-overleggen In het programma NOVEX zijn 16 NOVEX-gebieden aangewezen waarvan een aantal overlappen met het Groene Hart gebied. Dit zijn de Metropool Regio Amsterdam (MRA), Utrecht-Amersfoort, Schiphol en Zuidelijke Randstad. We stemmen ambtelijk af met NOVEX-gebieden om bestuurlijke drukte te voorkomen, te bespreken wie het beste trekker of duwer van een sleutelproject kan zijn (kansen vergroten), en om van elkaar te leren. Alle NOVEX-gebieden lopen tegen schuurpunten aan die we onderling met elkaar delen. De gedeelde schuurpunten brengen we gezamenlijk in op andere bestuurstafels zoals bijvoorbeeld het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving (BOL) Noordwest en Zuidwest. Deelnemers aan het BOL zijn gedeputeerden en ministers en is een voorportaal voor Rijk-regio afspraken en middelen. Zowel via het Bestuurlijk Platform Groene Hart als de BOL kan direct geschakeld worden met de verschillende rijksdepartementen.
Hierdoor komen de lokale en regionale knelpunten, kansen en opgaven zichtbaarder onder de aandacht. Kennis opbouwen Het Bestuurlijk Platform werkt aan het ontwikkelen van kennis op de schaal van het Groene Hart. Deze onderzoeken leveren input en inzichten op voor de sporen binnen de Realisatieagenda en de daarbij horende RIA. Deze onderzoeken kunnen uiteraard ook benut worden voor de lokale vraagstukken. Sinds de vorige informatiebrief zijn de volgende onderzoeken opgeleverd: • Sociaal Maatschappelijke Impact-analyse; • Atlas Water en Bodem Sturend in het Groene Hart: kennis en geschiktheidskaarten; • De Groene Hart Monitor (Kadaster). Communicatie Om alle betrokken overheden (bestuurders en ambtenaren), maatschappelijke partijen en overige belangstellenden goed te informeren over het proces en de inhoud van het NOVEX-gebied Groene Hart organiseerde het Bestuurlijk Platform Groene Hart in 2023 een zesdelige webinarcyclus. Deze zijn via links op de website terug te kijken: 1. Water en Bodem Sturend; 2. Toekomstperspectief en RIA; 3. Energietransitie; 4. Groene Hart Event Schuivende Panelen; 5. Wonen; 6. Landbouw in Groene Hart. Om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen van het Bestuurlijk Platform Groene Hart kunt u zich aanmelden voor de nieuwsbrief die periodiek wordt verstuurd.
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Hilversum, de gemeentesecretaris,
de burgemeester,
mr. C.P. Torres Barrera
dr. ir. G.M. van den Top
Bijlage(n): 1. Presentatie Realisatieagenda NOVEX Groene Hart Regio Noord-Holland 2. Voorlopige lijst Sleutelprojecten 3. Toelichting verwerking consultatieronde Ontwikkelperspectief december 2023 Deze collegebrief is digitaal beschikbaar op internet onder “Vergaderstukken”, B en W-vergadering van 22 oktober 2024.
NOVEX Groene Hart
Van Ontwikkelperspectief naar Realisatie Regio Noord-Holland September 2024
Vragen • Bestuurlijk Platform Groene Hart •
Vertegenwoordiging BPGH
•
Hoe zorg je zelf voor informatie/betrokkenheid?
•
Wat heb je nodig ihkv proces BPGH, de samenwerking?
• Reactie notitie Realisatieagenda • Welke sleutelprojecten willen jullie aandragen?
Inhoud • Kennismaking • Over het Bestuurlijk Platform Groene Hart en Noord-Holland • Ontwikkelperspectief • Realisatieagenda • Sleutelprojecten • Vragen
Het BPGH en regio Noord-Holland
Bestuurlijk Platform impuls door NOVEX
Kernopgaven Groene Hart Het stabiliseren van veenbodems
(remmen bodemdaling, reduceren CO2 uitstoot, verzilting voorkomen)
Het robuust inrichten van het watersysteem (zodat dit de veenbodems optimaal kan bedienen)
Het door ontwikkelen van waardevolle gebiedskenmerken (zodat het karakter van het Groene Hart herkenbaar blijft)
+ woningbouw + energie + recreatie + natuurontwikkeling + economie + etc…
Ondertekenaars Ministeries (5) - LNV, I&W, EZ&K, OCW, BZK Provincies (3) - Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht Waterschappen (5) - WSRL, HHSK, Rijnland, HDSR, AGV Gemeenten (32) - zie kaart, 8 (nog) niet
Bestuurlijk Platform Groene Hart
Bureautaken Coördinatiebureau
Governance Groene Hart
•
BPGH-overleggen
•
Adviesgroep
•
Integratiesessies 1-2
•
Werkgroepen
•
Relatie en netwerkbeheer partners (aansluiting alle gemeenten)
•
Jaarevent / bijeenkomsten
•
Website / socials
•
OWP-doorontwikkelen
•
Programmafinanciering, jaarbegroting en budgetbeheer
• 8
Inhuur externen
Bestuurlijke vertegenwoordiging regio’s Ambassadeur: burgemeester Robbert-Jan van Duijn (Nieuwkoop) Vertegenwoordiger Bestuurlijk Platform burgemeester Liesbeth Spies (Alphen a/d Rijn)
Ambassadeur: wethouder Paulette Koek-Baks (Ouder-Amstel) Vertegenwoordiger Bestuurlijk Platform idem
Aalsmeer, Amstelveen, OuderAmstel, Gooise Meren, Hilversum, Diemen en Amsterdam Vraag vertegenwoordiging
(nog)niet Haarlemmermeer, Uithoorn en Wijdemeren Ambassadeur: burgemeester Pieter Verhoeve (Gouda) Vertegenwoordiger Bestuurlijk Platform wethouder Jan Leendert van den Heuvel (Bodegraven-Reeuwijk)
Ambassadeur: burgemeester Theo Segers (Molenlanden) Vertegenwoordiger Bestuurlijk Platform wethouder Jan Lock (Molenlanden)
Ambassadeur: burgemeester Victor Molkenboer (Woerden) Vertegenwoordiger Bestuurlijk Platform wethouder Jan Vente (Lopik)
NOVEX aanpak Groene Hart Gebieds analyse • Ontwerpend Onderzoek • Bodem, Water en Landgebruik • Energietransitie • Biografie Groene Hart • Regionale Economische Analyse • Watersysteemkaart
Bestuurs overeenkomst • Inhoud • Proces • Relatie
Ontwikkel perspectief • Expertteam • Consultatieronde • Ontwikkelperspectief 1.0
Realisatie agenda • 2024 en verder
Investerings agenda
Ontwikkelperspectief
Kwaliteiten
Bodem en Water
1. Beschouw
3. Hanteer bestaande of te realiseren condities van water en bodem als primair criterium bij de verdeling van de ruimte.
het
Groene
Hart
als
waardevol
onderscheidend geheel (LT, oog voor diversiteit, leefbaarheid en economische vitaliteit en maak ruimtelijke keuzes)
2. Werk volgens drie NOVI-principes 10. Verbeter de verbindingen naar en binnen GH
4. Verhoog de grondwaterstand waar nodig en in nader te bepalen mate, afhankelijk van deelgebied tot deelgebied. Zorg voor aanpassing van het watersysteem. 13. Voldoende en kwalitatief toereikende locaties voor de drinkwatervoorziening en beschikbaarheid van voldoende zoetwater irt hogere GWS. Bouwen en energie
Economie
5. Bied perspectief voor agrarisch ondernemers in het Groene Hart. 6. Zet in op meer mogelijkheden voor recreatie en toerisme in het gebied. 7. Geef prioriteit aan sectoren die passend en veelbelovend zijn voor kwaliteiten en leefbaarheid van het gebied en die de economie van het Groene Hart verder versterken.
8. Bouw woningen en bedrijventerreinen bij voorkeur op de kleigronden en niet in veengebieden en diepe polders. 12. Maak duurzame energieopwekking in het Groene Hart mogelijk Natuur en erfgoed
9. Behaal wettelijke doelen voor biodiversiteit en waterkwaliteit 10. Benut het cultuurhistorisch erfgoed.
Realisatieagenda Groene Hart 2024 – 2026
Openbaar
Uitgangspunten Realisatieagenda Vertrekpunt: Ontwikkelperspectief Groene Hart 1.0 Bestaande Afspraken uit Bestuursovereenkomst Groene Hart •
Werken als één overheid aan toekomstbestendig Groene Hart 2050
•
Huis van Thorbecke voor besluitvorming
•
Bestuurlijke drukte voorkomen
•
Adaptief programma waarin periodieke herijking is voorzien
•
Geen overname van projecten of trajecten / aanvullend
•
Nadruk op realiseren door verbinden, aanjagen, inspireren, initiëren, samenwerken, onderzoeken
14
Openbaar
Drie pijlers Realisatieagenda
2. Sleutelprojecten: op fysieke plekken doelen realiseren 3. Monitoren van de Groene Hart voortgang
Landschappelijke kwaliteit
1. Meewerken aan Structurerende keuzes: bijdragen aan Groene Hart kennis/inzichten/kaders
Water en Bodem Sturend
Ontwikkelperspectief Groene Hart Opgaven landelijk gebied
Opgaven bebouwd gebied
Maatschappelijke opgaven
15
Openbaar
Wat zijn sleutelprojecten Ruimtelijke opgaven die o.a.:
• grensoverstijgend zijn • waarbij meerdere partners nodig zijn • waar meervoudig doelbereik van toepassing is • op een fysieke plek invulling geeft aan de ontwikkeling van het OWP Groene Hart (WBS, Groen Groeit Mee, toegangspoorten, transitie landelijke gebied etc)
De sleutelprojecten vormen de eerste Regionale Investeringsagenda (RIA).
16
Openbaar
In de Sleutelprojecten willen we: • Faciliteren via het Opgaventeam (o.a. opgaven gestuurd werken, versnelling, vernieuwing). • De financieringsbehoefte helpen in kaart te brengen en mee organiseren. • Inspireren door onderzoeken, kennis en netwerk te faciliteren • Verdieping en Groene Hart kwaliteit toevoegen • De casuïstiek van de sleutelprojecten helpt de structurerende keuzes te voeden.
17
Openbaar
Voorlopige lijst Sleutelprojecten Regio
Voorlopige lijst
Utrecht-West
Veenetië: drijven bouwen VAB/vitaal landelijk gebied Verbonden en leefbaar Utrecht-West
Midden-Holland
Schaalsprong Groene Recreatie Toekomstbestendig Wonen Circulaire economie? Bedrijventerreinen?
Noord-Holland
Aansluiten bij MRA-top 7 Groen-Blauw Westeinderscheg Drechtdoorsteek Amstelscheg Toegangspoorten (A9-Amstel en (4e) AV-Zuid) Diemerscheg Nat Klimaatbos Toekomstbestendige Heuvelrug Gooi Vechtstreek
Holland Rijnland
Benutten en versterken landschappelijke kwaliteiten (11) Energy Lane (7)
De Waarden
Toekomst landelijk gebiedSoc.-maatsch. vraagstukken / NPLG / Vitaliteit+VAB / Agrifood Campus 18
Proces
Vragen • Bestuurlijk Platform Groene Hart • Vertegenwoordiging BPGH, • Hoe zorg je zelf voor informatie/betrokkenheid? • Wat heb je nodig ihkv proces BPGH, de samenwerking? • Reactie notitie Realisatieagenda • Welke sleutelprojecten willen jullie aandragen?
Toelichting verwerking consultatieronde Ontwikkelperspectief Coördinatiebureau Groene Hart Versie: 6-12-2023 Een eerste versie van Ontwikkelperspectief 1.0 is tussen eind september en medio november 2023 voorgelegd aan de ondertekenaars van de bestuursovereenkomst Groene Hart en aan maatschappelijke organisaties. Hen is gevraagd te reflecteren op de conceptversie. Het ontvangen commentaar heeft geleid tot aanpassing van dit concept. Deze nota van toelichting geeft een overzicht van waar en op welke onderwerpen de belangrijkste wijzigingen en aanvullingen in het document zijn doorgevoerd Gestreefd is om kritische aandachtspunten zodanig te verwerken dat het Ontwikkelperspectief tegemoet komt aan het commentaar van de betrokken partijen, zonder de algemene lijn van het eerdere concept te verlaten. In de toelichting zijn per hoofdstuk de belangrijkste wijzigingen aangegeven. In een aparte bijlage zijn de suggesties voor wijziging per inbreng weergegeven, met daarbij een toelichting in hoeverre de inbreng is overgenomen (volledig, deels, niet) en op welk/welke hoofdstuk/ paragraaf/bijlage de suggestie en eventuele wijziging betrekking heeft. De volgende partijen hebben inhoudelijke reactie gegeven in de consultatieronde. Hieronder vallen ook gezamenlijke reacties van partijen.
Rijk 1. Gezamenlijke reactie Rijk Provincies 2. Provincie Utrecht 3. Provincie Zuid-Holland 4. Provincie Noord-Holland Gemeenten 5. Gemeente Molenlanden 6. Gemeente Krimpenerwaard 7. Gemeente Amsterdam 8. Gemeente Ouder-Amstel 9. Gemeente Bodegraven-Reeuwijk 10. Gemeente Hilversum 11. Gezamenlijke reactie Alphen aan den Rijn, Gouda, Woerden 12. Gezamenlijke reactie Utrechtse gemeenten
13. Gezamenlijke reactie Regio Midden-Holland 14. Gezamenlijke reactie Regio Holland Rijnland Waterschappen 15. Gezamenlijke reactie waterschappen Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoogheemraadschap van Rijnland Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterschap Amstel, Gooi en vecht Waterschap Rivierenland Maatschappelijke organisaties 16. ANWB 17. LTO Noord 18. Coöperatie Groene Hart Oase 19. Stichting Groene Hart 20. Stichting Groene Hart Verbinders Overige 21. Gezamenlijke reactie Drinkwaterbedrijven 22. Raadscommissielid, gemeente Alphen aan den Rijn
H1. Inleiding In de inleiding is het doel en de positie van het Ontwikkelperspectief 1.0 verduidelijkt en nader toegelicht. Ook is de relatie tussen het eerdere deskundigenrapport(getiteld Toekomstperspectief Groene Hart) en het Ontwikkelperspectief 1.0 verduidelijkt. H2. Een onhoudbaar systeem Bij paragraaf respectievelijk paragraaf 2.1 en 2.4 is benoemd dat ook de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland en voldoende drinkwater opgaven zijn voor het gebied. In paragraaf 2.2 (bodemdaling) is verduidelijkt/toegevoegd dat naast verhoging van het grondwaterpeil in beginsel ook andere mogelijkheden bestaan om in het landelijk veenweidegebied de bodemdaling te beperken. Wat niet wegneemt dat in nader te bepalen mate ingrijpen in het water en bodemsysteem onvermijdelijk is, zowel in het landelijk als in het stedelijk gebied. De paragraaf 2.3 (klimaatverandering) is aangepast om de relatie tussen klimaatverandering, droogte, waterinlaat en effecten op functies te verduidelijken. H3. Randvoorwaarden Enkele wettelijke kaders (de Europese drinkwaterrichtlijn en de natuurdoelen afgesproken in de Kunming-Montreal Overeenkomst) zijn toegevoegd. Verder is benoemd dat ook vastgestelde kaders
van decentrale overheden belangrijke uitgangspunten zijn voor de verdere ontwikkeling van het Groene Hart. Benadrukt dat economische vitaliteit (niet allen van de agrarische sector, maar ook van andere bedrijfstakken), en ook plaats voor vitale woonkernen en bijbehorende voorzieningen randvoorwaardelijk zijn voor veranderingen in het gebied. H4. Ontwikkelprincipes 4.2. De kwaliteiten van het Groene Hart De toepassing van het NOVI principe ‘niet afwentelen’ is verduidelijkt en toegelicht. Daarnaast is de wederkerigheid tussen het gebied en de omliggende steden benadrukt. 4.3. Water en bodem sturend De redenen om water in te laten in het gebied zijn verduidelijkt (peilbeheer, doorspoeling om verzilting tegen te gaan). Waterveiligheid is benoemd als belangrijke voorwaarde bij ontwikkelprincipe 4 dat gaat over toepassen van water en bodem sturend. De sociale impact van het verhogen van grondwaterpeilen is benadrukt, evenals de temporele dimensie van de te nemen maatregelen. Er is veel tijd nodig om dit te realiseren, zowel omdat het watersysteem moet worden aangepast als ook omdat grote belangen in het geding zijn, met name belangen van de agrarische grondgebruikers en van bewoners. De belanghebbenden moeten de tijd krijgen om zich aan te passen bij de veranderende omstandigheden, en moeten daarbij worden gesteund door de overheid.
Het gaat hier om een lange termijn verandering, waarvoor nu koers moet worden gezet, maar waarbij de effecten zich pas over een groot aantal jaren zullen manifesteren. Benadrukt is voorts dat de grondwaterpeilen in sommige veengebieden al hoog staan. Met die omstandigheid moet uiteraard rekening worden gehouden als het gaat om de vraag welke inspanning nog nodig is. 4.4. De landbouw Benoemd dat de landbouw in het gebied een belangrijke rol speelt voor de voedselvoorziening en voor de lokale economie, en op veel plaatsen belangrijk onderdeel is van de lokale identiteit . De passage over de rol en verantwoordelijkheid in de overheid bij transities in de landbouw is verduidelijkt en nader toegelicht. Toegevoegd dat ook ketenpartijen en financiers een rol en verantwoordelijkheid hebben in de realisatie van de transitie en het komen tot goede verdienmodellen. 4.5. Recreatie en toerisme Voor recreatie en toerisme is een aparte paragraaf en ontwikkelprincipe (6) toegevoegd: ‘Zet in op meer mogelijkheden voor recreatie en toerisme in het gebied. Voorwaarde zijn een betere verbindingen naar en binnen het gebied en een goede spreiding van de bijbehorende voorzieningen over het Groene Hart teneinde om de leefbaarheid daarvan en de kwetsbare natuurgebieden niet aan te tasten.’ 4.6. Andere bedrijvigheid Ontwikkelprincipe 7 is deels aangepast en genuanceerd.
Aangevuld is dat bij het ontbreken van schuifruimte ruimte blijft voor maatwerk voor lokale ondernemers.
4.7. Wonen Ontwikkelprincipe 8 over wonen is aangepast. Bouw woningen en bedrijventerreinen bij voorkeur op de kleigronden en niet in veengebieden en diepe polders. Bouwen in veengebieden en diepe polders is niet onder alle omstandigheden uitgesloten, in verband met lokale woningbehoefte. Hiervoor gelden dan wel klimaatbestendigheid en bodemdalingsbestendigheid als randvoorwaarden. 4.8 Natuur en biodiversiteit Toegevoegd is het belang van de realisatie van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN). Ook is gewezen op het belang van het realiseren van een basiskwaliteit Natuur, als ook op de landelijke doelstelling van 10% groen-blauwe dooradering. 4.9 Mobiliteit en verbindingen Toegevoegd is de noodzaak van duurzame mobiliteitsoplossingen om de druk op het wegennet te verlichten. Mobiliteitshubs aan stadsrandzones zijn daarvoor een belangrijke voorwaarde. 4.10 Erfgoed en landschap Ontwikkelprincipe 11 aangepast: ‘Benut het cultuurhistorisch erfgoed voor de opgaven die het gebied kent. Versterk de aanwezige cultuurhistorische waarden voor meer kwaliteit van de fysieke leefomgeving.’ 4.11 Energieopwekking De beschikbaarheid van voldoende energie is randvoorwaardelijk voor (duurzaam) wonen en een sterke (duurzame) lokale economie. Ook is gewezen op de kansen voor aquathermie als energiebron.
4.12 Drinkwatervoorziening Nieuw toegevoegd als paragraaf en ontwikkelprincipe (13): ‘Zorg in het gebied voor voldoende plekken voor drinkwatervoorziening van voldoende kwaliteit in het gebied. Maak in samenhang hiermee keuzes voor grondwaterpeil verhoging ‘.
H5. Toekomstbeeld Geen wijzingen
H6. Vervolgproces Het vervolgproces is verduidelijkt. De volgende stap in het NOVEX-proces is het ontwikkelen van een Uitvoeringsagenda en een bijbehorende Regionale Investeringsagenda. In deze fase werken de betrokken partijen aan het maken van afspraken en het realiseren daarvan voor (delen van) het Groene Hart. Parallel daaraan zullen nadere keuzes gemaakt moeten worden onder meer met betrekking tot een aantal vraagstukken die naar voren zijn gekomen bij de voorbereiding van het Ontwikkelperspectief 1.0 (zie bijlage 2). Deze keuzes kunnen samen met opgedane praktijkervaring en aanvullend onderzoek (zie bijlage 3) er toe leiden dat het Ontwikkelperspectief wordt geactualiseerd tot een 2.0 versie Bijlage 1. Geraadpleegde bronnen
Geen wijzigingen Bijlage 2. Vraagstukken en te maken keuzes In de totstandkoming van dit Ontwikkelperspectief 1.0 zijn een aantal vraagstukken naar voren gekomen die om nadere afweging en keuzes vragen. Deze worden in de bijlage benoemd. Dit is dit geen limitatieve opsomming; ongetwijfeld zullen nog andere punten naar voren komen waar nadere besluiten over moeten worden genomen. Bijlage 3. Suggesties voor een onderzoeksagenda In deze bijlage zijn de suggesties voor een onderzoeksagenda benoemd, die in de consultatieronde naar voren zijn gekomen. Bijlage 3. Opties grondwaterstanden Geen wijzigingen
Bijlage: overzicht en verwerking per reactie Algemene toelichting: Per reactie zijn de inhoudelijke opmerkingen ter verbetering van het Ontwikkelperspectief 1.0 uit de tekst van de reactie gehaald en onder elkaar gezet. Veelal zijn de reacties samengevat. Bij de kolom ‘verwerking’ is toegelicht in hoeverre de inbreng is overgenomen (volledig, deels, niet) en op welk/welke hoofdstuk/ paragraaf/bijlage de suggestie en eventuele wijziging betrekking heeft. Desgewenst kan in de meeste recente versie van het Ontwikkelperspectief (versie 1 december 2023) in de betreffende paragraaf worden nagegaan in hoeverre en op welke wijze de suggestie is verwerkt. Reacties waarin is aangegeven dat partijen het eens zijn met de bestaande tekst zijn niet meegenomen, omdat die niet leiden tot aanpassing van het concept-OWP. Voor nadere vragen over de verwerking kunt u contact opnemen met het coördinatiebureau Groene Hart. 1. Gezamenlijke reactie Rijk Opmerkingen We denken dat het goed is een aantal belangrijke vraagstukken te benadrukken waar nog keuzes over gemaakt moeten worden, zoals ook beschreven in het verslag van de eerste consultatieronde. Deze vraagstukken betreffen vooral het waterbeheer, het bodemgebruik, de gevolgen hiervan voor de landbouwsector, het bepalen van locaties voor waterberging, woningen en duurzame energie (en hoe we deze keuzes in de tijd gaan maken). p.
3 toevoegen: Natuurherstelverordening (inwerkingtreding verwacht in 2024) en CBD-targets Montreal (wordt uitgewerkt in NBSAP – national biodiversity strategy & action plan) p. 5 toevoegen waar mensen de landschapsbiografie kunnen lezen.
Verwerking Overgenomen, zie bijlage 2
p. 13, toevoegen: - De realisatie van het Natuurnetwerk (NNN) loopt achter - na ‘moddervorming’: daarnaast is verdroging van natuurgebieden een probleem.
Deels, zie 2.4 en 4.8
p.14, toevoegen 1e alinea: - het gaat om de realisatie van een robuust natuurnetwerk, gericht op ecosysteemherstel (met kenmerkende biodiversiteit) en realisatie van Basiskwaliteit Natuur (overal). - 2de kolom: ook in sommige Natuurnetwerkgebieden is de recreatiedruk te hoog, waardoor natuurdoelen niet gerealiseerd worden. p. 17 - ook relevant hierbij: Natuurherstelverordening en CBD- targets Montreal (daar moet invulling aan worden gegeven).
Deels, zie 4.5 en 4.8
p. 23, onder 8 toevoegen: Geef invulling aan ‘Basiskwaliteit Natuur’
Deels, zie 4.8
Onder 4.9 (of evt elders): Onderzoek waar (landschappelijk) mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van nieuw bos (bijvoorbeeld ter versterking van natuurgebieden, recreatiemogelijkheden).
Wordt nog toegevoegd aan suggesties voor de onderzoeksagenda bijlage 2
Overgenomen, zie 2.4 en 4.8
2. Provincie Utrecht Opmerkingen Wij willen de groenopgave meegeven als aandachtspunt voor het Ontwikkelperspectief 1.0 en het vervolgproces. In de Randstedelijke provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht is te weinig groen per inwoner: minder dan200 m2 per inwoner en in verstedelijkte gebieden zelfs minder dan 100 m2 per inwoner. Mensen ervaren, door de toename van inwoners en bezoekers, steeds vaker een gevoel van drukte. Door groen (zoals het programmaGroen Groeit Mee) randvoorwaardelijk te maken voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat en een gezonde leefomgeving en deze te verbinden aan onder meer de verstedelijkingsopgaven, zorgen we voor groei in balans. Daarnaast vragen wij aandacht voor waterveiligheid en de relatie tussen het Groene Hart en de omgeving. Het Groene Hart vormt onderdeel van een groter watersysteem. Het Groene Hart kent een grote diversiteit tussen de verschillende deelgebieden. De ontwikkelprincipes die zijn geformuleerd in het voorliggende Ontwikkelperspectief 1.0 zijn generiek geformuleerd. Voor een vervolg willen wij pleiten voor een gebiedsgerichte uitwerking van de opgaven per deelgebied
Verwerking Deels, zie 4.5
Deels, zie 2.2 Zie voor de behoefte aan een gebiedsgerichte aanpak 4.2, H6, en bijlagen 2 en 4
3. Provincie Zuid-Holland Aandachtspunten om uit te werken in de volgende versie van het Ontwikkelperspectie f Groene Hart
Opmerkingen Algemene suggesties
Paragraaf OWP
Wat nog onduidelijk is, zijn de definities van onaanvaardbare inspanning of maatschappelijke kosten. En hoe zorgen we ervoor dat geen negatieve effecten worden afgewenteld op derden, andere locaties of de toekomst? De urgentie kan sterker naar voren worden gebracht in de eerste hoofdstukken van het Ontwikkelperspectief. Advies is een korte uitleg toe te voegen over de wettelijke kaders van de verschillende overheidslagen en op te merken dat hiermee rekening gehouden dient te worden. Wat is de relatie tussen het Ontwikkelperspectief met het eerder opgestelde Toekomstperspectief door experts? De Ontwikkelprincipes zijn een eerste bouwsteen voor het perspectief, maar een verdere uitwerking is in de volgende fasen vereist. Belangrijk aandachtspunt zijn de regionale verschillen. Niet overal zijn de opgaven voor klimaat, natuur en water hetzelfde.
Specifiekere suggesties In paragraaf 3.4 over leefbaarheid en economische vitaliteit ontbreekt energie als randvoorwaardelijk (misschien wel ordenend) principe Bij ontwikkelprincipes (paragraaf 4.1) staat ‘maak duurzame energieopwekking in het Groene Hart mogelijk, zowel vanwege de grote landelijke opgave voor energieopwekking als vanwege de kansen voor de regionale economie.’ De vraag is of dit de urgentie van de toenemende problemen rond netcongestie uitstraalt Het Rijk start in het kader van het Nationale Programma Energiesysteem de komende tijd een discussie over de doelstelling voor duurzame opwekken en het omgevingsbeleid van de drie provincies. Dit is wat ons betreft onderdeel van deze discussie. Onder paragraaf 2.3 (klimaatverandering) staan passages over ‘veel watergebruik om verzilting in droogmakerijen tegen te gaan’ en staat ook dat doorspoeling een groot beslag legt op de zoetwatervoorziening in het Groene Hart. Daaruit lijkt een beetje een scheef beeld te ontstaan. Het klopt dat verzilting wordt bestreden met doorspoeling, maar voor de waterschappen HDSR en Rijnland is peilbeheer de belangrijkste reden om water in te laten. Wat ons betreft zou een verbetering kunnen zijn: “Laag Nederland is voor peilbeheer afhankelijk van de inlaat van zoetwater uit de grote rivieren. Die inlaat staat onder druk door een veranderend afvoerpatroon van de rivieren.
In de droge zomer van 2018 kon er net genoeg zoet water ingelaten worden om de waterpeilen te handhaven. Als de beschikbaarheid van zoetwater verder afneemt en de vraag toeneemt (bijvoorbeeld door vernatting van het Veenweidegebied), dan zullen tekorten ontstaan. Mogelijk gaan waterschappen dan ten behoeve van peilbeheer brak water inlaten, met schade aan andere functies (bijvoorbeeld landbouw en natuur en in relatie tot de Kaderrichtlijn Water) tot gevolg.” Dat laatste is ook de beperking die past op pagina 24, in plaats van de tekst die daar staat over beperking door zoute kwel. Wat is de visie op het inzetten van techniek (bijv. waterinfiltratiesystemen) om aan te passen aan veranderende klimaat en invulling te geven aan opgaven?
Deels, zie 4.2 Zie H1 en H2 Volledig, zie 3.2 Volledig, zie 1.2 Zie H6 en bijlage 2 Zie voor de behoefte aan een gebiedsgerichte aanpak 4.2, H6, en bijlagen 2 en 4 Deels, zie 4.11 Deels, zie 4.11
Niet overgenomen in dit document Deels, zie 2.3
Deels, zie 2.2
Bij paragraaf 3.3 water en bodem sturend ligt het voor de hand om de structurerende keuzes voor het veenweidegebied ook even toe te lichten. Bijvoorbeeld: toewerken naar verhoging van de grondwaterpeilen. Ook kunnen uitgangspunten worden benoemd, zoals het niet afwentelen in tijd en ruimte. In hoofdstuk 4, pagina 22, wordt het volgende genoemd: “Verhoog het grondwaterpeil in nader te bepalen mate (…). Betrek het ruimtebeslag dat hiermee is gemoeid bij de te maken ruimtelijke keuzes.” Deze passage is wat ons betreft nog niet helemaal scherp. Daar kan ook staan dat we de impact op watervraag, wateroverlast en waterkwaliteit betrekken bij de keuze voor de mate van peilverhoging. In paragraaf 4.3 Water en bodem sturend wordt bij het verhogen van de grondwaterstand goed vermeld dat dit extra water vraagt (van het hoofdwatersysteem of uit eigen berging).Daarnaast is er echter ook het effect van wateroverlast. Immers het waterbergend vermogen neemt af. Ook daar zijn oplossingen voor. Op pagina 25 wordt het ontwikkelprincipe over water en bodem gepresenteerd (nr. 3). Dit is niet verkeerd, maar de bestaande of de te realiseren condities komen ingewikkeld over. Zou het eenvoudiger zijn om kort te stellen dat water en bodem sturend zijn? Bij het vierde ontwikkelprincipe op pagina 25 kan worden aangevuld dat de beschikbaarheid van zoetwater moet worden meegewogen.
Op pagina 25 bij Water en bodem sturend staat: “Uitgangspunt is dat ruimtelijke keuzes fysiek realiseerbaar zijn, dat zij geen onaanvaardbare inspanningen en/of maatschappelijke kosten met zich mee brengen en dat geen negatieve effecten worden afgewenteld op derden, op ander locaties of naar de toekomst.” Gaat het hier om maatschappelijke kosten nu, of om maatschappelijke kosten in de toekomst? Nu niets doen kan namelijk leiden tot hogere maatschappelijke kosten in de toekomst. Waterveiligheid en -overlast komen in het Ontwikkelperspectief nog nauwelijks aan bod. Op pagina 26 wordt een vraagstuk over waterveiligheid genoemd. Hiervoor geven wij het advies van de beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater mee om te werken uitgaande van de principes van meerlaagsveiligheid. Voor wonen wordt een voorkeur uitgesproken voor locaties van ontwikkelingen (kleigronden). In het Ontwikkelperspectief is opgenomen dat “nieuwe woningen (…) worden gerealiseerd ,in de eerste plaats op kleibodems. Maar ook duurzame en betaalbare woningconcepten in het veengebied kunnen ruimte bieden aan woningzoekenden, afhankelijk van het tempo van innovatie.” (p.35). Naast de aanbeveling uit onze bestuurlijke reactie adviseren wij ook om rekening te houden met klimaatadaptatie/robuust bouwen.
Voor wat betreft het beter betrekken van circulariteit in het Ontwikkelperspectief adviseren wij een passage toe te voegen met de volgende tekst: “Om regionale kringlopen te kunnen sluiten en circulaire toepassingen te kunnen stimuleren is er ruimte nodig om pilots te doen. Daarmee kunnen we met elkaar bepalen wat wel of niet werkt en daar lessen uit trekken. Overheden en bedrijfsleven leren hier samen van en kunnen ook niet zonder elkaar om de circulaire ambities waar te maken. Kijk hierbij ook nadrukkelijk naar kansen en synergie tussen diverse sectoren.
Deels, zie 3.3
Deels, paragraaf is aangepast, zie 4.3
Overgenomen, zie 4.3
Niet overgenomen, zie 4.3 Deels, zie 4.3 en 4.12 Toelichting op afwentelen in 4.2
Deels, zie 2.2
Overgenomen, zie 4.7
Niet overgenomen, zie 4.4 en bijlage 3
Wat kan bijvoorbeeld de landbouw betekenen voor de traditionele bouwsector en omgekeerd?” Inzichtelijk moet nog worden hoe de vitaliteit van voorzieningen en kernen in het Groene Hart kan worden versterkt (ook zonder woningbouw). In het Groene Hart zijn weidevogels een belangrijk VHR-doel, dat niet (volledig) door Natura 2000-gebieden wordt afgedekt. De opgave moet dus breder geformuleerd worden dan alleen Natura 2000. Ons voorstel is om op te nemen dat VHR- soorten ook buiten Natura 2000-gebieden voorkomen. Duidelijkheid over doelstelling: de doelstelling voor 2050 is dat het landelijk gebied 10% groenblauw dooraderd is. Advies om natuurinclusief op te nemen in het OWP
In bijlage 2 van het Ontwikkelperspectief staan verschillende opties voor het ophogen van de grondwaterstanden in de Veenweidegebieden. Die worden beoordeeld op verschillende aspecten. Natuur ontbreekt hier nu bij. Het is duidelijk dat het 0-scenario (erg) slecht uitpakt voor de biodiversiteit. Alle opties met de verhoging van het waterpeil zullen daarom minder of meer positieve effecten hebben. Het is zinvol om natuur/VHR-doelen toe te voegen. In paragraaf 4.4 Landbouw wordt gesproken over extensivering van de landbouw. Het inzetten op een meer natuurinclusieve landbouw biedt wellicht meer perspectief en draagt bij aan meer doelen. Wat is de visie op voedselproductie? Voedselproductie wordt wel genoemd maar niet uitgewerkt. Voedsel is een verbinder tussen het stedelijk gebied en het Groene Hart. Die link mist nu nog. Natuurnetwerk Nederland (NNN) toevoegen Op pagina 27 wordt het ontwikkelprincipe voor de landbouw weergegeven. Het Ontwikkelperspectief kan meer antwoord geven in welke hoek dat perspectief gevonden kan worden. Het kan hierbij gaan om energie, nieuwe teelten, natuur, CO2-vastleggen, verbreding en biologische vormen van landbouw. In paragraaf 4.4. wordt gekozen voor het ‘voortbestaan’ van de agrarische sector. Deze paragraaf kan nu gelezen worden alsof de overheid moet voorzien in de ondersteuning.
Dat kan eenmalig zijn (afwaarderen van de grond) of structureel (GLB EU of agrarisch natuurbeheer). Maar dit kan ook in de agrarische onderneming commercieel worden opgelost. Als eerste ontwikkelprincipe is opgenomen dat “de (landschappelijke) kwaliteiten en cultuurhistorische waarden voor de lange termijn worden behouden en vergroot.” Voor ons is nog onduidelijk hoe zich dat verhoudt tot andere vormen van agrarisch grondgebruik, waarbij het landschap wellicht minder open en meer divers zal zijn. Advies is om “verzilveren” van erfgoed te vervangen door “benutten”, of iets soortgelijks.
Zie bijlagen 2 en 3 Deels, zie 4.8
Zie 4.8 Niet overgenomen; verschillende beelden van partijen bij deze term, zie 4.8 Niet overgenomen, dit is een punt voor vervolguitwerking
Niet overgenomen (zie ook eerdere opmerking over natuurinclusief) Deels, zie 4.4 Overgenomen, zie 2.4 en 4.8 Deels, paragraaf landbouw aangepast (zie 4.4), verdere uitwerking nog nodig na 1.0 versie Paragraaf 4.4 is aangepast, daarin is zowel de rol van de overheid als andere partijen benoemt Zie bijlage 2 vraagstukken en te maken keuzes Overgenomen, zie 4.10
Belangrijk vraagstuk voor de uitwerking: hoe kunnen we open ruimte en landschap behouden? Het Ontwikkelperspectief gaat niet echt de diepte in voor wat betreft recreatie, ook aandacht nodig voor druk op natuurgebieden bij recreatie. Ook betere verbindingen stad-land zijn nodig Voor specifiek de Natura 2000-gebieden geldt dat met name in Boezems Kinderdijk recreatiedruk een knelpunt is voor het behalen van de natuurdoelen. Draagkracht bij Kinderdijk is nog geen structureel probleem, maar vraagt wel nu al om aanvullende maatregelen gedurende de drukste dagen. Als het groeitempo van de toeristische markt zich herpakt moet er ook rekening worden gehouden met een mogelijk structurele overschrijding van de draagkracht. Van Nederland heeft provincie Zuid-Holland de minste oppervlakte aan groen per inwoner. Wanneer de draagkracht van een gebied wordt overschreden, kan dit leiden tot een verminderde bezoekerservaring, schade en verstoring van de natuur, milieubelasting en problemen rondom mobiliteit.
Afweging over openheid opgenomen in bijlage 2 Overgenomen, aparte paragraaf voor recreatie en toerisme (zie 4.5) Deels, aspect draagkracht en spreiding benoemd in 4.5
Aspect draagkracht en spreiding benoemd in 4.5
4. Provincie Noord-Holland Opmerkingen Bij ontwikkelprincipe 4 geeft u heel veel onderwerpen aan die met water en watersystemen te maken hebben. Wij missen in de opsomming de onderwerpen verzilting en waterveiligheid. U heeft het in paragraaf 4.3 wel over de verzilting maar niet over de waterveiligheid. Vrijkomen van fosfaat bij grondwaterpeilverhoging kan negatief effect op waterkwaliteit hebben. Behalen KRW doelstelling en reduceren CO2-uitstoot staan dan op gespannen voet. Tekstuggestie gedaan. Verzocht om een toelichting op dit punt.
Paragraaf OWP Deels, zie 2.2. Paragraaf 4.3 ook aangepast. Schuurpunt overgenomen, benoemd in 4.8
5. Gemeente Molenlanden Opmerkingen 5. “Bied perspectief voor agrarisch ondernemers in het Groene.” Dit punt wordt van harte onderschreven. Echter het punt van innovaties als oplossing voor de diverse vraagstukken wordt gemist. 6. “Maak voor bestaande bedrijvigheid gebruik van lokale en (boven)regionale schuifruimte en beperk de uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijvigheid binnen het Groene Hart.” Dit perspectief is te beperkend. Realiteit is dat er lokaal en regionaal bijna geen schuifruimte is. Het is van belang dat er ruimte blijft voor lokaal maatwerk ten behoeve van lokale ondernemers. Ook de omslag naar een circulaire economie vraagt meer ruimte.
Paragraaf OWP Deels, zie 4.3 en 4.4, o.a. in relatie tot aanpak bodemdaling Deels, zie 4.6
7. “Bouw woningen en bedrijventerreinen bij voorkeur op de kleigronden, niet in veengebieden”. Benadrukt wordt hierbij het genoemde aspect om op deelgebiedsniveau nadere afwegingen hierop te maken mede gezien de sociale impact van dit principe. Dit is nadrukkelijk in Molenlanden van toepassing.
Ontwikkelprincipe en paragraaf zijn aangepast, zie 4.7
11. “Maak duurzame energieopwekking in het Groene Hart mogelijk”. Het principe wordt onderschreven waarbij benadrukt wordt de urgentie tot energieopwekking als randvoorwaarde voor een vitaal Groene Hart. Aspecten hierbij zijn meer lokale opwekking, lokale energieopslag, slimme energiemanagementsystemen en een energie-infrastructuur als één van de (groeiende) ruimtevragers. Inzet op innovatieve ontwikkelingen naast zon en wind achten we van groot belang. Toerisme & Recreatie worden in de ontwikkelprincipes gemist. Het belang en de kansen zijn echter groot zowel voor de eigen inwoners als de aanpalende stedelijke zones. Graag zien we een toevoeging hierop en verbinding met de Recreatieve Strategie 2023-2026 Groene Hart.
Deels, zie 4.11
Ten aanzien van het vervolgproces ontvangen we graag een nadere duiding / uitwerking. Dit op de punten planning, governance en besluitvorming. Dit met name ook om meer beeld te krijgen hoe tot onvermijdelijke keuzes gekomen gaat worden waarbij lokale inbreng geborgd is.
Apart ontwikkelprincipe en paragraaf toegevoegd over recreatie en toerisme (zie 4.5)
6. Gemeente Krimpenerwaard Opmerkingen Het document is voornamelijk geënt op het ruimtelijk perspectief, maar heeft onvoldoende oog voor de implicaties van deze ruimtelijke voorstellen op de brede welvaart en vitaliteit van ons gebied: de mens ontbreekt in het perspectief. De principes zoals nu geformuleerd laten te weinig ruimte voor het voeren van goede gebiedsprocessen: met en voor de inwoners.
Het statement om niet te bouwen in veengebieden is noch realistisch noch wenselijk. Om een toekomstbestendige leefomgeving te houden is het belangrijk om te zorgen voor voldoende (en passende) woningen voor inwoners; dit geldt ook voor de veengebieden. Daarnaast is het van belang om binnen de bestaande kernen te zorgen voor goede groen-blauwe beweegruimte en voldoende ruimte voor water. Dit staat haaks op het principe van alleen bouwen binnen de kernen, daar ontbreekt de ruimte voor. Werken: de formulering houdt te weinig rekening met de behoefte die er is voor een goede ontwikkeling van de bestaande, aan de samenleving verbonden, bedrijvigheid. We pleiten voor het behouden van de huidige verhouding tussen werk- en woongelegenheid in het gebied: van belang voor
Paragraaf OWP OWP. 1.0 is op een aantal punten aangepast, meer nadruk op lokale situatie. Vervolgproces, o.a. met rol samenleving, beschreven in H6 Deels, 4.6 en 4.7 zijn aangepast
Deels, zie 4.6
behoud van een goede sociale basis. Het principe zou zich meer moeten richten op het stimuleren van een duurzame ontwikkeling van de bestaande vitale bedrijfssectoren in plaats van het bij voorbaat limiteren van ruimte voor bedrijvigheid. Grondwater: het huidige principe richt zich te veel op één oplossing (het grondwater moet omhoog) zonder de consequenties mee te wegen. Doel moet centraal staan en niet het middel (veenverbranding tegengaan) In een gebiedsproces kunnen verschillende oplossingen aan de orde komen met draagvlak onder eigenaren en omgeving.
Deels, zie 4.3 (ook ruimte voor andere technieken indien beschikbaar en effectief)
7. Gemeente Amsterdam Opmerkingen Aandacht gevraagd voor hoe het Ontwikkelperspectief zich verhoudt tot de drie PPLG’s
Paragraaf OWP Relatie tot andere beleidsdocumenten -en processen benoemd in 1.3
8. Gemeente Ouder-Amstel Positieve grondhouding tegenover dit Ontwikkelperspectief 1.0, geen inhoudelijke opmerkingen
9. Gemeente Bodegraven-Reeuwijk Opmerkingen De kwaliteiten van het Groene Hart (ontwikkelprincipe 1 en 2): Naar ons idee blijven open gebieden zoveel mogelijk open en groen (Toekomstvisie 2021). Anderzijds is het rekening houden van de leefbaarheid en economische vitaliteit (zoals in het ontwikkelperspectief is beschreven) een hele belangrijke. Het landschap moet ook vitaal blijven met bescheiden uitbreidingsruimte buiten bestaand stads en dorpsgebied voor dorps wonen en bedrijvigheid. Water en bodem sturend (ontwikkelprincipes 3 en 4): aandacht voor grote impact van het verhogen van grondwaterstand op de agrarische sector. In samenhang met het omliggende gebied moeten hiervoor maatwerk afspraken gemaakt worden. In kader van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) is het wenselijk dit per polder (of logisch samenstel van polders) vast te leggen in een gebiedsplan. Alleen dan kan een goede lokale afweging worden gemaakt. Landbouw (ontwikkelprincipe 5): benadrukken het belang van het perspectief geven aan de agrarische ondernemers. Gebruik maken van perspectief agrarisch ondernemers terug laten komen in het Ontwikkelperspectief.
Paragraaf OWP Zie H5. Openheid als vraagstuk ook benoemd in bijlage 2.
Voor uitwerking na OWP 1.0
Dit belang voor het vervolg(proces) is benoemd in 4.4 en H6.
Andere bedrijvigheid (ontwikkelprincipe 6): wijzen op grote huidige schaarste aan ruimte voor bedrijventerreinen. Natuur en biodiversiteit (ontwikkelprincipe 8): werken mee aan totstandkoming belangrijke natuurverbinding tussen nieuwkoopse en reeuwijkse plassen en gouewe Wiericke verband. Op voorwaarde dat agrarische bedrijfsvoering niet onevenredig wordt geschaad. Mobiliteit en verbindingen (ontwikkelprincipe 9): STOMP principe toevoegen: De auto staat niet meer centraal, maar we gaan eerst uit van de voetganger en de fietser, vervolgens openbaar vervoer en MaaS (Mobility as a service, beter bekend als deelmobiliteit) en ten slotte de personenauto. Ook aandacht voor grootschalige aanpassingen aan weginfrastructuur die nodig zijn. Energieopwekking (ontwikkelprincipe 11): behoud van agrarische gronden is van groot belang, bij zon en land vooral naar transitiegebieden en langs grootschalige infrastructuur kijken.
Behoefte aan extra bedrijventerreinen benoemd in 2.1 Niet overgenomen, OWP 1.0 gaan niet in op specifieke natuurverbindingen Deels, belang duurzame mobiliteit benoemd in 4.9 Niet overgenomen, te specifiek, in 4.11 wordt gesproken over plekken die aansluiten bij de kwaliteit van het landschap
10. Gemeente Hilversum Opmerkingen In onze ontwerp Omgevingsvisie hebben wij aangegeven dat wij ruimte willen geven aan regeneratieve landbouw. Deze vorm van kringlooplandbouw richt zich op extensieve veeteelt en voedselproductie en kan goed samengaan met natuurbeheer. Graag zien wij nog dat regeneratieve landbouw, die samengaat met natuurbeheer, benoemd wordt in het Ontwikkelperspectief Groene Hart 1.0.
11. Gezamenlijke reactie Alphen aan den Rijn, Gouda, Woerden
Paragraaf OWP Niet overgenomen. Dit is waardevolle inbreng voor de verdere uitwerking en verdieping van het Ontwikkelperspectief, maar gaat voor deze versie te specifiek in op verschillen vormen voor de transitie in de landbouw
Opmerkingen Multifunctioneel Groene Hart: we zien graag dat u het binnenstedelijk bouwen nabij OV-knooppunten ook in de tekst van ontwikkelprincipe 7 een plek geeft. Benodigde flexibiliteit en regionaal en lokaal maatwerk als het gaat om schuifruimte en stapeling van functies. Voor de leefbaarheid van het Groene Hart is behoud van vitale bedrijvigheid essentieel.
Paragraaf OWP Onderdeel van vraagstukken en de te maken keuzes en onderzoeksagenda (bijlage 2 en 3) Overgenomen, zie 3.4
Voor de vanwege klimaatadaptatie noodzakelijke transities van bestaande bedrijfsvoering is het van belang dat er naast rendabele nieuwe verdienmodellen ook met passend instrumentarium ondersteuning wordt geboden bij de daartoe benodigde transitiepaden. Die paden zullen we in samenspraak met de agrarische ondernemers en MKB bedrijven moeten verkennen en uitwerken. In ontwikkelprincipe 6 ook benoemen dat partijen de noodzaak van aanvullend financieel instrumentarium voor herstructurering, schuifruimte en vitalisering van bedrijfsterreinen onderkennen.
Deels, zie 1.1
Voorstel om in de formulering van ontwikkelprincipe 6 de gedachte uit de laatste zin vooraan te zetten. Die geeft aan wat we wél willen in het Groene Hart, namelijk het respect voor landschap en groen als uitgangspunt nemen bij de keuzes voor bedrijvigheid Voor de nabije omgeving van de stad kunnen stadsrandzones en regionale hubs/in/overstappunten (breder en kwalitatief hoogwaardiger dan de toeristische overstappunten zoals we die nu kennen) een belangrijke schakel vormen tussen de stad en het Groene Hart
Niet overgenomen
Graag meer aandacht in het ontwikkelperspectief voor zowel het fysieke groenblauwe netwerk in termen van wandelen, fietsen (snelfietsroutes en recreatief fietsen) als voor het vertellen van het verhaal van het Groene Hart als tegenhanger van de stad
Deels, zie 4.9
Belangrijke opgave om de regionale infrastructuur te versterken en daarmee het (sluip-) autoverkeer door en in het Groene Hart te beperken. Aandacht voor duurzame mobiliteitsoplossingen.
Deels, zie 4.9
Onder ontwikkelprincipe 9 Gouda en Alphen als regiopoorten te benoemen.
Rol regiopoorten onderdeel van suggesties onderzoeksagenda (bijlage 3) Niet overgenomen, eventueel een te maken bestuurlijke keuze voor de toekomst
Voor energie is na de RES-periode een governance nodig op een groter schaalniveau, zoals dat van het Groene Hart.
Overgenomen, zie 4.6
Overgenomen, zie 4.9
In de beschrijving van het thema bodemdaling en de formulering van de ontwikkelprincipes valt op dat de focus daarbij ligt op het landelijk gebied. Wij vragen u ook op te nemen dat omgaan met bodemdaling in bestaande steden en dorpen voor de komende decennia een grote opgave is, zowel technisch als financieel.
Deels, zie 2.2
12. Gezamenlijke reactie Utrechtse gemeenten Opmerkingen Wees explicieter over de status van het document en licht toe in welke mate er wordt voortgeborduurd op reeds vastgesteld beleid (zoals ons gezamenlijk perspectief).
Paragraaf OWP Deels, zie 1.3
Beeld opnemen met de begrenzing van het gebied en een overzichtskaart waarin een (ruimtelijke) vertaling van de thematische ontwikkelprincipes is weergegeven
Deze wordt nog toegevoegd in een eindopmaak van het OWP 1.0 na vaststelling Overgenomen, zie 1.2 en 1.3
Een toelichting opnemen over het proces van totstandkoming van dit ontwikkelperspectief en de relatie met andere rijk-regio trajecten Toelichten wat wordt bedoeld met ontwikkelprincipes. Ook in relatie tot de status van het document. Concreet vraagt de sociaaleconomische vitaliteit van gemeenschappen als belangrijke drager van het landschap en daarmee opgave voor de ontwikkeling van het Groene Hart meer aandacht in hoofdstuk 2.
Zie 1.3
Een vertaling naar landschappelijke hoofdstructuren of karakteristieke ruimtelijke dragers maken
Niet overgenomen, eventueel voor nadere uitwerking na OWP 1.0 Overgenomen, zie 4.2
Ontwikkelprincipe 3: licht helder toe wat er bedoeld wordt met het ‘voorkomen van afwentelen’. Wij vinden het van belang dat het gebied zoveel als mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Afwentelen in ‘tijd’ moeten we daarom voorkomen. Bij afwentelen naar plaatst kan wederkerigheid een rol spelen. Suggestie om perspectief voor agrarisch ondernemers verder te verdiepen óf explicieter te verwijzen naar de provinciale programma’s landelijk gebied Ontwikkelprincipe 6 te strikt en beperkend geformuleerd. Het Groene Hart moet immers naar de toekomst toe ook economisch vitaal kunnen blijven. Daartoe is er letterlijk ruimte nodig voor ondernemerschap.
Deels, zie 3.4
Voor uitwerking na OWP 1.0 Deels, economische vitaliteit benadrukt, beperkte extra ruimte voor bedrijvigheid (zie 3.4 en 4.6)
Ontwikkelprincipe 7 genuanceerder formuleren omdat woningbouw ook belangrijke waarden kan versterken. Wederkerigheid is daarbij ook belangrijk te benoemen. Bij principe over woningbouw en bedrijventerreinen meer aandacht voor de verschillende veengebieden en andere structurerende principes bij woningbouw. Ontwikkelprincipe nu erg kort door de bocht. Intensiveren regiopoorten als aanvullend ontwikkelprincipe
Vitaliteit kernen als aanvullend ontwikkelprincipe Investeren in hoogwaardig groenblauw raamwerk als aanvullend ontwikkelprincipe
Deels, zie 4.7 Deels, zie 4.7 Bij suggesties onderzoeksagenda benoemd (bijlage 3) Deels, benadrukt in 3.4, geen apart ontwikkelprincipe Deels, groenblauw raamwerk in 4.9, geen apart ontwikkelprincipe
13. Gezamenlijke reactie Regio Midden-Holland Opmerkingen Ontwikkelprincipe 3 lijkt nu te veel uit te gaan van een “tabula rasa” – een leeg landschap waar geen mensen wonen. Suggestie: ‘Uitgangspunt is dat ruimtelijke keuzen fysiek realiseerbaar zijn en niet leiden tot onaanvaardbare maatschappelijke kosten of inspanningen – nu of in de toekomst, op de locatie of op andere plekken. Daarom wegen we in het Groene Hart altijd de bestaande of te realiseren condities van water en bodem mee bij toekomstige ruimtelijke keuzen enen bij de verduurzamingsopgaven van bestaande steden en dorpen”. Suggestie voor onderzoeksagenda: Op welke wijze kunnen lokale overheden vanuit de life-cycle-cost benadering in staat worden gesteld mede te investeren in een goede inrichting van de benodigde en gewenste ontwikkelingen om zo kosten in het toekomstig beheer van de openbare ruimte zoveel als mogelijk te voorkomen? Zien graag dat ook alternatieven voor reductie van broeikasgassen en het voorkomen van bodemdaling worden onderzocht en betrokken bij de gebiedsprocessen [naast verhogen grondwaterpeilen] Vragen voor onderzoeksagenda: - Wat is de impact van beoogde hogere grondwaterstanden op bestaande gebouwde functies (bv: vochtoverlast) en welke aanpassingen zijn hiervoor nodig in het watersysteem (bv: loskoppelen
Paragraaf OWP Niet overgenomen
Opgenomen in suggesties onderzoeksagenda
Opgenomen in suggesties onderzoeksagenda Opgenomen in suggesties onderzoeksagenda
peilbeheer van diverse kernen en linten)? Pagina 3 - Welke impact hebben de hogere waterstanden op de draagkracht van de ondergrond onder de huidige infrastructuur in het landelijk gebied? - Welke nieuwe en alternatieve methodes voor het remmen van bodemdaling zijn kansrijk en willen we in de praktijk toetsen? (bijvoorbeeld: klei in veen) - Zijn er ook alternatieven mogelijk voor het reduceren, vastleggen of voorkomen van CO2uitstoot. Waar ligt het optimum in kosten en baten van deze vormen? Ruimte voor woonruimte in gebieden met veenondergrond gevraagd, om kernen vitaal te houden Suggestie om bij tekst ontwikkelprincipe 7 toe toevoegen over bouwen in steden: zin “bij voorkeur” toe te voegen “in de bestaande steden met goed OV”. Suggesties voor onderzoeksagenda: - In hoeverre is verdere verdichting (door bijvoorbeeld hoger te bouwen) en/of uitbreiden van de bestaande kernen verantwoord in relatie tot de woningbehoefte, identiteit, ensemble-waarde omgeving erfgoed en de impact op het landschap? Dit vanwege mogelijk toekomstige groeiambities van gemeenten.
- Welke ruimte is er binnen de bestaande kernen voor realisatie en behoud van voldoende groen, nodig om een goede leefkwaliteit te borgen bij langere periodes van hitte en weersextremen? - In welke generieke behoefte aan woningbouw (denk onder meer aan de huisvesting van vluchtelingen, groei in omvang sociale woningbouw) kan in het Groene Hart in redelijkheid worden voorzien en op welke wijze is dat ook haalbaar te maken (draagvlak, financieel)? In het nu door u geformuleerde principe ligt de nadruk op het beperken van ruimte voor bedrijventerreinen, waar ons inziens meer nadruk mag liggen op behoud, innovatie en versterking van de bestaande aan het gebied verbonden bedrijvigheid. Pas bij het ontstaan van schuifruimte op bestaande terreinen is herstructurering van bestaande terreinen gericht op intensiever ruimtegebruik mogelijk – waarbij ook groen en water op deze terreinen om extra ruimte vraagt Suggesties voor onderzoeksagenda: - Welke ruimte is er (perspectief 2050) nodig om schuifruimte te creëren voor de gewenste ontwikkelingen en het versterken van de intensiever gebruik van bedrijventerreinen en kunnen partijen het daarover eens worden? - Welke ruimtewinst kan realistisch geboekt worden door intensivering in combinatie met klimaatadaptatie?
Overgenomen, zie 4.7 Niet overgenomen Opgenomen in suggesties onderzoeksagenda
Deels, behoud economische vitaliteit benadrukt in 3.4. Paragraaf over bedrijvigheid is deels aangepast in 4.6. Opgenomen in suggesties onderzoeksagenda
- Met welke middelen en instrumenten kunnen wij sturen op de doelstellingen van beter benutten, duurzaam en intensief ruimtegebruik van (nieuwe) bedrijventerreinen? Pleiten om te zoeken naar een aanpak die agrarisch ondernemerschap ook in de toekomst mogelijk maakt. Tevens is de aandacht eenzijdig gericht op de veenweiden, en missen wij de akkerbouw in de droogmakerijen. Suggesties voor onderzoeksagenda: -Op welke wijze kan en wil de overheid de agrariërs helpen om – vanuit de eigen autonomie – de toekomst tegemoet te treden? - Hoe kan voorkomen worden dat de subsidieafhankelijkheid in de agrarische sector de autonomie van de (agrarische) inwoners overvleugeld en er geen ruimte meer is voor ondernemerschap? Suggestie voor onderzoeksagenda: -Welke middelen zijn er vanuit de (rijks/provinciale) overheid en/of omliggende steden beschikbaar om de bereikbaarheid en doorwaadbaarheid van het Groene Hart per fiets en OV te verbeteren? Niet spreken van erfgoed ‘verzilveren’ (gaat ervan uit dat het middelen oplevert). Suggestie herformulering: versterk bij ontwikkelingen de aanwezige historische waarde, dat levert meer kwaliteit op. Bescherming immaterieel erfgoed opnemen