vvgb zonnepark De Linden (4 Bijlage 2a Ruimtelijke onderbouwing zonnepark 'De Linden' met gemarkeerde aanpassingen)
Tekst van het document
Door de noord-zuid oriëntatie van het zonnepark en een ecologische inrichting hiervan kan de kwaliteit van de bodem zelfs positief verbeteren. De groenopstanden op het terrein worden beheerd volgens een zorgvuldig beheerplan. Denk daarbij aan de extra kruiden- en bloemrijke zoom, kruidenrijk grasland, struweelhagen en linden. Het beheerplan bij deze type beplantingen is opgenomen in de landschappelijke inpassing. Na beëindiging van de vergunning wordt de installatie verwijderd en een schone grondverklaring overlegd. NRG2ALL is voornemens met de gemeente een overeenkomst te sluiten, waarin alle afspraken worden vastgelegd. In de beschrijving van de leidende principes hieronder wordt hier verder op ingegaan. 6. Meervoudig ruimtegebruik NRG2ALL streeft meervoudig ruimtegebruik na. Bij de inpassing van het zonnepark is hier rekening mee gehouden door het combineren van energieopwekking met: • •
•
•
Op het kruidenrijke grasland onder de zonnepanelen, binnen het hekwerk, een paar weken per jaar kleinvee zoals schapen te laten grazen; het plaatsen van insectenhotels en zandheuvels in de bloem- en kruidenrijke weide aan de noordzijde van het plangebied, en de aanleg van een amfibieënpoel om de biodiversiteit te versterken. Indien gewenst kan een educatief bord worden geplaatst bij de ingang met daarop het doel en de bijdrage van het zonnepark aan de omgeving (zie voor een nadere toelichting over het educatieve bord paragraaf 2.3 ‘Landschappelijke Inpassing’). Het behouden en ruimte bieden aan bestaande waterlopen, zodat o.a. flora en fauna hier meer ruimte krijgen om te ontwikkelen.
7. In het Natuurnetwerk Brabant zijn windturbines en zonneparken uitgesloten
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
23
Projectgerelateerd
De locatie ligt niet in het Natuurnetwerk Brabant. De impact op Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Brabant is toegelicht onder Hoofdstuk 4 ‘Omgevingsaspecten’ binnen deze ruimtelijke onderbouwing. Naast deze leidende principes worden in de Kadernota bij de VGO Hilvarenbeek nog een aantal algemene voorwaarden voor initiatieven rondom grootschalige opwek benoemd. Deze algemene voorwaarden worden hieronder toegelicht. Daarnaast wordt onderbouwd hoe het planvoornemen hieraan voldoet. •
We stellen dat tot en met 2020 maximaal 50 ha aan zonneparken en een locatie voor windturbines wordt vergund. Voorgenomen plan heeft betrekking op een plangebied van 5,3 hectare waarvan 3 hectare is voorzien voor zonnepanelen, en de rest voor de landschappelijke inpassing van het zonnepark.
•
Aansluiting op het elektriciteitsnet is voorwaarde om een project te laten doorgaan. Bij een aanvraag voor grootschalige opwek vragen we een schriftelijke verklaring van de netbeheerder, waaruit blijkt dat er afstemming is met de netbeheerder en een prijsindicatie is afgegeven voor de aansluiting op het net. Als de aanvraag positief wordt beoordeeld, vragen we als voorwaarde voor een vergunning een geldende offerte van de netbeheerder waaruit blijkt dat aansluiting mogelijk is en maatschappelijk verantwoord. Er is met betrekking tot voorgenomen zonnepark afstemming geweest met de netbeheerder. De ontwikkelaar heeft bij de netbeheerder een prijsindicatie aangevraagd op basis van het nieuwe inpassingsplan. Na vergunningverlening zal de prijsindicatie worden omgezet in een offerte. Daarnaast heeft de netbeheerder een transportindiactie afgegeven, waaruit blijkt dat er voldoende capaciteit op het net beschikbaar is. Deze transportindicatie is opgenomen in de bijlage 2
•
Plannen moeten realistisch en uitvoerbaar zijn. Op dit moment is nog veel onduidelijk en de ontwikkelingen ten aanzien van duurzame energiebronnen gaan in hoog tempo. We volgen die ontwikkelingen en zorgen dat we bij de beoordeling hierop kunnen anticiperen. Het voldoen aan alle voorwaarden leidt niet automatisch tot het verlenen van een vergunning. Als tijdens het proces blijkt dat de gevolgen voor goede ruimtelijke ordening en het algemeen belang onaanvaardbaar worden, hebben we de mogelijkheid om de aanvraag af te wijzen. Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing en het daarbij behorende landschappelijke inpassingsplan blijkt dat de ontwikkeling van het zonnepark realistisch en uitvoerbaar is. De beoordeling hiervan ligt bij het bevoegd gezag.
•
Een anterieure overeenkomst is onderdeel van de vergunning. Als het proces van initiatiefvoorstel positief verloopt, kan dit leiden tot een vergunning voor de installatie van een zonnepark of windturbines. Betrokken partijen stellen een anterieure overeenkomst op met alle afspraken. We vragen hierbij een bankgarantie zodat bij faillissement de kosten van het opruimen van de zonnepanelen kunnen worden betaald (zie 5.5). Het stellen van financiële zekerheid is immers verplicht op grond van de provinciale Verordening ruimte, zowel ten aanzien van windturbines als zonneparken Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin alle afspraken worden vastgelegd, inclusief een bankgarantie. Tevens gaat NRG2ALL alleen de samenwerking aan met een importeur van de zonnepanelen, wanneer deze een overeenkomst is aangegaan met een externe partij, zoals PV Cycle, om zonnepanelen terug te nemen. Als lid van Holland Solar is NRG2ALL gehouden aan de Gedragscode ´zon op land´. Ook in lijn met deze gedragscode, dienen de zonnepanelen na de gebruiksperiode te worden ingenomen voor recycling. De panelen zijn nu reeds voor 96% recyclebaar. NRG2ALL is tevens met de grondeigenaar overeengekomen
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
24
Projectgerelateerd
dat de gronden schoon worden opgeleverd. Dit is vastgelegd in de overeenkomst met de grondeigenaar. Hiervoor is een bankgarantie opgenomen.
Conclusie Het plan is niet in strijd met de VGO. Het draagt bij aan de gemeentelijke doelstellingen en duurzaamheidsambitie van de gemeente.
3.4
Conclusie inpasbaarheid in het beleid
Het voorgenomen plan past binnen nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid, omdat de ontwikkeling van het zonnepark: • •
• • • •
bijdraagt aan de ambitie uit het energieakkoord voor duurzame groei door middel van het decentraal opwekken van zonne-energie. De ontwikkeling beoogt namelijk het opwekken van 4,5 MWp zonneenergie; aansluit op de regels voor zonneparken uit de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant voor landelijk en gemengd landelijk gebied, omdat voldaan wordt aan de hierbij gestelde criteria: o In de VGO blijkt dat grootschalige opwek middels zonne-energie noodzakelijk is, om duurzaam te kunnen voorzien in de energiebehoefte van Hilvarenbeek. o De voorgenomen ruimtelijke en landschappelijke inpassing aansluit op de voorgestelde leidende principes uit de VGO, zoals hieronder verder toegelicht. o Het zonnepark landschappelijk wordt ingepast door onder andere het aanplanten van een struweelhaag, lindes, kruidenrijk grasland en een extra bloem- en kruidenrijke zoom. o De ontwikkeling voorziet in meervoudig ruimtegebruik, door ruimte te bieden aan biodiversiteit, begrazing met kleinvee en agrarisch gebruik in combinatie met waterberging. o De ontwikkeling is afgestemd met de netwerkbeheerder.
Er is een prijsindicatie aangevraagd op basis van het nieuwe inpassingsplan en uit de transportindicatie blijkt dat er voldoende netcapaciteit beschikbaar is; past binnen de ambitie uit de Energieagenda 2019 - 2030, om in Brabant vanaf 2050 100% duurzame energie op te wekken; past binnen de ambitie van de gemeente Hilvarenbeek om CO 2 -uitstoot met 40% in 2030 en 80% in 2050 te verminderen, door onder andere het opwekken van meer duurzame energie; past binnen de kaders van een gemengd duurzaam buitengebied, zoals in de Structuurvisie Hilvarenbeek (2010) aangegeven, en wordt landschappelijk ingepast en versterkt; past binnen de criteria uit de kadernota VGO. Zo wordt met de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het zonnepark rekening gehouden met: o De bestaande ruimtelijke kwaliteit van het Kampen en Hoevenlandschap. Dit wordt versterkt door het behouden en versterken van de onregelmatige verkaveling en open- en geslotenheid van het landschap. o Een duurzame ruimtelijke ordening, onder andere door de keuze voor een locatie buiten het Natuurnetwerk Brabant en het niet verharden van het maaiveld. o Een maatschappelijke meerwaarde voor de samenleving, door o.a. het betrekken van omwonenden in de verdere planontwikkeling. Dit draagt ook bij aan een zorgvuldige dialoog met de omgeving en biedt mogelijkheden voor financiële participatie (zie ook participatieplan).
o Meervoudig ruimtegebruik, onder andere door het stimuleren van de biodiversiteit door o.a. het aanplanten van bloem- en kruidenrijk grasland, insectenhotels en zandheuvels, maar ook door het herstellen van cultuurhistorische lijnen met aanplanten van Lindes, en het bieden van ruimte aan bestaande watergangen en de aanleg van een amfibieënpoel.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
25
Projectgerelateerd
4
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de milieu hygiënische en planologische aspecten verantwoord die samenhangen met onderhavig plan. Voor elk omgevingsaspect is een korte omschrijving opgenomen, waarbij (indien mogelijk) is verwezen naar uitgevoerde onderzoeken. Indien er onderzoeken zijn uitgevoerd zijn deze als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.
4.1
Bedrijven- en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Doorgaans vindt deze ruimtelijke afstemming plaats in de vorm van het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Hiermee wordt hinder en gevaar voor milieugevoelige functies voorkomen of zoveel mogelijk beperkt en wordt bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun bedrijfsactiviteiten onder aanvaardbare voorwaarden kunnen ontplooien. Door de VNG is een handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ gepubliceerd (laatste uitgave dateert uit 2009). In deze handreiking zijn per milieubelastende activiteit richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar opgenomen tot milieugevoelige functies. Een zonnepark vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Op advies van Gemeente Hilvarenbeek (brief d.d. 29 januari 2020) wordt aansluiting gezocht bij de activiteit Elektriciteitsproductiebedrijven en elektriciteitsdistributiebedrijven ten aanzien van de geluidseffecten. Volgens de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) kan een zonnepark worden ondergebracht onder SBI code ‘35113’, namelijk ‘productie van elektriciteit door zonnecellen, en waterkracht’. In de richtafstandenlijst wordt de indeling ’35’ gehanteerd.
Voor elektriciteitsdistributiebedrijven, met een transformatorvermogen kleiner dan 10 MVA gelden de volgende richtafstanden: • Geur: 0 meter • Stof: 0 meter • Geluid: 30 meter • Gevaar 10 meter Hierbij relevant zijn de geluidseffecten en de geluidsreflectie. Hier wordt nader op ingegaan onder 4.2 Geluid. Bedrijven zijn geen milieuhindergevoelige functies en vallen daarmee buiten het kader van de reguliere milieuzonering. Een zonnepark betreft daarnaast geen milieugevoelige functie, waardoor bestaande bedrijven in de omgeving niet onevenredig in hun belangen worden geschaad bij de realisatie van deze functie. Een zonnepark is niet te beschouwen als een geurgevoelig object in de wet geurhinder en veehouderij. De conclusie is dat het project uit oogpunt van bedrijven en milieuzonering uitvoerbaar is.
4.2
Geluid
Kwalitatief is beoordeeld wat het effect betreffende geluid (wegverkeerslawaai) is van de geplande realisatie van een zonnepark in Hilvarenbeek (aan de Ambrosiusweg). De locatie is gelegen direct ten westen van de Provinciale weg N269, ten zuiden van de A58/A65. De vraag is of de geluidsbelasting vanwege deze wegen toeneemt bij de woningen als gevolg van de aanleg van het zonnepark. Hiervoor zijn van belang de woningen nabij het zonnepark. 22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
26
Projectgerelateerd
Er gelden in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidseisen betreffende deze zonnepanelen. Bij wijzigingen op of aan een weg dient een geluidsonderzoek plaats te vinden, om te beoordelen of sprake is van een zogenaamde “reconstructie” in de zin van de Wet geluidhinder. Dan moet beoordeeld worden of voor de woningen een hogere waarde moet worden verleend, en of er maatregelen kunnen worden getroffen om de toename van de geluidsbelasting te beperken. Dit is hier niet aan de orde, aangezien er geen wijzigingen op af aan de genoemde wegen plaatsvinden. Naast de rijksweg (A58/A65) zijn rekenpunten met zogenaamde geluidsproductieplafonds (GPP’s) gelegen, waarop in het kader van de Wet milieubeheer geluidseisen van toepassing zijn. Deze rekenpunten zijn gelegen op 50 m van de rijksweg. Het zonnepark wordt niet binnen 50 m van de rijksweg gerealiseerd, daarom zullen de geluidsniveaus op deze rekenpunten niet wijzigen. Het onderzoek vindt plaats in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De panelen staan gericht op het zuiden onder een kleine hoek ten opzichte van het horizontale vlak (met een afwijking van circa 20%). Reflectie (een terug weerkaatsing van het geluid) treedt naar verwachting niet of nauwelijks op, omdat de zonnepanelen min of meer in het horizontale vlak worden geplaatst.
Nabijgelegen woningen aan de Tilburgseweg 43-49b, die zijn gelegen tussen de zonnepanelen en de relevante wegen, zullen dan ook geen effect ondervinden van de zonnepanelen. Een relevant effect is wel dat ter plaatse van de zonnepanelen een hard bodemgebied ontstaat, waar voorheen een zacht bodemgebied aanwezig was. Een hard bodemgebied zorgt voor weerkaatsing van het geluid, een zacht bodemgebied absorbeert het geluid. Het effect hiervan is dat het geluid van de provinciale weg N269 en de A58/A65 in zekere mate wordt weerkaatst naar het achtergelegen gebied. Het gaat hierbij om de gebieden ten westen en ten zuiden van het zonnepark. Hier zijn echter nauwelijks woningen gelegen. Relevant hierbij kunnen zijn de woningen aan het Boterpad in Goirle, woningen in het buitengebied die ten westen van het zonnepark zijn gelegen. Het geluidseffect bij deze woningen is naar verwachting echter zeer beperkt, omdat deze woningen verderweg gelegen zijn van de N269, en het geluidsniveau vanwege deze weg dus relatief beperkt is. Naar verwachting wordt de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai hier meer bepaald door de A58/A65, welk geluidsniveau niet wijzigt. Een ander aspect dat mogelijk relevant is betreft industrielawaai: Het geluid dat veroorzaakt wordt door de omvormers en het transformatorgebouw / inkoopstation (zie ook paragraaf 4.1).
Het zonnepark kan worden beschouwd als een “inrichting”, een locatie waar bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. De geluidimmissie van inrichtingen ter plaatse van woningen is geregeld in de Wet milieubeheer / het Activiteitenbesluit. De publicatie Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden voor diverse typen bedrijfsmatige activiteiten. Voor dit type inrichtingen is de richtafstand 30 meter, bij een transformator met een vermogen van < 10 MVA. De dichtst bijgelegen woning bevindt zich aan Tilburgseweg 49b, op een afstand van circa 45 m van het transformatorgebouw /inkoopstation en > 100 meter van de omvormers. De woningen zijn dus gelegen buiten de richtafstanden. Verwacht kan worden dat ter plaatse van de woningen geen geluidshinder optreedt vanwege het transformatiestation, en dat voldaan wordt aan de geluidseisen uit het Activiteitenbesluit. De afstand tot een levensbeschouwelijke instelling bedraagt ruim 2 kilometer. De instelling ondervindt geen hinder van het zonnepark. Een zonnepark is geen geluidgevoelig object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder achterwege blijft. Het plan is wat betreft geluidshinder uitvoerbaar.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
27
Projectgerelateerd
4.3
Externe veiligheid
Voor een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat burgers beschermd worden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of gevaarlijke omstandigheden. Externe veiligheid gaat daarom om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: • het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); • het gebruik van luchthavens. Een zonnepark is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Binnen het plangebied worden namelijk geen objecten gerealiseerd waar personen kunnen verblijven. Andersom is een zonnepark geen risicovolle inrichting, waardoor de ontwikkeling niet van invloed is op eventueel nabijgelegen kwetsbare objecten. Uit de risicokaart Nederland blijkt dat ter plaatse en/of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen aan de orde.
4.4
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Deze waterparagraaf doet verslag van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie, dat wil zeggen voor het grondwater, het oppervlaktewater dan wel regionale en/of primaire waterkeringen. Er is m.b.t. deze waterparagraaf afstemming met het waterschap de Dommel geweest. Het Waterschap heeft advies uitgebracht dat is verwerkt in deze waterparagraaf. Waterschap de Dommel Het Waterbeheerplan 2016-2021 is in 2015 vastgesteld en sinds 2016 actueel. In het plan zijn vijf thema’s opgenomen: 1. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied. 2. Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te weinig water is. 3. Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren. 4. Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. 5. Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.
In het Waterbeheerplan worden waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uitgenodigd om samen te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven waar Waterschap De Dommel voor staat. Waterhuishoudkundige situatie Het plangebied voor zonnepark Ambrosiusweg Hilvarenbeek raakt aan de volgende belangen vanuit waterhuishouding:
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
28
Projectgerelateerd
Figuur 4-1 projectie beperkingsgebieden op het plangebied (Bron: Legger Waterschap de Dommel)
Figuur 4-2 Natuurlijke overstromingsgebieden in blauw (Bron: Legger Waterschap De Dommel)
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
29
Projectgerelateerd
•
• •
Het projectgebied wordt niet begrensd door A-water. Deze watergangen zijn in blauw op bovenstaand kaartbeeld weergegeven. Voor A-watergangen is in de Legger een beschermingszone toegekend, van 5 meter breed vanaf de insteek, aan beide zijden van de watergang. Het projectgebied wordt op verschillende randen begrensd door B-watergangen (zie roze lijnen op bovenstaande kaart). Voor deze watergangen zijn geen beschermingszones aangewezen. In de Verordening Ruimte en Water is de omgeving van het plangebied aangegeven als ‘reservering waterberging’. Dit betekent dat in extreme situaties, dit gebied hier kan overstromen. In de legger van Waterschap De Dommel staan natuurlijke overstromingsgebieden weergegeven (zie blauwe vlakken op bovenstaande kaart). Het plangebied valt niet binnen dit natuurlijk overstromingsgebied. Inundatie op deze kavel is te verwachten.
Daarnaast heeft het Waterschap De Dommel aangegeven dat voor vergunningverlening het nodig is om rekening te houden met: • hemelwater op de kavel, waarbij de voorkeur is om niet af te voeren, maar indien hier wel voor gekozen wordt, dit vertraagd plaatsvindt: o binnen het plangebied wordt hemelwater niet afgevoerd, maar opgevangen en geïnfiltreerd op de kavel van het plangebied; • indien verhard oppervlak met hemelwaterafvoer, realisatie van waterberging: o Het maaiveld onder de zonnepanelen zal niet worden verhard of verdicht. Door de noordzuid opstelling ontstaat er ruimte tussen de panelen. Hemelwater zal worden opgevangen op de kavel van het plangebied. Met het Waterschap De Dommel is afgestemd dat een waterhuishoudkundigplan niet benodigd is voor de inrichting van het plangebied (perceel A1696), aangezien hemelwater wordt opgevangen en het maaiveld binnen het plangebied niet zal worden verhard of verdicht. Conclusie In het plan wordt rekening gehouden met de waterhuishoudkundige situatie en relevant beleid: • Bij de inpassing van het zonnepark is rekening met de bestaande watergangen gehouden. Bij alle watergangen wordt ruimte vrijgehouden zodat ze eenvoudig te schouwen zijn, en flora en fauna hier meer ruimte krijgen. Daarnaast worden bij de realisatie van het park geen sloten/ watergangen gedempt of gewijzigd.
Het initiatief leidt daarom niet tot een wijziging in het watersysteem. Er wordt geen aanvullende drainage voorzien. De afwatering van het plangebied blijft ongewijzigd. • De waterhuishoudkundige situatie zal door de realisatie van het zonnepark niet wijzigen. Het regenwater spoelt van de zonnepanelen af en kan vrij in de bodem infiltreren. Onder de panelen wordt geen gesloten verharding aangebracht die een belemmering vormt voor de infiltratie. Het regenwater stroomt dan ook niet versneld af richting het oppervlaktewater, maar zal worden opgevangen op de kavel. Het zonnepark wordt door de vrije afstroming van het regenwater richting de onderliggende bodem niet gezien als toename in verharding. Watercompensatie is voor dit plan dan ook niet vereist. Ook elders binnen het plangebied wordt geen extra verharding aangebracht. • Binnen het plangebied zal het principe van duurzaam bouwen worden gehanteerd. De zonnepanelen en de constructie wordt uitgevoerd van niet-uitloogbare materialen. Zonnepanelen worden geplaatst op een metalen frame. • Het initiatief leidt niet tot de productie van afvalwater en wordt dus ook niet aangesloten op een rioleringsstelsel. Het hemelwater afkomstig van de zonnepanelen stroomt direct af richting de bodem en is niet verontreinigd zodat dit niet leidt tot verontreiniging van bodem of oppervlaktewater. 22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
30
Projectgerelateerd
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief en geen aanvullende maatregelen nodig zijn.
4.5
Bodem
Bodemkwaliteit Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Bodemingrepen Op de bodemkwaliteitskaart staat het plangebied aangewezen als agrarisch buitengebied. Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar een zonnepark op een locatie die bestemd is als ‘agrarisch’. Ten aanzien van het initiatief zullen er geen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De zonnepanelen worden boven de grond geplaatst. De planologisch geldende functie van het perceel betreft bovendien geen milieugevoelige functie. De locatie is uitsluitend gebruikt als agrarische grond. De bodemkwaliteit in het plangebied wordt niet aangetast.
Figuur 4-3 Bodemkwaliteitskaart Hilvarenbeek
Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Daarnaast zijn er geen grootschalige bodemingrepen aan de orde, waardoor grond moet worden afgevoerd of iets dergelijks. Bovendien worden, gelet op het huidige gebruik als agrarische grond ernstige verontreinigingen niet verwacht. Gemeente Hilvarenbeek heeft verzocht (brief d.d. 29 januari 2020) om een nulsituatieonderzoek uit te voeren. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 12, en is opgesteld door het bureau Terra Milieu. Uit dit 22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
31
Projectgerelateerd
onderzoek blijkt dat op basis van de analyseresultaten geconcludeerd kan worden dat in de bovengrond verhogingen van cadium, koper, kwik en lood en OCB’s ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. In de ondergrond worden geen verhoogde parameters aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium, cadmium, kobalt, koper en nikkel ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Tevens wordt nikkel verhoogd ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen. De locatie kan niet meer als onverdacht worden beschouwd. De tussenwaarde verhoging van nikkel in het grondwater heeft vermoedelijk een regionaal karakter. Terra Milieu adviseert om onderhavig bodemonderzoek voor te leggen aan het bevoegd gezag met de vraag of hier een aanvullend onderzoek/ herbemonstering van het grondwater benodigd is. Er bestaan volgens Terra Milieu, met inachtneming van bovenstaande, géén belemmeringen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voor de geplande ontwikkeling(en), alsmede een bestemmingsplanwijziging op de onderzoekslocatie. Het project is uit oogpunt van bodem uitvoerbaar.
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten 3. Wet tot behoud van cultuurbezit 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
De gehanteerde uitgangspunten zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
32
Projectgerelateerd
Archeologische verwachting Het perceel heeft een archeologische verwachtingswaarde volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 vierkante meter, waarbij de grond geroerd wordt vanaf 50 centimeter diepte dient er archeologisch onderzoek plaats te vinden. Bij de bouw van het zonnepark blijft de totale oppervlakte aan bodemverstoring zeer gering, omdat de panelen op een draagconstructie met palen worden geplaatst. Daarnaast wordt de grond geroerd door het plaatsen van de omheining, het inkoopstation en enkel kabelgeulen. Naar verwachting blijft de totale oppervlakte aan bodemverstoring ruim onder de drempelwaarde voor archeologisch onderzoek. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet geldt voor bodemverstoringen de meldplicht. Als tijdens graafwerkzaamheden alsnog archeologische vondsten of indicatoren worden aangetroffen dan dient het werk onmiddellijk te worden stilgelegd en moet dit worden gemeld bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en wetenschap, dan wel bij de provinciaal archeoloog en de gemeente. Uit de archeologische verwachtingskaart van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed blijkt dat de locatie een middelhoge verwachtingswaarde heeft.
Figuur 4-4 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (Bron: IKAW online viewer)
Daarnaast heeft de gemeente Hilvarenbeek op 27 september 2012 een eigen archeologiebeleid met bijbehorende beleidskaart vastgesteld. Volgens deze kaart valt het plangebied in categorie 7 ‘middelhoge/ onbekende archeologische verwachting’. Voor deze categorie geldt ook de ondergrens van 2500m² verstoringsoppervlak, en 50 cm verstoringsdiepte.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
33
Projectgerelateerd
Figuur 4-5 Archeologische beleidskaart gemeente Hilvarenbeek
Gemeente Hilvarenbeek heeft verzocht (brief d.d. 29 januari 2020) om een archeologische bureaustudie uit te voeren. Archeologisch adviesbureau Transect heeft deze bureaustudie uitgevoerd (zie bijlage 13). Hierin wordt geadviseerd om voor het zuidelijke deel van het plangebied (circa 1,7 ha) een inventariserend veldonderzoek te doen. Dit omdat in deze zone met middelhoge archeologische verwachting resten en / of sporen kunnen worden verstoord door de voorgenomen werkzaamheden. Met een inventariserend veldonderzoek kan de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem bepaald worden. Het inventariserend onderzoek voor het deel van het projectgebied (1,7 ha) wordt uitgevoerd vóór de realisatie van het zonnepark. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek kan de archeologische verwachting worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Het betreft een selectieadvies: op grond van de resultaten van het rapport zal de gemeente Hilvarenbeek een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Ter plaatse van de zone waar een lage archeologische verwachting is (circa 3,6 ha van het plangebied), wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. In dit gebied is het project vanuit het oogpunt archeologie uitvoerbaar.
Cultuurhistorie Uit de Cultuur- Historische Waardekaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het archeologisch landschap ‘de Meierij’ (zie figuur 4-6). Een regio die op provinciaal niveau van cultuurhistorisch belang is. Dit gebied bestaat uit dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. De dragende structuren in deze regio zijn onder andere: • de oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden • populieren • dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen • de woeste gronden met heidevelden • vennen en zandverstuivingen • kastelen, kloosters, landgoederen en buitenplaatsen • de Zuid-Willemsvaart
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
34
Projectgerelateerd
In de ontwikkelingsstrategie wordt ingezet op de versterking of ontwikkeling van de samenhang van dergelijke dragende structuren en het in samenhang ontwikkelen van de cultuurhistorische waarden van de Meijerij. Met de realisatie van het zonnepark worden de hierboven genoemde structuren niet gewijzigd. De kavelstructuur blijft gelijk en ook de beplantingen langs de kavels zullen niet worden verwijderd. De realisatie van het zonnepark heeft dan ook geen effect op het gebied van cultuurhistorie. In het landschappelijk inpassingsplan wordt juist extra aandacht aan besteed aan deze landschappelijke waarden door de kavelstructuur en de open- en geslotenheid van het landschap te versterken.
Figuur 4-6 CHW-kaart
In juni 2013 is door de gemeente ook een gemeentelijke cultuurhistoriekaart vastgesteld. Het plangebied wordt op deze kaart doorsneden en grenst tevens aan een weg die zijn oorsprong kent tussen 1840 en 1900. Dit oude pad wordt in de landschappelijke inpassing van het zonnepark teruggebracht en aangezet met een houtwal.
Figuur 4-7 Cultuurhistoriekaart gemeente Hilvarenbeek
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
35
Projectgerelateerd
De conclusie is dat het project uit het oogpunt van cultuurhistorische waarden uitvoerbaar is. Met de inpassing van het zonnepark wordt bovendien een historisch pad teruggebracht en aangezet met een houtwal. Voor een groot deel van het projectgebied is het project ook uit het oogpunt van archeologie uitvoerbaar. Echter wordt geadviseerd om voor een deel van het projectgebied (1,7 ha in het zuidelijke deel) nader te inventariseren middels een veldonderzoek, om de archeologische verwachting te toetsen en waar mogelijk bij te stellen voorafgaand aan realisatie van het zonnepark.
4.7
Ecologie
Kansen voor biodiversiteit In het onderzoek ‘Zonneparken in agrarisch gebied’ van J.A. Keuskamp et al., (2018) 1 wordt geconcludeerd dat verschillende gras-/kruidenmengsels goed kunnen gedijen onder noordzuidgeoriënteerde zonneparken om een diverse vegetatie te vestigen. Deze gevarieerde mengsels hebben een hoge biodiversiteitswaarde. Een groot deel van de in de mengsels voorkomende planten zijn waardplanten die dienen als voedselbron voor o.a. wilde bijen en dagvlinders. Ook hebben de plantensoorten in deze mengsels verschillende wortelstelsels. Zo’n divers wortelpatroon houdt de bodemstructuur in stand en zorgt voor hogere input van organisch materiaal. Een aandachtspunt is dat er een aantal soorten tussen zitten die hoger kunnen groeien dan 70 cm en hiermee dus boven de zonnepanelen uit zouden kunnen groeien. Door middel van beweiding door kleine grazers (dubbel gebruik) kan het beheer van de vegetatie natuurlijk in stand worden gehouden. Goed beheer is essentieel voor het ontwikkelen en in stand houden van biodiversiteit. In het landschappelijk inpassingsplan is een beheerplan opgenomen. Zonneparken kunnen eveneens een belangrijke ondersteunende rol vervullen in het ontwikkelen van een aaneensluitend netwerk van groene landschapselementen, zoals schrale grasbermen, struweelhagen, natuurlijke sloten, e.d.
ten behoeve van een functionele biodiversiteit in het agrarisch gebied. Dit bevordert de komst bestuivende insecten en natuurlijke vijanden van plaagsoorten in landbouwgewassen. In struweelhagen kan zich een rijke biodiversiteit ontwikkelen, zeker als deze grenst aan natuurgrasland. Het zonnepark levert op de volgende manieren een positieve bijdrage aan de biodiversiteit: - Het zonnepark wordt ingezaaid met deels kruidenrijk grasland en deels bloemrijk grasland en bloemmengsels. De bloemen trekken verschillende soorten insecten aan als solitaire bijen en vlinders, maar maakt het gebied ook interessant voor een soort als de patrijs. - Er vindt extensief beheer plaats. - Ter inpassing van het zonnepark worden nieuwe struweelhagen gepland, waardoor zich een rijke biodiversiteit kan ontwikkelen. - Er worden insectenkasten en zandheuvels geplaatst. - Bestaande waterlopen blijven behouden en krijgen de ruimte om ook hier ruimte te bieden aan flora en fauna. - Er wordt een amfibieënpoel aangelegd. Natuurtoets/ Quick Scan Wet natuurbescherming Bij de voorgenomen ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd waarin mogelijke effecten op wettelijk en beleidsmatig beschermde natuurwaarden in beeld zijn gebracht. De Quick Scan voor flora en fauna is door Ecoresult uitgevoerd en opgenomen in bijlage 3. Royal HaskoningDHV heeft hierop een second 1
J.A. Keuskamp, D.W. Dijkman en R.J. Gommer, (2018) Zonneparken in agrarisch gebied. Culemborg: CLM Onderzoek en Advies
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
36
Projectgerelateerd
opinion uitgevoerd. Deze second opinion op de QuickScan is opgenomen in bijlage 4. Een samenvatting van de conclusies is onderstaand weergegeven: Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998). Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden (voorheen geregeld in de flora- en faunawet). Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden.
Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. De relevante wijzigingen in het projectgebied zijn: • Aanleg zonnepark en daarbij behorende voorzieningen. Bij de aanleg van het zonnepark wordt gebruik gemaakt van licht materieel. • Het gebruik van het terrein als zonnepark. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000 gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen en Regte Heide & Riels Laag liggen op circa 3 tot respectievelijk 5 kilometer ten opzichte van het plangebied.
• Voor de meeste storingsfactoren waarop getoetst dient te worden geldt dat de Natura 2000gebieden te ver van het plangebied liggen. Dit geldt echter niet voor de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Hiertoe is dan ook een Aerius-berekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de grootst berekende bijdrage aan de stikstofdepositie in stikstofgevoelige gebieden, door de installatie van het zonnepark, 0,00 mol N/ha/jaar betreft ten opzichte van de referentiesituatie. Omdat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie en de emissies enkel tijdelijk zullen plaatsvinden (vergeleken met een jaarlijks terugkerende emissie op de landbouwgrond), zijn significant negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten en is voor het project met betrekking tot het aspect stikstofdepositie volgens stap 2 van de beslisboom een vergunning verleenbaar.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
37
Projectgerelateerd
Figuur 4-8 Natura 2000 (gestreept) en NNB (groen en oranje) (Bron: Natuurbeheerplan online kaartviewer, Provincie Noord-Brabant)
Soortenbescherming Beschermde soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel dat zeer intensief gebruikt wordt als akker en daardoor zeer voedselrijk. Hierdoor vormt het plangebied voor beschermde soorten geen geschikt leefgebied. Het plangebied is enkel geschikt voor algemeen voorkomende vogelsoorten. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aanwezig. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Van alle beschermde soorten kan alleen het voorkomen van algemene broedvogels van akkers binnen het plangebied niet helemaal worden uitgesloten. Maar er zijn geen waarnemingen van deze soorten bekend in de afgelopen 5 jaar. Ook de aanwezigheid van algemene broedvogels in de bomen vlak om het plangebied heen kunnen niet worden uitgesloten. De kans bestaat dat bij aanwezigheid van broedvogels met nest de werkzaamheden niet door kunnen gaan. Althans, niet zonder ontheffing. Echter, buiten het broedseizoen worden geen verbodsbepalingen overtreden en hoeft dus ook geen ontheffing van de Wnb aangevraagd te worden. Wanneer toch binnen het broedseizoen gewerkt dient te worden is een overtreding van de Wnb niet uitgesloten, mits: een ecoloog vooraf aan de werkzaamheden het plangebied onderzoek op aanwezigheid van nesten en het plangebied vrij geeft.
Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. Nader ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
38
Projectgerelateerd
Omgevingsverordening Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota’s en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. Het projectgebied zelf maakt geen deel uit van beschermde gebieden. In de omgeving van het projectgebied liggen op een afstand van circa 250 meter gebieden uit het Natuurnetwerk Brabant. Voor de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstofdepositie is een AERIUSberekening uitgevoerd, zoals hierboven beschreven. Er is geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN waardoor het plan niet strijdig is met de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Ecologische inpassing planvoornemen Vanuit de natuurtoets hebben wij enkele aanbevelingen gedaan welke zijn overgenomen in de landschappelijke inpassingen, waardoor het planvoornemen een positieve impact heeft op de biodiversiteit.
Conclusie • Uit oogpunt van soortenbescherming is het project uitvoerbaar, maar het voorkomen van algemene broedvogels kan niet worden uitgesloten. Indien buiten het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd in het plangebied, is geen ontheffing van de Wnb benodigd. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt dient te worden, is een overtreding van de Wnb niet uitgesloten, mits een ecoloog vooraf aan de werkzaamheden het plangebied onderzoekt op aanwezigheid van nesten en het plangebied vrijgeeft. • Uit oogpunt van gebiedsbescherming is het project uitvoerbaar. • Uit oogpunt van externe werking op beschermde gebieden is het project uitvoerbaar. Uit de Aerius-berekening blijkt dat de stikstofdepositie in stikstofgevoelige gebieden door de installatie van het zonnepark 0,00 mol N/ha/jaar betreft ten opzichte van de referentiesituatie. Significant negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op omliggende Natura-2000 gebieden kan daarom worden uitgesloten en is, volgens de beslisboom, een vergunning verleenbaar. • In het landschappelijk inpassingsplan wordt ingezet op het vergroten van de natuurwaarden door onder andere de leesbaarheid en structuur van het landschap te behouden en versterken en de biodiversiteit te vergoten door inpassingselementen (zie ook de beplantingstabel in de landschappelijke inpassing in bijlage 1). • Er is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk.
4.8
Luchtkwaliteit
Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
39
Projectgerelateerd
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: • de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; • de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; • de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; • het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: • •
•
Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.
Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van dit initiatief is nagenoeg nihil. Uitsluitend voor onderhoudswerkzaamheden en periodieke inspecties zijn verkeersbewegingen te verwachten. Dit aantal ligt beduidend lager dan het aantal verkeersbewegingen bij 1.500 woningen. De bijdrage van dit initiatief aan de luchtkwaliteit blijft dus ruim onder het 3% criterium blijft of is kleiner dan 1,2 μg/m³. Het plan draagt dus niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Daarom is een onderzoek naar de luchtkwaliteit en/of toetsing aan de grenswaarden niet nodig.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
40
Projectgerelateerd
Conclusie Het project kan worden beschouwd als NIBM-project. Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op voor dit initiatief.
4.9
Reflectie en duisternis
Zonnepanelen worden vaak in verband gebracht met reflectie van licht. Moderne zonnepanelen hebben echter nauwelijks reflectie, aangezien het licht dat gereflecteerd wordt niet omgezet wordt naar elektriciteit wat ongunstig is voor het rendement van de panelen. Het percentage reflectie gaat om 3 à 5% bij een normale lichtinval 2. Zonnepanelen worden om deze reden tegenwoordig ook succesvol toegepast langs autosnelwegen en op luchthavens. De reflectie (voor zover nog aanwezig) hangt daarbij af van de locatie (stand en hoogte spiegelend vlak) en de stand van de zon (de tijd en de tijd van het jaar). De hoek van de invallende lichtstraal bepaalt de hoek van de uitvallende lichtstraal. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder. Wanneer de panelen vrij vlak (35 graden of minder) worden opgesteld, gaat de reflectie omhoog. Dan is er voor de omgeving geen hinder door reflectie. Logischerwijs is achter de zonnepanelen (noordzijde) ook geen sprake van een spiegelend effect. De zonnepanelen op deze locatie worden gerealiseerd in een hellingshoek van 10 graden. Hinder door reflectie is bij de gekozen opstelling daarom niet te verwachten. Het project heeft geen lichtuitstraling en beïnvloedt de duisternis in het gebied niet. Op het terrein is geen sprake van verlichting.
4.10
Planologisch relevante leidingen
In het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Door middel van een KLICmelding zijn de overige leidingen en kabels in beeld gebracht. Via de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken is het verplicht om voorafgaand aan voorgenomen graafwerkzaamheden informatie op te vragen over de aanwezige ondergrondse infrastructuur ter voorkoming van graafschade. Middels een KLIC-melding bij het Kadaster is hier invulling aangegeven. Een tekening met de binnen en nabij het plangebied aanwezige leidingen is weergeven in de illustratie hieronder. Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied ook geen andere kabels en leidingen aanwezig zijn.
2
http://www.recgroup.com/sites/default/files/documents/reflectivity_and_iam.pdf
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
41
Projectgerelateerd
Figuur 4-9 Overige kabels en leidingen binnen het plangebied (Bron: KLIC-melding)
4.11
Verkeer en parkeren
De locatie ligt in het buitengebied en wordt ontsloten via de Tilburgseweg. De verwachting is dat de weg tijdens de periode van het plaatsen van de zonnepanelen de extra verkeersbewegingen goed kan opvangen. Tijdens de bouwfase kan op eigen terrein worden geparkeerd. Na het aanleggen brengt het zonnepark nauwelijks extra verkeersgeneratie met zich mee. De weinige verkeersbewegingen betreffen enkel verkeersbewegingen in het kader van onderhoud en (periodieke) inspecties die zullen plaatsvinden. In voorkomende gevallen wordt op het terrein van het zonnepark geparkeerd. Het zonnepark leidt niet tot extra vraag naar parkeerplaatsen. Vanuit het aspect verkeer is er geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.12
Milieueffectrapportage
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in combinatie met de te doorlopen ruimtelijke procedure plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
42
Projectgerelateerd
deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten uit bijlage D die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Realisatie van projecten met zonne-energie worden niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Zonneparken staan als zodanig niet op de D-, of C-lijst. Wel zijn er twee activiteiten op de D-lijst waar zon onder lijkt te kunnen vallen: • D9: Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan; • D22.1: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Er is geen sprake van een landinrichting als bedoeld in de Wet inrichting landelijk gebied. Een zonnepark met een omvang zoals in dit project begroot, wordt niet onder categorie D9 wordt geschaard, behalve in het geval dat een zonnepark onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject. Er is ook geen sprake een functiewijziging in het landelijk gebied indien het planvoornemen sec. de realisatie van zonnepark betreft.
Ook categorie D22.1 is niet van toepassing, aangezien er productie van elektriciteit, stoom en warm water nodig is, om hieronder te vallen. In dit geval is dus voor zonneparken geen vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. Gelet op de kenmerken van het project (zonnepark) en de aard van de milieueffecten (zoals gemotiveerd in de voorgaande paragrafen), wordt geconcludeerd dat ook anderszins er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
43
Projectgerelateerd
5
PROCEDURE EN UITVOERBAARHEID
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Zodra sprake is van een ‘aangewezen bouwplan’, is de gemeente op grond van de Wet ruimtelijke ordening verplicht om een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de aanleg van een zonnepark niet aangewezen als een bouwplan. De gemeente is derhalve niet verplicht om voor voorgenomen ontwikkeling van een zonnepark een exploitatieplan vast te stellen. De kosten voor begeleiden van de procedure voor de omgevingsvergunning worden via de Legesverordening 2020 van de gemeente Hilvarenbeek gedekt en zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
5.2
Overleg met de omgeving
Consulteren omwonenden Binnen de planvorming van een project vindt NRG2ALL het belangrijk dat de omgeving goed geïnformeerd wordt en kan participeren en meeprofiteren van de voordelen die een duurzaam project met zich meebrengt. NRG2ALL heeft daarom in een vroegtijdig stadium contact gezocht met de directe omwonenden. Dit met als doel om, indien hier interesse voor is, in gesprek te gaan over standpunten en ideeën, maar ook om helder te krijgen hoe men in het verdere proces betrokken wil worden. De resultaten van deze omgevingsdialoog zijn meegenomen in de Landschappelijke Inpassing. Het uitgebreide verslag van de omgevingsdialoog is te lezen in het participatieplan (Bijlage 5). Financiële participatie omwonenden In lijn met het klimaatakkoord biedt NRG2ALL ook de mogelijkheid aan omwonenden om financieel te participeren in het zonnepark. Hiervoor worden verschillende vormen voorgesteld, welke worden toegelicht in het participatieplan (zie Bijlage 5). Maatschappelijk verantwoord ondernemen Zoveel als mogelijk zal de ontwikkelaar gebruik maken van lokale diensten voor bijvoorbeeld het onderhoud van het zonnepark. De ontwikkelaar zoekt graag naar mogelijkheden voor het vergroten van het sociaal draagvlak voor haar projecten. Dit doet ze o.a.
door, in samenwerking met leer-/werkbedrijven, mensen met afstand tot de arbeidsmarkt een mogelijkheid te bieden om deel te nemen aan het arbeidsproces. Juridische inspraak mogelijkheden Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking heeft gedurende de periode 1 april 2021 tot en met 13 april 2021 ter inzage gelegen waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijzen naar voren te brengen. Aanpassingen naar aanleiding van zienswijzen Naar aanleiding van de zienswijzen zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in het ontwerp/ de landshcappelijke inpassing van het zonnepark. De wijzigingen zijn hieronder opgesomd en verwerkt in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing d.d. 22-06-2021 en in het landschappelijke inpassingsplan d.d. 2106-2021.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
44
Projectgerelateerd
•
•
•
•
6
Maximale hoogte van 1.70m: De stellages met zonnepanelen worden lager. Door de zonnepanelen te plaatsen onder een hoek van 10° in plaats van 15° is het mogelijk gebleken dat licht en water de bodem nog in voldoende mate kan bereiken én de maximale hoogte kan worden teruggebracht naar maximaal 1.70m in plaats van ruim 2 meter. Gewijzigde locatie inkoopstation Het transformatorhuisje/ inkoopstation is op een andere locatie geprojecteerd, achter de schuur van Tilbrugsweweg 149, zodat hij zo veel als mogelijk uit het zicht wordt onttrokken. Amfibieënpoel: In het gewijzigde ontwerp is een amfibieënpoel toegevoegd. Dit bleek goed inpasbaar en levert meerwaarde op voor de biodiversiteit. Beheer van de struweelhaag: Omwonenden hebben zich verenigd in een klankbordgroep die graag zeggenschap heeft over het beheer van de struweelhagen, met name in relatie tot de aangehouden hoogtes. NRG2ALL onderschrijft deze wens. In het landschappelijke inpassingsplan is daarom opgenomen dat het beheer van de struweelhaag in afstemming met de klankbordgroep zal plaatsvinden.
CONCLUSIES
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is de voorgenomen bouw en het gebruik van het zonnepark getoetst aan het ruimtelijk beleid en wet- en regelgeving ten aanzien van relevante sectorale aspecten. Uit de toetsing blijkt het volgende: • Het project levert een bijdrage aan de ambities op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau met betrekking tot het opwekken van duurzame energie, waaronder de ambities uit de provinciale Energieagenda 2019-2030 en de gemeentelijk ambitie uit de Nota Energietransitie 2017-2020. • De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid. Zoals uit deze ruimtelijke onderbouwing (en bijbehorende landschappelijke inpassing) blijkt, sluit het planvoornemen aan op de criteria voor zonneparken in landelijk en gemengd landelijk gebied uit de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant en bij de criteria uit de Kadernota Visie Grootschalige Opwekking. • De beoogde ontwikkeling past binnen de bestaande ruimtelijke en functionele structuur en levert geen onevenredige overlast op voor haar omgeving; De diverse omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen. o Er treden met het initiatief geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Indien buiten het broedseizoen wordt gewerkt is geen ontheffing van de Wnb noodzakelijk.
Ook aanvullend ecologisch onderzoek is niet noodzakelijk. o Het project leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer. o Omliggende woningen en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. o Het project is vanuit het oogpunt van milieuzonering uitvoerbaar: Binnen een straal van 30 meter rondom het zonneveld zijn geen woningen aanwezig. De transformatoren veroorzaken daarmee geen hinder voor omliggende woonpercelen. Het plan is wat betreft geluidshinder uitvoerbaar. o Het plan is vanuit het oogpunt bodem uitvoerbaar. o Het plan houdt bij de landschappelijke inpassing rekening met de ligging van bestaande watergangen en de bodem wordt niet verhard en regenwater kan door vrije afstroming infiltreren in de bodem. De waterhuishoudkundige situatie zal niet veranderen door de realisatie van het zonnepark. o Het voorgenomen plan is vanuit het thema externe veiligheid niet aan belemmeringen onderhavig.
22-6-2021
BH2833TPRP2106221600
45
Projectgerelateerd
Het project kan worden beschouwd als NIMB-project. Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op voor dit initiatief. o Uit het oogpunt van cultuurhistorische waarden is het project uitvoerbaar. Voor een groot deel van het projectgebied is het project ook uit het oogpunt van archeologie uitvoerbaar. Echter wordt geadviseerd om een deel van het projectgebied (1,7 ha in het zuidelijke deel) nader te inventariseren middels een veldonderzoek, om de archeologische verwachting te toetsen en waar mogelijk bij te stellen. o In het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. o Het project heeft geen lichtuitstraling en beïnvloedt de duisternis in het gebied niet. Op het terrein is geen sprake van verlichting. Er is sprake van een economisch uitvoerbaar project. Het project levert een bijdrage aan de landschappelijke en ecologische versterking van het projectgebied door onder andere: aansluiting bij de karakteristieken van het Kampenlandschap en vergroting van de biodiversiteit. Het project levert een bijdrage aan multifunctioneel medegebruik, onder andere door bevordering van de biodiversiteit door insectenhotels, zandheuvels en aanplanten van o.a. struweelhagen en bloem- en kruidenrijk grasland, de aanleg van een poel en met enkele weken per jaar begrazing door kleinvee.