Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (4 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
17
Lid 4 Om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp, geldt een aantal factoren waarmee rekening moet worden gehouden. Die zijn hier beschreven. Het komt er kortgezegd op neer, dat aan de hand van deze factoren onderzocht wordt of de hulp past bij een kind dat zich op een gangbare manier ontwikkelt. Is dat het geval, dan kunnen we spreken van gebruikelijke hulp. Omdat we echter niet zonder meetlat kunnen bij het bepalen wat in het algemeen een normaal ontwikkelingsprofiel is, maken we gebruik van de uitgangspunten, genoemd in de CIZ-indicatiewijzer 2014, Richtlijnen voor Gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel bij verschillende leeftijden in relatie tot AWBZ-zorg (Paragraaf 3 van bijlage 3 bij de Beleidsregels: Gebruikelijke zorg). Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. Het gaat om een richtlijn en uitgangspunten, dus maatwerk is mogelijk. Daarbij kan bijv. ook de culturele achtergrond betrokken worden. Lid 5 Bij langdurige of structurele hulpvragen onderzoekt het college een aantal zaken. Dat onderzoek gaat verder dan alleen maar de vraag of er (dreigende) overbelasting is of bepaalde belemmeringen in de gezinssituatie, zoals een verstandelijke beperking bij de ouders. Doorslaggevend is of de bovengebruikelijke hulp nog kan worden verlangd van ouders.
Dat vraagt een totaalbeoordeling op basis van de genoemde afwegingsfactoren. Deze zijn bepalend voor de vraag of ouders uitdrukking moeten geven aan hun zorgplicht, of dat aanvullende jeugdhulp ingezet kan worden. Daaronder valt ook het belang om te voorzien in een inkomen. Leidt de zorg voor kinderen ertoe dat ouders niet langer kunnen rondkomen en in de bestaanskosten kunnen voorzien, dan is dit een belangrijke afwegingsfactor en een belangrijke aanwijzing dat jeugdhulp op zijn plaats kan zijn. De hier genoemde afwegingsfactoren komen inhoudelijk overeen met de factoren uit artikel 3.12 lid 7 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2025, maar zijn hier kernachtiger weergegeven. Zo wordt onder het begrip ‘mogelijkheden’ niet alleen vaardigheden verstaan, maar ook de situatie waarin de jeugdige of ouders zich bevindt. Lid 6 Ook bij langer durende bovengebruikelijke hulp geldt het uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ook die hulp valt onder de zorgplicht en de ‘eigen kracht’ van de ouders. Toch kunnen er omstandigheden zijn waaronder dat niet langer van de ouders kan worden gevraagd. Dat wordt beoordeeld op basis van de afwegingsfactoren uit het vijfde lid.
Uiteindelijk gaat het bij langer durende bovengebruikelijke hulp om de vraag hoe de balans in het gezin hersteld kan worden en welke rol de gemeente daarin kan spelen. Enige verstoring van die balans moet in de regel ook worden geaccepteerd door de ouders. Dan kan extra inzet van de ouders nodig zijn. Duurt dat langer en is de balans ernstig verstoord, dan komt aanvullende inzet van de gemeente in beeld. Lid 7 Van ouders wordt verwacht dat zij zich – binnen hun mogelijkheden – inzetten om zelf de problemen bij de opvoeding en het opgroeien op te lossen, zodat de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk is. Het is uiteindelijk hun taak kinderen te verzorgen en op te voeden, niet die van de gemeente. Dat kan soms bijvoorbeeld door aanpassing van werkritme en -patroon, of door beperking van andere activiteiten buiten het gezin. Maar ook andere opties kunnen in beeld komen.
Paragraaf 3.3 Een gezin, een plan een aanspreekpunt Artikel 43 Verstrekking binnen een gezin Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.
18
Paragraaf 4 Persoonsgebonden budget Artikel 44 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget Op grond van artikel 8.1.1. Jeugdwet moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn: - hij moet, al dan niet met ondersteuning, in staat zijn om een pgb te beheren. Dat wil zeggen dat hij de administratieve verantwoordelijkheden aankan, maar ook kan bepalen wat hij nodig heeft en door hem ingeschakelde personen kan aansturen; - hij kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; de jeugdige of zijn ouders moeten zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de aanbieder niet passend acht; - de diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het pgb wenst in te kopen worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt en dragen bij aan het behalen van het beoogde resultaat.
Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren: - voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de individuele dan wel maatwerkvoorziening; of - indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de individuele voorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb. Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen. Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 8.1.1. Jeugdwet genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn. Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is.
Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding. In het vierde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen: Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 35 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden. Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven.
19
Artikel 45 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp Lid 1 Afhankelijk van de hulpvraag kan het college professionele hulp en andere vormen van hulp (informele hulp) inzetten via een pgb. Het onderscheid is van belang voor de tariefstelling. De gemeente kan voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wanneer het professionele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen. Lid 2 Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep én als voldaan wordt aan een aantal kwaliteitscriteria. De hulp moet worden verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van professionele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ- of andere erkende registratie heeft. Dat kan verder worden ingekleurd in Nadere regels. Lid 3 Onder informele hulp wordt alle hulp verstaan die geboden wordt door personen die niet aan de gestelde criteria voor beroeps- of bedrijfsmatige jeugdhulp voldoen.
Personen die jeugdhulp bedrijfs- of beroepsmatig verlenen, maar niet aan de gestelde kwaliteitscriteria uit het tweede lid voldoen, worden daarom ook aangemerkt als informele hulpverlener. Lid 4 Bij de hier genoemde groep personen is er altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een sociale relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Artikel 46 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp Lid 1 Het budgetplan vormt de basis om vast te stellen of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en zo ja, wat dan de hoogte van het tarief voor het pgb wordt. Als het budgetplan onvoldoende informatie bevat, kan het college om aanvulling vragen. Geeft het budgetplan uiteindelijk nog onvoldoende zekerheid, dan kan het pgb worden afgewezen en wordt zorg in natura ingezet. Het college kan over het budgetplan nadere regels stellen. Lid 2 Het tarief voor professionele jeugdhulp wordt gesteld op een percentage (85%) van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden (lid 6). Het tarief is lager dan de zorg in natura-tarieven, gelet op het ontbreken van een aantal kosten voor de budgethouder. Lid 3 Ook voor de tarieven voor professionele jeugdhulp geldt, dat deze wijzigen vanaf de datum waarop de tarieven voor zorg in natura wijzigen. Lid 4 Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan. Blijkt dat in een individueel geval niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast.
Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij
20
Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 5 Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn. Bij informele zorg is men inmiddels ook gehouden om, ingeval van een arbeidsovereenkomst, het wettelijk minimum loon uit te betalen. Voor informele ondersteuning gegeven door een niet professional niet behorende tot de familie/sociaal netwerk geldt een tarief van 125% van het wettelijk minimum loon. Lid 6 In aansluiting op het uitgangspunt, dat voor de minst kostbare oplossing wordt gekozen om aan de hulpvraag tegemoet te komen, als er verschillende passende oplossingen zijn, geldt ook voor de tariefstelling, dat uitgegaan wordt van een lager tarief dan de norm, als degene die jeugdhulp verleent, bereid is om dat voor een lager bedrag te doen. Artikel 47 Besteding en verantwoording van het pgb De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient. Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb.
Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten. Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.
21
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Paragraaf 1. Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap Artikel 48 Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura In artikel 3.1 Wmo 2015 staat dat de aanbieder van een voorziening er zorg voor moet dragen dat een voorziening van goede kwaliteit is. De voorziening wordt in ieder geval: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; b. afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; c. verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; d. verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. In dit artikel worden de wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder verder uitgebreid. Zo worden er eisen gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de deskundigheid van het ingezette personeel. In de Jeugdwet worden in paragraaf 4.1 vergelijkbare kwaliteitseisen gesteld aan de hulp die de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aanbiedt. In dit artikel worden deze wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder, verder uitgebreid.
Zo zal het college een keurmerk of vergelijkbare kwaliteit eisen van een aanbieder, als er voor zijn branche een keurmerk bestaat. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het ingezette personeel. Ook wordt er op gewezen dat de hoofdaannemer er zorg voor draagt dat de door hem ingezette onderaannemers aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten die met de aanbieders worden afgesloten. Het college ziet toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen onder andere door het instellen van een periodiek cliëntervaringsonderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat een cliënt in staat moet zijn om te beoordelen of een resultaat behaald wordt en daarmee ook de nodige kwaliteit.
Artikel 49 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget De kwaliteitseisen zoals bepaald voor aanbieders zorg in natura hebben tevens betrekking op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. Welke kwaliteitseisen de cliënt wil stellen, is in eerste instantie aan de pgb-houder. Echter, slechts voor professionele dienstverlening wordt het formele tarief verstrekt. Het college kan de kwaliteit van de aanbieder toetsen in relatie tot het bereiken van de in het pgb-plan gestelde doelen en resultaten, de doelmatigheid en de veiligheid. Het college weegt bij de beoordeling mee of de diensten, hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. De gemeente vraagt hiervoor de cliënt dit inzichtelijk te maken. Het college stelt hier nadere regels voor. Artikel 50 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door aanbieders Op 1 juni 2017 trad het gewijzigde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in werking. Er is een nieuw artikel 5.4 toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dat tot doel heeft dat een gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt.
Naar aanleiding hiervan wordt de verordening aangepast. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van (vervoer)hulpmiddelen en woningaanpassingen. De Nota van Toelichting bij dit gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verbreedt de nieuwe regels ook tot het beleidsdomein Jeugdhulp. Want gemeenten en aanbieders werken aan nieuwe vormen van
22
dienstverlening aan cliënten over de grenzen van de afzonderlijke wetten voor het sociaal domein. Hoewel het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit alleen ziet op diensten in het kader van de Wmo 2015, levert dat geen beperking op voor het verlenen van sociaal domein brede opdrachten. Artikel 2.12 van de Jeugdwet bevat immers eenzelfde inhoudelijke strekking als artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 en vraagt op vergelijkbare wijze van de gemeenteraad bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening. In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. Wmo 2015, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2.
Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Het derde lid stelt dat het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal moet baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Het vijfde lid stelt dat het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 51 Melding calamiteiten en geweld De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening en aanbieders van de Jeughulp dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit geldt ook voor het door het college aangewezen medewerkers en beroepskrachten in het dorpsnetwerk waar inwoners zich kunnen melden. De aanbieder en de medewerker heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Artikel 52 Klachten tegen medewerkers De cliënt heeft de mogelijkheid om bij de gemeentelijke organisatie een klacht in te dienen over de wijze waarop hij bejegend wordt dan wel de wijze waarop de afhandeling van melding en aanvraag heeft plaats gevonden door een door het college aangewezen medewerkers. Artikel 53 Klachten aanbieders
23
Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening en iedere aanbieder van Jeugdhulp is verplicht te beschikken over een klachtenprocedure. Tot deze klachtenregeling kan ook behoren een cliënt ervaringsonderzoek. Artikel 54 Medezeggenschap Voor aanbieders van maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening en aanbieders jeugdhulp is het verplicht om een regeling te treffen voor medezeggenschap. Dit zal in veel gevallen een cliëntenraad zijn. Op deze manier kunnen cliënten invloed uitoefenen op besluiten die voor hen van belang zijn. Paragraaf 4.2.b Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. De aanbieders zijn verplicht helder te maken hoe de medezeggenschap en klachtenregeling bij hun organisatie is geregeld. Artikel 55 Betrokkenheid inwoners bij de uitvoering van de wet Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015. Het wordt aan het college overgelaten hoe invulling te geven aan de medezeggenschap van burgers. Hier is deels invulling aangegeven middels de Verordening Participatieraad Sociaal Domein gemeente Hilvarenbeek 2019. Het uitgangspunt van deze verordening is dat de vertegenwoordiging zo breed als mogelijk binnen het sociaal domein moet worden vorm gegeven. De hierboven genoemde verordening staat er echter niet aan in de weg dat het college ook nog op andere wijze de inwoners betrekt bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Paragraaf 2. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen en herziening, intrekking en terugvordering Artikel 56 Tegengaan oneigenlijk gebruik De raad zet in op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe is in dit artikel een aantal maatregelen opgenomen die in dit kader in ieder geval van het college worden verwacht. Het gaat bijvoorbeeld om een goede toegangsprocedure, resultaatsturing, monitoring en het aanwijzen van toezichthouders. Ten aanzien van pgb-verstrekkingen speelt daarnaast een rol dat er in geval dienstverlening sprake is van een trekkingsrecht: de cliënt krijgt het pgb niet in handen, maar de rekeningen worden gedeclareerd bij het SVB die deze vervolgens na controle uitkeert. Artikel 57 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Het artikel is voor een groot deel een herhaling van wat in de jeugdwet en de Wmo 2015 is opgenomen. Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In lid 2 onder en lid 5 is de mogelijkheid gegeven om bij een derde (zorgaanbieder) een pgb terug te vorderen.
Daarnaast wordt bij overlijden of bij verhuizing buiten de gemeente de restwaarde van de voorziening terug gevraagd Er is geen juridische basis voor het terug vorderen van het pgb, maar de voorziening is verstrek met gemeenschapsgeld en ligt voor de hand dat dit geld terug vloeit naar de gemeente. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder d (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). Lid vier maakt een onderscheid tussen de Jeugdwet en de WMO 2015. Binnen de Jeugdwet is terug vordering mogelijk als de verstrekking van de voorziening heeft plaatsgevonden op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Binnen de Wmo 2015 daarbij sprake zijn van opzet. Is er geen sprake van opzet dan kan er ook niet terug gevorderd worden.
24
Voor beide geldt overigens ook dat er teruggevorderd kan worden als door de cliënt medewerking verleend is aan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens. De terugvordering van een maatwerkvoorziening geschiedt op basis van de kostprijs van de maatwerkvoorziening. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat het college de maatwerkvoorziening terug te halen. Ook een met een pgb betaalde voorziening kan het college in voorkomende gevallen terugvragen als het besluit tot verstrekking van het pgb is ingetrokken.
Artikel 58 Opschorting betaling uit het pgb Artikel spreekt voor zich.
25
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 59 Indexering Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald. Voor de indexering van pgb vanuit informele ondersteuning wordt aansluiting bij het wettelijk minimum loon.
Artikel 60 Nadere regels en beleidsregels Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening. Nadere regels zijn slechts mogelijk, voor zover dit past binnen de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet en op basis van de Wmo 2015 en Jeugdwet niet is bepaalt dat de regels bij verordening moeten worden vastgesteld. Bij een aantal artikelen in deze verordening staat expliciet opgenomen dat hierover nadere regels (kunnen) worden opgesteld. Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoeft dit formeel niet in deze verordening te worden opgenomen dat het college ook bevoegd is tot het vaststellen van beleidsregels omdat het college de taak heeft de Wmo 2015 en de Jeugdhulp uit te voeren en daarmee ook de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Voor de volledigheid is deze bevoegdheid toch in dit artikel opgenomen, zodat hier geen twijfel over kan bestaan. Onder beleidsregel wordt in de Awb verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Artikel 61 Onvoorzien en hardheidsclausule Mocht in bepaalde gevallen niet worden voorzien door de verordening, dan wordt het college alsnog de mogelijkheid geboden hier alsnog in te voorzien. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadelen van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening moet worden afgeweken.
Artikel 62 Intrekking oude verordening Artikel spreekt voor zich. Artikel 63 Overgangsbepalingen In dit artikel wordt het overgangsrecht geregeld voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordeningen. De overgangsbepalingen hebben slechts betrekking op de situatie waarin voor inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor ondersteuning is ingediend. In het eerste lid is geregeld dat op een aanvraag die voor 1 januari 2023 is ingediend, maar waarop op 1 januari 2023 nog niet is beslist, de afhandeling geschiedt op basis van de deze verordening. In bezwaarprocedures is de regelgeving van toepassing die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit waartegen bezwaar is ingediend. In de verordening zijn eisen opgenomen die betrekking hebben op de werkwijze en organisatie van aanbieders van (maatwerk)voorzieningen. Er kan sprake zijn van een overeenkomst of subsidierelatie met een aanbieder die al voor de inwerkingtreding van deze verordening is ingegaan. In dat geval zullen niet altijd alle eisen zijn opgenomen die nu in de verordening zijn opgenomen. De eisen zullen dan pas kunnen worden opgenomen bij de verlenging van de
26
overeenkomst of subsidierelatie of als er een nieuwe overeenkomst in werking treedt. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Vj&mo 2019 tot het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
Artikel 64 Inwerkingtreding Artikel spreekt voor zich. Artikel 65 Citeertitel Artikel spreekt voor zich.
27