CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (4 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp.13.657 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026 Algemeen Op 1 januari 2015 zijn de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in werking getreden. Op basis van deze wetten zijn veel taken welke voorheen bij de provincie of het rijk waren belegd naar de gemeente overgeheveld. Dit heeft destijds geresulteerd in twee gemeentelijke verordeningen: - Verordening Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2015; - Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2015 Met ingang van 1 april 2019 zijn beide verordeningen samengevoegd en aangepast aan de nieuwe contracten welke op beide met ingang van die datum zijn gaan lopen. Op 25 september 2021 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek ingestemd met de uitgangspunten inkoop sociaal Domein. Op basis hiervan is de verordening destijds aangepast in de ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’ In de tussenliggende periode zijn er enkele uitspraken geweest van de Centrale Raad van Beroep die maken dat de verordening op onderdelen moet worden gewijzigd. Daarnaast is gebleken dat het samenvoegen van de verordeningen in de uitvoering heeft geleid tot onduidelijkheden. Om die reden is ervoor gekozen de verordening anders in te delen.

Dit alles heeft geleid tot de ‘Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026’ De belangrijkste wijzigingen zijn: 1. Tarief informeel persoonsgebonden budget Wmo De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich op 16 augustus 2023 tweemaal uitgesproken over de informele pgb-tarieven in het sociale netwerk binnen de Wmo. Hierbij is aangegeven dat voor de huishoudelijke ondersteuning en begeleiding aansluiting moet worden gezocht bij de betreffende CAO. Om die reden is artikel 18 aangepast. 2. Eigen Kracht Jeugdwet De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling is nu opgenomen in artikel 43 van deze verordening. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. Daarnaast is in samenhang hiermee artikel 27 opgenomen in deze verordening. 3. Verandering in indeling Deze wijziging van de verordening heeft ook betrekking op de indeling en leesbaarheid. Er is gekozen om de specifieke artikelen voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp onder te brengen in eigen hoofdstukken.

In de praktijk is gebleken dat zowel uitvoerende medewerkers als inwoners moeite konden hebben met het snel vinden en begrijpen van de relevante artikelen.

1

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 begripsbepalingen Definities die zijn opgenomen in de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen. Dorpsnetwerk We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning. Melding De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag. Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.) Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk.

QuickScan De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Vraaganalyse In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (ntegrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak. Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft. Artikel 2 Reikwijdte verordening Om in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening moet iemand inwoner zijn van de gemeente Hilvarenbeek. Iemand is inwoner als hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als inwoner van de gemeente.

Artikel 3 Vertegenwoordiger In de Wmo 2015 is de vertegenwoordiger gedefinieerd als “persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.

2

Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.

Paragraaf 2. Melding en onderzoek Artikel 4 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt. Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig. Artikel 5 Cliëntondersteuning Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning. In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.

Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk. Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen. Artikel 6 Melding hulpvraag in de gemeente Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing voor zowel op maatschappelijke ondersteuning als op jeugdhulp. Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning, is dus niet een melding in de zin van deze verordening. Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch. Artikel 7 Onderzoek en weergave naar aanleiding van de melding Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker.

Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt of door een gecontracteerde aanbieder als er noodzaak bestaat voor wmo begeleiding. Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in

3

overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit. Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse. Heeft de melding betrekking op beschermd wonen, dan geldt hiervoor dat deze landelijk toegankelijk is. Dit betekent dat een inwoner overal terecht moet kunnen voor opvang en beschermd wonen (woonplaatsbeginsel). Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek.

Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken. Op basis van de inkoop in 2023 kan het plan van aanpak ook opgesteld worden door een door het college aangewezen derde. Een gedeelte van de inkoop die met ingang van 1 januari 2023 geldt is taakgericht. Hierbij wordt als bij een eerste gesprek met de toegang blijkt dat er een maatwerkvoorziening nodig is de zaak doorgezet naar een combinatie van zorgaanbieders die het onderzoek dan op zich neemt en zal uitwerken in een plan van aanpak. Mocht de client kiezen voor de inzet van ondersteuning in de vorm van een Pgb dan zal de combinatie met een advies komen. Artikel 8 Spoedeisende ondersteuning Indien er een melding plaatsvindt voor spoedeisende hulp, is het college op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 gehouden een tijdelijke voorziening te treffen, totdat het onderzoek is afgerond en er een aanvraag is ingediend op basis waarvan een reguliere maatwerkvoorziening kan worden verstrekt.

Het college kan derhalve in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Het college kan voorts in het dringende belang van de cliënt een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling nemen zonder ondertekende (integrale) vraaganalyse , indienen zolang de cliënt niet in staat of bereid is de (integrale) vraaganalyse te ondertekenen. Een besluit tot spoedeisende ondersteuning wordt door het college in de beschikking duidelijk gemotiveerd, zodat het voor de cliënt inzichtelijk is waarom tot ambtshalve verstrekking is overgegaan. Artikel 9 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het experteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid Wmo 2015 is een medewerkingsplicht opgenomen.

De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal, indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase.

4

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit Artikel 10 Aanvraag of maatwerkvoorziening Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening, moet dit schriftelijk gebeuren. In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen. Artikel 11 Inzet maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening is in de Wmo 2015 gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Het gaat hierbij om ondersteuning op maat, waarvoor een beschikking wordt afgegeven. Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan maatwerkvoorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn. Bijvoorbeeld dat een scootmobiel overdekt moet worden gestald, dat iemand in de opvang mee moet werken aan het opstellen en nakomen van een ondersteuningsplan of dat iemand zich in een instelling voor beschermd wonen houdt aan de leefregels die daar gelden. Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken.

In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten. Zelfzorg en gezondheid bij personen met een somatische, lichamelijke of psychogeriatrische grondslag valt onder de zorgverzekeringswet en valt daarom voor deze doelgroep niet onder de Wmo 2015. Artikel 12 Beschikking Een beschikking genoemd in lid 1 kan bij Wmo begeleiding en bij hoog specialistische jeugdhulp ook een plan van aanpak zijn. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget. Derde lid, onder a, en vierde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden. Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt.

Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij wmo begeleiding en bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.

5

Paragraaf 3.1 Criteria voor verstrekking van een individuele en een maatwerkvoorziening Artikel 13 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de wet Wmo 2015. In dit artikel wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: - Beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; - Problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; - Een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen; Daarnaast dragen algemene voorzieningen onvoldoende bij aan een oplossing. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende, lichte ondersteuning door een professional uit het dorpsnetwerk of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals een huiskamer binnen het dorp voor dagbesteding De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als voorliggende opties niet voldoende zijn.

Voor opvang voor een persoon die de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, geldt niet dat er sprake moet zijn van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen. Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant. Een cliënt heeft het recht een eigen keuze te maken uit de gecontracteerde partijen voor het resultaatgebied waarop ondersteuning wordt geboden. Wil of kan de cliënt geen keuze maken dan zal de gemeente deze keuze maken. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten. Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet. Artikel 14 Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening In dit artikel zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening, gericht op zelfredzaamheid of participatie.

Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 legt de nadruk op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Die eigen verantwoordelijkheid heeft meerdere kanten: - Het college kijkt naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van gebruikelijke hulp, van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen, de mogelijkheid om gebruik te maken van voorzieningen in zijn buurt, zoals een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van algemene voorzieningen die het college ter beschikking stelt. Een burger zal zich rekenschap moeten geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan de beperkingen die hij heeft en aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning. Dat betekent dat een cliënt tijdig

6

maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij kan verhuizen naar een meer geschikte woning, die past bij zijn levensfase en omstandigheden. Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven betekent eveneens dat de burger ervoor zal moeten zorgen dat hij voldoende is verzekerd en eventueel gebruik kan maken van de faciliteiten van een thuiszorgorganisatie voor de situatie dat hij tijdelijk ondersteuning nodig heeft, zoals tijdelijk gebruik van hulpmiddelen of waar gebruik maakt van hij hand- en spandiensten. - Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen bij jonge mensen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen. - Het kan ook betekenen dat rollen in huis anders verdeeld moeten worden of dat een kind dat toch op bezoek komt, meteen wat boodschappen meeneemt. - Waar een burger niet meer in staat is om zelf te voorzien in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan hij een beroep doen op ondersteuning door het college.

Als dit alles onvoldoende is om de cliënt voldoende te ondersteunen in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan de cliënt een aanvraag indienen voor een (aanvullende) maatwerkvoorziening. Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor de cliënt of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht heeft, niet in aanmerking komen voor een aangepaste fiets of een ‘snelle’ scootmobiel. Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. In lid 2 van dit artikel worden een aantal weigeringsgronden op basis waarvan geen voorziening wordt verstrekt. Hier onder valt oa. de anti revaliderende werking. Bijvoorbeeld een scootmobiel toekennen waardoor client te weinig loopt. Hiervoor is wel een objectief onderzoek nodig. Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat een objectieve beoordeling niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Dit is een reden om de voorziening te weigeren.

Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is. Artikel 15 Aanvullende criteria voor beschermd wonen. Beschermd wonen wordt vooralsnog uitgevoerd door de gemeente Tilburg als centrum gemeente. De regels van de gemeente Tilburg zijn hier dan ook op van toepassing. In deze regels is niets opgenomen omtrent de inzet van beschermd wonen in het buitenland. Bij de uitvoering en de mogelijkheid tot toezicht wordt aangenomen dat dit niet mogelijk is. Echter om onduidelijkheid te voorkomen is het verstandig om dit op te nemen in de verordening.

Paragraaf 3.2 Een gezin, een plan een aanspreekpunt Artikel 16 Verstrekking binnen een gezin Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.

7

Paragraaf 4 Persoonsgebonden budget Artikel 17 Mogelijkheden tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget Op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn: - hij moet, al dan niet met ondersteuning, in staat zijn om een pgb te beheren. Dat wil zeggen dat hij de administratieve verantwoordelijkheden aankan, maar ook kan bepalen wat hij nodig heeft en door hem ingeschakelde personen kan aansturen; - hij kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; de jeugdige of zijn ouders moeten zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de aanbieder niet passend acht; - de diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het pgb wenst in te kopen worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt en dragen bij aan het behalen van het beoogde resultaat.

Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren: - voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de individuele dan wel maatwerkvoorziening; of - indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb. Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen. Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015 genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn. Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is.

Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding. In het vierde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen: Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden. Als Collectief Vraagafhankelijk Vervoer als maatwerkvoorziening voor een cliënt passend wordt geacht, is een pgb in principe niet mogelijk. Het college kan daarop een uitzondering maken als het pgb wordt bestemd voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. Voorwaarde is wel, dat hij voor 5 jaar afziet van het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer op Maat. Dit is opgenomen in artikel 2.3.6, derde lid. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer

8

van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden. Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven. Artikel 18 Hoogte van het pgb en begroting De basis voor de vaststelling van de hoogte van het pgb is de door de cliënt ingediende begroting. De pgb bedragen worden hierbij begrensd. Voor het vaststellen van het Pgb tarief worden tarieven gehanteerd welke gerelateerd zijn aan de kostprijs voor de ondersteuning in natura Bij een pgb voor dienstverlening wordt er bij de toekenning van een pgb een differentiatie toegepast afhankelijk of de ondersteuning ingezet wordt door een geregistreerde (zorg) organisatie / instelling een ZZP, door informele zorg niet zijnde familie en sociaal netwerk of familie/sociaal netwerk. Bij de ondersteuning door een (zorg)organisatie/instelling en ZZP wordt voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb een percentage van 85% van de ondersteuning in natura. Gelet op eventueel toekomstige aanpassingen is alvast rekening gehouden met differentiatie tussen ZZP en een professionele aanbieder.

Dat komt omdat aan gecontracteerde aanbieders een aantal aanvullende eisen wordt gesteld met betrekking tot de administratie (declaratie via vastgestelde systemen), klachtenregeling, leveren van overbruggingszorg en social return on investment. Formele hulpaanbieders die op basis van een pgb ondersteuning leveren, hoeven hier niet aan te voldoen. Het pgb-tarief is daarom voor een formele hulpverlener lager vastgesteld dan het zorg in natura-tarief. Wel moet vaststaan dat met het verstrekte budget de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij in de regio Hart van Brabant vastgestelde tarieven. Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn. Bij informele zorg wordt rekening gehouden met uitspraken van de CRvB en is rekening gehouden met de in de rechtspraak vastgestelde norm zoals opgenomen in lid 4 van dit artikel. Indien er meerdere aanbieders zijn die een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening leveren, wordt het laagste tarief als uitgangspunt gehanteerd. Ook de marktprijs wordt gebaseerd op de laagste prijs. In lid 5, 6 en 7 wordt invulling en aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald voor het collectief vervoer.

Lid 8 biedt de ruimte om maatwerk te leveren met betrekking tot de hoogte van het pgb als met de vastgestelde pgb tarieven geen zorg kan worden ingekocht bij minimaal één aanbieder. Artikel 19 Besteding en verantwoording van het pgb De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient. Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb. Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten. Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.

9

Paragraaf 5 bijdrage in de kosten Artikel 20 Compensatie algemeen gebruikelijke kosten Als een cliënt gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening, dan kan de aanbieder van deze voorziening een bijdrage vragen voor de kosten die onderdeel uitmaken van de voorziening maar feitelijk algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat daarbij om kosten van bijvoorbeeld maaltijden, het doen van de was, kosten van vervoer die niet hoger zijn dan de kosten van het openbaar vervoer, een reguliere toegangs- of lidmaatschapsprijs of bijdrage aan materiaalkosten bij een creatieve activiteit. Het college maakt hierover afspraken met de aanbieder van de voorziening. De aanbieder moet transparant zijn over de kosten die hij in rekening brengt en dit op een duidelijke en begrijpelijke manier kenbaar maken aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening. Dit kan op een website, met een brief of op een andere duidelijke wijze. De gemeente zal bij het uitvoeren van het onderzoek en het opstellen van een plan van aanpak zoveel als mogelijk de kosten, welke verbonden zijn aan de in het plan van aanpak opgenomen voorzieningen, inzichtelijk maken voor de cliënt. Artikel 21 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb De berekening van de eigen bijdrage is in het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opgenomen. Als gemeente volgen we deze systematiek.

De gemeente informeert een cliënt omtrent de te betalen eigen bijdrage. In het tweede lid is opgenomen dat voor een woningaanpassing van een minderjarig kind is een eigen bijdrage verschuldigd indien er door de woningaanpassing een waardevermeerdering heeft plaatsgevonden. De eigen bijdrage wordt dan in rekening gebracht op de waardevermeerdering van de woning. Om te bepalen of hier sprake van is zal er door het college nadere regels gesteld worden. Deze eigen bijdrage wordt in rekening gebracht bij de onderhoudsplichtige ouders, waaronder ook wordt verstaan de stiefouders en anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook wordt tot de ouders gerekend de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen. Daarnaast kan de eigen bijdrage in rekening worden gebracht bij degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige. In de wet is opgenomen dat geen bijdrage is verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. In de wet is tevens opgenomen dat als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald, alleen die ouder bijdrageplichtig is die onmiddellijk voorafgaand aan de verstrekking van de woningaanpassing of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag heeft. In het derde lid is opgenomen dat voor een aantal voorzieningen geen eigen bijdrage verschuldigd is.

Hieronder valt ook de Ontwikkelingsgerichte Arbeidsmatige Dagbesteding. De ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding is losgemaakt van Wmo begeleiding en beschermd wonen. Met het uitgangspunt “Participatie is de beste zorg” willen we stimuleren dat zoveel mogelijk mensen meedoen in de samenleving. Omdat vanuit de Participatiewet geen eigen bijdrage gevraagd wordt voor deelname aan participatie-instrumenten willen we dat voor OAD ook niet doen. In de wet is geregeld dat voor cliëntondersteuning geen eigen bijdrage verschuldigd is. Aangezien een doventolk in het verlengde hiervan ligt, is ook voor de doventolk geen eigen bijdrage verschuldigd. Artikel 22 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb In het tweede lid is opgenomen hoe lang iemand een eigen bijdrage verschuldigd is. Bij dienstverlening geldt dat de eigen bijdrage verschuldigd is over iedere periode waarin dienstverlening is geboden. Ook als bijvoorbeeld een week geen dienstverlening is geboden,

10

maar de andere weken wel, is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. In hoeverre de kostprijs van de dienstverlening hierdoor wijzigt, is afhankelijk van het contract dat de gemeente met de dienstverlener heeft afgesloten. Zodra de indicatie voor de dienstverlening wordt ingetrokken, vervalt ook de verschuldigdheid van de eigen bijdrage. Voor een voorziening in natura is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de cliënt in het bezit is van de voorziening. Als de kostprijs eerder is voldaan, eindigt de verplichting tot het betalen van de eigen bijdrage zodra de kostprijs is voldaan. Ditzelfde geldt voor de eigen bijdrage over een eenmalig pgb. Bij een periodieke pgb-verstrekking is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd over iedere periode waarin een pgb is verstrekt. Artikel 23 Bijdrage CVV Voor het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor sociaal-recreatief is een bijdrage verschuldigd die door het college nader wordt vast gesteld. Deze bijdrage is niet inkomensafhankelijk en gekoppeld aan de Ov tarieven zoals deze door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer worden vastgesteld. Er worden bij deze bijdrage rekening gehouden met het tijdstip waarop men reist en de kosten van het verstrekken van een reizigerspas kunnen op de inwoner verhaald worden.

Artikel 24 Eigen bijdrage verblijf Artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 6 Waardering mantelzorgers Artikel 25 Blijk van waardering voor mantelzorgers Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. De wijze waarop is vrij. Het college zal zorgdragen voor passende invulling. Waarbij op voorhand niet wordt gekozen voor één soort compliment, maar voor flexibiliteit en aansluitend op de behoefte van de mantelzorgers. De waardering wordt op maat ingevuld (waarbij geen onderscheid gemaakt wordt op basis van inkomen, intensiteit van de mantelzorg of de afstand tot de cliënt). Het compliment wordt toegekend aan de mantelzorger

11

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 26 Begripsbepalingen Definities die zijn opgenomen in de Jeugdwet zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen. Dorpsnetwerk We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning. Individuele voorziening De Jeugdwet hanteert verschillende termen voor de voorzieningen op basis waarvan ondersteuning wordt ingezet. Dit leidt tot verwarring. Als het een ondersteuning betreft in het kader van de Jeugdwet dan spreken we over een ‘individuele voorziening’. Binnen onze gemeente noemen dit ook ‘maatwerkvoorziening jeugd’. Ook voorzieningen in het voorliggende veld worden binnen de Jeugdwet anders genoemd. Binnen de jeugdwet wordt dit overige voorziening genoemd. De terminologie die de onderscheidende wetten hanteren wordt in deze verordening aangehouden. Melding De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen.

Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag. Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.) Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk. QuickScan De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Vraaganalyse In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (integrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak. Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft. Artikel 27 Uitgangspunt In dit artikel is het uitgangspunt van de gemeentelijke jeugdhulp verwoord.

Daarbij wordt nauw aangesloten bij het startpunt van de wetgever, zoals hierboven in het algemene deel is weergegeven. Centraal staat de zorg- en opvoedingsplicht van ouders voor hun kinderen, die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Zij hebben de regie in het gezin. De gemeente komt in beeld als ouders er, evt. met behulp van het sociaal netwerk, niet uitkomen. De ondersteuning van de gemeente is aanvullend en versterkend, en zo kort mogelijk, uiteraard afhankelijk van de situatie van de jeugdige en zijn ouders. Bij een blijvende lichamelijke of psychische beperking kan de ondersteuning van de gemeente voor langere

12

tijd nodig zijn. Aangesloten wordt bij de ‘eigen kracht’ van het gezin. Vanuit deze startpositie wordt beoordeeld of jeugdhulp nodig is en ingezet wordt. Artikel 28 Vertegenwoordiger In de Jeugdwet is dit begrip gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.

Paragraaf 2. Melding en onderzoek Artikel 29 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt. Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig. Artikel 30 Cliëntondersteuning Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning. In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.

Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk. Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen. Artikel 31 Toegang jeugdhulp via de gemeente Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing op jeugdhulp. Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening. Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch.

13

Artikel 32 Onderzoek Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt. Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit. Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse. Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.

In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek. Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken. Artikel 33 Toegang jeugdhulp via het medisch domein In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrijtoegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vor m, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp.

Deze aanbieder stelt dus in overleg feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag. Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdzorg wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid Jeugdwet, door het college van de gemeente waar de jongere woont ingediend.

De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de GI die het genoemde verzoek indient en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Veegwet VWS 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling dive rse

14

malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.” Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Veegwet VWS 2015, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren. Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kan het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader. Artikel 36 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het expertteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

In artikel 8.1.2 Jeugdwet van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal, indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase.

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit Artikel 37 Aanvraag individuele voorziening Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening, moet dit schriftelijk gebeuren. In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen. Artikel 38 Beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget. De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden. In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.

Paragraaf 3.1. inzet individuele voorzieningen Artikel 39 Inzet voorzieningen De wetgever waagt zich binnen de Jeugdwet niet aan een definitie voor voorziening, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk

15

is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan individuele voorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn. Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken. In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten. Artikel 40 Individuele voorzieningen Als algemene voorzieningen niet/onvoldoende in de behoefte aan jeugdhulp kunnen voorzien, kan een individuele voorziening op zijn plaats zijn. Dat vraagt altijd een individuele beoordeling. In dit artikel staan een aantal vormen genoemd die kunnen worden ingezet.

Blijkt in een uitzonderlijk geval de inzet van andere – niet genoemde – voorzieningen nodig, dan is het college verplicht te regelen dat die ingezet worden, ook al is die vorm niet gecontracteerd. Onderscheid is gemaakt tussen voorzieningen die aan een jeugdige in de thuissituatie kunnen worden verstrekt, en voorzieningen die kunnen worden ingezet als de jeugdige in het kader van jeugdhulp elders verblijft, bijvoorbeeld in een instelling of een beschermde woonvorm. Artikel 41 Vervoer van en naar hulpaanbieder Met dit artikel willen we de verantwoordelijkheid voor het vervoer voor jeugdhulp zoveel als mogelijk de verantwoordelijkheid van de ouders laten zijn.

Paragraaf 3.2 Criteria voor verstrekking van een individuele Artikel 42 Algemene criteria voor een individuele voorziening In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is dit vormgegeven. Lid 1 Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Vervolgens moet het college concreet maken om welke problemen of stoornissen het gaat. Daarna beoordeelt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Vervolgens beoordeelt het college wat de jeugdige en zijn ouders zelf kunnen doen (eigen kracht – zie ook artikel 3.4). Tot slot kijkt het college of er andere mogelijkheden zijn om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, zoals een voorliggende voorziening, dwz. een voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet die een oplossing geeft voor de hulpvraag (artikel 1.2 Jeugdwet). Deze stappen volgen al uit artikel 2.3 Jeugdwet, maar zijn hier als voorwaarden voor individuele voorzieningen opgenomen.

Lid 2 Hier is opgenomen dat voor jongeren van 16+ een plan van aanpak opgesteld wordt waarin perspectief geboden wordt richting het bereiken van de 18 jarige leeftijd. Er ligt hier breed een verplichting voor zowel de gemeentelijke toegang, het medisch domein, gecertificeerde instelling en de jeugdhulp aanbieder. Bij het bereiken van uiterlijk de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en zo ja hoe de ondersteuning er na het bereiken van de 18 jarige leeftijd de ondersteuning eruit ziet.

16

Lid 3 Belangrijk uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen, is dat het college het beschikbare budget doelmatig besteed. Daarom kiest het college, rekening houdend met alle relevante factoren (zie artikel 2.3), voor de voorziening die de gemeente het minste kost, als er een keus gemaakt kan worden uit meerdere voorzieningen.

Artikel 43 Eigen kracht binnen de Jeugdwet De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling staat in dit artikel. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. Lid 1 In lid 1 staat dat ouders en jeugdigen primair zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van een antwoord op de opgroei- en opvoedingsvragen die zij hebben. Zij zetten hun eigen kracht daarvoor in. Artikel 1.2 is onverminderd van toepassing: voor ouders geldt dat zij een zorgplicht hebben voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 1:82 BW en 1:247 BW, en omvat o.a. ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding. Lid 2 Hier worden vier situaties genoemd waarin sprake is van eigen kracht. Activiteiten, handelingen e.d. die als gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders kunnen worden aangemerkt, vallen onder het begrip ‘eigen kracht’ (zie de definitie uit artikel 1 lid 1 onderdeel d). De inzet van sociaal netwerk en het benutten van andere passende voorzieningen vallen daar ook onder.

Bij dergelijke voorzieningen gaat het niet alleen over wettelijke voorzieningen, zoals op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar ook diensten die maatschappelijke organisaties aanbieden, zoals coaching, schuldhulpverlening, opvoedondersteuning e.d. Die inzet moet dan wel concreet beschikbaar zijn. Het college moet dat onderzoeken. Deze bepaling moet ook worden gelezen in samenhang met artikel 1.2 (Uitgangspunt). Daar is verwoord, dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Dat geldt in principe ook als de zorg verder gaat dan wat in het algemeen verwacht mag worden van ouders, bijvoorbeeld omdat ze omvangrijker, intensiever of langduriger is dan wat gebruikelijk is (bovengebruikelijke hulp). Lid 3 Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp vallen onder de zorgplicht/verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen, en daarmee de ‘eigen kracht’ van ouders. Van ouders wordt in beginsel verwacht dat zij hun gezins- en maatschappelijk leven zo organiseren, dat ze hun kinderen de zorg en opvoeding kunnen geven die nodig is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan voor handelingen en activiteiten die onder gebruikelijke hulp vallen, een individuele voorziening worden gegeven. De ‘eigen kracht’ van ouders schiet dan tekort.

Er moet dan wel echt iets bijzonders aan de hand zijn, waardoor de zorg niet door de ouders geleverd kan worden. (dreigende) Overbelasting en aantoonbare belemmeringen aan de kant van de ouders kunnen daarvoor een aanleiding vormen. Het is aan ouders om dat aan te tonen. De capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders spelen daarbij een belangrijke rol (afwegingsfactoren). Van ouders wordt verwacht dat zij overbelasting voorkomen (zie ook lid 7) en werken aan versterken van hun belastbaarheid. Dit geldt ook voor kortdurende bovengebruikelijke hulp (voor een kortere, afgebakende periode, max. drie maanden). De gemeente kan dan bijspringen om ouders te ondersteunen. Die ondersteuning is in principe tijdelijk, totdat ouders weer zelf de zorg en opvoeding op zich kunnen nemen. Uiteindelijk gaat het erom dat draagkracht en draaglast van het gezin weer in balans komen. Voor langdurige bovengebruikelijke hulp (in de regel structureel, langer dan drie maanden) geldt een iets genuanceerdere toets (zie verder lid 5).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16328731/1