CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp (3 bijlage Verordening-NIEUW)

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp.10.754 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026 Intitulé Integrale verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026 De raad van de gemeente Hilvarenbeek; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders XXX; Gelet op het bepaalde in artikel 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.6 en 2.6.6 van de Wmo 2015 en artikel 2.9, 2.10. 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet; Besluit: Vast te stellen de volgende Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026

Hoofdstuk 1. Maatschappelijke ondersteuning Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanbieder: natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren. b. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: o niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; o daadwerkelijk beschikbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; o een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; o financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau c. algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; d. CVV: Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, voor het lokaal vervoer van personen met een participatieprobleem als gevolg van een beperking; e. inwoner: cliënt zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Wmo 2015; f. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek; g. dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoners, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; h.

dorpsnetwerk: het netwerk van inwoners, professionals en vrijwilligers binnen de lokale ondersteuningsstructuur, in de omgeving van de cliënt. i. eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015; j. instelling: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke ondersteuning wordt verleend in de vorm van dienstverlening; k. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015;

l.

melding: de mededeling aan het college, bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid, van de Wmo 2015; m. (integraal) plan van aanpak: de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding; n. onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015; o. Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P): een voorziening, niet zijnde een overige voorziening, voorliggende voorziening of algemene voorziening, die naast de reguliere maatwerkvoorziening en/of individuele voorziening kan worden ingezet ter ondersteuning. p. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 q. verblijf: opvang in een instelling of beschermd wonen met samenhangende ondersteuning; r. vergoeding: persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming die is verstrekt op grond van de Wmo 2015; s. ZZP: Zelfstandige Zonder Personeel. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening heeft betrekking op de maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van inwoners van de gemeente Hilvarenbeek. 2.

In afwijking van het voorgaande lid kan deze verordening ten aanzien van opvang en beschermd wonen, al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, betrekking hebben op een ieder die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt. Artikel 3 Vertegenwoordiger Waar in deze verordening gesproken wordt over cliënt, kan in voorkomende gevallen ook worden bedoeld de rechtsgeldige vertegenwoordiger van cliënt.

Paragraaf 2. Melding en onderzoek Artikel 4 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen 1. Inwoners die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening of een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening. 2. Het college kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en overige voorzieningen. Artikel 5 Cliëntondersteuning a. Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. b. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 6 Melding hulpvraag in de gemeente 1. Een melding kan door of namens een cliënt worden gedaan: a. bij de door het college vastgestelde professionals uit het lokale dorpsnetwerk, in de buurt waar de persoon woont; b. digitaal via het daarvoor door de gemeente ter beschikking gestelde digitale loket; c. telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente; d. schriftelijk; e. via een andere, door het college geopende mogelijkheid. 2. Het college bevestigt de melding schriftelijk.

Het college informeert de cliënt of degene namens wie de melding is gedaan over de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan te overleggen en gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. 3. De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven als door of namens de cliënt wordt aangegeven, op basis van de verstrekte informatie naar aanleiding van de melding, geen behoefte te hebben aan een verdere behandeling van de melding. 4. Als de in het 3e lid genoemde situatie niet van toepassing is, stelt het college een onderzoek in volgens een door het college vast te stellen procedure. Artikel 7 Onderzoek en weergave naar aanleiding van de melding 1. Het college voert op basis van de melding zo spoedig mogelijk een onderzoek uit ter verheldering van de hulpvraag. 2. Het college stelt op basis van het onderzoek een (integrale) vraaganalyse op, waarin hij de bevindingen van zowel het college als de cliënt weergeeft. Als de cliënt zelf een persoonlijk plan heeft opgesteld, wordt dit in het onderzoek als uitgangspunt gehanteerd. 3. Als de situatie van de cliënt bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de cliënt of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding. 4.

Als daarvoor reden bestaat wordt er in samenspraak met cliënt een (integraal) plan van aanpak opgesteld waarin de gemaakte afspraken met de cliënt worden vastgelegd. 5. Het college verstrekt het (integrale) plan van aanpak zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek, maar binnen maximaal 6 weken na melding, aan de cliënt. Artikel 8 Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening

te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van cliënt. Artikel 9 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit Artikel 10 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt schriftelijk ingediend. 2. Het college kan in nadere regels bepalen of en in welke situaties voor het indienen van een aanvraag een door het college vastgesteld aanvraagformulier verplicht is; 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Artikel 11 Inzet maatwerkvoorzieningen 1. Het college kan voor de maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen beschikbaar stellen. 2. Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van maatwerkvoorzieningen. 1. De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. de medewerking aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; b. de medewerking aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ingezette ondersteuning c. het naleven van leef- en gedragsregels bij gebruikmaking van een voorziening; 3. De verstrekking van maatwerkvoorzieningen geschiedt binnen de kaders van de Wmo 2015 en is gericht op het behalen van één of meer door het college, in overleg met de cliënt, vastgestelde resultaten. 4.

Het college kan als onderdeel van de maatwerkvoorziening de cliënt tevens in aanmerking laten komen voor vervoer van en naar de plaats van de inzet van ondersteuning indien dit noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 5. Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen, in pgb, als financiële tegemoetkoming of in eigendom toekennen. 6. Naast genoemde voorzieningen in lid 1 zijn er ook voorzieningen in de vorm van maatwerk mogelijk als dit naar de mening van het college een adequate en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag is, het zogenaamde p.p.p. Artikel 12 Beschikking 1. De cliënt ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening aan de cliënt wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd. 2. In de beschikking wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe de cliënt bezwaar tegen de beschikking kan maken. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. wat de motivatie is voor de toekenning van verstrekte voorziening; d.

hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; e. welke andere voorzieningen binnen het plan van aanpak relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. waarvoor het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd 6. Het college kan het nemen van een besluit zoals genoemd in dit artikel mandateren aan een door het college aangewezen derde.

Paragraaf 3.1. Criteria voor verstrekking van een maatwerkvoorziening Artikel 13 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening. 1. Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar het oordeel van het college bij de cliënt de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, of met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig of ontoereikend zijn om: a) de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat te stellen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of b) de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 14 Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening 1. In aanvulling op artikel 3.1.1 hanteert het college voor een maatwerkvoorziening, gericht op het versterken of behoud van de zelfredzaamheid of participatie de volgende criteria: a. de cliënt heeft adequaat, binnen de eigen mogelijkheden, geanticipeerd op de aanwezige beperkingen of op de gevolgen van de diverse levensfases waar een ieder mee te maken krijgt of kan krijgen; b. de cliënt verleent medewerking aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is; c. de maatwerkvoorziening is, gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; d. het is geen verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening terwijl deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; e. de noodzakelijke maatwerkvoorziening leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert. f. de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van een voorziening valt niet aan de cliënt te verwijten; 2. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt a. wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening mogelijk een anti-revaliderende werking heeft; b.

wanneer de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

c. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; d. indien het een voorziening betreft die de cliënt zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij dit plaatsvond na de melding en met schriftelijke toestemming van het college; e. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; f. als deze niet langdurig noodzakelijk is; g. indien de cliënt geen inwoner is van de gemeente Hilvarenbeek Artikel 15 Aanvullende criteria voor beschermd wonen: 1. In aanvulling op artikel 3.1.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij a. feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en b. beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiele dakloosheid op kunnen heffen. 2. In aanvulling op artikel 3.1.1 kan een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang als deze a. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en b. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en c.

geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien. 3. In aanvulling op artikel 3.1.1. kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. hij een psychiatrische aandoening heeft, en b. er voor hem sprake is van een noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening, en c. hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. 4. Beschermd wonen wordt verstrekt overeenkomstig de geldende raadsverordening van de centrumgemeente Tilburg en de hierop gestoelde nadere regels en/of beleidsregels van de centrumgemeente Tilburg. 5. In aanvulling op lid 4 wordt er geen beschermd wonen toegekend welke wordt ingezet in het buitenland, tenzij hiervoor uitdrukkelijk toestemming is verleend door het college.

Paragraaf 3.2. Een gezin, een plan een aanspreekpunt Artikel 16 Verstrekking binnen een gezin 1. Als er binnen een gezin sprake is van een behoefte aan zowel maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, verleent het college deze waar mogelijk op basis van een integraal plan van aanpak.

Paragraaf 4. Persoonsgebonden budget Artikel 17 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft: a. wat hij met het pgb wenst in te kopen; b. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; c. indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; d. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; e. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; f. een onderbouwde begroting. 2. Een pgb is alleen mogelijk als: naar het oordeel van het college is voldaan aan voorwaarden gesteld in artikel 2.3.6, eerste, tweede en derde lid Wmo 2015 en de weigeringsgronden van artikel 2.3.6 vijfde lid Wmo 2015 niet van toepassing zijn. 3.

Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn. 4. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5; b. voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college, al dan niet op basis van het in het eerste lid bedoelde zorg- en budgetplan; c. voor zover deze is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb. 5.

Een inwoner heeft de mogelijkheid om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatwerkvoorzieningen te betrekken van een persoon die behoort tot het informele circuit indien: a) hij daarvoor blijkens het ingediende Pgb ondersteuningsplan aan die persoon een vergoeding verstrekt die past binnen de kaders van het maximale pgb-tarief dat het college ter beschikking stelt voor informele zorg; b) deze zorg voldoet aan het door het college te stellen kwaliteitseisen; c) de persoon heeft aangegeven dat het leveren van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelingen voor hem niet tot een overbelasting leidt. 6. De ondersteuning in de vorm van dienstverlening binnen het geheel van ondersteuning kan òf in de vorm van een maatwerkvoorziening/ individuele voorziening in natura òf in de vorm van een pgb worden verstrekt. Een uitzondering hierop is een pgb inzet vanuit informele zorg. Deze ondersteuning is mogelijk naast de zorg in natura.

Artikel 18 Hoogte van het pgb en begroting 1. De hoogte van het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. bedraagt niet meer dan de totale kostprijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura, en als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. is het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als het college voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. d. wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorziening in natura. 2. De hoogte van een pgb voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner: I. werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden is ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of II.

werken als Zelfstandige zonder personeel en ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 85% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder voor zorg in natura die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 85% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 3. Als de ondersteuning wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2 is sprake van informele hulp. 4.

Bij het vaststellen van het bedrag voor een Pgb voor de inhuur van iemand uit het sociale netwerk wordt uitgegaan van de volgende tarieven: - bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; - bij individuele begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, ter vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

5. In plaats van de inzet van het collectief vraagafhankelijk vervoer is de hoogte van het pgb per kilometer gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding zoals de Belastingdienst hanteert voor woonwerkverkeer. 6. De maximaal gesubsidieerde reisafstand bedraagt 25 kilometer. Tussen de 25 en 30 kilometer is het commerciële tarief verschuldigd. 7. Het college kan bestemmingen aanwijzen, gelegen op een afstand van meer dan 30 kilometer van het huisadres, waarvoor het gereduceerde tarief geldt. 8. Als het op basis van lid 1, lid 2 en lid 4 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de ondersteuning hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. Artikel 19 Besteding en verantwoording van het pgb Het college kan in nadere regels criteria stellen aan: a. de periode waarbinnen een pgb moet zijn besteed; b. de verantwoording van het pgb.

Paragraaf 5 bijdrage in de kosten Artikel 20 Compensatie algemeen gebruikelijke kosten 1. De aanbieder van een algemene of maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een bijdrage vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die de cliënt uitspaart doordat deze onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dag- en nachtopvang; b. voor het gebruik van materialen bij dagbesteding; c. voor het gebruik van woonruimte; d. voor het gebruik van Vervoer op Maat; e. voor het doen van een was; f. voor uitstapjes. 2. De compensatie, bedoeld in het vorige lid, wordt door het college vastgesteld op basis van objectieve Criteria. 3. De aanbieder informeert de cliënt over de verschuldigdheid en hoogte van de bijdrage. Artikel 21 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb 1. Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb een eigen bijdrage verschuldigd zijn op basis van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. Indien de maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing van een minderjarig kind, is de eigen bijdrage verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet, bedoelde persoon of personen.

De eigen bijdrage is alleen verschuldigd op de meerwaarde welke optreedt als gevolg van de woningaanpassing. 3. In afwijking van het eerste lid is geen eigen inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage verschuldigd voor: a. het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor sociaal-recreatief vervoer; b. het gebruik van een doventolk; c. de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; d. Voor de inzet van ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding. Artikel 22 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb 1. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb is gelijk aan de maximale eigen bijdrage die mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. Het college brengt de eigen bijdrage in rekening: a. voor dienstverlening: zolang de indicatie voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden; b. voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening of tot de kostprijs van de voorziening is bereikt. c. voor eenmalig verstrekte voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget: tot de hoogte van het verstrekte persoonsgebonden budget is voldaan; d. bij een periodieke pgb-verstrekking: over iedere periode waarover een pgb wordt verstrekt. Artikel 23 Bijdrage collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) 1.

Voor het gebruik van het CVV als maatwerkvoorziening wordt een bijdrage gevraagd ter hoogte van het door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer MiddenBrabant vastgestelde tarief voor gebruik openbaar vervoer. Het gaat hierbij om een instaptarief en kilometertarief

2. In afwijking van het genoemde in lid 1 wordt in de ochtend tussen 7.00 uur en 9.00 uur het door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant, vrije reizigers tarief gevraagd. 3. De cliënt mag een sociaal begeleider meenemen. Deze betaald het door de provincie NoordBrabant en de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant vastgestelde tarief. 4. De gemeente kan een bijdrage vragen voor het ter beschikking stellen van een pas voor het CVV. Artikel 24 Eigen bijdrage verblijf 1. Een cliënt kan voor verblijf in een opvang of beschermd wonen een eigen bijdrage verschuldigd zijn. 2. Het college bepaalt bij nadere regeling: a. Of en zo ja, de hoogte van deze eigen bijdrage, met inachtneming van het gestelde in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; b. op welke wijze de kostprijs van opvang en verblijf wordt bepaald; c. door welke instantie in de gevallen artikel bedoeld in 2.1.4 zevende lid de eigen bijdrage voor verblijf wordt vastgesteld en geïnd. 3. Het college kan aanvullende regels stellen ten aanzien van deze eigen bijdrage, dit met inachtneming van de het gestelde in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Paragraaf 6 Mantelzorgers Artikel 25 Blijk van waardering voor mantelzorgers Het college draagt op passende wijze zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten.

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 26 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanbieder: natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren. b. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau; c. algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; d. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek; e. dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoner, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; f. dorpsnetwerk: het netwerk van inwoners, professionals en vrijwilligers binnen de lokale ondersteuningsstructuur, in de omgeving van de inwoner. g. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet h.

individuele voorziening jeugd: de via een verleningsbeschikking toegankelijke, op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening, die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt; i. inwoner: een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet, voor zover de jeugdige (conform de Jeugdwet) woonplaats heeft in de gemeente Hilvarenbeek j. instelling: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke ondersteuning wordt verleend in de vorm van dienstverlening; k. melding: melding van een behoefte aan jeugdhulp; l. integraal plan van aanpak: plan dat door de inwoner en het college of het samenwerkingsverband hoogspecialistische zorg wordt opgesteld en ondertekend, waarin de afgesproken resultaten en de ondersteuning die daarvoor wordt ingezet worden vastgelegd en eventueel een weergave geeft van de gesprekken en/of verslaglegging; m. onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015; n. voorliggende voorziening: een voorziening waarmee aan de hulpvraag geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen en waardoor een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk achterwege kan blijven. o. persoonlijk passend pakket: een vormvrije invulling van een individuele voorziening; p. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; q.

Perspectiefplan 18+: In geval van (verwachtte) doorgaande hulpverlening na het 18e levensjaar, het plan dat door de Opdrachtnemer wordt opgesteld ten aanzien van de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën. r. verblijf: opvang in een instelling of beschermd wonen met samenhangende ondersteuning; s. vergoeding: persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming die is verstrekt op grond van de Jeugdwet; t. Vraaganalyse (integraal): Een instrument om zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en gewenste resultaten; u. ZZP: Zelfstandige Zonder Personeel. 2. Andere begrippen die in deze verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de daarop gebaseerde regelgeving, en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 27 Uitgangspunt Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zij zetten zich ervoor in, dat hun kinderen opgroeien in een gezonde en veilige omgeving, hun talenten kunnen ontplooien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en zelfredzame personen die volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Die verantwoordelijkheid hebben ouders ook als hun kinderen problemen, stoornissen of beperkingen hebben. Als ouders daar hulp bij nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op het college, en samen bespreken welke zorg, hulp of ondersteuning er nodig is en hoe daarin voorzien kan worden. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak, waar mogelijk gericht op herstel of versterking van de eigen kracht. Artikel 28 Vertegenwoordiger Waar in deze verordening gesproken wordt over cliënt, kan in voorkomende gevallen ook worden bedoeld de rechtsgeldige vertegenwoordiger van cliënt.

Paragraaf 2. Melding en onderzoek Artikel 29 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen 1. Inwoners die gebruik willen maken van een algemene voorziening of een voorliggende voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening. 2. Het college kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en voorliggende voorzieningen. Artikel 30 Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. 2. Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 32 van deze verordening, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 31 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Een melding kan door of namens een inwoner worden gedaan: a. bij de door het college vastgestelde professionals uit het lokale dorpsnetwerk, in de buurt waar de persoon woont; b. digitaal via het daarvoor door de gemeente ter beschikking gestelde digitale loket; c. schriftelijk; d. telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente; e. via een andere, door het college geopende mogelijkheid. 2. Het college bevestigt de melding schriftelijk.

Het college informeert de inwoner of degene namens wie de melding is gedaan over de mogelijkheid om zelf een (familiegroeps-)plan te overleggen en gebruik te maken van onafhankelijke ondersteuning. 3. De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven als door of namens de inwoner wordt aangegeven, op basis van de verstrekte informatie naar aanleiding van de melding, geen behoefte te hebben aan een verdere behandeling van de melding. 4. Als de in het 3e lid genoemde situatie niet van toepassing is, stelt het college een onderzoek in volgens een door het college vast te stellen procedure. Artikel 32 Onderzoek 1. Het college voert op basis van de melding zo spoedig mogelijk een onderzoek uit ter verheldering van de hulpvraag. 2. Als de situatie van de inwoner bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de inwoner worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de inwoner of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding. 3. Het college vult op basis van een onderzoek gesprek een (integrale) vraaganalyse in, waarin hij de bevindingen van zowel de medewerker als de inwoner weergeeft. Als de inwoner zelf een (familiegroeps-)plan heeft opgesteld, wordt dit in het gesprek als uitgangspunt gehanteerd. 4.

Als daarvoor reden bestaat wordt er in samenspraak met inwoner een (integraal) plan van aanpak opgesteld waarin de gemaakte afspraken met de inwoner worden vastgelegd. 5. Het college verstrekt de (integrale) vraaganalyse zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek, maar binnen maximaal 6 weken na melding, aan de inwoner. Als er een (integraal) plan van aanpak wordt opgesteld, wordt deze ook verstrekt.

Artikel 33 Toegang jeugdhulp via het medische domein

1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en zover genoemde jeugdhulpaanbieder in overleg met de inwoner van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Indien de hulpvraag van de jeugdige hoog specialistisch lijkt, verwijst het medisch domein de jeugdige door naar de toegang. De toegang gaat aan de slag met een integrale vraaganalyse. 3. Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een aanbieder, kan het college bij een aanvraag door een aanbieder als bedoeld in dit artikel een toets uitvoeren. 4. De aanbieder is bij de bepaling van de voorziening, vorm, voorwaarden en looptijd van de jeugdhulp gebonden aan het oordeel van het college op grond van de toets genoemd in het vorige lid. 5. Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking of op een andere door het college vastgestelde wijze.

Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van inwoner. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet.

Artikel 36 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening.

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit Artikel 37 Aanvraag individuele voorziening 1. De aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend. 2. Het college kan in nadere regels bepalen of en in welke situaties voor het indienen van een aanvraag een door het college vastgesteld aanvraagformulier verplicht is; 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de inwoner besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de inwoner een aanvraag wordt ingediend. Artikel 38 Beschikking 1. De inwoner ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een individuele voorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening aan de inwoner wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd. 2. In de beschikking wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe de inwoner bezwaar tegen de beschikking kan maken. 3. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. wat de motivatie is voor de toekenning van verstrekte voorziening; d.

hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; e. welke andere voorzieningen binnen het plan van aanpak relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. waarvoor het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd 6. Het college kan het nemen van een besluit zoals genoemd in lid 3 van dit artikel mandateren aan een door het college aangewezen derde.

Paragraaf 3.1. inzet individuele voorzieningen Artikel 39 Inzet voorzieningen 1. Het college kan voor de jeugdhulp individuele voorzieningen beschikbaar stellen. 2. Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van individuele voorzieningen. 1. De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. de medewerking aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; b. de medewerking aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ingezette ondersteuning c. het naleven van leef- en gedragsregels bij gebruikmaking van een voorziening; 3. De verstrekking van individuele voorzieningen geschiedt binnen de kaders van de Jeugdwet en is gericht op het behalen van een of meer door het college, in overleg met de inwoner, vastgestelde resultaten.

4. Het college kan als onderdeel van de individuele voorziening de inwoner tevens in aanmerking laten komen voor vervoer van en naar de plaats van de inzet van ondersteuning indien dit noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 5. Het college kan een individuele voorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen, in Pgb, als financiële tegemoetkoming of in eigendom toekennen. 6. Naast genoemde voorzieningen in lid 1 zijn er ook voorzieningen in de vorm van maatwerk mogelijk als dit naar de mening van het college een adequate en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag is, het zogenaamde p.p.p. Artikel 40 Individuele voorzieningen 1. De volgende vormen van individuele voorzieningen zonder verblijf zijn beschikbaar: a. Hoog specialistische jeugdhulp (ambulant). b. Dagbegeleiding. c. Respijtzorg zonder overnachting. d. Specialistische ambulante jeugdhulp (waaronder behandeling, begeleiding, persoonlijke verzorging, JOH, GHZ en GGZ). e. Vervoer naar en van een jeugdhulpaanbieder in geval van: dag begeleiding (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer); dagbehandeling (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer). 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen met verblijf zijn beschikbaar: a.

Woonvormen (pleegzorg, gezinshuizen, kleinschalige woonvormen, kamer – en fasetraining gezinshuizen; b. Residentieel behandelvormen (inclusief specialistische jeugd-geestelijke gezondheidszorg, zorg voor jeugdigen met een lichamelijke, verstandelijke en of zintuigelijke beperking en jeugd en opvoedhulp); c. Gesloten verblijf; d. Respijtzorg met overnachting; Artikel 41 Vervoer van en naar hulpaanbieder 1. Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder en kent het college geen vervoersvoorziening toe. 2. Het college kent slechts een vervoersvoorziening zoals genoemd in artikel 3.1.2 lid 1sub e toe als: a. de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp en er sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt b. bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor deze de jeugdige niet kan vervoeren of met de jeugdige kan meereizen. 3. Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid worden de eigen mogelijkheden en eigen kracht van ouders en netwerk onderzocht. 4. Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk.

De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven. 5. Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend. 6. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening.

7. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening in het kader van dit artikel wordt toegekend.

Paragraaf 3.2. Criteria voor verstrekking van een individuele voorziening Artikel 42 Algemene criteria voor een individuele voorziening 1. Jeugdigen en ouders komen in aanmerking voor een individuele voorziening, als het college vaststelt dat voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. De jeugdhulp is nodig vanwege opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, beperkingen of stoornissen, en stelt de jeugdige in staat om: - gezond en veilig op te groeien; en - te groeien naar zelfstandigheid; en - voldoende redzaam te zijn en mee te doen in de samenleving; b. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders is niet toereikend om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, ook niet met hulp vanuit het sociale netwerk; c. De jeugdige en zijn ouders kunnen geen beroep doen op algemene voorzieningen of voorzieningen die buiten de Jeugdwet liggen, waarmee de vastgestelde problemen in voldoende mate weggenomen kunnen worden. 2. Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door de gemeentelijke toegang, gecertificeerde instelling, medisch domein en jeugdhulpaanbieder in het Plan van aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning nodig is.

Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (WMO, zorgverzekering, Wlz). Input voor het Plan van Aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen. 3. Het college zet voorzieningen in die geschikt zijn om het beoogde resultaat van de jeugdhulp te bereiken. Zijn er meerdere geschikte voorzieningen beschikbaar, dan zet het college de goedkoopste voorziening in. Artikel 43 Eigen kracht binnen de Jeugdwet 1. Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf met de inzet van eigen kracht geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Dat vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden (zie ook artikel 1.2). 2. Onder het inzetten van eigen kracht wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke hulp van ouders. Dat is de hulp waarvan algemeen aanvaard is dat die in redelijkheid van hen mag worden verwacht; b.

hulp van ouders die daar bovenuit gaat (bovengebruikelijke hulp); c. passende ondersteuning die vanuit het sociale netwerk beschikbaar is; d. het benutten van andere voorzieningen, zoals een aanvullende zorgverzekering. 3. Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf, omdat het onder hun zorgplicht valt. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een voorziening inzetten, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Het college betrekt daarbij de capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders. De voorziening wordt in beginsel voor korte tijd ingezet, en duurt niet langer dan nodig is om de balans tussen draagkracht en draaglast te herstellen. 4. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening,

beperking of problemen nodig heeft. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de handelingen en activiteiten die het betreft en de belasting in tijd en energie die dat voor de ouders oplevert; c. de mate waarin hulp nodig is en hoe lang die hulp ingezet moet worden; en d. de behoeften, achtergrond en mogelijkheden van de jeugdige. Het college maakt daarbij gebruik van de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 bijlage 3, die zijn uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. 5. Bij langdurige of structurele hulpvragen houdt het college rekening met: a. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; b. de voor de jeugdige benodigde hulp en de duur daarvan; c. de mogelijkheden, draagkracht en draaglast van de ouders; d. de samenstelling van het gezin, de onderlinge relaties en de woonsituatie; en e. het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen. 6. Ook bovengebruikelijke hulp valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt verwacht, dat zij deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Aan de hand van de factoren uit het vijfde lid wordt bepaald of dit het geval is. 7.

In het kader van de eigen kracht wordt van de ouders verwacht dat zij zich inspannen om de draagkracht van het gezin te vergroten en de belastbaarheid te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of maatschappelijke activiteiten.

Paragraaf 3.3. Een gezin, een plan een aanspreekpunt Artikel 43 Verstrekking binnen een gezin 1. Als er binnen een gezin sprake is van een behoefte aan zowel maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, verleent het college deze waar mogelijk op basis van een integraal plan van aanpak.

Paragraaf 4 Ondersteuning in de vorm van een pgb Artikel 44 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft: a. wat hij met het pgb wenst in te kopen; b. waarom hij, in het kader van de Jeugdwet, de ondersteuning in natura niet passend acht; c. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; d. indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; e. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; f. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; g. een onderbouwde begroting. 2. Een pgb is alleen mogelijk als: naar het oordeel van het college is voldaan aan voorwaarden gesteld in artikel 8.1.1 eerste, tweede en derde lid Jeugdwet en de weigeringsgronden van artikel 8.1.1 vierde lid Jeugdwet niet van toepassing zijn. 3.

Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn. 4. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7; b. voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college, al dan niet op basis van het in het eerste lid bedoelde zorg- en budgetplan; c. voor zover deze is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb. Artikel 45 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van het tarief voor jeugdhulp maakt het college onderscheid tussen bedrijfs- of beroepsmatig verleende hulp (professionele hulp) en hulp door iemand anders (informele hulp). 2.

Onder professionele hulp wordt verstaan de jeugdhulp die wordt verleend door iemand die: a) werkervaring, kwalificaties of een opleiding heeft die nodig is voor de jeugdhulp die ingezet moet worden. Dat kan blijken uit een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIGregistratie) of bedoeld in artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet (SKJ-registratie), of uit een andere erkende registratie voor beroepsgroepen of uit specifieke diploma’s; en die b) werkt bij een onderneming die volgens de inschrijving in het Handelsregister jeugdhulp aanbiedt, of als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) volgens de inschrijving in het Handelsregister zelf de jeugdhulp aanbiedt, en die c) loon of een vergoeding ontvangt, passend bij de jeugdhulp die wordt gegeven; en die d) voldoet aan de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 4 van de Jeugdwet.

3. Jeugdhulp door een jeugdhulpverlener die niet voldoet aan de voorwaarden uit het tweede lid, wordt als informele hulp aangemerkt. 4. Jeugdhulp door een eerste, tweede of derdegraads bloed- of aanverwant van de jeugdige of de ouders, wordt ook als informele hulp aangemerkt. Artikel 46 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp 1. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het budgetplan, en wordt berekend op basis van een tarief of prijs waarmee de jeugdige of zijn ouders passende jeugdhulp kan inkopen. 2. Het tarief voor professionele hulp is 85% van het laagste tarief waarvoor het college dezelfde passende jeugdhulp heeft gecontracteerd (kostprijs zorg in natura). 3. Zodra de tarieven van de gecontracteerde jeugdhulp wijzigen, worden de tarieven voor professionele hulp aangepast, met hetzelfde indexeringspercentage als voor gecontracteerde jeugdhulp, en met ingang van dezelfde datum. 4. Als het tarief niet toereikend is om daarmee passende jeugdhulp in te kopen, en als het college geen aanbieder heeft gecontracteerd voor de toegekende jeugdhulp, dan wordt het tarief op een bedrag gesteld, waarmee bij ten minste één jeugdhulpverlener of organisatie de jeugdhulp ingekocht kan worden. 5. Het tarief voor informele hulp is een tarief van 125% van het wettelijk minimum loon. 6.

Als uit het budgetplan blijkt dat de jeugdige of de ouders passende jeugdhulp voor een lager tarief kunnen inkopen, dan rekent het college met dat tarief. Artikel 47 Besteding en verantwoording van het pgb Het college kan in nadere regels criteria stellen aan: a. de periode waarbinnen een pgb moet zijn besteed; b. de verantwoording van het pgb.

Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Paragraaf 1. Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap Artikel 48 Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura 1. Een aanbieder zorgt voor een goede kwaliteit van zijn voorzieningen door: a. de voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt, b. de voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, c. de inzet van de juiste deskundigheid, d. ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector, en e. er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Het college ziet toe op de naleving van de kwaliteitseisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 49 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget 1.

De zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval: a. de diensten af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt, b. de diensten af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, en c. de inzet van de juiste deskundigheid. 2. De professionele zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval: a. te voldoen aan de kwaliteitseisen uit het eerste lid, b. de inschrijving van zijn bedrijf in het handelsregister met vermelding van de activiteiten van het bedrijf die overeenkomt met de zorg- of dienstverlening, c. te beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de cliënt, d. ervoor zorg te dragen dat zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de cliënt, e. te beschikken over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden, f.

de kennis en het gebruik van de, in onderdeel e bedoelde, meldcode te bevorderen onder zijn werknemers en opdrachtnemers, en g. te werken met een systematische kwaliteitsbewaking. 3. Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Artikel 50 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

2.

3.

4.

5.

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op onder andere de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f.

overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen; Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16328730/2