CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport RMB Jeugdhulp fase 3 (5 bijlage Nota van Bevindingen)

Gemeenteraad 8 juli 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Rekenkamerrapport Jeugdhulp fase 3.16.830 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

21

de zwaarte van de casussen en eventuele ruimte van de jeugdconsulent. Ook kunnen casussen inhoudelijk worden besproken. De inhoud van het Plan van aanpak wordt altijd eerst door een collega jeugdconsulent getoetst voordat het naar de ouder(s)/verzorger(s) gaat ter ondertekening. Hierbij wordt zowel naar de volledigheid van de informatie als onderbouwing van keuzes gekeken. Voorstel aanbod jeugdhulp en Verlenen beschikking Na het aanmeldgesprek dient de aanbieder het Beknopt Plan Jeugdhulp (regionaal format) in, welke wordt gecontroleerd door een collega jeugdconsulent. Als dit akkoord is wordt de beschikking vervolgens afgegeven door de BackOffice.

2.4

Reflectie van de geïnterviewden op de huidige werkpraktijk Het laatste deel van het interview hebben we gebruikt om met de geïnterviewden te reflecteren op hoe het werk verloopt binnen de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp. Wat gaat goed, wat gaat minder goed en verdient aandacht? Op basis van de gesprekken geven we hier een overzicht van de onderwerpen die op meerdere plekken in de onderzochte gemeenten genoemd zijn. Het zijn positieve en aandachtspunten die door meerdere geïnterviewden herkend worden, maar wellicht niet in iedere gemeente even sterk gelden.

2.4.1

Wat gaat goed Een deskundig en hecht team zorgt voor vertrouwen en zichtbaarheid in de gemeenschap

De geïnterviewden noemen vaak als eerste het team waarin ze werkzaam zijn, als we ze vragen waar ze trots op zijn. In alle gemeenten wordt aangegeven dat er sprake is van een sterk, en deskundig team, bestaande uit een mix van ervaren en nieuwe jeugdconsulenten. Teamleden hebben zicht op elkaars kwaliteiten en leerpunten, wat de samenwerking versterkt. Binnen het team is er sprake van open intervisie en een collegiale werksfeer. Nieuwe collega’s worden warm ontvangen en zorgvuldig ingewerkt. Er is veel betrokkenheid onder de jeugdconsulenten, en er heerst onderling vertrouwen, wat bijdraagt aan een prettige en effectieve samenwerking. Geïnterviewden geven daarnaast aan als positief punt aan dat zij ervaren dat ouders veel vertrouwen hebben in de visie en deskundigheid van de professionals. Ook weten inwoners de weg naar ondersteuning goed te vinden. De zichtbaarheid en laagdrempeligheid van het team op scholen en in het dorp dragen hieraan bij. De werkwijze kenmerkt zich door zorgvuldigheid, kritisch denken en borging van kwaliteit

In de reflectie op de werkwijze van de gemeentelijke toegang worden verschillende positieve punten benoemd. Zo is er binnen het team een duidelijke kritische houding aanwezig, waarbij ouders en jeugdhulpaanbieders bewust worden gemaakt van hun rol en verantwoordelijkheid. De inzet van hulp is gericht op wat daadwerkelijk nodig is. Er wordt zorgvuldig afgewogen wat passend is. Gesprekken met inwoners worden met aandacht gevoerd, waarbij de tijd die nodig is wordt genomen voor onderzoek en het betrekken van relevante personen uit het netwerk. Ondanks de ervaren werkdruk - onder andere door

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

22

onderbezetting - weet het team het werk toch snel en adequaat op te pakken. De kwaliteit van besluitvorming wordt geborgd door het hanteren van het vier-ogenprincipe en vaste toetsingsmomenten. De inzet van de gedragswetenschapper, die actief meedenkt in complexe casussen, wordt als waardevol ervaren en draagt bij aan kwaliteitsverbetering. Constructieve samenwerking met partners in het veld

Een ander positief punt dat regelmatig terugkomt is de samenwerking met anderen in het veld. Zo zorgt regelmatig overleg voor een effectieve doorverwijzing naar het voorliggend veld of passende verwijzing naar niet-vrij toegankelijke jeugdhulp. De samenwerking met het voorliggend veld/dorpsteam wordt als actief en constructief beschouwd. Gezamenlijk wordt kritisch meegekeken bij de QuickScan en worden casussen zorgvuldig besproken. De korte lijnen en informele, maar duidelijke afspraken tussen de gemeentelijke toegang en het voorliggend veld zorgen voor wederzijds leren en reflectie op casuïstiek. Ondanks soms uiteenlopende belangen wordt de samenwerking tussen gemeente en (preventieve) jeugdhulpaanbieders als goed ervaren. Binnen het netwerk wordt afgestemd wie welke taak het beste oppakt, op basis van expertise, wat bijdraagt aan de samenwerking binnen het team en met externe partners. 2.4.2

Wat kan beter In de gesprekken hebben we ook gevraagd naar wat er nog niet zo goed gaat in de huidige werkpraktijk en wat beter zou kunnen. De geïnterviewden noemen een aantal zaken. Het proces in de toegang kent veel stappen en kan efficiënter

De interviews laten duidelijk zien dat het proces in de toegang tot jeugdhulp veel stappen kent. Het opstellen van het Plan van aanpak kost veel tijd, waarbij wordt afgevraagd of dit proces efficiënter kan door bijvoorbeeld meer aan te sluiten bij bestaande diagnostische adviezen. Ook wordt benoemd dat het team als geheel efficiënter zou kunnen werken. De bureaucratische lasten zijn hoog, wat de snelheid van het inzetten van jeugdhulp belemmert; momenteel bedraagt de wachttijd gemiddeld acht weken. Er wordt aangegeven dat door de hoge caseload er dossiers soms in relatief korte tijd onderzocht moeten worden.

“Er is winst te behalen door alles minder uitgebreid op te schrijven. We willen als gemeente niets over het hoofd zien. Alle stappen van de Jeugdwet worden expliciet opgevolgd. Bij de gemeente willen we een 10 als het gaat om dossiervorming. Wat zou een inwoner willen? Er moet nu veel georganiseerd worden, er zijn mogelijkheden omdat te verbeteren. Kwaliteit zit meer op de procedure, een jeugdconsulent wil graag snel hulp inzetten. Dat wringt soms.”

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

23

Spanning tussen verouderde systemen, procedurele onderbouwing en snelle hulpverlening

De verouderde werkwijze, zoals in sommige gemeenten het fysiek verzenden van het Plan van aanpak naar ouders om te ondertekenen en te retourneren en het gebruik van een oud systeem dat onvoldoende compatibel is met andere systemen, leidt tot onnodig tijdverlies. Ook is er behoefte aan een minder omslachtige manier van registreren, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit. De nadruk ligt nu sterk op het volgen van de procedures uit de Jeugdwet, met grote nadruk op een uitgebreide en goed onderbouwde motivering terwijl jeugdconsulenten soms juist snel een hulpvraag willen kunnen beantwoorden om jeugdhulp zo effectief mogelijk in te zetten. Dit spanningsveld wordt als belemmerend ervaren.

Hoge werkdruk, personeelsverloop en tijdelijke inzet bedreigen continuïteit en kennisopbouw

De werkdruk is structureel hoog en zorgt ervoor dat taken soms te lang blijven liggen. Door uitval en personeelsverloop komt de continuïteit onder druk te staan. Met weinig collega’s betekent uitval direct een overbelasting van de rest van het team. Tegelijkertijd bestaat er een spanningsveld tussen het inzetten van tijdelijke inhuur en het behouden van vaste krachten: tijdelijke inzet helpt bij het verkorten van wachtlijsten, maar gaat ten koste van continuïteit en binding met de casus en duurzame kennisopbouw in de gemeente. Het voorliggend aanbod is in kleine gemeenten schaars

Jeugdconsulenten ervaren beperkingen in het normaliseren van hulpvragen doordat het voorliggende aanbod soms ontbreekt. Het aanbod in het voorliggend veld is in kleinere gemeenten vaak schaars. Het collectieve aanbod kan nog veel beter ontwikkeld worden, zodat vragen sneller en zonder lange wachttijden beantwoord kunnen worden. Dit is vooral van belang voor kwetsbare groepen, zoals mensen met een laag inkomen, voor wie schaamte en praktische drempels het zoeken van hulp bemoeilijken. Er is dan ook een duidelijke behoefte aan meer formatie in het voorliggende veld. Hoewel er veel signalen zijn van individuele hulpvragen, ontbreekt het vaak aan mankracht om collectieve en preventieve initiatieven structureel op te zetten en te organiseren.

“De visie is nu dat we naar het systeem gaan en minder naar het individuele kind. Ouders zeggen nu soms letterlijk: mijn kind functioneert niet, ik wil hem naar een therapeut sturen want dan krijg ik hem weer functionerend terug. Er zijn nog steeds ouders die zeggen of denken dat zij zelf hierin niets te doen hebben. Het is vanuit de professional een voorwaarde dat de ouders ook aan de slag gaan en dit aan het kind laten zien. Anders leggen ze het probleem neer bij het kind. Soms moet je ouders hier dusdanig mee confronteren om verandering teweeg te brengen. We kijken daarbij naar meer collectief aanbod. Bijvoorbeeld positief ouderschap in groepsverband. Dat kan bijvoorbeeld ook een voorwaarde worden voor een traject. Ouders horen dan van elkaar dat ze dezelfde dingen meemaken. Dit aanbod is er nog te weinig in onze gemeente.”

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

24

Onvoldoende erkenning van deskundigheid en beperkte flexibiliteit remmen creatieve oplossingen

De lijntjes vanuit het voorliggend veld met de jeugdconsulenten worden als kort ervaren, en regelmatig is er sprake van goede afstemming. Tegelijkertijd lopen jeugdprofessionals soms vast op de verantwoording: hoe leg je keuzes goed vast? De creativiteit om binnen de kaders toch oplossingen te vinden, wordt hierin soms gemist, mede doordat de gemeentelijke organisatie hierin als redelijk stug wordt ervaren. Jeugdprofessionals geven aan dat vanuit het voorliggend veld al veel vragen worden opgepakt. Er is soms het gevoel dat de gemeente dit niet altijd voldoende ziet of erkent. Het is daarnaast belangrijk dat er vertrouwen is in de deskundigheid van de jeugdprofessional, zoals het schoolmaatschappelijk werk, en in de afwegingen die door hen worden gemaakt. Zoals een van de geïnterviewden benadrukt: “We melden kinderen niet voor stinksokken aan.”

Doorpakken en loslaten blijft voor jeugdconsulenten een uitdaging

Jeugdconsulenten worden als betrokken ervaren, maar mogen soms meer loslaten en ouders zelf verantwoordelijkheid laten nemen. Bijvoorbeeld wanneer ouders het plan van aanpak niet ondertekenen, is het voor jeugdconsulenten lastig om het proces los te laten. Er is sprake van een serieuze hulpvraag in het gezin, het plan van aanpak is immers niet voor niets opgesteld. Loslaten en geen hulp kunnen bieden is moeilijk wetende dat er een hulpvraag is. Een sterke dienstverlenende houding, zorgen om de jeugdige en de angst voor klachten kunnen hierin meespelen.

Samenwerking in grijs gebied vraagt om structureel overleg

Er is behoefte aan meer samenwerking met andere gemeenten om van elkaar te kunnen leren. Ook wordt de fysieke afstand tussen het voorliggend veld/dorpsteam en de gemeentelijke toegang als belemmerend ervaren, het leidt tot minder samenwerking, zeker in drukke perioden waarin professionals zich sneller terugtrekken op hun eigen werkplek. Daarnaast is er in een aantal gemeenten behoefte aan betere samenwerking met scholen, met name in het maken van gezamenlijke afwegingen in het grijze gebied tussen de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs. Meer structureel overleg zou helpend zijn, bijvoorbeeld door het aanstellen van een vaste contactpersoon per school. Dit ontbreekt nu, waardoor kansen voor afstemming en samenwerking niet altijd worden benut. Een idee dat hieruit voortkomt, is het koppelen van onderzoeks- of behandelpraktijken aan scholen. Dit kan wachttijden verkorten, sneller duidelijkheid geven over de hulpbehoefte en de samenwerking tussen onderwijs en zorg verbeteren. Het geeft bovendien de mogelijkheid om de kwaliteit van externe aanbieders beter te monitoren. Beperkte bereikbaarheid gemeente

Tot slot horen professionals in het voorliggend veld in sommige gemeenten van ouders dat de (telefonische) bereikbaarheid van de gemeente beter zou kunnen, omdat deze maar beperkt bereikbaar is. Hierdoor kan de wachttijd om de gemeente te spreken soms lang zijn.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

25

2.5

Doorkijk van de geïnterviewden naar de toekomstige werkpraktijk Tot slot hebben we met de geïnterviewden een doorkijk gemaakt naar de toekomstige werkpraktijk, waarbij ook gereflecteerd is op de ontwikkeling naar Stevig/Sterk Lokale Teams (SLT’s) in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd. 20 We hebben de geïnterviewden gevraagd hoe zij kijken naar de ontwikkeling van deze teams en wat vanuit hun oogpunt belangrijk is om rekening mee te houden in de ontwikkeling van de SLT’s. 19F19F

Spanning tussen adviseren en hulpverlenen

Een van de meest besproken aspecten is de dubbelrol van jeugdconsulenten in een SLT: zij worden geacht zowel hulp te verlenen als te adviseren over het al dan niet beschikken van hulp vanuit de Jeugdwet. Deze combinatie roept vragen op over de zuiverheid van besluitvorming. Daarbij komt dat niet alle jeugdconsulenten de overstap willen of kunnen maken naar (hernieuwde) hulpverlening. Sommigen hebben geen uitvoerende ervaring, anderen kiezen bewust voor een meer regisserende of indicerende rol op basis van hun werkverleden.

“Hopelijk wordt het in Stevig Lokaal Team anders ingericht, dat je dichter bij elkaar komt te zitten en met elkaar al beoordeeld wat nodig is. Een inwoner heeft een vraag en die wil geholpen worden. Je wilt één deur, dat mensen weten waar ze moeten zijn en vooral denken iemand luistert naar mij. En dat wij aan de achterkant vervolgens kunnen bedenken met elkaar wat de beste aanpak is (zonder te veel aandacht te besteden aan wie de casus op moet pakken; is het van het voorliggend veld of de Toegang). Je hoopt dat de vraag zo sneller op de juiste plek komt. Je wilt het liefste hulp zo kort mogelijk en zo dichtbij mogelijk kunnen bieden. Je wilt eigenlijk niet eens een deur maar een klein drempeltje, kom er overheen en er is iemand. Hoe we dat precies moeten gaan doen, dat is een uitdaging.”

Zorgen over combinatie van taken

Daarnaast maken jeugdconsulenten zich zorgen over de eventuele werkdruk. De vraag is bovendien of functies die gericht zijn op ambulante inzet bij gezinnen wel gecombineerd kunnen worden met de noodzakelijke regie en monitoring van hoog-specialistische jeugdhulp, die onder de Jeugdwet blijft vallen. Omdat het nog niet precies duidelijk is hoe het SLT in de praktijk zal worden ingericht, aangezien het zich momenteel in de pilotfase bevindt, weten de jeugdconsulenten nog niet precies wat zij kunnen verwachten en wat hun rol en positie hierin zal zijn. De onzekerheid hierover zorgt voor terughoudendheid bij jeugdconsulenten, zeker bij degenen die er eerder bewust voor kozen om geen hulpverlening meer te doen en nu mogelijk toch weer uitvoerende taken krijgen.

20

Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

26

“We kunnen nu kritisch zijn omdat we kort betrokken zijn. Ik kan heel veel speldenprikjes maken op een respectvolle manier, omdat ik daarna weer uitvlieg. Het is aan anderen om dat verder op te pakken, dit zet ik ook in het verslag, zodat anderen daar op terug kunnen vallen en ik zelf ook. Veel collega’s zijn handelingsverlegen omdat ze bang zijn als ze zeggen waar het op staat, ze de samenwerkingsrelatie onder druk zetten.”

Behoud van expertise cruciaal

Ook leeft de vraag in sommige gemeenten in hoeverre binnen het SLT ruimte blijft voor het behouden van ieders specifieke expertise, bijvoorbeeld op het gebied van jeugd of financiën. Het belang van vertegenwoordiging van de juiste expertisen wordt benadrukt. Zoals een van de geïnterviewden verwoordt: “zonder de juiste expertise doe je afbreuk aan wat je de burger kunt bieden. Idealiter zit deze expertise binnen één team, zodat schotten verdwijnen maar de kwaliteit blijft.” Betrek uitvoeringspraktijk bij verdere uitwerking SLT

Een belangrijk aandachtspunt in de ontwikkeling van het SLT is dat de professionals in de uitvoering tot nu toe beperkt zijn betrokken bij de verdere uitwerking van de integrale toegang tot jeugdhulp. Jeugdconsulenten geven aan dat het voor hen nog niet helemaal duidelijk is wat de bedoeling is van deze nieuwe inrichting; de regie ligt op dit moment vooral bij beleid. Er leeft de wens dat de uitvoeringspraktijk hierin nauwer wordt meegenomen, en ook perspectieven en ervaringen vanuit de praktijk worden meegenomen zodat beleid en praktijk beter op elkaar aansluiten.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

27

3

Conclusies Het doel van voorliggend onderzoek is een bijdrage te leveren aan het inzichtelijk maken van de uitvoeringspraktijk van de gemeentelijke toegang, en hoe daarnaast de bestuurlijke uitgangspunten van de regio en gemeenten een rol spelen in de triage, oftewel de beoordeling van de hulpvraag en het beslissen voor welke hulp en door wie verleend er een beschikking afgegeven wordt. In dit laatste hoofdstuk beantwoorden we de in hoofdstuk 1 gestelde onderzoeksvragen, waarbij we wat uitgebreider stil staan bij de uitwerking van de bestuurlijke uitgangspunten ‘normaliseren’ en ‘selectief jeugdhulpgebruik’ in de werkpraktijk van de gemeentelijke toegang. Vervolgens geven we meer gezicht en taal aan keuzes en afwegingen van professionals met de beschrijving van een viertal exemplarische voorbeelden uit de praktijk. Tot slot benoemen we een aantal spanningsvelden als input voor de gemeenteraden bij hun discussie met het college over de doelmatige en effectieve ontwikkeling en uitvoering van de jeugdhulp.

3.1

Overeenkomstige aanpak bij gemeentelijke toegangen Onderzoeksvraag 1: hoe verwerkt de toegangsmedeweker de bestuurlijke uitgangspunten, in het bijzonder normaliseren en selectief gebruik van S1 (hoog specialistische) en S4 (veel voorkomende zorg)?

Wanneer we de werkpraktijk van de vier verschillende gemeentelijke toegangen tot jeugdhulp beschouwen, valt opnieuw een overeenkomstige aanpak op. Het principe van normaliseren komt met name tot uiting in de eerste stappen van het proces, terwijl selectiviteit vooral speelt in de laatste fase, waar de vertaling van vraagarticulatie naar aanbodkeuze plaatsvindt. Figuur 2 laat zien welke van de negen V’s elementen van normaliseren en selectiviteit bevatten.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

28

Figuur 2 Normaliseren en selectiviteit in het proces van toegang tot jeugdhulp

Normaliseren

Uit de gesprekken met verschillende professionals komt duidelijk naar voren dat het principe van normaliseren centraal staat in hun werk. Het versterken van het ‘gewone leven’ vormt het uitgangspunt, met aandacht voor de leefwereld van jeugdigen en de bijbehorende problematiek. Normaliseren vraagt om een gedegen kennis van het ‘normale’ ontwikkelingsverloop. Het vraagt van professionals om dit bespreekbaar te maken met ouders door hen bijvoorbeeld te vragen naar wat zij verwachten van hun kind en wat ze bij leeftijdsgenootjes zien. Professionals moeten samen met jeugdige en ouder(s)/verzorger(s) kunnen inschatten wat als ‘normaal’ geldt, wat daarbij hoort en wat (mogelijk) afwijkt en hulp vereist. Het maken van deze inschatting is een complex proces, dat gepaard gaat met professionele afwegingen en dilemma’s. 21 Bijvoorbeeld wanneer ouders, jeugdige en 20F20F

21

Zie voor meer informatie over normaliseren Vrijhoff & Bos (2022), Visie Normaliseren. Ontwikkeld en opgesteld door Leernetwerk Normaliseren van werkplaats SAMEN.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

29

professional van mening verschillen over de wenselijkheid of noodzaak van hulp, of over wat op dat moment de meest passende ondersteuning is. Tevens vraagt het van professionals om ouder(s)/verzorger(s) te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheden en inzet van het eigen netwerk.

“Je kijkt of het een enkelvoudige vraag is of niet. Je kijkt onder ander of het systeem loopt. Kinderen hebben bijvoorbeeld gescheiden ouders of life-events meegemaakt. De vraag kan ook gaan over het niet goed weten hoe met emoties om te gaan; verdrietig, agressief op school of lastig om met leeftijdsgenootjes om te gaan. Ook kijken hoe het op een hobby of sportclub loopt. Komt het gedrag alleen op school voor of ook thuis? Je krijgt ook wel eens vragen over een kind dat angstig is of het lastig vindt op school, dit zijn type vragen die je met schoolmaatschappelijk werk eerst wilt oppakken. Je maakt ook een inschatting van de eigen kracht van het gezin (opa of oma, buurtgenoten). Kunnen ze het netwerk inzetten. Er wordt gekeken naar wat er al is ingezet en wat dat wel of niet heeft opgeleverd. De jeugdprofessional maakt een eigen afweging hierin. Eventueel kan er worden afgestemd met een kwaliteitsmedewerker of gedragswetenschapper.” thuis Voor jeugdprofessionals in het voorliggend veld is deze werkwijze niet nieuw; integendeel, het betreft een basishouding die wezenlijk is voor hun vak. Jeugdconsulenten zijn eveneens getraind in deze manier van werken. Voor beide groepen professionals zijn diverse hulpmiddelen beschikbaar die hen ondersteunen bij de toepassing in de praktijk, zoals de Levenslijn Tool, de vragen uit de QuickScan en Integrale vraag analyse.

De hulpvraag en ondersteuningsbehoefte worden afgepeld. Er wordt gekeken hoe het kind zich thuis gedraagt, op school en in andere omgevingen en wie dit als een probleem ervaart. De inzet van het gezin zelf en de omgeving om de hulpvraag op te lossen wordt besproken. Er wordt gekeken naar wat (nog meer) mogelijk is binnen het gezin, het eigen netwerk of met behulp van ondersteuning in het voorliggend veld en welke vraag er dan nog overblijft. Het belangrijkste verschil in werkwijze tussen professionals uit het voorliggend veld en die binnen de gemeentelijke toegang ligt in de relatie met het gezin. Professionals uit het voorliggend veld hebben gezinnen vaak al langere tijd in beeld en beschikken daardoor over meer ruimte en tijd om samen met het gezin een gedegen analyse te maken van de hulpbehoefte. Een jeugdconsulent daarentegen voert doorgaans één (keukentafel)gesprek op locatie en moet op basis daarvan de inschatting maken.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

30

Selectiviteit

Selectief gebruik van jeugdhulp komt met name naar voren in de laatste fase van het toegangsproces (zie figuur 2). Dit speelt vooral een rol in het Plan van aanpak (PvA), waarin de hulpvraag wordt vertaald naar een passend hulpaanbod. In het PvA worden de doelen en gewenste resultaten beschreven, en de inzet die nodig is om deze te behalen. Hierbij wordt zowel gekeken naar inzet vanuit het gezin zelf, het eigen netwerk, het voorliggend veld. Er wordt beargumenteerd waarom niet-vrij toegankelijke jeugdhulp noodzakelijk is en waarom een specifiek aanbod als passend wordt beschouwd. Daarbij wordt altijd rekening gehouden met eerder ingezette ondersteuning en de opbrengsten daarvan voor de jeugdige en het gezin.

“De keuze van wat passend aanbod is en welke aanbieder hierbij past, maak je door te kijken naar de verschillende segmenten. Welke partijen passen hierbij en wat hebben ze te bieden. Partijen zijn gecontracteerd aan de hand van codes. Hierin wordt gekeken welke aanbieder wat mag aanbieden. Via Wegwijzer Hart van Brabant is dit te vinden. Bij een keuze voor een aanbieder wordt er ook gekeken naar hoe casussen in het verleden zijn afgesloten bij deze aanbieder en geven kwaliteitsmedewerkers in de regio aan met welke partijen er goed wordt samengewerkt. De jeugdconsulent overlegt ook met collega’s of de gedragswetenschapper. Ook kan de jeugdconsulent anoniem contact opnemen met een mogelijke partij, telefonisch om te inventariseren of zij de hulpvraag kunnen oppakken. Het maken van een Plan van aanpak en zoektocht met de ouders naar een passende aanbieder kan parallel aan elkaar lopen.”

Middels contracten zijn afspraken gemaakt welke aanbieder wat mag aanbieden. De jeugdconsulent kijkt altijd eerst naar het aanbod van de gecontracteerde aanbieders. De voorkeur gaat namelijk altijd uit naar Zorg in Natura (ZIN). Indien dit niet mogelijk is, kan Persoonsgebonden Budget (PGB) worden aangevraagd om zorg in te kopen bij een nietgecontracteerde aanbieder. In de zoektocht naar een passende jeugdhulpaanbieder heeft de jeugdconsulent de mogelijkheid om een casus anoniem voor te leggen bij een aanbieder. Daarbij wordt beoordeeld of de gestelde doelen aansluiten bij het aanbod van de aanbieder en op welke wijze zij kunnen bijdragen aan het behalen van deze doelen. In dit proces kan de jeugdconsulent ook overleggen met een collega of met de gedragswetenschapper. Dit wordt veelal gedaan bij complexere casussen. Wanneer de jeugdconsulent inschat dat de hulpvraag mogelijk onder hoog specialistische jeugdhulp (Segment 1) valt, wordt de Doelgroep definitie van Crossroads als leidraad gebruikt ter ondersteuning en toetsing. 22 21F21F

22

Doelgroep definitie Crossroads.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

31

Tevens wordt onderzocht of samenwerking met het voorliggend veld mogelijk is. Dit houdt in dat een deel van de hulpvraag wordt opgepakt door professionals in het voorliggend veld, terwijl een ander deel via beschikte jeugdhulp wordt ingevuld.

Onderzoeksvraag 2: op welke wijze neem de toegangsmedeweker een beslissing of zelf hulpverlenen of doorverwijzen naar een zorgaanbieder?

De gemeenschappelijke stappen in de toegang tot jeugdhulp, die zijn samengevat in de negen V’s, laten zien dat er op basis van uitgebreid onderzoek een keuze wordt gemaakt om al dan niet door te verwijzen naar een zorgaanbieder voor niet-vrij toegankelijke jeugdhulp. Tijdens de verschillende stappen - van Vraagverheldering tot en met de Vertaling naar het Plan van aanpak - wordt door jeugdprofessionals, medewerkers van de bureaudienst of het loket van de gemeente en de jeugdconsulenten steeds weer de afweging gemaakt waar de hulpvraag thuishoort. Indien de inschatting is dat niet-vrij toegankelijke jeugdhulp nodig is, dan wordt de volgende stap in het proces van de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp gezet.

Onderzoeksvraag 3: bestaat er een procedure voor de afhandeling van zorgvragen? Zijn er interne checks and balances?

In ieder gemeente zijn standaard procedures voor de afhandeling van zorgvragen. Er wordt gewerkt met gestandaardiseerde formulieren en vragen, die helpen om het proces van de toegang tot jeugdhulp zo systematisch mogelijk te doorlopen. Kwaliteitsbewaking gebeurt op verschillende momenten in het proces. Jeugdconsulenten hebben altijd de mogelijkheid om collegiale consultatie te voeren. Daarnaast worden de afwegingen, motivaties en beslissingen van de jeugdconsulent op verschillende momenten in het proces gecontroleerd door een collega. Alle gemeenten hanteren hierbij het vierogenprincipe.

Onderzoeksvraag 4: hoe vaak verleent de toegang zelf zorg?

De jeugdconsulenten van de gemeentelijke toegang verlenen zelf geen hulp.

3.2

Illustratieve casussen Aan de hand van vier casussen laten we zien hoe normaliseren en selectiviteit uitwerken in de praktijk. We brengen de aanleiding en het proces in beeld, en laten zien op welke wijze professionals afwegingen maken in de toegang tot jeugdhulp. De casussen zijn tijdens de interviews ingebracht. We laten eerst twee enkelvoudige casussen zien, daarna twee complexe.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

32

Casus 1

De eerste casus leert ons hoe een jeugdconsulent normaliseren in de vraaganalyse en observatie toepast. Door te vragen waar de problemen zich afspelen, wat er al is geprobeerd, aandacht te hebben voor de verschillende leefgebieden en de situatie concreet te maken met voorbeelden, schat de jeugdconsulent in of dit passend is bij de ontwikkeling van het kind en de ervaren problemen al dan niet bij het dagelijks leven horen. Achtergrond Een meisje van 8 jaar ervaart zowel problemen op school als in de thuissituatie. Ze vindt het moeilijk om haar emoties te reguleren. Er zijn een aantal kindgesprekken met de schoolmaatschappelijk werker. Hierin wordt onder andere besproken wat er gebeurt in bepaalde situaties, welke emoties het meisje heeft en hoe ze hier mee om kan gaan. De inzet van de kindgesprekken is niet toereikend en de schoolmaatschappelijk werker doet een aanvraag bij de gemeentelijke toegang. Vraagverkenning Bij een aanvraag vanuit school kijkt de jeugdconsulent wat er al is ingezet vanuit de school en/of het voorliggend veld. De jeugdconsulent neemt telefonisch contact op met de schoolmaatschappelijk werker om de situatie te bespreken. Ook wordt er besproken of de problemen van de jeugdige zich zowel op school als in de thuissituatie voordoen. De jeugdconsulent pakt de vraag op om te onderzoeken of jeugdhulp nodig is. Vraaganalyse en observatie Er volgt een huisbezoek.

De ouders van het meisje zijn gescheiden, maar beide ouders zijn bij het gesprek met de jeugdconsulentaanwezig. In het gesprek wordt besproken hoe het gaat op alle leefgebieden. De vader van het meisje blijkt een vorm van autisme te hebben. Hij heeft hier zelf geen hulp bij, maar geeft aan zijn weg te hebben gevonden om hier mee om te gaan. De jeugdconsulent schat in dat de vader niet kan bieden wat het meisje nodig heeft. De ouders worden gevraagd om via dagelijkse voorbeelden toe te lichten wat er bij het meisje gebeurt. Eén van de voorbeelden die moeder geeft is dat wanneer hun dochter tekent en dit niet goed lukt, ze haar spullen weggooit en schreeuwt. De jeugdconsulent maakt de situatie op deze manier concreet om in te schatten of het gedrag al dan niet passend is bij de ontwikkeling van het kind. De jeugdconsulent heeft het meisje ook geobserveerd. De jeugdconsulent neemt contact op met de school, om het perspectief van de school mee te nemen in het onderzoek en in beeld te brengen wat zij denken dat nodig is en (verder) kunnen inzetten. Op basis van de informatie uit de verslagen van de kind gesprekken, het contact met de schoolmaatschappelijk werker, het huisbezoek en het advies van de school maakt de jeugdconsulent een afweging en adviseert voor diagnostiek.

Bij het zoeken naar een passende aanbieder is gekeken naar aanbieders die zowel diagnostiek, eventuele behandeling, begeleiding thuis en op locatie kunnen bieden. De ouders kiezen voor de eerste aanbieder op de lijst en melden hun dochter aan. De diagnostiek heeft geleid tot de uitkomst dat het meisje een vorm van autisme heeft. Hierna is er een nieuwe aanvraag gedaan bij de gemeentelijke toegang en heeft dezelfde aanbieder ambulante begeleiding ingezet.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

33

Casus 2 Deze casus leert ons hoe een vraag wordt opgepakt door een jeugdprofessional in het voorliggend veld en welke stappen eerst worden gezet, voordat er een aanvraag bij de gemeentelijke toegang wordt gedaan voor niet-vrij toegankelijke jeugdhulp. Vraagverheldering Een jongen uit groep 4 loopt achter op school, is erg beweeglijk en afgeleid. De leerkracht is handelingsverlegen en betrekt de schoolmaatschappelijk werker. De schoolmaatschappelijk werker gaat op huisbezoek en spreekt met de moeder van de jongen. De jongen is te vroeg geboren en een zorgenkindje. De moeder is erg beschermend naar haar zoon toe. Het beeld dat de school heeft bij het kind, strookt niet bij het beeld dat moeder van haar zoon heeft. Ze is erg wantrouwend. De schoolmaatschappelijk werker observeert het kind vervolgens in de klas. Tijdens de les lijkt de jongen zijn werk te doen en te reageren op de aansturing van de juf. Echter blijkt hij niets te hebben gedaan van de opdracht en moet hierdoor langer in de klas blijven. Dit vindt de schoolmaatschappelijk werker opvallend. De casus wordt ingebracht in een overleg van het EOT (Extra Ondersteuningsteam) van de school. Hier zijn ook de ouders bij aanwezig. Hierin is gezamenlijk het besluit genomen dat hulp vanuit schoolmaatschappelijk werk ingezet dient te worden. Er volgen een aantal kindgesprekken met de schoolmaatschappelijk werker.

In de kindgesprekken blijkt dat de jongen snel is afgeleid en er niet aan toe komt wanneer er iets geconcentreerd moet worden gedaan, ook niet spelenderwijs. Naast de kind gesprekken heeft de school verschillende zaken ingezet op advies van de begeleider passend onderwijs, die onderdeel is van het EOT. Zoals een koptelefoon, fidget toys en de jongen een rondje laten lopen wanneer dit nodig is. Ze zijn meer één op één gaan werken met behulp van een onderwijsassistent. Daarnaast is een schrijffysio betrokken geweest en is er onderzoek naar de beweeglijkheid en concentratie van de jongen gedaan. Er is inmiddels een vertrouwensband ontstaan tussen de schoolmaatschappelijk werker en moeder heeft vertrouwen in de aanpak van de school. Vervolgens is de casus weer ingebracht bij een overleg van het EOT. Hierin is besloten dat een aanvraag voor een breed onderzoek nodig is waarin zowel gekeken wordt naar motoriek en interactie. Hierbij waren de schoolmaatschappelijk werker, moeder, IB-er, leerkracht, begeleider passend onderwijs en een vertegenwoordiger van de GGD aanwezig. De korte lijntjes en de vertrouwensband die de schoolmaatschappelijk werker heeft opgebouwd met het gezin, hebben uiteindelijk geholpen om te komen tot de aanvraag. De schoolmaatschappelijk doet een aanvraag bij de gemeentelijke toegang middels de QuickScan.

Vraagverkenning en Vraaganalyse & observatie De jeugdconsulent pakt de casus op en gaat op huisbezoek. De jeugdconsulent gaat na of de school al voldoende heeft geprobeerd om met de ervaren problemen om te gaan en wat zij precies hebben gedaan, voordat er besloten is om een aanvraag voor jeugdhulp in te dienen. De ouders weten dit niet goed te vertellen. Daarnaast gaat de jeugdconsulent na of

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

34

de problemen zich zowel op school als in de thuissituatie voordoen. In het gesprek geven de ouders niet duidelijk aan dat zij in de thuissituatie problemen ervaren met hun zoon. Omdat de ouders niet konden benoemen of de school voldoende heeft ingezet, en de ouders zeggen thuis geen problemen te ervaren, is het mogelijk dat de aanvraag wordt afgewezen. De schoolmaatschappelijk werker licht in een telefonisch gesprek met de jeugdconsulent toe wat de school al heeft ingezet, wat dit heeft oplevert en wat er nu nog nodig is. Daarnaast geeft de schoolmaatschappelijk werker aan dat de ouders wel degelijk dingen ervaren thuis, maar dit mogelijk niet als een probleem zien. De casus is nog in behandeling. Casus 3 Deze casus leert ons hoe keuzes rondom selectief gebruik van jeugdhulp worden gemaakt, wanneer onduidelijk is wat er precies met een jeugdige aan de hand is. Door te kijken naar wat er al is gedaan en wat dit heeft opgeleverd. Vervolgens te adviseren om eerst onderzoek te doen om later een gerichte behandeling in te zetten. Achtergrond Ouders stellen een vraag bij de gemeentelijke toegang: help ons onze zoon te begrijpen of de juiste ondersteuning in te zetten en hem weer gelukkig te zien. De jongen van 10 jaar heeft problemen met zindelijkheid.

Op advies van de organisatie die intensieve dagbehandeling biedt voor de zindelijkheidsproblematiek, hebben de ouders contact opgenomen met de gemeentelijke toegang. De jeugdconsulent neemt, na toestemming te hebben gekregen met de ouders, contact op met de organisatie. Zij geven aan dat er meer regie op het gezin nodig is en dat er meer speelt dan alleen zindelijkheidsproblematiek, mogelijk systemisch of bij de jongen zelf. Omdat de situatie al jaren speelt en de ouders zich hier intensief voor inzetten, zijn zowel de ouders als de jongen overbelast. De jongen is gefrustreerd en maakt veel ruzie thuis, met name met zijn jongere broertje. Tijdens het huisbezoek is uitgevraagd hoe het gaat op de verschillende leefgebieden en wat er tot nu toe is gedaan. De ouders hebben de verslaglegging van de ingezette hulp met de jeugdconsulent gedeeld. Ook is de jeugdconsulent aangesloten bij een gesprek op school dat al gepland stond, omdat het op school ook niet goed liep. Er vindt nog een overleg plaats met de organisatie van de zindelijkheidsproblematiek en de jeugdconsulent, en een gezamenlijk overleg waar ook de school bij aanwezig was. De constatering is dat de jongen faalangstig is en het gezin overbelast. Er speelt iets bij de jongen zelf, maar de professionals weten niet goed wat er precies speelt. De casus is meerdere keren met de gedragswetenschapper besproken.

Er komt een verwijzing voor hoog specialistische hulp voor diagnostiek, zowel gericht op het kind als systemische deel. Het gezin is onderdeel van dit proces. Er volgt een aanmeldgesprek bij Crossroads. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden waaruit blijkt dat de jongen functioneert op een leeftijd van 18 tot 36 maanden. In een adviesgesprek wordt gekeken welke behandeling vervolgens nodig is. De school is aangesproken op hun verantwoordelijkheden en de jongen maakt de overstap naar speciaal onderwijs.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

35

Casus 4 Deze casus laat ons zien dat op verschillende momenten in het proces wordt gekeken naar wat (ook) kan worden ingezet vanuit het eigen netwerk en/of voorliggend veld. In een relatief lang proces wordt telkens opnieuw de afweging gemaakt: wat is passend, wat is nodig en wat is mogelijk. Achtergrond Een jongen van 16 jaar, is al jaren bij de gemeente in beeld. Via het voorliggend veld is de vraag voor hulp bij de gemeentelijke toegang binnengekomen. De jongen liet opstandig gedrag zien en de moeder vraagt om hulp bij de opvoeding. Moeder is licht verstandelijk beperkt, vader is niet consequent in beeld. Er is eerst opvoedondersteuning voor moeder ingezet, maar moeder kon de tips niet goed opvolgen. Vervolgens is ouder-kind begeleiding ingezet. Voor de jongen is eerst gekeken wat er voorliggend kan worden ingezet, zoals jongerenwerk, sport onder begeleiding. Al snel bleek dat de jongen niet mee kon komen en meer begeleiding nodig had. Er is ook gekeken waar de jongen naartoe zou kan via dagbesteding, enerzijds om daar aan zijn gedrag te werken en om moeder te ontlasten. In de tussentijd is er telkens gekeken wat er vanuit het eigen netwerk kan worden ingezet. Zo blijft oma oppassen en haalde een vriendin van zijn moeder uit school. Er is uiteindelijk besloten om één dag per week dagbesteding (respijtzorg) in gaan te zetten.

Omdat de gedragsproblematiek bij de jongen over de tijd toenam, hij vastliep op school en thuis, zijn verschillende onderzoeken gedaan. De jongen loopt achter in zijn ontwikkeling en de conclusie is dat behandeling nodig is. Er zijn in de afgelopen jaren verschillende vormen van begeleiding (dagbesteding) en behandeling (o.a. psychomotorische therapie) ingezet. De jongen is tussentijds uitgevallen op school (speciaal onderwijs) en voor deze periode is ook dagbesteding ingezet om structuur te behouden. Zo’n drie jaar geleden is hij voor observatie en diagnostiek extern verbleven en vervolgens tijdelijk doorgeplaatst naar een behandelgroep. Uit IQ-onderzoek blijkt dat hij geen verstandelijke beperking heeft, maar wel een LVB benadering nodig heeft. Op een reguliere behandelplek, niet specifiek voor jongeren met een licht verstandelijke beperking, werd hij overvraagd. Sinds het verblijf extern is de band tussen moeder en zoon verslechterd en de moeder is bang dat wanneer de jeugdige thuis blijft wonen dit leidt tot onveiligheid of onherstelbare schade in de ouder-kind relatie. De situatie thuis is complex en moeder is ook beschermend voor haar inmiddels 5-jarige dochter, die ook thuis woont. De jongen woont nu tijdelijk bij zijn oma.

Op dit moment is de jeugdconsulent samen met een regiehouder van Crossroads op zoek naar een passende plek waar de jongen kan wonen en kan worden behandeld om met zijn beperking en opstandigheid om te gaan en traumabehandeling kan krijgen. De jeugdconsulent licht toe: bij deze casus hebben we echt de reguliere weg bewandeld en constant punten in afweging genomen; wat is nodig, wat is passend, wat is mogelijk op dit moment.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

36

3.3

Wat het onderzoek ons leert: van uitgangspunt naar uitvoerbare praktijk Het onderzoek naar de werkpraktijk heeft diverse inzichten opgeleverd over hoe de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp werkt in de praktijk en geeft een beeld van hoe de door de gemeenteraden vastgestelde bestuurlijke uitgangspunten over normaliseren en selectief gebruik van jeugdhulp uitwerking krijgen. Als input voor de gemeenteraden bij hun discussie met het college over de doelmatige en effectieve ontwikkeling en uitvoering van de jeugdhulp benoemen we hierna een aantal spanningsvelden.

Balans tussen digitalisering, werkdruk en duurzame inzetbaarheid van jeugdconsulenten

De huidige situatie laat een aantal spanningsvelden zien: tussen snelheid en zorgvuldigheid, tussen tijdelijke oplossingen en duurzame inzet, en tussen inhoud en administratie. Allereerst is er sprake van een duidelijke spanning tussen tijdelijke inhuur en de inzet van vaste krachten. De tijdelijke inhuur van jeugdconsulenten helpt momenteel om de wachtlijsten terug te dringen, wat op korte termijn gunstig is. Tegelijkertijd betekent het dat casussen later opnieuw moeten worden overgedragen, wat ten koste kan gaan van continuïteit en de relatie met jeugdigen en gezinnen. Met de inzet van tijdelijke inhuur wordt minder gewerkt aan duurzame kennisopbouw binnen een gemeente. De focus van het werk van de jeugdconsulenten ligt nu veelal op procesmatige en administratieve taken, terwijl juist de inhoudelijke kant van het werk centraal zou moeten staan. Meer tijd en aandacht voor de inhoud komt niet alleen de kwaliteit van de hulp ten goede, maar verhoogt ook het werkplezier. Binnen het huidige werkproces zou een digitaal systeem voor het ondertekenen van het plan van aanpak door ouder(s)/verzorger(s) een waardevolle verbetering zijn. Dit zou niet alleen efficiënter werken, maar ook bijdragen aan de beveiliging van gevoelige informatie. Verdere digitalisering ligt dan ook voor de hand. Het werkproces vraagt om een zorgvuldige afweging tussen snelheid en kwaliteit.

Zeker in een kleinere gemeente, waar met relatief weinig personeel wordt gewerkt, kan de nadruk op kwaliteit ertoe leiden dat de snelheid soms achterblijft. Dat is een bewuste keuze, maar vraagt wel om heldere prioriteiten en ondersteuning.

Preventieve versterking en waardering van het voorliggend veld als basis voor betere jeugdhulp

Een belangrijk uitgangspunt in de Jeugdwet is het versterken van het vermogen om vragen van inwoners sneller, beter en dichterbij op te pakken. Daarbij hoort ook een kritische houding ten aanzien van de inzet van jeugdhulp: wanneer is hulp écht nodig, hoe lang moet deze duren, en wie is de juiste partij om dit op te pakken? Dit vraagt iets van de professional: kritisch durven kijken naar jezelf, naar de hulpvraag en naar wie deze wel of juist niet zou moeten oppakken.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

37

Het stellen van haalbare doelen en het durven benoemen dat sommige hulpvragen bij uitstek thuishoren bij preventieve of collectieve voorzieningen, zoals maatschappelijk werk of opvoedspreekuren van de GGD, is essentieel. Deze beweging richting het verder normaliseren van alledaagse opvoedvragen en het creëren van meer laagdrempelige toegangsmogelijkheden, zoals collectieve avonden, helpt om hulpvragen tijdig en passend te beantwoorden zonder direct zware zorg in te zetten. In de praktijk zijn hiertoe twee belangrijke spanningsvelden te onderscheiden. Allereerst laat de huidige tijdsdruk weinig ruimte voor preventief werken. Hoewel professionals weten dat vroegsignalering en vroegtijdige interventie problemen kunnen voorkomen, ontbreekt in het voorliggend veld vaak de capaciteit om dit structureel op te pakken. Daarbij speelt ook de wisselwerking tussen vraag en aanbod: als er onvoldoende vraag is, ontbreekt vaak ook het aanbod, terwijl een beperkt aanbod weer kan leiden tot minder vraag. Deze dynamiek is vooral zichtbaar in kleinere gemeenten. De verschuiving van bijvoorbeeld de GGD naar meer medische taken versterkt deze lacune. Het ontwikkelen en onderhouden van een actuele en toegankelijke sociale kaart van het aanbod in het voorliggend veld kan bijdragen aan een effectievere verwijzing naar bestaande voorzieningen in de wijk of gemeente.

Hiermee krijgen professionals en inwoners beter inzicht in het beschikbare aanbod, wat het gebruik van preventieve en collectieve ondersteuning bevordert. Ten tweede is het cruciaal om doorverwijzingen vanuit het voorliggend veld serieuzer te nemen; deze verwijzingen worden niet lichtvaardig gedaan. Vaak hebben ouders al een flinke drempel overwonnen om hulp te vragen. Het proces van normaliseren van de jeugdconsulent kan dan tegenwerken in de toegang tot niet-vrij toegankelijke jeugdhulp.

De noodzaak tot meer samenwerking

Het leren van andere, zowel grote als kleine, gemeenten kan helpen bij het ontwikkelen van werkzame vormen van integrale toegang. Ook binnen de gemeente liggen kansen: de scheiding tussen het voorliggend veld/dorpsteam en de gemeentelijke toegang kan verkleind worden. Meer nabijheid, zowel fysiek als organisatorisch, kan helpen om expertises beter te benutten en samen verder te ontwikkelen – juist richting de voorkant van de zorg. Ook de samenwerking met scholen kan hierin een cruciale rol spelen. Grensvlakken tussen de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs vragen om gezamenlijke afstemming. Breder gezien kan het waardevol zijn als aanbieders en gemeenten elkaars kennis en infrastructuur vaker benutten. Nu opereert iedere aanbieder nog vaak als een eigen ‘toko’, terwijl juist het bundelen van krachten kan bijdragen aan efficiëntere en effectievere hulpverlening. Zeker met het vooruitzicht dat gemeenten in 2027 meer voorkomende vormen van hulp zelf moeten kunnen bieden, is het van belang om het eigen netwerk en de beschikbare expertise daarin goed te benutten.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

38

Vooruitkijken: rolzuiverheid en differentiatie

De ontwikkeling richting Stevige Lokale Teams (SLT) brengt belangrijke kansen én spanningen met zich mee. De verwachting is dat jeugdconsulenten die ook (lichte) hulp verlenen, sneller en beter zicht hebben op de situatie in een gezin. De lijnen zijn korter, de inzet van hulp sneller, en het risico op vertraging door overdrachten kleiner. Dit zou ook bij kunnen dragen aan het verkorten van wachtlijsten, zeker bij lichtere problematiek waarbij een snelle, nabije interventie voldoende kan zijn. De hoop is dat hiermee vaker specialistische jeugdhulp, vanuit de Jeugdwet, kan worden voorkomen. De ontwikkeling naar SLT’s lijkt in theorie dus een veelbelovende stap richting integrale, snelle en gezinsnabije hulp. Tegelijkertijd vereist het maatwerk in teamvorming, duidelijke taakafbakening en aandacht voor de professionele ruimte van jeugdconsulenten. Een belangrijk spanningsveld is de dubbele rol van de professionals. Wanneer dezelfde persoon verantwoordelijk is voor zowel het beoordelen als het uitvoeren van hulp, kan de kritische vraagarticulatie onder druk komen te staan. Dit raakt aan de kern van professionele onafhankelijkheid en de borging van objectiviteit in het indicatieproces. Hoewel het samenbrengen van deze rollen in theorie tijd kan besparen en de bureaucratie kan verminderen, kan worden overwogen om het beschik- en uitvoeringsproces te scheiden.

Niet vanwege tijdswinst, maar om de inhoudelijke zuiverheid te waarborgen. Daarnaast speelt de werkdruk een cruciale rol. Adequate ondersteuning en duidelijke procesinrichting zou van belang zijn om de werkdruk te verlagen. Een belangrijke voorwaarde is dat procedures zoals het aanvragen van beschikkingen eenvoudiger en toegankelijker worden. Ook rijst de vraag in hoeverre binnen het SLT ruimte blijft voor het behouden van ieders specifieke expertise, bijvoorbeeld op het gebied van opvoedproblematiek of armoede. Waar basale vragen met een brede blik kunnen worden opgepakt, blijven specifieke situaties vragen om vakinhoudelijke expertise. Het is een zoektocht naar de juiste balans tussen generalistische inzet en het behoud van specialistische kennis.

Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

39

Analyse, rapportage, reflectie Het PON & Telos en Tranzo – juni 2025 •

Inhoudelijke voorbereiding

reflectiegesprek Het PON & Telos en Tranzo over resultaten werking van de

Het PON & Telos en RMB –

toegang van de vier gemeenten

Onderdelen onderzoek

november 2024

•

gezamenlijk genereren van generieke lessen te verbetering van de werkpraktijk en bepalen welke handelingsportretten het meest

Vier startgesprekken met

exemplarisch zijn

gemeentesecretaris en manager sociaal domein

Eindproduct

RMB: november 2024 – februari 2025

•

12 diepte-interviews met

toelichting onderzoek fase 3

jeugdconsulenten/professionals Kennissessie

Het PON & Telos – april-mei 2025

Het PON & Telos – medio juli 2025 concept •

Het PON & Telos, Tranzo, RMB,

beschrijving van de werkpraktijk van de gemeentelijke toegang met specifieke

Vier voorgesprekken met

adviseur jeugdbeleid namens

Semigestructureerd interviews aan

verantwoordelijke/manager

aandacht voor ‘normaliseren’ en

gemeenten – 11 maart 2025

de hand van de Client Journey

‘selectief jeugdzorggebruik’

toegang Het PON & Telos en RMB – december-februari 2024

Methode met vragen over: Doelen van de sessie:

•

Doel van het gesprek voor dit deelonderzoek: •

eerste inzicht krijgen in werkwijze gemeentelijke toegang en gebruikte terminologie

•

verzamelen van ingrediënten voor het format van de casusbeschrijvingen

•

inzicht in de te selecteren jeugdconsulenten/professionals

•

•

de werkwijze (keuzemomenten

exemplarische casusbeschrijvingen ter illustratie van de bevindingen

vaststellen selectieprocedure

en afwegingen), typen

voor jeugdconsulenten en -

hulpvragen en geboden zorg,

werkpraktijk, mede met het oog op de

professionals en

verwijzingen van en naar andere

door de gemeenteraden vastgestelde

voorbeeldcasussen

organisaties, collegiaal overleg,

bestuurlijke uitgangspunten.

•

generieke lessen ter verbetering van de

intervisie en kwaliteitsbewaking

gespreksleidraad voor de

wat goed gaat en wat aandacht

Reflectie vanuit perspectief Rekenkamer

vaststellen format voor de

verdient in de huidige praktijk

Het PON & Telos en RMB –

casusbeschrijving waarin

en gezien de ontwikkeling naar

27 mei en 14 aug. 2025

keuzemomenten, afwegingen

Stevig/Sterk Lokale Teams

diepte-interviews vaststellen

•

•

en motivaties en handelingen

•

•

voorbeeldcasus bespreken aan

•

reflectiegesprek Het PON & Telos en

van de voorbeeldcasussen

de hand van het format

RMB over resultaten van het onderzoek

kunnen worden vastgelegd

casusbeschrijving

vanuit het perspectief van de Rekenkamer •

en voorbeeldcasussen Het PON & Telos | De Toegang in Beeld

40

bespreking concept eindproduct

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17164538/1