Eindrapport RMB Jeugdhulp fase 3 (4 bijlage Eindrapport)
Tekst van het document
“RMB Aanbeveling 4: Bespreek regelmatig het effect van de verleende jeugdhulp met de gemeenteraad.” Bestuurlijke reactie: deze aanbeveling wordt reeds uitgevoerd. Toelichting: De gemeenteraden worden driemaal per jaar geïnformeerd over de prognoses jeugdhulp. In lijn met het raadsbesluit n.a.v. de tweede fase van het Rekenkamer onderzoek wordt de gemeenteraad van Hilvarenbeek aanvullend geïnformeerd over kwantitatieve en kwalitatieve gegevens. De prognoses worden aangevuld met informatie over de aantallen van de segmenten 1 t/m 5 maar ook met informatie van de O3 partners (Farent, MEE, Contour), het positief jeugdbeleid en de POH GGZ jeugd. “RMB Aanbeveling 5: Geef jaarlijks aan de gemeenteraad een overzicht van de ontwikkeling van de vraag naar en de feitelijk verleende jeugdhulp.” Bestuurlijke reactie: deze aanbeveling wordt reeds uitgevoerd. Toelichting: Zie het antwoord op aanbeveling 4.
“RMB Aanbeveling 6: Organiseer jaarlijks een gesprek tussen de gemeenteraad en vertegenwoordigers van de gemeentelijke toegang en het voorliggend veld (jeugdconsulenten, gedragswetenschappers) om de praktijkwereld van de triagisten en de beleidswereld dichter bij elkaar te brengen.” Bestuurlijke reactie: deze aanbeveling wordt reeds uitgevoerd. Toelichting: er worden jaarlijks zowel formele als informele bijeenkomsten georganiseerd met de raadsleden van Hilvarenbeek en medewerkers van het sociale domein (zowel beleid als uitvoering). “RMB: Aanbeveling 7: Onderzoek of bij de ontwikkeling van het stevige lokale team (SLT): meer met andere gemeenten of zelfs regionaal samengewerkt kan worden. spanning kan ontstaan tussen tijdelijke oplossingen en duurzame inzet.” Bestuurlijke reactie: deze aanbeveling wordt reeds uitgevoerd. 28
Toelichting:
A. Eens met deze aanbeveling. Hilvarenbeek werkt vanuit de zienswijze “Samenwerkend Hilvarenbeek’. Daar waar mogelijk werken we (sub)regionaal samen. Op het gebied van de doorontwikkeling van het zorglandschap, de SLT’s en segment 3 en 4 is er reeds een (sub)regionale samenwerking. B. Eens met deze aanbeveling. Voorkeur gaat uit naar duurzame inzet van professionals. Samenwerking is voor Hilvarenbeek zowel sub regionaal als regionaal erg belangrijk. Daarbij werken we zo min mogelijk met inhuur. Echter dit is niet altijd te voorkomen. Vervolgonderzoek “Tot slot, beoogt de RMB in de volgende en laatste fase van het onderzoek zich te richten op het overzicht van het gehele proces van de jeugdhulp, van organisatie tot verantwoording. “ Bestuurlijke reactie: een vervolgonderzoek naar de Jeugdzorg heeft geen meerwaarde. Na de derde fase, is het meerjarig rekenkameronderzoek Jeugdhulp afgerond. Het sociale domein is de komende jaren volop in beweging. Het jeugdzorg landschap moet hervormen. In Hilvarenbeek kiezen we voor een programmatische manier van werken aan deze hervorming. Dat betekent bouwen vanuit een duidelijke visie, lange termijn doelen en samenhangende projecten. Niet alleen gericht op Jeugd maar op alle thema’s en samen met partners van het sociaal domein.
Zo ontstaat een stevige basis voor samenwerking met inwoners en partners, meer grip op voortgang van resultaten en is er ruimte om te leren en bij te sturen. Op korte termijn een (vervolg) onderzoek starten naar jeugdhulp heeft daarom geen meerwaarde. Te meer omdat er in 2026 ook nog een regionaal onderzoek gaat lopen in het kader van een motie die in 2025 is aangenomen bij de verenigde vergadering van 12 april 2025. De centrale vraagstelling van dit onderzoek betreft de kwaliteit van uitvoering en de oorzaken van financiële problemen de afgelopen jaren bij de hoog specialistische jeugdhulp in segment 1 zoals ingekocht door Regio Hart van Brabant. Met deze bestuurlijke reactie hopen wij u voldoende reactie op uw aanbevelingen te hebben gegeven. Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek
29
30
31
32
33
34
12
NAWOORD REKENKAMER
Het rapport 'Normaal en selectief? Een kwalitatief onderzoek naar de toegang tot jeugdhulp', werd in januari 2026 aangeboden aan de colleges van Dongen, Goirle, Hilvarenbeek en Loon op Zand voor bestuurlijke reactie. Dit document bevat het nawoord van de Rekenkamer Midden-Brabant (RMB) bij die reacties. De RMB geeft hieronder eerst aan bij welke aanbevelingen de bestuurlijke reacties overeenkomen, waarna we de verschillen in de reacties belichten. Daarna bekijken we welke aanbevelingen de RMB aan de raad wil doorgeven. Het gaat hier om de aanbevelingen die betrekking hebben op de werkwijze van de toegang en het voorliggend veld. Deze aanbevelingen vloeiden rechtstreeks voort uit het onderzoek waarover in het onderzoek verslag wordt gedaan. De aanbevelingen 4 en 5 waren echter ‘bijvangst’ van het onderzoek en krijgen daarom een aparte behandeling. Deze aanbevelingen gaan over de informatie die de raad ontvangt over de kwaliteit van de jeugdhulp (aanbeveling 4 uit de bestuurlijke nota) en de ontwikkeling van de hoeveelheid doorverwijzingen (aanbeveling 5). Overeenkomsten
De vier gemeenten vertonen opvallende overeenkomsten in hun benadering: •
Opgaven sociaal domein tot 2028: de gemeenten staan in de komende jaren voor grote opgaven in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd. Zoals Loon op Zand aangeeft: 'Het sociaal domein is volop in ontwikkeling en in beweging. De hervormingsagenda jeugd loopt nog tot 2028. Dat betekent dat het jeugdzorglandschap zich ook de komende jaren nog gaat hervormen.'
•
Functiescheiding: Alle gemeenten hebben functiescheiding geïmplementeerd tussen professionals die beoordelen en professionals die hulp verlenen. Dit wijst op een gedeeld inzicht in het belang van gescheiden rollen.
•
Subregionale samenwerking: Alle gemeenten werken subregionaal samen of geven hier de voorkeur aan. De Regio Hart van Brabant vormt de logische samenwerkingscontext.
•
Duurzame inzet: Alle gemeenten prefereren vaste dienstverbanden boven externe inhuur, wat duidt op het besef van het belang van continuïteit.
Verschillen De belangrijkste verschillen betreffen: •
Externe audits: Dongen overweegt externe audits, Goirle kiest voor interne kwaliteitscontrole via het 4-ogen principe, en Hilvarenbeek en Loon op Zand wijzen externe audits expliciet af vanwege het multidisciplinaire karakter van hun teams.
•
Normalisering: Dongen en Hilvarenbeek staan achter het concept maar benadrukken de noodzaak van maatwerk. Goirle adviseert de raad niet vast te houden aan de terminologie uit 2021 en kiest voor andere begrippen in de Verordening Jeugdhulp. Loon op Zand onderschrijft de uitgangspunten maar definieert normaliseren breed als het versterken van de samenleving.
35
Welke aanbevelingen over de werkwijze leggen we aan de gemeenteraden voor? De bestuurlijke reacties van de colleges van B&W geven de RMB aanleiding om de aanbevelingen gedeeltelijk ter bevestiging en gedeeltelijk ter besluitvorming aan de gemeenteraden voor te leggen. Aanbevelingen ter bevestiging Voor de aanbevelingen 2, 6 en 7 heeft de RMB de volgende aanpak voor ogen: De RMB stelt voor dat de gemeenteraden van deze aanbevelingen bevestigen. Deze aanbevelingen hebben betrekking op de ontwikkeling van Stevige Lokale Teams (SLT) Alle vier gemeenten geven aan deze aanbevelingen al uit te voeren: •
Aanbeveling 2 (functiescheiding): Alle gemeenten hebben functiescheiding geïmplementeerd.
•
Aanbeveling 6 (jaarlijks gesprek): Alle gemeenten organiseren al bijeenkomsten tussen raad en uitvoering.
•
Aanbeveling 7 (samenwerking SLT): Alle gemeenten werken al (sub)regionaal samen en borgen een duurzame inzet van professionals.
Door deze aanbevelingen te bevestigen, geven de raden in navolging van hun colleges aan het belang van deze aanbevelingen te onderkennen. Aanbevelingen ter besluitvorming Aanbeveling 1: Externe audits De gemeenteraden kunnen besluiten om hun college opdracht te geven externe audits in te voeren bij de lokale teams, of kunnen instemmen met de keuze van hun college om dit niet te doen. De gemeenten hebben verschillende visies op de meerwaarde van externe audits: Dongen overweegt externe audits in de doorontwikkeling van het SLT en pleit ervoor dat ook externe audits bij jeugdhulpaanbieders plaatsvinden. Goirle, Hilvarenbeek en Loon op Zand zien geen meerwaarde in externe audits omdat zij werken met interne kwaliteitscontrole via het 4-ogen principe, multidisciplinaire teams en structureel accountoverleg.
De RMB beveelt aan dat elke gemeenteraad hierover een standpunt inneemt, rekening houdend met de lokale context en de gekozen organisatievorm van de toegang tot jeugdhulp. Aanbeveling 3: Normalisering De gemeenteraden in de regio Hart van Brabant hebben in 2021 de begrippen normalisering en selectiviteit als bestuurlijke uitgangspunten voor de uitvoering van de jeugdhulp vastgesteld. Deze uitgangspunten zouden moeten leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de jeugdhulp, terwijl ze ook zouden bijdragen aan de financiële beheersbaarheid. De bestuurlijke reacties laten zien dat er verschillende opvattingen bestaan over de bruikbaarheid van deze begrippen:
36
Dongen en Hilvarenbeek staan achter het concept, maar benadrukken dat het onmogelijk is om normalisering te vangen in een afgebakende definitie. Normalisering vraagt om maatwerk en hangt af van de context van het gezin. Goirle adviseert de raad niet vast te houden aan de terminologie uit 2021 en heeft de Verordening Jeugdhulp aangepast met andere begrippen. Loon op Zand onderschrijft de uitgangspunten maar geeft een brede invulling aan normaliseren als het versterken van de gehele samenleving. De RMB constateert dat alle colleges onderschrijven dat niet elk probleem meteen als een zorgvraag moet worden gezien en dat veel uitdagingen kunnen worden opgelost binnen het eigen netwerk of met algemene voorzieningen. Dit principe blijft van belang, ongeacht de terminologie die wordt gebruikt. De RMB beveelt aan dat de gemeenteraden zich uitspreken over de vraag of zij willen vasthouden aan de bestuurlijke uitgangspunten uit 2021, of dat zij – in lijn met het advies van het college – kiezen voor een andere formulering of andere begrippen die hetzelfde principe uitdragen: het bevorderen van eigen kracht en het benutten van algemene voorzieningen alvorens een beroep te doen op niet-vrij toegankelijke jeugdhulp.
Aanbevelingen 4 en 5: krijgt de raad de relevante informatie? Aanbevelingen 4 en 5 handelden over de informatievoorziening aan de raad en gaan feitelijk niet over de werkwijze van de toegang, waar het onderzoek over ging. Aanbeveling 4 vloeit voort uit de constatering in het RMB-onderzoek dat de effectiviteit van de jeugdhulp in de RMB-gemeenten een blinde vlek vormt. Dit was voor de RMB het motief om uw college van B&W het advies te geven regelmatig het effect van de verleende jeugdhulp met uw raad te bespreken. Uit de bestuurlijke reacties op deze aanbeveling hebt u kunnen opmaken dat drie colleges van B&W meedelen deze aanbeveling al op te volgen (namelijk Goirle, Hilvarenbeek en Loon op Zand). B&W van Dongen echter bevestigt het beeld dat zowel landelijk als lokaal inzicht in de effectiviteit van behandelingen in de jeugdhulp structureel ontbreekt. Aanbeveling 5 was gemotiveerd door de constatering dat uit het RMB-onderzoek over de werkwijze van de toegang blijkt dat jeugdconsulenten zowel normalisering als selectiviteit hanteren als uitgangspunt in hun werk. Het effect op het aantal indicaties en de zwaarte van de indicaties voor niet-vrij beschikbare specialistische hulp is echter onduidelijk. Uw colleges van B&W spreken alle uit dat aanbeveling 5 al wordt uitgevoerd.
De RMB is hier uiteraard content over, maar het is de RMB niet helemaal duidelijk hoe uw college u informeert over de mate waarin normalisering en selectiviteit doorwerken bij de verwijzingen naar jeugdhulp. Het huidige onderzoek over de werkwijze van de toegang had niet tot doel data te verzamelen die een licht zouden kunnen werpen op de vraagstukken die in de aanbevelingen 4 en 5 worden aangekaart. De RMB geeft er daarom de voorkeur aan om de evaluatie van aanbevelingen 4 en 5 door te schuiven naar het vervolgonderzoek in fase 4. 37
Het staat uw raad uiteraard vrij te vragen op welke wijze uw college de aanbevelingen 4 en 5 geïnterpreteerd hebben. Dan zou u met name het volgende in het oog kunnen houden: •
Ten eerste ontbreekt op dit moment op landelijk, regionaal en lokaal niveau adequate data over de effectiviteit van jeugdhulptrajecten. Zoals Dongen opmerkt: 'Er wordt onvoldoende data verzameld op basis waarvan een beeld gevormd kan worden over de effectiviteit van jeugdhulptrajecten.'
•
Ten tweede erkent het Rijk in zowel de Hervormingsagenda Jeugd (2023) als in de Voortgangsbrief Jeugd (2026) dat niet bekend is welke behandelingen wel en niet werken. Er wordt gewerkt aan een 'niet-doen' lijst van behandelingen die niet meer als jeugdhulp mogen worden ingezet, maar deze lijst is nog niet beschikbaar.
In het fase-4 vervolgonderzoek zal de RMB zich richten op monitoring en verantwoording van de verleende jeugdhulp. Daarbij zullen twee zaken nader belicht worden: •
hoe monitoren gemeenten de effectiviteit van verleende jeugdhulp
•
de wijze waarop de gemeenten monitoren hoe vaak gevraagde jeugdhulp tot een doorverwijzing naar specialistische jeugdhulp leidt en daarbinnen hoe de verdeling over veelvoorkomende en hoog-specialistische hulp zich ontwikkelt.
Tevens is bij de genoemde zaken de vraag op welke wijze de colleges hierover verantwoording afleggen aan de gemeenteraden. Slot De Rekenkamer Midden-Brabant waardeert de inzet van de colleges om te komen tot deze bestuurlijke reacties en de bereidheid van de ambtelijke organisaties om met de RMB in gesprek te gaan. De reacties laten zien dat de gemeenten hard werken aan de doorontwikkeling van de toegang tot jeugdhulp en dat er op veel terreinen goede stappen zijn gezet. Tegelijkertijd constateert de RMB dat er nog ruimte is voor verbetering, met name op het gebied van monitoring en evaluatie van de kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp. Het vervolgonderzoek in fase 4 zal zich hierop richten en zal naar verwachting in 2027 van start gaan.
38
BIJLAGEN BIJLAGE 1: Uitgangspunten voor de inkoopstrategie, regio Hart van Brabant (Zie deze link, gedateerd 27 Oktober 2020) 1. Naar een meer gesloten financiering. We kiezen voor een inkoopvorm waarbij we de kosten beter kunnen beheersen, met een minder grote financiële prikkel voor aanbieders. Beheersing van de kosten, inzicht in productie, kwaliteit en resultaat zijn hierbij belangrijk. Een taakgerichte inkoop draagt bij aan de genoemde uitgangspunten. Niet voor alle segmenten is een taakgerichte inkoop geschikt of realiseerbaar. Een (beperkt) deel van de ondersteuning zal daarom via een andere systematiek worden ingekocht. 2. Normaliseren. We willen iedere inwoner de mogelijkheid geven om mee te doen. We willen dat meer doen met algemene of collectieve voorzieningen. Als dat niet voldoende is zetten we individueel maatwerk in. Niet meer dan nodig en ook niet langer dan nodig. We kijken daarbij kritischer naar het hulpaanbod. We zetten in op bewezen effectieve methoden die passen binnen het wettelijk kader.
3. Verbeterde lokale samenhang. Doordat we veel aanbieders gecontracteerd hebben is het overzicht verdwenen en zijn verbindingen vervaagd. We willen een herkenbaar aantal aanbieders per gebied (wijk, dorp) of per doelgroep. We contracteren aanbieders die zich committeren aan de lokale opgaven en de verbinding zoeken met het voorliggende aanbod. De gecontracteerde aanbieders moeten dus bijdragen aan de couleur locale. Niet alle onderdelen lenen zich hiervoor. Denk b.v. aan hoog specialistische en intramurale Jeugdhulp. 4. Werk (ook participatie en opleiding) is de beste zorg. Werk biedt sociale contacten, betekenis en geeft een betere financiële basis. Werk vermindert de vraag naar hulp. We streven naar een integrale benadering van het sociaal domein. Daarom willen we mogelijk maken dat participatie en de onderdelen in de Wmo die te maken hebben met werk en dagbesteding in samenhang kunnen worden ingekocht. We willen hier met de nieuwe inkoop de voorwaarden voor realiseren.
Daarnaast kunnen we de samenhang tussen zorg- en participatie-aanbod ook op andere manieren versterken, bijvoorbeeld: eenduidige/ meer samenhang bij indicatiestelling en diagnostiek - flexibele en (direct) toegankelijke dienstverlening van zorg en participatie voor elkaars klanten zodat een combi aanpak zorg-participatie op maat mogelijk is - gelijke uitgangspunten opnemen in afspraken met álle aanbieders in het sociaal domein (bijvoorbeeld omarmen uitgewerkte leidende principes, geen cliënten doorsturen zonder warme overdracht) gezamenlijk gebruik van infrastructuur, plekken, expertise/ personeel 5. Eenvoudiger en selectiever systeem. Door indicatiestelling hebben we een drempel opgeworpen voor inwoners. Door bij melding direct het goede gesprek aan te gaan en sneller praktische hulp te verlenen zijn we klantvriendelijker en kunnen we selectiever zijn in wat we aanbieden. Veel hulpvragen raken aan bestaanszekerheid en snelle hulp op deze terreinen helpt om zorgkosten te verminderen. We willen dus meer en laagdrempeliger hulp bieden vóór een eventuele indicatie c.q. beschikking. 6. Misbruik voorkomen. In de nieuwe contractering selecteren we aanbieders strenger en maken we scherpere afspraken (kwantitatief en kwalitatief) waarop we beter kunnen handhaven. 39
Daarbij kun je denken aan opleidingseisen, kwaliteit van interventies en normen over winst, personeelsratio’s, het volgen van de CAO, voldoen aan de Wet normering topinkomens en financiële constructies. Daarbij handhaven we door contractmanagement en toezicht.
40
BIJLAGE 2: Budgettaire overschrijdingen bij Crossroads (2024)
Tijdens de uitvoering van dit fase3-onderzoek bleek dat voor de hoog-specialistische hulp de bestuurlijke uitgangspunten niet gerealiseerd gingen worden, omdat met name de behandelingen langer duurden dan voorheen. Deze vorm van jeugdhulp wordt uitgevoerd door het samenwerkingsverband Crossroads. Crossroads is een samenwerkingsverband tussen vier zorgaanbieders, namelijk Amarant, GGz Breburg, Sterk Huis en de Viersprong. Daarnaast heeft Crossroads nog diverse onderaannemers ingeschakeld. De RMB heeft in oktober 2024 over deze kwestie een rekenkamerbrief aan gemeenteraad van Goirle gestuurd en deze toegelicht op 7 november 2024 (zie RMBwebsite). De RMB heeft ook een toelichting gegeven op een informatieavond van de gemeenteraad van Dongen op 2 december 2024. In onderstaand kader wordt kort weergegeven welke opdrachten Crossroads had meegekregen in de contracten die met de Regio Hart van Brabant waren afgesloten. Een aantal van die opdrachten heeft Crossroads niet kunnen opvolgen, met als gevolg een de aanzienlijke overschrijding van het budget. Voor een analyse van de oorzaken van deze overschrijding verwijzen wij naar de RMB-brief over deze kwestie. De kwestie Crossroads: Het contract met Crossroads bevatte de opdracht om ontwikkelopgaven te volbrengen en transformatiedoelen te realiseren.
Wat de transformatie betreft zou er sprake moeten zijn van een ‘beweging naar nul’, dat wil zeggen dat er zo min mogelijk uithuisplaatsingen van jeugdigen mochten plaatsvinden. Bovendien moest de hulp passend zijn, waarbij ‘uitingen van ineffectieve en inefficiënte jeugdhulp’ gereduceerd moesten worden. Een belangrijke ontwikkelopgave betrof het nader vormgeven van ‘normalisering’ waarbij het ‘vergroten van zelfredzaamheid’ en ‘versterking van het netwerk’ de grootste aandacht verdienden. Crossroads ontvangt een vast budget per jaar en heeft daarbij contractueel de verplichting in de loop van vier jaar tot een besparing van tenminste 10 procent te komen. Die taakstelling is in de afgelopen jaren echter niet gerealiseerd. Taakgerichte bekostiging had tot een realisering van deze gewenste uitgangspunten moeten leiden. Het idee van taakgerichte bekostiging is immers dat de aanbieder voor een vooraf afgesproken totaalbudget een goed gedefinieerde taak uitvoert voor een bepaalde populatie. Daarbij krijgt de aanbieder de vrije hand om de taak uit te voeren. Dit zou de aanbieder kunnen prikkelen tot meer selectieve keuzes en daarmee tot kostenbeheersing. Dat zou ervoor moeten zorgen dat jongeren die écht hoog-specialistische hulp nodig hebben, niet langer op een wachtlijst geplaatst hoeven te worden.
Aan de beschreven opdrachten aan de hoog-specialistische zorg lijkt maar zeer gedeeltelijk voldaan te zijn. Zo leek er niet gestuurd te worden op het voorkomen van ineffectieve en inefficiënte behandelingen.
Binnen de regio Hart van Brabant is de ‘kwestie Crossroads’ geplaatst op de agenda van de Verenigde Vergadering (VV) op 25 januari 2025 (en later vervolgd op 21 april 2025). Het algemeen bestuur van de regio Hart van Brabant heeft toegelicht welke verbetermaatregelen zijn getroffen om herhaling te voorkomen. De VV heeft negen moties ingediend, waaronder een verzoek aan het algemeen bestuur van de regio Hart van Brabant om onderzoek te doen naar de kwestie Crossroads, en 41
wel in samenspraak met de rekenkamers van de 11 aangesloten gemeenten, waarbij werd gesteund op het rapport van de RMB over Fase 2. Deze motie is aangenomen op 21 april 2025.
42
BIJLAGE 3: Aanbevelingen RMB in fase2-rapport (2023)
43
BIJLAGE 4 Het PON & Telos-rapport (2025, separaat bijgevoegd)
44