CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

bp Diessenseweg 99 (3 bijlage Toelichting)

commissie Ruimte 6 september 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: BEELDVORMEN: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Diessenseweg 99".14.823 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Op basis van de kaartbank van de provincie Noord-Brabant is gekeken of en zo ja wat voor agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

29

Uitsnede uit de kaartbank veehouderijbedrijven; bron: provincie Noord-Brabant Er zijn geen agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied gelegen. Beoordeling van het leefklimaat Voor de beoordeling of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat is inzicht in de achtergrondbelasting nodig. Omdat in de directe omgeving geen sprake is van intensieve veehouderijen is een cumulatie berekening tan aanzien van geurhinder niet vereist. Om te beoordelen of er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat is inzicht gezocht in de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (odzob). Op basis van deze kaart blijkt dat sprake is van een ‘zeer goed’ woonklimaat. Er is dus sprake van een gezond woon-, en leefklimaat.

Uitsnede uit de kaart achtergrondbelasting; bron: odzob. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) 30

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijvigheden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • •

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. De omvang van het voorgenomen initiatief beperkt zich tot een oppervlakte van ongeveer 0,24 hectare en 13 appartementen. Er is geen bedrijvigheid in het plan opgenomen. Onderhavig initiatief blijft derhalve onder de genoemde drempelwaarden van bijlage D van het Besluit m.e.r. Voor het voorgenomen initiatief kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. De rapportage ‘Vormvrije m.e.r.-beoordeling Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek’ is als bijlage aan de toelichting toegevoegd.

De conclusie luidt als volgt; De voorgenomen activiteit omvat de bouw van een appartementengebouw met 13 appartementen met eigen parkeervoorziening aan de Diessenseweg te Hilvarenbeek. Middels voorliggende m.e.r.-beoordeling zijn de verwachte milieueffecten van de voorgenomen activiteit overeenkomstig de beoordelingscriteria van bijlage II bij de Europese Richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten in beeld gebracht. Uit de effectbeoordeling blijkt dat er geen significant negatieve milieuaffecten te verwachten zijn bij de uitvoering van de voorgenomen activiteit. De algehele conclusie is dan ook dat voor de gekozen Wabo-procedure er geen m.e.r.-plicht geldt en er dus geen milieueffectrapportage hoeft te worden. In aanvulling op het rapport geldt dat ook het aspect bodem geen mer-plicht geldt. Het bij de toelichting gevoegde bodemrapport beschrijft geen bodem en/of bodembedreigende activiteiten.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

31

5.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling nieuwe geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.

Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. De projectlocatie is gelegen binnen de zone van de Provinciale weg. Een geluidsonderzoek is daarom verplicht. Er is een onderzoek uitgevoerd. (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, K+ Adviesgroep, 5 april 2022). Hierin zijn ook de niet-gezoneerde wegen in de omgeving betrokken. Dit rapport is in zijn geheel als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Provinciale weg • De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Provinciale weg is maximaal 51 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). • Bij de gemeente Hilvarenbeek kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. • In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een bestaand gebouw (bowlingbaan) en het nieuwbouwproject wordt gebouwd naast en tegenover bestaande woningen. • Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen.

Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. • De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €100.000,- (200 m * 10m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. • Het toepassen van een overdrachtsmaatregelen in de vorm van een geluidscherm/wal om de geluidbelasting van het wegverkeer van de provinciale weg op de gevel te verlagen stuit op bezwaren van financiële- en stedenbouwkundige aard. Een dergelijk scherm dient tussen de bron en de ontvanger te worden geplaatst. Echter is de afstand van de bron naar de ontvanger ca. 180m. Geluid valt over een scherm heen waardoor het gezien de afstand alsnog de woning zal bereiken. Daarnaast is bij deze situatie de provinciale weg een viaduct. Het 32

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

•

•

•

•

plaatsen van een scherm is praktisch moeilijker realiseerbaar omdat het scherm ter plaatse van het viaduct aangelegd moet worden, hierdoor mitst het ruimte om een dergelijk scherm goed te funderen. In voorliggende situatie gaat de voorkeur uit gaat naar het treffen van gevelmaatregelen. Een geluidscherm gesitueerd op de kavel van de woningen is moeilijk realiseerbaar, door de beperkte ruimte tussen de woningen en de perceelsgrenzen. De geluidbelasting van de provinciale weg is alleen verhoogd ter plaatse van waarneempunten 2 t/m 6 ter hoogte van 7,5m. Om de geluidbelasting op deze punten te verlagen is een dusdanig hoog scherm nodig. Dit is stedenbouwkundig niet wenselijk en het plaatsen van zo’n hoog scherm is praktisch niet realiseerbaar. Daarnaast vergt een dusdanig scherm een grote financiële investering waardoor in voorliggende situatie de voorkeur uit gaat naar het treffen van gevelmaatregelen. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 4.1.

t/m 4.4 is zichtbaar dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de gevels ter plaatse van waarneempunt 1, 7, 8, 9, 10 en 11 is een geluidluwe gevel. Ter plaatse van waarneempunten 4, 5 en 6 is de geluidbelasting alleen verhoogd ter plaatse van de hoogte 7,5m de overige hoogtes zijn een geluidluwe gevel. In het pand worden 13 appartementen gerealiseerd. Tijdens het maken van deze rapportage is de precieze indeling van deze appartementen niet bekend. Er wordt op verzoek van de gemeente en in het kader van een goed woon- en leefklimaat geadviseerd om per appartement een geluidluwe gevel te realiseren. Echter voor de verdieping ter hoogte van 7,5m is alleen de gevel ter plaatse van waarneempunt 11 een geluidluwe gevel. Indien het ontwerp verder wordt uitgewerkt dient er rekening gehouden te worden met de indeling van de appartementen. Zodat de geluidgevoelige vertrekken zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel bevinden. Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen wordt geadviseerd om maatregelen aan de gevel te treffen waarbij voor de benodigde gevelgeluidwering uit te gaan van de comforteis in tabel 4.5. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.

Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.

Diessenseweg 50 en 80 km/uur • De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Diessenseweg (50 en 80km/uur) is maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). • Bij de gemeente Hilvarenbeek kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. • In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een bestaand gebouw (bowlingbaan) en het nieuwbouwproject wordt gebouwd naast en tegenover bestaande woningen. • Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €40.000,- (100 m * 8m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. • Het toepassen van een overdrachtsmaatregelen in de vorm van een geluidscherm/wal om de geluidbelasting van het wegverkeerslwaai van de Diessenseweg op de gevel te verlagen stuit op bezwaren van financiële- en stedenbouwkundige aard. Een dergelijk scherm dient tussen de bron en de ontvanger te worden geplaatst.

Een geluidscherm gesitueerd op de kavel van de woningen is moeilijk realiseerbaar, door de beperkte ruimte tussen de woningen en de weg. De geluidbelasting van de Diessenseweg is verhoogd ter plaatse van waarneempunten 2 en 3 over de gehele gevel. Om de geluidbelasting ook op de hoogte van 7,5m te verlagen is een dusdanig hoog scherm nodig. Daarnaast komt een scherm aan de Diessenseweg nergens voor in het straatbeeld. Dit is stedenbouwkundig niet wenselijk en het plaatsen van zo’n hoog scherm is praktisch niet realiseerbaar. Daarnaast is de mogelijke breedte van het scherm BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

33

•

•

•

beperkt doordat er een oprit is gelegen om de achterkant van het perceel (de parkeerplaatsen) te bereiken. Daarnaast vergt een dusdanig scherm een grote financiële investering waardoor in voorliggende situatie de voorkeur uit gaat naar het treffen van gevelmaatregelen. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. De gemeente Hilvarenbeek heeft aangegeven dat er geen geluidbeleid aanwezig is. Echter uit het oogpunt van een goed wooncomfort en gezondheid wordt geadviseerd om elke woning te voorzien van ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 4.1. t/m 4.4 is zichtbaar dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de gevels ter plaatse van waarneempunt 1, 7, 8, 9, 10 en 11 is een geluidluwe gevel. Ter plaatse van waarneempunten 4, 5 en 6 is de geluidbelasting alleen verhoogd ter plaatse van de hoogte 7,5m de overige hoogtes zijn een geluidluwe gevel. In het pand worden 13 appartementen gerealiseerd. Tijdens het maken van deze rapportage is de precieze indeling van deze appartementen niet bekend.

Er wordt op verzoek van de gemeente en in het kader van een goed woon- en leefklimaat geadviseerd om per appartement een geluidluwe gevel te realiseren. Indien het ontwerp verder wordt uitgewerkt dient er rekening gehouden te worden met de indeling van de appartementen. Zodat de geluidgevoelige vertrekken zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel bevinden. Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen wordt geadviseerd om maatregelen aan de gevel te treffen waarbij voor de benodigde gevelgeluidwering uit te gaan van de comforteis in tabel 4.5. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.

Diessenseweg (niet gezoneerde weg) • Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. • De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 61 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 56 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. • Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. • Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 4.5 kolom comforteis.

Van der Heijdenstraat (niet gezoneerde weg) • Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 43 dB (incl. art. 110g). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden in de belasting 38 dB (incl. Art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

34

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Frankenbocht (niet gezoneerde weg) • Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 47 dB (incl. art. 110g). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden in de belasting 42 dB (incl. Art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Spoorweglawaai Dit aspect is niet aan de orde.

Het aspect “Geluid” is, na het nemen van een besluit hogere waarde door het college geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

5.9

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; •

De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).

Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft het bouwen van één woongebouw voor 13 appartementen. Deze herziening is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

35

ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening. Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. Ten behoeve van de nieuwe woningen is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (atlasleefomgeving.nl). Hieruit blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Omdat het plangebied op basis van de actuele kaartbeelden niet is gelegen in een gebied met een slechte luchtkwaliteit (in de buurt van de grenswaarden) kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Uitsnede kaart Fijnstof 2019 (pm2,5) met in rood de projectlocatie; bron: atlasleefomgeving.nl Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit op het perceel is bodemonderzoek (Verkennend bodem-, en verkennend en nader asbestonderzoek Diessensweg 99 dd 8 september 2020) gedaan. Het onderzoek is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande ontwikkelingen op deze locatie. Ter plaatse van ABG08 en ABG103 is sprake van een verontreiniging met asbest. Ons inziens in de verontreiniging voldoende afgeperkt. De verontreiniging met asbest kan in verband worden gebracht met de aanwezige bodemvreemde bijmengingen met baksteen, puin en beton en wordt geschat op circa 25 m2.

Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: 36

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

•

• •

Wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de bovengrond indicatief maximaal als zijnde klasse industrie bestempeld. De ondergrond is indicatief als zijnde klasse AW2000 bestempeld; de mogelijkheid tot het voorkomen van meerdere (punt)verontreinigingen met asbest als gevolg van de aanwezigheid van baksteen, puin en beton in de bodem; het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.

Het aspect “Bodemkwaliteit” is na sanering van de afgeperkte vervuiling met asbesthoudende delen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De sanering zal voor de bouwwerkzaamheden zijn voltooid.

5.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.

Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van het nieuw te bouwen woongebouw is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving. Op basis van de risicokaart zijn er geen risicobronnen gevonden. Het plangebied is dan ook niet binnen een invloedsgebied gelegen. Uit een inventarisatie van de Omgevingsdienst Midden en West Brabant uit 2018 in het kader van het project ‘vervoer gevaarlijke stoffen’ blijkt dat mogelijk transportbewegingen met gevaarlijke stoffen over de Diessenseweg te verwachten zijn. Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van deze transportroute.

Op grond van artikel 8 lid 2 onder b kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico aangezien het groepsrisico redelijkerwijs, gelet op de dichtheid van personen in het invloedsgebied als gevolg van de bouw van één nieuw woongebouw niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen in de bebouwde omgeving niet zal worden overschreden. De volgende afbeelding toont de ligging van het plangebied binnen de 200 meterzone van de BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

37

Diessenseweg.

Uitsnede kaart zone indeling standaardverantwoording groepsrisico. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Omdat sprake is van een beperkte verantwoording op basis van het Bevt kan op basis van het stroomschema van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant de standaardverantwoording groepsrisico worden gebruikt. Tevens is het standaardadvies van de Veiligheidsregio toepasbaar. Het Stroomschema, de standaardverantwoording en standaardadvies is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering.

5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

5.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de 38

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven met fijnstof emissie aanwezig. Aangezien sprake is van de bestemming van nieuwe woningen dient de gemeente Hilvarenbeek een zorgvuldige afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Hiervoor kan de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0” worden gebruikt. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Uit toetsing aan het stappenplan volgt dat geen advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt voldaan aan de normen voor geur, fijn stof en de bewoners zijn – voor zover bekend – niet ongerust over de volksgezondheid. Daarnaast worden geen bijzonder gevoelige personen gehuisvest. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO).

Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet.

Het plangebied is binnen een straal van 2 kilometer van de geitenhouderijen aan Hoekje 9 (circa 1.750 meter) Oude Tilburgseweg 5 (circa 1.950 meter) en Kleine Voort 12 (1.850 meter) gelegen. Een memo over het geitenmoratorium, de vergunningverlening en de doorwerking in ruimtelijke ordening (omgekeerde werking) dat is opgesteld door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid in opdracht van het BPO speerpunt Veehouderij (gepubliceerd op 17 oktober 2017). De memo geeft aan dat het aan het gemeentebestuur is om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken. Het is dus aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken over woningbouw binnen een afstand tot 2 km rond geitenhouderijen. Dit betekent dat moet worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. De aanvaarbaarheid van het woon- en leefklimaat wordt doorgaans beoordeeld aan de hand van normen. Bijvoorbeeld aan een maximaal hinderpercentage en bijbehorende geurbelasting van veehouderijen of aan grenswaarden voor de maximale concentratie fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Voor de nabije omgeving van geitenhouderijen is op dit moment niet te beoordelen of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is: • Uit het tweede VGO-onderzoek (aanvullende studies) blijkt een verhoogde kans op longontsteking voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

39

• •

•

•

Door het toevoegen van woningbouw (binnen een straal van 2 km rond geitenhouderij) neemt de kans op longontsteking niet toe. Wel worden er meer mensen blootgesteld aan stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken. Welke stoffen (bron/emissie) de oorzaak is van de verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. De onderzoekers doen ook geen uitspraak over de aanvaarbaarheid van het verhoogde risico op longontsteking. Het gevolg is dat er nu nog geen verband kan worden gelegd met een maximale blootstelling vanwege een aanvaardbaar of niet aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Doordat de oorzaak niet bekend is kan geen rekening worden gehouden met normen, grenswaarden of gezondheidskundige advieswaarden. Er is geen wettelijk toetsingskader met normen die beschermen tegen het risico op longontsteking vanwege de geitenhouderij en daarom is formeel geen normoverschrijding in het geding. Vervolgonderzoeken moeten uitwijzen of dit wel of niet het geval is. Het geitenmoratorium oftewel het verbod op het uitbreiden van het bestaande oppervlakte dierverblijf (staloppervlak) van de Verordening ruimte Noord-Brabant voorkomt in dit verband dat de ziektelast kan toenemen en er een nog hogere kans op longontsteking ontstaat.

Waarbij opgemerkt moet worden dat geitenhouderijen wel de mogelijkheid hebben op binnen het bestaande staloppervlak meer geiten te gaan houden.

Verder: • In dit verband is de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011) relevant. De Raad van State concludeert hier dat, ondanks dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er gezondheidsschade kan optreden, een gemeente daar niet aan hoeft te toetsen als dat niet in de regelgeving is verwerkt. • Er wordt in dit verband een parallel getrokken met het landelijk beleid. Deze kent de regel “niet-in-betekenende-mate (nibm)” welke een kleine toename van de concentratie fijn stof in de buitenlucht toelaatbaar acht. Er is wel sprake van een kleine verslechtering van het woonen leefklimaat, maar deze wordt acceptabel geacht in de wetenschap er in het beleid vanuit wordt gegaan dat de beperkte verhoging van concentraties fijn stof in de buitenlucht door nationaal generieke maatregelen op termijn worden gecompenseerd. De parallel is dat het toevoegen van een beperkt volume woningbouw aanvaardbaar is in het licht van het vervolgonderzoek van VGO naar de oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking dat bedrijfsgerichte maatregelen mogelijk zal maken (zie ook de eerste twee aandachtstreepjes on het kopje afwegingen op de volgende pagina). • Omdat woningen niet alleen een ‘bron’ van luchtverontreiniging zijn, maar ook een ‘ontvanger’, moet nog wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is een goede motivatie nodig.

• In Nederland is 3,5% van de ziektelast gerelateerd aan milieufactoren. Van deze milieufactoren veroorzaakt blootstelling aan luchtverontreiniging veruit de meeste ziektelast. De in de VGO-onderzoeken geconstateerde ziektelast is valt in principe onder de bestaande ziektelast door milieufactoren (dus geen verhoging van de ziektelast). • Vanwege de geitenhouderij kan het woon- en leefklimaat niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Het moratorium houdt namelijk in dat de bestaande geitenhouderijen mogen blijven en daarmee de huidige gezondheidslast voorlopig aanvaard wordt. Tegelijk wordt onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak om over enkele jaren de risico’s te kunnen verminderen of voorkomen. Gebruikmakend van de voorgaande overwegingen heeft de gemeente Hilvarenbeek de afweging gemaakt om woningbouwontwikkelingen doorgang te laten vinden en uit voorzorg daarbij de volgende richtlijnen hanteren: Bij zowel klein- als grootschalige ontwikkelingen rekening houden met de afstand van de woningbouwlocatie tot de geitenhouderij: • Geen woningen dichterbij de geitenhouderij bouwen dan de al bestaande woningen (alleen inbreiding toestaan). De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden vooralsnog aanvaard.

Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan 40

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

• •

toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omvang van de woningbouw relateren aan de afstand tot de geitenhouderij. Bij ontwikkelingen uit voorzorg rekening houden met de doelgroep, waarbij niet meegewerkt wordt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken, zoals bijvoorbeeld een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang.

Het betreft een kleinschalig woningbouwplan van slechts een woongebouw met 13 appartementen die niet dichter op een geitenhouderij is gelegen dan bestaande woningen dat reeds doen. De afstand van 1750 meter tot de dichtstbij gelegen geitenhouderij is groot in verhouding tot de omvang van de ontwikkeling. Bovendien wordt er met de ontwikkeling niet voorzien in de huisvesting van grote groepen meer kwetsbare mensen. De gemeente Hilvarenbeek acht de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te hebben afgewogen. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

41

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1

Verantwoording planvorm

Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor meerdere aaneengesloten kadastrale percelen, een postzegelplan. Het perceel ligt in het recente bestemmingsplan ‘Kern Hilvarenbeek’. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.

6.2

Systematiek bestemmingen

De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.

6.3

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Verkeer-Verblijfsgebied’. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Wonen De bestemming ‘Wonen’ is van toepassing ter plaatse van de nieuw te realiseren appartementen. Middels een gevellijn wordt de positionering van het woongebouw geborgd. De maximale bouwhoogte en goothoogten zijn op de verbeelding aangeduid. Verkeer-Verblijfsgebied De centrale inrit tot het achtererf met de parkeervoorziening en de bergingen krijgt de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied. Binnen deze bestemming is ook groen toegestaan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen 42

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Algemene wijzigingsregels Middels de algemene wijzigingsregels is het mogelijk voor het bevoegd gezag om de bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine een overschrijding van bestemmingsgrenzen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

43

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond is in eigendom van een particuliere ontwikkelaar waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de planherziening. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.

44

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 8 Procedure 8.1

Omgevingsdialoog

Door initiatiefnemer van de beoogde ontwikkeling is een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden en belanghebbenden. Een uitvoerig verslag hiervan is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Een deel van de omwonenden heeft belangstelling voor de definitieve uitwerking van de bouwplannen (achtergevel). Initiatiefnemer heeft aangegeven omwonenden actief te informeren als het bouwplan verder is uitgewerkt.

8.2

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven.

8.3

Vervolg van de procedure

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Tegen het plan zijn geen zienswijzen ingediend. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

45

Separate bijlagen • • • • • • • • •

46

Ladder voor Duurzame Verstedelijking Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek, BRO dd 6 december 2021; Aanrijking waterparagraaf, TBInfra dd 18 januari 2022; Quick scan flora en fauna Diessenseweg 99, IJzerman Advies, dd 3 mei 2022; Voortoets Stikstofdepositie Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek, Van Empel dd 16 november 2021; Vormvrije m.e.r.-beoordeling Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek, Van Empel dd 16 november 2021; Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, K+ Adviesgroep, 05-04-2022 Verkennend bodem-, en verkennend en nader asbestonderzoek Diessensweg 99, Lankelma dd 8 september 2020; Stroomschema, Standaardverantwoording Groepsrisico en Standaardadvies, OMWB en Veiligheidsregio. Verslag Omgevingsdialoog dd 15 december 2021

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13081117/1