bp Diessenseweg 99 (3 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht
Vastgesteld
Bestemmingsplan Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek
Schijfstraat 8 | Postbus 323, 5060 AH Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl ABN Amro NL75 ABNA 0248112600 | BTW NL857748117B01 | KvK 69127816
Datum: 16 juni 2023 Status: Vastgesteld plancode: NL.IMRO.0798.BPDiessenseweg-VG01.
2
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Toelichting
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
3
4
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING.............................................................................................................. 7 1.1 AANLEIDING .............................................................................................................................. 7 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................. 7 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 7 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN.................................................................................................... 7 1.5 LEESWIJZER ............................................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ........................................................................................ 9 2.1 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR ................................................................................ 9 2.2 BESTAANDE SITUATIE .............................................................................................................. 10 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING .........................................................................................
11 3.1 NIEUWE ONTWIKKELING ........................................................................................................... 11 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 14 4.1 RIJKSBELEID ........................................................................................................................... 14 4.2 PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................................... 15 4.3 GEMEENTELIJK BELEID ............................................................................................................ 18 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN .............................. 19 5.1 INLEIDING ............................................................................................................................... 19 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING .................................................................................................... 19 5.3 WATER................................................................................................................................... 20 5.4 NATUUR .................................................................................................................................
22 5.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ....................................................................................... 25 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES .................................................................................. 27 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING .............................................. 31 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 32 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 35 5.10 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................... 36 5.11 EXTERNE VEILIGHEID .............................................................................................................. 37 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR ............................................................................................... 38 5.13 GEZONDHEID .......................................................................................................................... 38 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING ..................................................................
42 6.1 VERANTWOORDING PLANVORM ................................................................................................ 42 6.2 SYSTEMATIEK BESTEMMINGEN ................................................................................................. 42 6.3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................................................. 42 HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID............................................................... 44
HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ....................................................................................................... 45 8.1 OMGEVINGSDIALOOG .............................................................................................................. 45 8.2 VOOROVERLEG ....................................................................................................................... 45 8.3 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 45 SEPARATE BIJLAGEN ....................................................................................................................... 46
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5
6
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Voor terrein aan de Diessenseweg 99 in Hilvarenbeek is beoogd het bestaande horecapand (bowlingbaan) te vervangen door een pand met dertien gestapelde koopwoningen. Op grond van artikel 12 van het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Hilvarenbeek’ is de bouw en gebruik van woningen niet toegestaan. Om de bouw en het gebruik te vergunnen is een herziening van het bestemmingsplan nodig.
1.2
Plangebied
Het plangebied ligt in de gemeente Hilvarenbeek, aan de Diessenseweg 99 in het dorp Hilvarenbeek. Onderstaande luchtfoto’s geven zicht op het zuidwestelijk deel van het dorp Hilvarenbeek en de ligging van de locatie.
Luchtfoto: zuidwestelijk deel van Hilvarenbeek, bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.3
Doel
Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een regeling om de bouw van een nieuw woongebouw voor 13 appartementen aan de Diessenseweg 99 te vergunnen en het gebruik van het gebouw en gronden voor wonen toe te staan.
1.4
Geldend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Kern Hilvarenbeek” en “Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018”. Het perceel kent de bestemming ‘Horeca’. Op het perceel is een bouwvlak aanwezig. Binnen dit bouwvlak zijn gebouwen ten behoeve van horeca toegestaan. De maximale bouwhoogte en goothoogte zijn aangeduid en bedragen 9, respectievelijk 6 meter. Het bebouwingspercentage bedraagt 80%. Ter bescherming van archeologische waarde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. De volgende afbeelding toont de bestemming ter plaatse van het plangebied.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
7
Uitsnede bestemmingsplankaart ruimtelijkeplannen.nl
1.5
“Kern
Hilvarenbeek”
met
in
rood
het
plangebied,
bron:
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit een set regels en verbeelding en een toelichting daarop. Voorliggende toelichting bevat bovendien de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen van het beoogde nieuwe bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de ontwikkeling past binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de ontwikkeling. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.
8
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1
Ruimtelijke en functionele structuur
Het plangebied waar de 13 nieuwe appartementen zijn gepland is gelegen aan de Diessenseweg 99 in Hilvarenbeek. Op de locatie is het bestaande horecapand ‘Kempenhof’ gelegen. De Diessenweweg is één van de linten die de ruimtelijke hoofdstructuur van het dorp Hilvarenbeek vormen. Aan de weg zijn andere woningen aanwezig. Direct noordelijk van het plangebied is het bedrijventerrein Bukkem aanwezig.
Foto’s bestaande situatie en omgeving aan de Diessenseweg
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
9
2.2
Bestaande situatie
Het plangebied op dit moment bebouwd. De bestaande bebouwing bestaat uit een hoofdgebouw aan de straatzijde bestaande uit twee lagen met een kap. Achter het bestaande hoofdgebouw is een aanbouw aanwezig. Het plangebied is voor het grootste deel bebouwd. Aan de oostzijde is een toerit aanwezig ter ontsluiting van de gebouwen. het gehele terrein is verhard.
Luchtfoto ingezoomd op de locatie. Bron: ruimtelijkeplannen.nl
10
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1
Nieuwe ontwikkeling
Dit bestemmingsplan voorziet in een regeling op basis waarvan de bouw van een nieuw woongebouw voor 13 appartementen mogelijk wordt gemaakt. Het gebouw kent een hoofdvorm die is afgeleid van het bestaande hoofdgebouw. Via een toerit aan de oostzijde van het perceel wordt een centrale parkeervoorziening achter het woongebouw ontsloten. Bij deze centrale parkeervoorziening zijn de bergingen van de woningen gesitueerd. Het terrein wordt als een gemeenschappelijke tuin ingericht. De maximale bouwhoogte van het woongebouw bedraagt circa 10 (10,097) meter en de maximale goothoogte bedraagt 6 meter. Dit sluit aan op de hoogten van de bestaande gebouwen in de omgeving van het plangebied. Aan de achterzijde van het gebouw worden parkeerplaatsen en bergingen aangelegd. De bergingen hebben een gezamenlijk oppervlak van 250m2.
Illustratie van de beoogde nieuwe situatie. Bron: TBInfra
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
11
De volgende afbeeldingen tonen de voorgevel, doorsnede en impressie van het nieuwe woongebouw.
Schets van de voorgevel van het nieuwe woongebouw. Bron: Keeris Architecten
Doorsnede van het nieuwe woongebouw. Bron: Keeris Architecten
12
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Impressies van het nieuwe woongebouw. Bron: Keeris Architecten
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
13
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • •
de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - Rijksvaarwegen; - Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen - Elektriciteitsvoorziening; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuur Netwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project.
Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden 14
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk 13 nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Er is sprake van een woningbouwlocatie en dus van een stedelijke ontwikkeling zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toepassing van de Ladder is daarom aan de orde.
De onderbouwing voor de behoefte en de regionale afstemming is opgenomen in de ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek, dd 6 december 2021, opgesteld door BRO. Dit rapport is als bijlage toegevoegd aan de toelichting. De conclusie luidt als volgt; De beoogde ontwikkeling van maximaal 13 woningen voorziet in een kwantitatieve behoefte: • In de periode tot 2030 neemt de bevolking en het aantal huishoudens in de gemeente Hilvarenbeek, en de regio Midden – Brabant toe. Dit vraagt om een groei van de woningvoorraad. • Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling kan een raming worden gemaakt van de kwantitatieve behoefte in de gemeente Hilvarenbeek van 570 woningen tot 2030 en in der regio Midden – Brabant van 21.025 woningen. • Op dit moment is er in de gemeente Hilvarenbeek onvoldoende harde plancapaciteit (205 woningen) om in de groeiende woningbehoefte te voorzien van 570 woningen, tot aan 2030. Dezelfde conclusie geldt voor de regio Midden - Brabant: ook hier is er onvoldoende harde plancapaciteit (6.275 woningen) om in de woningbehoefte van 21.025 te voorzien tot aan 2030. Dit betekent dat er ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling aan de Diessenseweg 99 voorziet daarmee in een kwantitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied.
Conclusie Er is sprake van een behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Hiermee is sprake van duurzame verstedelijking.
4.2
Provinciaal beleid
Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
15
wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat het nieuwe woongebouw op een passende wijze stedenbouwkundig is ingepast en onderdeel wordt van een bestaand bebouwingslint. Bovendien wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut voor de huisvestingsopgave waardoor de ruimteclaim op natuur en landschap voor woningbouw buiten het bestaand stedelijk gebied kleiner wordt. Aan de gekozen woonvorm bestaat een actuele behoefte. De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden.
In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Op basis van kaart 3 voor gemeenten – stedelijke ontwikkeling en erfgoed is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijke kern” en dat sprake moet zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving.
16
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede kaart 3, Interim Omgevingsverordening De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van een nieuw woongebouw voor 13 koopappartementen. Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma zoals beschreven in paragraaf 4.3 en is daarmee in het regionaal ruimtelijk overleg afgezet tegen de actuele behoefte. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De woonfunctie is passend binnen de omgeving die gedomineerd wordt door woningen. Hierdoor wordt er aangesloten op de bestaande lagen (ondergrond- netwerk- en bovenste laag). Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in de bestaande bebouwde kom van Hilvarenbeek.
Het bestaand bebouwingspatroon aan de Diessenseweg wordt benut voor de inpassing van een gebouw dat haar hoofdvorm ontleend aan het bestaande gebouw. De bouwhoogten zijn afgestemd op de hoogten van de bestaande panden. De ontwikkeling past daardoor binnen de omgeving en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door het beter benutten van gronden in bestaand stedelijk gebied. De lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond (zoals bodem, grondwater en archeologische waarden), de netwerklaag (zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen en een goede afwikkeling van personen en goederenvervoer) en de bovenste laag (zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functies en de bebouwing de effecten op bestaande toekomstige functies en de effecten op volksgezondheid en milieu). In deze toelichting is beschreven hoe wordt omgegaan met de verschillende effecten op de drie lagen. Hieruit blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op de waarden in het gebied met de beoogde BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
17
ontwikkeling. Hierbij speelt nog dat een bestaand, oorspronkelijk bebouwingspatroon aan de Diessenseweg dat één van de oude linten van het dorp Hivarenbeek is, wordt benut. Hierdoor moet worden geconcludeerd dat vanuit het verleden gezien het plangebied is gelegen op een plek die van oudsher geschikt werd gevonden om te bewonen. Er is sprake van een toekomstbestendige ontwikkeling. De meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierbij kan de fysieke verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Doordat sprake is van een gebouw dat haar hoofdvorm ontleend aan het bestaande pand en is gelegen in een bestaand dorpslint, is sprake van een versterking van de bestaande ruimtelijke (dorps)structuur.
4.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Hilvarenbeek, een hartveroverende heerlyckheid Op 25 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de structuurvisie vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Hilvarenbeek wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. De structuurvisie heeft per kern en per deelgebied een aantal uitgangspunten benoemd die gelden voor nieuwe, nog niet bestemde ontwikkelingen. De locatie is gelegen in de zone “Verbindend lint”. Voor deze zone geldt met betrekking tot nieuwe initiatieven in algemene zin en woningbouw in het bijzonder dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm zullen worden veroorzaakt. Er zal aangesloten moeten worden op het actuele woonbeleid.
Volkshuisvesting; Woonvisie Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in 2009 haar woonvisie vastgesteld. De inhoud en strekking van deze woonvisie is de visie van de gemeenteraad betreffende de gewenste ontwikkelingen op het beleidsterrein wonen. De gemeenteraad geeft daarmee kaders aan voor de beleidsuitvoering op dit terrein. Kort samengevat worden de kernvragen beantwoord, zoals welk type woningen moeten in de sociale of vrije sector worden gebouwd voor welke doelgroepen, in welke aantallen en tegen welke prijs. De gemeenteraad legt hiermee de onderbouwde en beargumenteerde keuzes vast. Dit beleid is het woonbeleid voor de komende 10 jaren met een doorkijk naar de tien jaren daarna. Het is goed periodiek kort stil te staan bij de resultaten van het uitgevoerde beleid en indien nodig daarop bij te sturen De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van koopappartementen. Het woonbeleid heeft zich uitgesproken over de wens doelgroep in deze categorie direct te kunnen bedienen. Met de beoogde ontwikkeling wordt rechtstreeks uitvoering gegeven aan het beleid voor deze doelgroep.
18
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1
en
planologische
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.
5.2
Parkeren en ontsluiting
De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Hilvarenbeek het “Parkeerbeleidsplan 2015-2020” vastgesteld. Dit plan is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor elke ontwikkeling speelt de vraag wat de parkeerbehoefte is en of deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor een etagewoning in de rest bebouwde kom wordt een norm van 1,5-2,3 parkeerplaatsen per woning aangehouden. Dit betekent dat er gemiddeld 25 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Met het bouwplan worden 25 parkeerplaatsen aangelegd. De volgende afbeelding toont in rood de ligging van de parkeerplaatsen.
Ligging van de parkeerplaatse. Bron: TBInfra BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
19
Ontsluiting en verkeersgeneratie De ontsluiting van de nieuwe woning zal plaatsvinden via een bestaande inrit oostelijk op het terrein. De inrit weegt uit op de Diessenseweg. Met de ontwikkeling wordt de aanzienlijke verkeersgeneratie van de voormalige horecafunctie opgeheven en vervangen door die van 13 appartementen. De wegcapaciteit van de Diessenseweg is groot aangezien ze gebruikt wordt als dorpsontsluitingsweg. De verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw kan gemakkelijk door de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld.
5.3
Water
In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd.
De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Op planniveau is conform het beleid van het waterschap (plannen met een verhardingstoename kleiner dan 500 m2 geen compensatie vereist en hoeft geen watertoets doorlopen te worden. Het gemeentelijk waterbeleid; “Hemel en Grondwaterbeleid Hilvarenbeek” Volgens de Nieuwe Waterwet uit 2009 beginnen de nieuwe zorgplichten op hemel- en grondwater bij de perceelseigenaar. Zij moet het in eerste instantie op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet redelijkerwijs kan. Met de Nieuwe Waterwet heeft de gemeente nu ook juridische instrumenten om een meer duurzame omgang met water af te dwingen. Bij de woningbouwontwikkelingen wordt getracht een betere onderbouwing te krijgen van de bouwplannen in relatie tot optredende grondwaterstanden.
De laatste jaren streeft de gemeente Hilvarenbeek ook naar het afkoppelen van hemelwater van het vuile rioolwater bij de uitvoering van rioolvervangingen. Om wateroverlast te voorkomen is het ook nodig om op de ontwikkellocatie maatregelen tot het vasthouden van hemelwater te nemen. Om de afkoppelambitie van de gemeente op een doelmatige manier te realiseren is, buiten de aanpassingen in het rioolstelsel en openbare ruimte, de aanscherping ten opzichte van het hydrologisch neutraal bouwen ten opzichte van de Keur 20
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
nodig. Hierbij moet het afstromend hemelwater worden behandeld volgens de hierboven genoemde voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Hierbij hanteert de gemeente een vrijstelling bij een verharding van 250 m2. Hemelwater Op basis van de in bijlage 2 van het “hemel en grondwaterbeleid” van de gemeente is de watertoetsprocedure doorlopen. Hiervoor is door TBInfra een aanrijking voor de waterparagraaf gemaakt. Dit memo is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting gevoegd. De belangrijkste aspecten uit dit memo zijn hieronder verwoord. Ten aanzien van de wateropgave van het plangebied is berekend dat met de nieuwe ontwikkeling sprake is van een verhard oppervlak (dakvlak en terrein) van 1.839 m2. Rekening houdend met de gevoeligheidsfactor betekent dit een bergingsopgave van 111 m3. Op deze bergingsopgave van 111 m3 zijn diverse reducties mogelijk. Op bebouwing is reductie mogelijk indien wordt gekozen voor vegetatiedaken. Volgens het gemeentelijk beleid wordt aan deze daken een bergingsopgave van 30 mm toegekend. Indien uit technische onderbouwing en/of onderzoek blijkt dat de berging groter is dan 30 mm kan deze opgave worden verhoogd. Binnen de terreinverharding zijn diverse reducties mogelijk. • Gesloten verharding die afstroomt naar de omgeving dat in eigendom is en de mm kan verwerken wordt niet meegeteld als te compenseren verhard oppervlak.
Bij het toepassen van halfverharding gelden de volgende reducties. • •
Grasbetonstenen en waterpassende verharding tellen voor 50% infiltrerend mee. Overige open verharding zoals grind, split en puin tellen als geheel infiltrerend terreinoppervlak. De bodem is in voldoende mate waterdoorlatend. Mogelijk dat het nodig is om de aanwezige leemlaag hiervoor te doorbreken. De bodem is geschikt voor infiltratie. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is gelegen op een diepte van 1,24 meter beneden maaiveld. Lettend op de planinrichting, hoogteligging van het terrein en de gereserveerde ruimte voor het ontsluitingpad is het technisch niet mogelijk om de totale waterberging een bovengrondse waterberging aan te leggen. Wel kan desnoods voor een combinatie worden gekozen van een wadi met een ondergrondse waterberging. Vanwege de vormgevingseisen van de gemeente en het hoogteverschil is dit wel beperkt mogelijk. Binnen het plangebied dient daarom hoofdzakelijk te worden ingestoken op een ondergrondse regenwaterstelsel en de daarbij behorende ondergrondse waterbergingsvoorziening. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om de bergingsopgave te realiseren. Het hydraulische functioneren op basis van ontwerpbui 10 zal de riooldiameters bepalen. Binnen de technische oplossing voor het regenwaterstelsel is het mogelijk om de diverse reducties toe te passen. Hieronder enkele reductie opties.
• Het toepassen van grasbetontegels in bijvoorbeeld de parkeervakken zorgt voor een reductie van 10,02 m3. • Indien blijkt dat de looppaden en de terrassen zonder problemen kan afwateren op de tuinen levert dit een reductie op van 20,16 m3. • Wanneer het gebouw en de bijgebouwen volledig worden voorzien van vegetatiedaken, krijgt een oppervlak van 725 m2 een minimale berging van de 30 mm toegekend. Dit komt neer op een reductie van 21,75 m3. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
21
Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden aan het bestaand gemeentelijk riool. Geconcludeerd moet worden dat voor het aspect water geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Natuur
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie.
Natuuronderzoek Ter beoordeling van de effecten van de ontwikkeling op eventueel aanwezige natuurwaarden is een veldonderzoek (quick scan flora en fauna) uitgevoerd. Het rapport (quick scan flora en fauna, Diessenseweg 99, IJzerman Advies dd 3 mei 2022) is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De belangrijkste conclusies luiden als volgt; Beschermde natuurwaarden Het plangebied, een volledig verhard terrein gelegen in de bebouwde kom van Hilvarenbeek, is niet gelegen in een Natura-2000 gebied of behorende tot NNB gebieden. Natura 2000 gebied Kempenland-West ligt hemelsbreed op 2,5 kilometer afstand ten zuidwesten. Tussen de planlocatie en het Natura 2000 gebied ligt onder de bebouwde kom van Hilvarenbeek en agrarisch buitengebied. De instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000 gebieden zullen naar alle waarschijnlijkheid geen negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkelingen (gedeeltelijke sloop) als het gaat om emissie van licht en geluid. Dit door de grote afstand, de bebouwde omgeving, het ontbreken van Habitatrichtlijn-soorten ter plaatse of geschikte biotopen hiervoor en de kleinschaligheid van de ontwikkeling. De emissie van stikstof en het effect hiervan op de omliggende Natura-2000 gebieden is in een losse berekening bij het plan gevoegd.
De locatie is hemelsbreed gelegen op een afstand van 294 meter westelijk van een terrein behorende tot het provinciale deel van NNB. Dit betreft kruiden- en faunarijk grasland. Tussen dit gebied en de planlocatie ligt de provinciale weg N269 met aan weerszijden een op- en afrit. Op de planlocatie zelf of de directe omgeving ervan komen geen vergelijkbare natuurtypen voor zoals kruiden- faunarijk grasland. De geplande ontwikkelingen hebben geen significant meetbare negatieve effecten op de dichtstbijliggende NNB gebieden. Dit door het versnipperende effect van de provinciale weg N269 met op- en afrit, het ontbreken van geschikte of ondersteunende natuurtypen ter plaatse en de kleinschaligheid van de ontwikkeling. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden of andere provinciaal beschermde gebieden zoals de blauwgroene mantel. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Flora Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. De locatie laat zich omschrijven als volledig verharde en bebouwde locatie binnen de bebouwde kern. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten.
Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige 22
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen en kevers, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen.
Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaat-sen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Broedvogels Bij de bureaustudie kwamen een tweetal losse waarnemingen naar voren: een overvliegende Havik 2015 en losse waarneming van een Huismus (2020). Beide waarnemingen zijn gedaan ten oosten en noorden van de planlocatie, aan de Van der Heijdenstraat. Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels.
Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Er is met nadruk gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, gierzwaluwen en huismussen, soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd kunnen zijn. Alle potentiële nestlocaties (zowel in de bebouwing als de groenstructuren) waren visueel goed te onderzoeken. Er zijn geen nesten, prooiresten of uitwerpselen van deze groepen aangetroffen in de te slopen bebouwingsdelen. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Kap in deze periode verkleind de kans op verstoring van broedende vogels. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
Initiatiefnemer dient rekening te houden dat de ontwikkelingen geen fysieke verstoring van nestlocaties van broedende vogels (zoals vernietiging, verplaatsing of bewuste verjaging) tot gevolg heeft. Zoogdieren Bij de bureaustudie kwam een losse waarneming naar voren van een Gewone dwergvleermuis in 2007 BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
23
aan de Van der Heijdenstraat. Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. De bebouwingsdelen op de planlocatie waren visueel goed te onderzoeken. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten.
De checklist van het Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtpunten: • Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam,- zomer- en paarverblijf-plaatsen, • zijn er sporen van aanwezigheid en • is er sprake van een foerageergebied? De bebouwing is uitvoerig geïnspecteerd op het voorkomen van sporen en potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen in de diverse seizoenstadia. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Hiervoor is eveneens een camera met endoscoop voorhanden gebruikt. Meststrepen op de muren, uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duidden op de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen ontbreken. De bebouwing vertoont nergens tussenruimtes of holtes die geschikt zijn als verblijfslocatie voor vleermuizen. De bebouwing is niet in gebruik als verblijfslocatie door vleermuizen. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipi-strellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratieof foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken.
De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen.
Voor het project is daarom een AERIUS berekening opgesteld. De rapportage ‘Voortoets Stikstofdepositie Diessenseweg 99 te Hilvarenbeek’ is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: In deze rapportage zijn de te verwachten effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden in kaart gebracht. Vanaf 1 juli is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (WSN) in werking getreden. De WSN voorziet in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (de effecten in de aanlegfase). Deze tijdelijke effecten zijn vrijgesteld van de 24
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
vergunningplicht in het kader van de Wet Natuurbescherming. Derhalve zijn de effecten van de aanlegfase zijn in dit onderzoek niet inzichtelijk gemaakt. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie en toekomstige gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000- gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is geen passende beoordeling noodzakelijk. Het aspect “natuur” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en de beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige effecten op bestaande natuurwaarden. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning zal een actuele berekening worden uitgevoerd.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 het archeologiebeleid ‘Verborgen tussen het groen’ vastgesteld. Hierin is de archeologische verwachtingswaarde voor het gehele gemeentelijke grondgebied in kaart gebracht. Uit de beleidskaart kan worden opgemaakt dat het plangebied een ‘hoge archeologische verwachting’ kent (zie de volgende afbeelding).
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
25
Uitsnede archeologiebeleidskaart Hilvarenbeek; Bron gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in een aantal gevallen haar archeologiebeleid reeds doorvertaald naar haar bestemmingsplannen. De geldeden dubbelbestemming heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 2.500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is en bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 50 cm. Het beoogde bouwplan zal niet groter zijn dan 2.500 m2 en dieper reiken dan 50 centimeter en leidt bovendien niet tot een vergroting van het bestaande bouwwerk. Een onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verder geldt dat als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd.
Cultuurhistorie Het beleid met betrekking tot cultuurhistorie in de gemeente Hilvarenbeek is vastgelegd in De Cultuurhistoriekaart van juni 2013. De kaart maakt inzichtelijk welk cultuurhistorisch-landschappelijk en historisch- (steden)bouwkundig erfgoed in de gemeente Hilvarenbeek aanwezig is. De cultuurhistoriekaart heeft daarmee allereerst een belangrijke attentiewaarde. Het betreft een basisdocument van waaruit zaken als waardering, erfgoedbeleid en publiekseducatie verder uitgewerkt kunnen worden. Tevens maakt de kaart het mogelijk om te bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen bedreigend kunnen zijn voor de cultuurhistorische waarden.
26
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede cultuurhistoriekaart; Bron gemeente Hilvarenbeek Het plangebied zelf kent geen cultuurhistorische waarden. Wel is de Diessenseweg aangeduid als “historische geografie, weg voor 1840” en zijn enkele panden in de omgeving van het plangebied aangeduid als “historische bouwkunst, overige historische bouwkunst’. Het bestaande pand ter plaatse van het plangebied heeft geen aanduiding. De Diessenseweg wordt in de cultuurhistoriekaart verwoord als de steenweg naar Diessen. De bouw van een nieuw woongebouw zal de cultuurhistorische waarde van deze weg niet verstoren. Doordat de het nieuwe woongebouw wordt gerealiseerd ter vervanging van een bestaand gebouw en bovendien is gebaseerd op de hoofdvorm van dit bestaande gebouw moet geconcludeerd worden dat de ontwikkeling past in de stedenbouwkundige structuur en karakter van de bestaande weg. Voor panden met de aanduiding ‘overige historische bouwkunst’ is in de cultuurhistoriekaart beschreven dat wanneer zich wijzigingen of ingrepen voordoen er onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de cultuurhistorische waarden. Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen wijzigingen of ingrepen aan deze bestaande panden aan de Diessenseweg plaatsvinden. Onderzoek is daarom niet nodig. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Milieuzonering, geur en spuitzones
Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van een woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
27
Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd. Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. Algemeen uitgangspunt In het kader van dit bestemmingsplan wordt een nieuw woongebouw voor 13 appartementen toegevoegd en daarmee wordt voorzien in nieuwe gevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen dient te worden beoordeeld. Daarnaast dient te worden beoordeeld bestaande bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied niet nadelig wordt belemmerd met betrekking tot de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Zonering In de nabijheid van het de projectlocatie zijn noordelijk de bedrijfsbestemming van het bedrijventerrein Bukkem gelegen. Gemengd gebied Zoals beschreven kent de VNG-brochure verschillende omgevingstypen. Het gemengd gebied wordt als volgt beschreven: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingsgebied gemengd. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het gebied is te beschouwen als een “gemengd gebied” aangezien het plangebied direct langs hoofdinfrastructuur is gelegen en er in de nabijheid verschillende andere functies aanwezig zijn. De bepalende milieubelastende factor van de in de omgeving aanwezige bedrijven is het aspect geluid. De afstand mag met één afstandsmaat worden verlaagd. Bedrijfsactiviteiten Direct noordelijk van het plangebied zijn bestaande bedrijfsactiviteiten bestemd. Op grond van het bestemmingsplan ‘Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek’ zijn bedrijven met een milieucategorie 2 toegestaan. Op basis van de VNG-brochure is de richtafstand van deze milieucategorie tussen een bedrijfsbestemming en de gevel van een woongebouw in een gemengd gebied 10 meter. Aan de richtafstand kan worden voldaan aangezien er in deze zone geen verblijfsfuncties zijn gepland.
In de regels is dat geborgd middels een aanduiding dat de bouw van verblijfsruimten uitsluit.
28
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede bestemmingsplan met in paars de bedrijfsbestemmingen. Bron: ruimtelijkeplannen.nl
Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woningen. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • •