BOPA Oekraïneopvang de Broeksie (5 Bijlage 3 BOPA onderbouwing)
Tekst van het document
Door bestaande ruimten te benutten voor een maatschappelijke opgave wordt leegstand voorkomen en wordt de functionele levensduur van het pand verlengd. Dit sluit aan bij het principe van hergebruik en efficiënt omgaan met de gebouwde omgeving. De ontwikkeling vraagt geen aanvullende infrastructurele voorzieningen en leidt niet tot een substantiële toename van energie- of grondstoffengebruik ten opzichte van regulier wonen. Daarnaast draagt de huisvesting bij aan de sociale dimensie van duurzaamheid. Het faciliteren van tijdelijke opvang binnen een bestaande gemeenschap bevordert inclusiviteit en maatschappelijke veerkracht, zonder dat hiervoor nieuwe ruimtelijke ingrepen noodzakelijk zijn. Pagina 19 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Geconcludeerd kan worden dat de verlenging van de tijdelijke huisvesting vanuit het oogpunt van duurzaamheid aanvaardbaar is en in lijn ligt met het principe van zorgvuldig en toekomstbestendig ruimtegebruik. 5.3. Gezondheid In het kader van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie dient ook rekening te worden gehouden met de gevolgen voor de volksgezondheid. De aspecten rondom externe veiligheid worden later in deze motivering toegelicht. In deze paragraaf wordt ingedaan op de aanwezigheid van veehouderijen en het effect hiervan op de volksgezondheid. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc.
Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
5.3.1. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden
Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden, zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevant component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.
De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.
Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor Pagina 20 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is.
Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.
5.3.2. Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid
Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf (varkenshouder aan de Koekovenseweg 2) heeft een fijnstofemissie (PM10) van 381,4 kg PM10 per jaar.
Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van de veehouderij tot aan het projectlocatie. Deze richtafstand bedraagt 125 meter. Het bouwvlak van de varkenshouderij/pluimveehouderij aan de Koekovenseweg 2 ligt op circa 330 meter van de woonunits waarin de ontheemden worden gehuisvest. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de projectlocatie voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3. 5.4. Spuitzones In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is beoordeeld of de tijdelijke huisvesting wordt beïnvloed door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op omliggende agrarische gronden. Uit de situering van de bebouwing blijkt dat het deel van het pand dat wordt gebruikt voor bewoning is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter van gronden waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen planologisch is toegestaan. In de jurisprudentie wordt een afstand van 50 meter veelal als richtafstand gehanteerd tussen agrarische percelen waar open teelten plaatsvinden en gevoelige functies zoals woningen, tenzij sprake is van specifieke omstandigheden die een andere beoordeling rechtvaardigen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier geen sprake. Pagina 21 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Gelet op de aangehouden afstand, de bestaande ruimtelijke situatie en het feit dat geen nieuwe gevoelige bebouwing wordt opgericht maar sprake is van voortzetting van bestaand gebruik, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Het aspect spuitzones vormt derhalve geen belemmering voor de verlenging van de tijdelijke huisvesting. 5.5. Weging van waterbelang In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
5.5.1. Waterrelevant beleid
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor de bescherming van grondwater, waterveiligheid en -berging. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 4.2.2 is de locatie niet gelegen binnen het werkingsgebied van een van deze instructieregels. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027).
Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem Pagina 22 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap de Dommel Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het waterschap de Dommel hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerprogramma 2022-2027, Legger waterstaatswerken 2023 en de Waterschapsverordening. De legger waterstaatswerken 2023 is opgenomen in de Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening is te vinden in het DSO.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven Het waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt; van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Waterschapsverordening Waterschap De Dommel
In de 'Waterschapsverordening Waterschap De Dommel' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Waterschapsverordening beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden zoals waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Pagina 23 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Waterschapsverordening hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Legger waterstaatswerken 2023
Het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel heeft op 17 oktober 2023 de legger waterstaatswerken 2023 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2021 in te trekken. Dis gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Alle waterstaatswerken zijn nu zichtbaar in een digitale ontsluiting. Onder de Omgevingswet kan een legger geen beschermingszone of profiel van vrije ruimte meer vastleggen of aanpassen. Die gaan als beperkingengebied bij de waterschapsverordening horen. Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van de Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de waterschapsverordening op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn. Gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van afvoer en verwerking van hemelwater is in het ‘Riool- en Waterprogramma 2022-2026’ uitgewerkt. Dit document behoort als bijlage toe aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP).
De gemeentelijke regels zijn aangescherpt ten opzichte van de Waterschapsverordening. De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen bij de bewoner/ eigenaar binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Het gemeentelijke beleid is erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Dit geldt zowel voor de particulier op eigen terrein als voor de openbare ruimte. Daarbij wil de gemeente de vrijstelling tot compensatie bij kleine toename in verhard oppervlak binnen de Keur voor een ontwikkeling, met dit gemeentelijk beleid tenietdoen. Hiermee wil de gemeente knelpunten in het rioolstelsel mede oplossen door ook kleinere ontwikkelingen op particulier terrein hieraan bij te laten dragen.
Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m² nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan.
5.5.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Langs de Koekovenseweg is een B-watergang aanwezig en de beek aan de oostzijde is een A-watergang met een profiel van vrije ruimte, zie onderstaande uitsnede van de legger. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf de locatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van goodhouse-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. Pagina 24 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Afbeelding 4: Uitsnede Legger waterschap de Dommel, locatie stalling rood omkaderd
5.5.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie vindt de tijdelijke huisvesting van ontheemde Oekraïners uitsluitend plaats in de bestaande bebouwing binnen het bouwperceel. Er worden geen nieuwe verhardingen aangelegd en er vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Daarmee blijft de bestaande afstroming van hemelwater en het hydrologisch regime op en rond het perceel ongewijzigd. De beoogde activiteit leidt niet tot aantasting van watergangen, waterberging of infiltratiemogelijkheden, aangezien geen ingrepen in het bodem- en watersysteem worden uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de tijdelijke activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.6. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.
5.6.1. Verkeer
De verlenging van de tijdelijke huisvesting aan de Groenstraat 11b leidt niet tot een wijziging in het aantal woonunits of de aard van het gebruik ten opzichte van de reeds vergunde situatie. De verkeersgeneratie blijft daarmee ongewijzigd en is beperkt van omvang. Het betreft hoofdzakelijk personenautoverkeer en fietsverkeer van bewoners, vergelijkbaar met regulier wonen. De locatie wordt ontsloten via de Groenstraat, een erftoegangsweg met een lokaal karakter die voorziet in de ontsluiting van het bestaande bebouwingslint. Gelet op de beperkte verkeersbewegingen die samenhangen met 9 zelfstandige woonunits, beschikt de Groenstraat over voldoende capaciteit om deze verkeersstromen veilig en zonder knelpunten af te wikkelen. Er is geen sprake van zwaar verkeer of een verkeersaantrekkende werking van zodanige omvang dat de verkeersveiligheid of doorstroming onder druk komt te staan. Gelet op de aard en omvang van het gebruik, de bestaande ontsluitingsstructuur en het feit dat geen sprake is van een toename ten opzichte van de reeds toegestane situatie, kan worden geconcludeerd dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de verlenging van de tijdelijke huisvesting en dat sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie. Pagina 25 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
5.6.2. Parkeren
Naast verkeer dient er ook voldoende parkeergelegenheid te zijn op de locatie. Voor de gemeente Hilvarenbeek geldt het Parkeerbeleidsplan 2015-2020 als toetsingskader. De tijdelijke huisvesting van Oekraïense ontheemden kan, gelet op de aard van het gebruik, worden aangemerkt als kamerverhuur dan wel zelfstandige wooneenheden met een vergelijkbare parkeerbehoefte. Voor kamerverhuur geldt volgens het parkeerbeleid een parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per eenheid. Bij 9 zelfstandige woonunits resulteert dit in een parkeerbehoefte van 7,2 parkeerplaatsen. Conform gebruikelijke afrondingsregels wordt dit naar boven afgerond op 8 parkeerplaatsen. Op het perceel aan de Groenstraat 11b is voldoende ruimte aanwezig om minimaal 8 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren en in stand te houden. Parkeren vindt daarmee volledig plaats binnen het eigen erf en niet in de openbare ruimte. Hierdoor ontstaat geen parkeerdruk in de directe omgeving en wordt de verkeersveiligheid op de Groenstraat niet beïnvloed. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de parkeernorm zoals opgenomen in het gemeentelijk parkeerbeleid. Het aspect parkeren vormt derhalve geen belemmering voor de verlenging van de tijdelijke huisvesting. 5.7. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven.
Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
5.7.1. Gebiedsbescherming
De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000-gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.
Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 1,7 kilometer ligt. Met onderhavige ontwikkeling wordt er enkel een gewijzigd gebruik van de locatie mogelijk gemaakt voor een tijdelijke periode. Als gevolg van de ontwikkeling zullen er enkel aanvullende lichte verkeersbewegingen van en naar de locatie plaatsvinden. Gezien de afstand van 1,7 km tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is het effect van deze extra lichte verkeersbewegingen niet significant. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Doordat de beoogde activiteit een aflopende activiteit betreft die binnen 1 jaar wordt gestaakt, leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, Pagina 26 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
5.7.2. Soortenbescherming
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van de ontwikkeling, het voortzetten van tijdelijke huisvesting binnen bestaande bebouwing zonder bouwkundige uitbreiding of ingrepen in de bodem, dient te worden beoordeeld of ter plaatse beschermde natuurwaarden aanwezig zijn die door het gebruik verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen, zoals het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van beschermde soorten, dienen te allen tijde te worden voorkomen en mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Aangezien er geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd, geen sloop- of grondwerkzaamheden plaatsvinden en het gebruik reeds aanwezig is binnen bestaand bouwvolume, is geen sprake van een wijziging van de fysieke leefomgeving. Het perceel en de bebouwing worden reeds intensief gebruikt, waardoor de aanwezigheid van beschermde soorten die door het voortgezet gebruik verstoord zouden kunnen worden niet aannemelijk is. Geconcludeerd kan worden dat de verlenging van de tijdelijke huisvesting niet leidt tot strijd met de geldende soortenbeschermingsregels en dat een ontheffing in het kader van soortenbescherming niet noodzakelijk is. 5.8. Activiteiten en milieuzonering Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. In het omgevingsplan worden regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten.
Pagina 27 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit De handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk milieuaspecten geur en geluid. De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten. Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.
Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals de manege en agrarische bedrijven. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is het installatiebedrijf aan de Koekovenseweg 1.
Dit bedrijf is een kleinschalige aannemer wat behoort tot milieucategorie 2, waarbij dit voornamelijk wordt bepaald door het aspect geluid. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. Het bedrijf ligt op circa 80 meter van de projectlocatie. De projectlocatie ligt dus buiten de milieucontour van de bedrijvigheid. Er kan worden geconcludeerd dat er op grond van de activiteiten- en milieuzonering een evenwichtige toedeling van de functie op de locatie is. 5.9. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2.
Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd?
5.9.1. Belemmering bedrijvigheid
De woonunits aan de Groenstraat 11b kwalificeren als geurgevoelige gebouwen in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van artikel 5.110 Bkl geldt buiten de bebouwde kom een vaste afstand van minimaal 50 meter tussen een dierenverblijf van een veehouderij en een geurgevoelig gebouw. De projectlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom. Binnen een afstand van 50 meter van de woonunits zijn geen veehouderijen of dierenverblijven aanwezig. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Pagina 28 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Koekovenseweg 2. De afstand tussen het bouwvlak van deze veehouderij en de gevel van de woonunits bedraagt circa 330 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de in het Bkl voorgeschreven vaste afstand. Daarnaast is van belang dat met de voorliggende aanvraag geen nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht, maar sprake is van voortzetting van een reeds bestaande en vergunde woonfunctie binnen bestaand bouwvolume. De planologische situatie wordt daarmee niet verzwaard. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
5.9.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de projectlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrond geurbelastingkaart. Deze is opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB), zie Afbeelding 5. Als bronnenbestand van deze kaart is een export van Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen, met als peildatum maart 2025. Hieruit blijkt de kwaliteit van de leefomgeving als zeer slecht wordt gekwalificeerd. Hierin zijn onder andere het eigen bedrijf meegenomen en een bedrijf wat gestopt is (groenstraat 13). Wanneer deze buiten beschouwing gelaten worden dan zal de kwaliteit van de omgeving op de rand van redelijk goed tot matig liggen. Een dergelijk leefklimaat is in het kader van huisvesting van ontheemden aanvaardbaar.
Afbeelding 5: Uitsnede achtergrondkaart geurbelasting ODZOB
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.10. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds Pagina 29 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.10.1. Toetsing normen luchtkwaliteit
Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Sinds 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.
Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: Categorie woningbouwlocaties; Categorie kantoorlocaties; Combinatie van woningbouw en kantoren; Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het gebruiken van 9 woonunits voor de huisvesting van ontheemden. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (artikel 5.54, onder b, onder 1, Bkl). Aangezien met het initiatief slechts 9 woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.
Ten aanzien van de luchtkwaliteit is er ter plaatse sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen. De locatie ligt aan de Groenstraat die een beperkte verkeersintensiteit kent. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies opgericht; de bestaande bebouwing blijft in gebruik als manege met bijbehorende woonunits. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig gebouw opgericht. Wel dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties opnieuw te worden beoordeeld of ter plaatse sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Daarbij is van belang dat de woonunits reeds aanwezig en in gebruik zijn geweest voor de tijdelijke huisvesting van Oekraïense ontheemden en dat de ruimtelijke opzet, situering en omvang van het gebruik ongewijzigd blijven. Pagina 30 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit De verlenging van de tijdelijke huisvesting leidt niet tot een relevante toename van geluidproducerende activiteiten. Het gebruik is vergelijkbaar met een kleinschalige woonfunctie en brengt hoofdzakelijk personenautoverkeer en fietsverkeer van bewoners met zich mee. Gelet op de beperkte omvang van de ontwikkeling, bestaande uit 9 woonunits, is de verkeersaantrekkende werking gering en passend bij de ligging aan de Groenstraat. Er is geen sprake van zwaar verkeer, bedrijfsactiviteiten of installaties die tot een relevante geluidsbelasting op de omgeving of op de woonunits zelf leiden. Daarnaast worden met de aanvraag geen nieuwe geluidbronnen mogelijk gemaakt en vindt geen wijziging plaats in de fysieke situering van de woonunits ten opzichte van omliggende functies en infrastructuur. De relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu, waaronder verkeer, parkeren en de relatie met de omgeving, worden in hoofdstuk 5 van deze onderbouwing nader beoordeeld. Gelet op de aard en omvang van het gebruik kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake blijft van een aanvaardbare geluidsituatie en dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de verlenging van de tijdelijke huisvesting. 5.12.
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Pagina 31 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
5.12.1. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de kaart Register externe veiligheidsrisico’s (REV-kaart), zie Afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede REV kaart, locatie rood omkaderd
Uit de PAV-kaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het project voorziet wel in de realisatie van nieuwe (beperkte) kwetsbare objecten. Aangezien de projectlocatie niet binnen de plaatsgebonden risico contour of binnen een aandachtsgebied ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13. Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, Pagina 32 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische- en cultuurhistorische werkingsgebieden in het omgevingsplan.
5.13.1. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. De beoogde tijdelijke activiteit van het huisvesten van ontheemde Oekraïners op de locatie zal geen invloed hebben op de al dan niet aanwezige archeologische waarden, er vinden namelijk geen werkzaamheden plaats om deze activiteit mogelijk te maken. Uitsluitend de bestaande bebouwing wordt gebruikt.
5.13.2. Cultuurhistorie en landschap
Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie in een gebied met aardkundige waarden ligt, zie Afbeelding 3. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. De aanwezige aardkundige waarden zijn in paragraaf 4.2.2 reeds nader toegelicht en onderbouwd dat deze niet geschaad worden. In navolging van het Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek is de voorzijde van de locatie, de woning en de voorzijde van de manege, onderdeel van een historische dorpsstructuur. Door in de bebouwing ontheemde Oekraïners te huisvesten zal er geen afbreuk worden gedaan aan deze dorpsstructuur, er vinden namelijk geen wijzigingen aan de bebouwing plaats. 5.14. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art.
5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.
De beoogde huisvesting vindt plaats in bestaande bebouwing die reeds gebruikt is voor het huisvesten van ontheemden. Er is geen sprake van bodemingrepen. De ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen negatieve invloed op de bodem. Gezien reeds sprake was van een woonfunctie ter plaatse is het voldoende aannemelijk dat sprake is van een aanvaardbare kwaliteit van de bodem. Uit het milieudossier blijkt tevens dat er in de directe omgeving van de projectlocatie geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging aanwezig zijn geweest. Pagina 33 van 40
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 5.15. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.
5.15.1. Ondergrondse leidingen
Binnen of nabij de projectlocatie zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij de projectlocatie in beeld te brengen. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling geen gevaar opleveren voor aanwezige ondergrondse buisleidingen.
5.15.2. Hoogspanningslijnen
Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling. Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig, de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn bevindt zich op minimaal 7,5 km ten noorden van de locatie. De beoogde ontwikkeling zal daarbij niet zorgen voor een nieuw gevoelig object, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woonen leefklimaat.
5.15.3. Radarverstoringsgebied
In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl. 5.16. Trillingen Het aspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat van het omgevingsplan. Hierin zijn regels opgenomen voor het veroorzaken van trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Daarbij gelden maximale waarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De voorliggende aanvraag betreft het verlengen van tijdelijke huisvesting binnen bestaande bebouwing. Het gebruik bestaat uitsluitend uit reguliere woonactiviteiten.