Bindend Advies Bopa Tilburgseweg 25 (8 Concept onderbouwing BOPA)
Tekst van het document
3.5.3 Woonvisie 2020-2030 (en Addendum) Toetsingskader Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid op het brede vlak van ‘wonen’ opnieuw bepaald. De Woonvisie van 2009 wordt van de hand gewezen. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat voor alle inkomensgroepen voldoende mogelijkheden zijn om een passende woning te vinden. Voor mensen met een laag inkomen is het van belang dat er voldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn in de gemeente. De praktijk van de laatste jaren is dat de gemeente Hilvarenbeek met een sterk vestigingsoverschot te maken heeft. Dit zorgt voor een toenemende druk op de woningmarkt. Het gaat daarbij vaak om kapitaalkrachtige gezinnen. Het gevolg is dat starters hierdoor het onderspit delven. Ze hebben vaak te weinig vermogen om te concurreren op de woningmarkt met doorstromers en gezinnen. Daarnaast constateert de gemeente dat steeds meer senioren overwegen om de komende periode te gaan verhuizen. Daarbij is het wel van belang dat er voldoende passend woningaanbod voor deze doelgroep voorhanden is. Veel ouderen zoeken een kleine, levensloopgeschikte woning. Het liefst een grondgebonden woning met een tuintje. Een groep die vaak tussen wal en schip in valt op zoek naar een betaalbare huurwoning, is de groep spoedzoekers zonder urgentieverklaring.
Dit zijn bijvoorbeeld mensen die in een scheiding liggen of jonge starters, die niet lang genoeg ingeschreven staan om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen. Dit soort spoedzoekers krijgt vaak geen urgentieverklaring, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem. Ook voor deze doelgroep wil de gemeente voldoende geschikte woningen realiseren. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat er voor alle doelgroepen in de samenleving een plek is om te wonen in Hilvarenbeek. Jong, oud, rijk, arm, met of zonder beperkingen moet hier een woning naar zijn of haar wensen en mogelijkheden kunnen vinden. Dit houdt in dat de gemeente de komende jaren vooral woningen willen toevoegen in marktsegmenten die nu nog te beperkt aanwezig zijn. Daarbij gaat het om starterswoningen die structureel in het betaalbare segment blijven. De kwaliteit van de woningen zijn hierop aangepast. Het gaat dan om kleine woningen met één, hooguit twee slaapkamers, zodat een huishouden de woning ook weer gaat verlaten bij gezinsuitbreiding en de woning weer beschikbaar komt voor een starter.
De gemeente neemt onder andere de volgende maatregelen om bovenstaande te bewerkstellingen: • De bouw van 80 sociale huurwoningen de komende 5 jaren, zodat de gemeente in 2025 1.255 sociale huurwoningen telt; • Bij woningbouwprojecten met meer dan 20 woningen moet minimaal 15% in het sociale segment worden gebouwd. Het gaat om woningen met een huurprijs beneden de €879,66,- óf een koopprijs beneden de €236.000,-; • De gemeente onderzoekt de haalbaarheid van tijdelijke woningen voor starters en spoedzoekers die niet in aanmerking komen voor urgentie. De gemeente onderzoekt hierbij diverse financierings- en exploitatievormen. Het gaat om woonruimte die men voor een tijdelijke periode (2-3 jaar) kan huren. Bij dit proces worden Leystromen en diverse particuliere initiatiefnemers betrokken; • De gemeente gaat in gesprek met ontwikkelaars om het aanbod aan middeldure huurwoningen (€879,66,en €1.123,13,-) te vergroten. Dit is een primaire taak voor particuliere investeerders.
Pagina 22 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. •
•
•
Als onderbouwing voor de woningbouwopgave in de woonvisie is in het voorjaar van 2019 een woningbehoefteonderzoek in de gemeente Hilvarenbeek uitgevoerd. De respons van de enquête in het dorp Hilvarenbeek was 20% onder de zelfstandige huishoudens en 10% onder de starters. Bewoners geven speerpunten aan voor het woonbeleid van de gemeente. Een daarvan is het gebrek aan goedkope koopwoningen. Dit leidt ertoe dat het voor mensen die uit de sociale huurwoning naar een koopwoning willen verhuizen lastig is om een woning te vinden. Dit belemmert de doorstroming. Een tweede speerpunt is de grootte van de woningen in de sociale huurvoorraad en in de koopvoorraad. De huurvoorraad bestaat momenteel uit voornamelijk eengezinswoningen. Dit past niet bij de doelgroep van de sociale huursector. Die doelgroep bestaat namelijk meer uit een- en tweepersoonshuishoudens. Er is zowel in de sociale huursector als in de koopsector behoefte aan meer kleine woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Ten slotte zijn er veel ouderen die willen verhuizen naar een nieuwe nultredenwoning. In de huidige woning blijven wonen heeft vaak geen voorkeur, omdat men slecht ter been raakt, omdat de woning te ruim is, of een te grote tuin heeft. Met het 'Addendum Woonvisie Hilvarenbeek - Actueel streefwoningbouwkader' wordt de Woonvisie 2020 – 2030 op onderdelen geactualiseerd.
De behoefte hieraan ontstond vorig jaar als gevolg van een aantal ontwikkelingen. Op basis van de eerdere analyses geeft Hilvarenbeek een advies over het te actualiseren streefwoningbouwkader. Daarbij wordt uitgegaan van de geconstateerde behoefte, de gerealiseerde woningen in de afgelopen jaren en de richtlijnen vanuit de nationale Woon- en Bouwagenda en de Regionale Woondeal SRBT.
In onderstaande tabel staan de kaders uit de Woonvisie en het addendum op de Woonvisie 2023 (geïndexeerd in 2024).
Beoordeling Het initiatief sluit aan bij de woonwensen van de dorpsbewoners. Op het besluitgebied worden 5 sociale huurwoningen gerealiseerd, 6 betaalbare koopwoningen en 5 dure woningen (3 koopwoningen en 2 huurwoningen). Het merendeel van de woningen valt derhalve in het betaalbare segment en kunnen aangemerkt worden als kleine of middelgrote woningen. Hier is onder de bewoners van Hilvarenbeek veel vraag naar blijkt uit de woonvisie. Middels het initiatief wordt met name invulling gegeven aan de vraag naar een- en tweepersoonshuishoudens. Conclusie Met onderhavig plan wordt aansluiting gezocht bij de opgave uit de Woondeal en het Streefwoonprogramma van de gemeente Hilvarenbeek.
3.5.4 Beeldkwaliteit / Nota Ruimtelijke kwaliteit (Dorps bouwen) Toetsingskader Vanuit de Nota Ruimtelijke kwaliteit geldt voor ontwikkelingsgebieden als uitgangspunt dat het beleid met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit de ambities van de gemeente voor het gebied moet weergeven in heldere en goed gefundeerde beeldkwaliteitseisen, geformuleerd in een beeldkwaliteitplan. Ook bij nieuwe ontwikkelingen liggen de uitgangspunten en regels in de nota Dorps Bouwen uit 2013 aan de basis van het beeldkwaliteitplan.
Pagina 23 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
Beoordeling Hoewel de Nota ruimtelijke kwaliteit Hilvarenbeek als leidraad/toetsingskader voor de welstandscommissie bij een aanvraag omgevingsvergunning is opgesteld, is er bestuurlijk draagvlak voor om gedurende het planologische project al rekening te houden met de Nota ruimtelijke kwaliteit. Er zijn 10 algemene criteria over dorps bouwen, waaraan het plan dient te voldoen (pagina 20, Nota ruimtelijke kwaliteit). Hierna worden deze benoemd en getoetst aan het voorliggend initiatief. 1.
Er moet rekening gehouden worden met de ontstaanswijze. Voor historisch dorpsgebied en historisch dorps bebouwingslint gelden aanvullende welstandseisen. Het plangebied is niet gelegen aan een van deze linten in Hilvarenbeek (Gelderstraat, Diessenseweg, Paardenstraat en Doelenstraat). Vandaar dat hier geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. 2. Bij plannen moet de eigenheid van het gebied in beeld gebracht worden en het plan moet een positieve bijdrage leveren aan deze karakteristiek. De ligging tussen de Biedonk en de Tilburgseweg kenmerkt dit gebied. Het initiatief levert een bijdrage aan de diversiteit van woningbouw die bovendien passend is in de omgeving. Er wordt aangesloten bij de bestaande kavelstructuur aan de Tilburgseweg evenals is gedaan in het woningbouwplan ‘Roodloop- Tilburgsweg’. Daarin zijn aan de achterzijde van de bestaande woningen aan de Tilburgseweg meerdere bouwblokken in twee lagen met kap in een licht verspringende rooilijn geprojecteerd. De 13 appartementen vormen het sluitstuk in die bebouwingswand. 3. Bij bouwplannen is de maat en schaal van belang. Het initiatief heeft aandacht voor een menselijke maat en schaal. Enerzijds doordat met de bouwregels maximaal twee lagen met kap worden mogelijk gemaakt. Anderzijds doordat woningen op gepaste afstand van elkaar en de openbare ruimte worden georiënteerd.
Daarnaast wordt voldoende rekening gehouden met de woningen aan de Tilburgseweg welke op gepaste afstand staan van de woningen aan de Roodloop. Bovendien kunnen auto’s niet door het besluitgebied heen rijden aangezien er geen verbinding wordt gemaakt tussen de Biedonk en de Tilburgseweg. 4. In dorpen vindt weinig herhaling plaats. Het ontwerp zorgt voor een goede afwisseling in het straatbeeld, zowel qua typologieën, positionering en massa. 5. Een bouwplan moet rekening houden met groen. Voor de gemeente Hilvarenbeek betekent dit dat privégroen aanwezig moet zijn bij woningen, dat belangrijke straten moeten worden begeleid met bomen en dat buiten de centra groenstroken en wijkgroen (groter dan een groenstrook evt. met bankje, speelvoorzieningen etc.) gewenst zijn. Het initiatief biedt in de openbare ruimte voldoende mogelijkheden voor de realisatie van groenvoorzieningen. Er is voldoende privé groen aanwezig bij de appartementen op de begane grond. 6. De woningen zijn in beginsel grondgebonden of hebben die uitstraling. De appartementen in het besluitgebied hebben niet de uitstraling van een appartementencomplex/galerijflat. Doordat wordt gekozen voor twee bouwlagen met kap, zien deze er uit gelijk grondgebonden woningen. 7. In het dorp vindt functiemenging plaats. Dit is niet specifiek een doel van welstand maar van een ruimtelijke ordening.
De woningen worden op gepaste afstand gerealiseerd ten opzichte van bestaande horeca, bedrijven en sportaccommodaties. Dit is onder andere akoestisch beschouwd en er is geconcludeerd dat kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. 8. Er is een sterke relatie met het landschap. De erftoegangsweg van de nieuwe woningen takt aan op de Biedonk via de Roodloop. Deze straat vormt de noordelijke entree van het dorp. Vanaf deze weg is er een duidelijke zichtlijn op het platteland ten noorden van Hilvarenbeek. 9. Er moeten voldoende parkeervoorzieningen zijn. Het initiatief voldoet aan de gemeentelijke parkeernota. 10. Materiaalgebruik. Daar zijn geen aanvullende richtlijnen voor vanuit dorps bouwen. Het initiatief kan bij de aanvraag omgevingsvergunning voldoen aan dit onderdeel.
Conclusie Het initiatief voldoet aan de algemene criteria van het beleid voor dorps bouwen.
Pagina 24 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
4 4.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving zoals deze relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. Indien noodzakelijk zijn deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek. Rapportages van deze onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen.
4.2
M.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten bij bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Met onderhavig planvoornemen wordt woningbouw binnen het besluitgebied mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(-beoordelings)plicht. Wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Bij het wijzigen van het omgevingsplan kan het plan kaderstellend zijn voor ontwikkelingen die milieueffecten kunnen hebben. Projecten die in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Obl) staan zijn plan-mer-plichtig. Projecten die niet opgenomen zijn in bijlage V Omgevingsbesluit zijn plan-mer-beoordelingsplichtig.
Indien projecten wel voorkomen in bijlage V Obl maar onder de drempelwaarden vallen van kolom 2 uit bijlage V Obl dan is een planmer-beoordeling toelaatbaar indien: • het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; • het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In alle overige gevallen dient een plan-mer procedure gevolgd te worden. Beoordeling Onderzocht dient te worden of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen zullen de potentiële effecten, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, dusdanig beperkt zijn dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Conclusie Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten, er is voor onderhavige ontwikkeling geen milieueffectrapportage benodigd.
4.3
Ladder van duurzame verstedelijking
Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Pagina 25 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand): 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling De toets aan de ladder voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is beleidsneutraal vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) omgezet naar de Omgevingswet. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Onderhavig ruimtelijk besluit voorziet ter plaatse van het besluitgebied in de realisatie van maximaal 16 woningen en is aan te merken als één woningbouwlocatie. Derhalve is deze ontwikkeling als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het
Pagina 26 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het besluitgebied kent thans een horeca bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor het uitoefenen van een horecafunctie. Burgerwoningen zijn derhalve niet toegestaan. Het onderhavig ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het besluitgebied de bouw van woningen mogelijk. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologisch beslag op de ruimte plaats. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Op basis van de SRBT-Woondeal geldt voor de gemeente Hilvarenbeek in de periode 2022 t/m 2026 een netto minimale opgave van 435 woningen.
Naar aanleiding van de Nationale Woon- en Bouwagenda’s heeft iedere Provincie een bod ingediend met daarin haar bijdrage om de woningbouwopgaven aan te pakken. Hierbij is tevens aangegeven wat elke gemeente daarin gaat bijdragen, in de eerste plaats vooral als het gaat om de kwantitatieve opgave. Vervolgens is dit globale bod per regio verder uitgewerkt. De gemeente Hilvarenbeek heeft daarbij geparticipeerd in de totstandkoming van de Woondeal van de Stedelijke Regio Breda Tilburg (SRBT). In deze woondeal zijn de volgende richtlijnen benoemd: • Iedere gemeente voegt in de periode 2022 t/m 2026 een minimaal aantal woningen toe (voor Hilvarenbeek: 435 woningen) • Per gemeente bestaat minimaal 30% van de opgave uit sociale huurwoningen • Per gemeente bestaat minimaal 40% van de opgave uit middeldure huur- en/of betaalbare koopwoningen Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid op het brede vlak van ‘wonen’ opnieuw bepaald. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat voor alle inkomensgroepen voldoende mogelijkheden zijn om een passende woning te vinden. Voor kleine huishoudens, ouderen en starters (huishoudens met een laag inkomen) is het van belang dat er voldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn in de gemeente. Onderhavig initiatief voorziet voor een groot deel in deze woningen.
Het initiatief heeft namelijk het volgende woonprogramma: • 6 eengezinswoningen in het betaalbare segment (236.600 – 390.000) • 2 koopwoningen in het dure segment (>414.000) • 5 sociale huurwoningen (<879,66) • 1 vrijstaande koopwoning in het dure segment (>414.000) • 2 huurwoningen in het dure segment (>1.123,13) Het initiatief komt eveneens tegemoet aan de kwantitatieve opgave van ongeveer 435 woningen de komende tien jaar. Tevens wordt voldaan aan de kwalitatieve behoefte naar woningen. Het plan maakt veel goedkope woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens mogelijk. Voor een uitgebreide toetsing aan de Woonvisie 2020-2030 wordt verwezen naar paragraaf 3.5.3. Geconcludeerd kan worden dat met het initiatief een bijdrage wordt geleverd aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen in Hilvarenbeek en tevens voorziet in een bijdrage aan de regionale woningbouwopgave. d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten
Pagina 27 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het initiatief is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Hilvarenbeek. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ hoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ voorziet in een behoefte en wordt gerealiseerd binnen ‘bestaand stedelijk gebied’. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.4
Duurzaamheid
Toetsingskader Duurzaamheid is in de Omgevingswet geborgd via artikel 1.3 en 2.1. In artikel 1.3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften”. Artikel 2.1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente, provincie, Rijk of Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet, zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1.3 Ow. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Het belangrijkste instrument voor duurzame ontwikkelingen is de Omgevingsvisie van de gemeente.
In deze visie worden de duurzaamheidsdoelen benoemd. Deze doelen spelen een belangrijke rol bij het afwegen van nieuwe ontwikkelingen. Ook is het mogelijk om in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen en daarbij strengere grenswaarden op te nemen dan de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geformuleerde landelijke normen. Beoordeling Het belangrijkste instrument ten aanzien van duurzaamheid is de omgevingsvisie waarin de duurzaamheidsdoelstellingen worden benoemd. De omgevingsvisie van de gemeente Hilvarenbeek is momenteel nog in ontwikkeling. Naar verwachting wordt deze visie in 2025 ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Voor het besluitgebied en onderhavige ontwikkeling zijn geen specifieke duurzaamheidsambities vanuit de gemeente Hilvarenbeek van toepassing. In relatie de Regionale Energie- en Klimaatstrategie (paragraaf 3.3.2) wordt ingezet op een klimaatneutrale toekomst door middel van het duurzaam opwekken van elektriciteit, energiebesparing door middel van isolatie en aanpassing van de omgeving aan het veranderende klimaat, door het voorkomen van hittestress, vasthouden van regenwater om droogte te voorkomen en het beperken we wateroverlast en overstromingen door het water meer ruimte te geven. Onderstaand wordt nader ingegaan op deze aspecten.
4.4.1 Klimaatadaptatie Om zorg te dragen voor een duurzame leefomgeving wordt met de ontwikkeling aandacht besteed aan klimaatadaptatie in de vorm van het opvangen en vasthouden van hemelwater in waterbergende voorzieningen (zie paragraaf 4.6). Op basis van de uitgevoerde watertoets (zie bijlage 6) blijkt het besluitgebied ongevoelig te zijn voor toekomstige hittestress door klimaatverandering.
Pagina 28 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
4.4.2 Groen Aandacht voor groen vindt plaats in de vorm van het aanleggen van groen in de vorm van tuinen bij de woningen en openbaar groen langs wegen en parkeerplaatsen. Conclusie Met onderhavig initiatief wordt invulling gegeven aan een duurzame leefomgeving.
4.5
Gezondheid
Toetsingskader De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het thema gezondheid: • In artikel 1.3 staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. • Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk en milieubelastende activiteiten.
Beoordeling Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl (paragraaf 5.1.4) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Ook voldoende groen en speel- en sportvoorzieningen kunnen bijdragen aan (een gevoel van) een gezonde fysieke leefomgeving. In paragrafen 4.11, 4.15, 4.10 en 4.19 worden de aspecten geluid, trillingen, luchtkwaliteit en bodem behandeld. Voor het aspect geur (paragraaf 4.12) geldt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met artikel 5.91 Bkl geurgevoelige gebouwen bevat. In de omgeving van het besluitgebied zijn enkele veehouderijen gelegen. Deze ligging echter op gepaste afstand van het initiatief, dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.14.
Naast bovengenoemde aspecten heeft driftblootstelling door het spuiten van bestrijdingsmiddelen tevens invloed op gezondheid. Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is formeel indicatief. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat
Pagina 29 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Er is inmiddels veel relevante jurisprudentie t.a.v. spuitzonering die input biedt voor onderhavig initiatief. Ten noorden van het initiatief bevindt zich een agrarisch perceel, waarvan de teeltgronden tot op een afstand van 27 meter van de meest nabije nieuwe woonkavel zijn gelegen.
De gronden worden de afgelopen jaren enkel gebruikt als grasland. De agrarische gronden worden derhalve niet bespoten met bestrijdingsmiddelen. Mocht de eigenaar echter toch een gebruiksvoering willen implementeren waarbij bestrijdingsmiddelen gebruikt gaan worden, wordt deze agrariër niet beperkt aangezien ten noorden van het besluitgebied er al woningen gesitueerd zijn. Deze (gevoelige) woonbestemmingen liggen dichter op het agrarische perceel dan de geplande woningbouw ten zuiden van het agrarisch perceel. Conclusie Alle milieuthema’s zijn afzonderlijk behandeld in onderhavige ruimtelijke motivering. Voor alle aspecten kan worden geconcludeerd dat het aspect gezondheid in voldoende mate is afgewogen. De thema’s vormen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling en gesteld kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daartoe dient wél een voorwaarde aan de omgevingsvergunning voor afwijken van regels voor de fysieke leefomgeving te worden verbonden: In het kader van driftblootstelling dient een schriftelijke overeenkomst tussen gemeente, initiatiefnemer en eigenaren van de landbouwgrond te worden gesloten, waarbij de eigenaren van de landbouwgrond binnen 50 meter vanaf de nieuwe woningen aangeven geen bestrijdingsmiddelen met drift toe te passen.
Pagina 30 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
4.6
Weging van het waterbelang
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het waterschap dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Beoordeling Uitgangspunt voor de ontwikkeling is een klimaatadaptief plan. Dit betekent dat sprake moet zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarin problemen ten aanzien van watertekorten en -overlast zoveel worden voorkomen. Door middel van een watertoets (onder de Omgevingswet: ‘Weging van het waterbelang’) is onderzocht hoe binnen het besluitgebied met de waterhuishouding (waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater, waterkwaliteit en afvalwater) dient te worden omgegaan. Cincera heeft het waterhuishoudkundig plan opgesteld (zie bijlage bij de toelichting). De ontwikkeling zorgt voor een lichte afname aan verhard oppervlak. De planlocatie ligt op een nagenoeg vlakke hoogteligging. Het plangebied heeft aan de oostkant, ter hoogte van de Tilburgseweg een hoogteligging van +14.95 NAP. Aan de westkant van het plan loopt het maaiveld op tot een hoogte van +15.19 NAP. In de directe omgeving is de loop van de Roodloop te herkennen met een lagere ligging van ca. +14.05 NAP.
De opbouw van de eerste 5m -mv is een matig doorlatende deklaag bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind. Deze matig doorlatende laag ligt boven op een sterk waterdoorlatende zandige eenheid tot een diepte van ca. 25m -mv. De sterk doorlatende laag bevat grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. In de waterhuishoudkundige plannen voor zowel de ontwikkeling ‘De Biedonk’ alsmede de ontwikkeling ‘Hilverhorst’ en ‘Roodloop’, is de GHG vastgesteld op +13.95m NAP. De ontwikkeling Tilburgseweg 25B/25C is direct tegen deze ontwikkelingen gelegen. Het is dan ook aan te nemen dat de GHG gezien de geringe afstand in alle drie de plannen gelijk is. Er wordt een GHG aangehouden van 13.95 + NAP. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater via nieuwbouwplan de Roodloop afgevoerd richting een wadi. De ontwikkeling op de onderzoek locatie heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met 551 m2. Voor het verhard oppervlak binnen de nieuwbouwontwikkeling ‘Roodloop’ en ‘Biedonk’ moet op basis van het stedenbouwkundig ontwerp van deze ontwikkelingen 747 m³ regenwaterberging aangelegd worden.
De wadi’s binnen de nieuwe ontwikkeling hebben een bergingscapaciteit van 816 m³. Er is een overcapaciteit van 69 m³.
Pagina 31 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Aangezien bovengenoemde nieuwbouwontwikkelingen worden gerealiseerd door dezelfde ontwikkelaars als het plan Tilburgseweg 25 kan deze overcapaciteit worden benut voor dit plan. Volgens het Riool- en Waterprogramma 2022-2026 en het Hemel- en Grondwaterbeleid van de gemeente Hilvarenbeek geldt een bergingsverplichting voor nieuw verhard oppervlak, wanneer dit groter is dan 250 m². Sloop wordt hierbij niet verrekend. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). In de toekomstige situatie zal 2331 m2 van het besluitgebied verhard zijn. Hierbij hoort een bergingsopgave van 139,9 m3. Door de overcapaciteit van het plan Roodloop kan 69 m3 worden opgevangen in de wadi behorend bij het plan Roodloop. De overige 73 m3 kan worden opgevangen in een wadi welke gerealiseerd zal worden achter en naast de aanwezige transformator en het rioolgemaal gelegen aan de Biedonk. In totaal is er derhalve voldoende bergingscapaciteit aanwezig in de buurt van het initiatief. Wanneer de wadi ‘Roodloop’ vol zal lopen zal deze overlopen naar de wadi ‘Biedonk’.
Middels een leiding met een diameter van 315 mm worden deze met elkaar verbonden. Voor de toekomstige situatie zijn een aantal uitgangspunten bepaald die betrekking hebben op de waterhuishoudkundige situatie. • De private buitenruimte wordt voor 50% verhard. Dit is de richtlijn voor de benodigde verharding voor tuinpaden, terrassen en overige verharding; • De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in een gesloten verharding; • Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd en in de omgeving van het plangebied geïnfiltreerd. Al het verhard oppervlak van het plangebied zal aangesloten worden op het hemelwaterriool van nieuwbouwplan ‘de Rooploop’. Hierbij wordt de druk op het DWA hoofdriool tijdens piekneerslag verlaagd. De aan te leggen infiltratieriolering wordt aangesloten op het bestaande infiltratieriool welke is gelegen in de nieuwe straat Bastiaan. Het gescheiden stelsel voert het water af naar de wadi ten westen van het plangebied. Het hemelwater infiltreert lokaal. Indien de wadi zijn volledige bergingscapaciteit bereikt heeft, dan wordt er dus doormiddel van een overstort het water afgevoerd richting wadi ‘Biedonk’. Voor de nieuwe vrijstaande woning wordt een nieuwe DWA aansluiting gerealiseerd op het hoofdriool gelegen in de Tilburgseweg. De appartementen worden aangesloten op het riool in de straat Bastiaan ten westen van het plangebied.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat met onderhavig planvoornemen op basis van een afgewogen ‘weging van het waterbelang’ sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het verdient de aanbeveling onderstaande voorwaarden op te nemen bij de vergunning voor het afwijken van de regels voor de fysieke leefomgeving. •
• • • • •
Bij een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen dient concreet te worden aangetoond dat het bouwplan voorziet in voldoende waterberging. Daarbij geldt dat de overcapaciteit in de huidige wadi’s in het ontwikkelgebied, gelijk aan het bestemmingsplan ‘Hilvarenbeek Noord, Roodloop – Tilburgseweg’, gebruikt mag worden. Ontwikkelaar dient ‘toestemming’ hiervoor te hebben van Gispro BV. Het talud van de wadi’s bedraagt minimaal 1:3. Hemelwater dient aangesloten te worden op het bestaande hemelwaterafvoer 315 mm stelsel. Parkeervakken worden bij voorkeur waterdoorlatend uitgevoerd. Het droogwaterafvoer op het gemengd stelsel in de Tilburgseweg moet voorzien worden van een terugslagklep in verband met luchtinsluiting. Het instroompunt in de wadi moet zo ver mogelijk bij bomen verwijderd worden geplaatst vanwege bladafval.
Pagina 32 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
4.7
Verkeer en parkeren
4.7.1 Verkeersgeneratie Toetsingskader De verkeersgeneratie van functies, het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeers- en parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeeld te worden. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie die het planvoornemen met zich meebrengt dienen de kengetallen van het CROW te worden geraadpleegd. De cijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad en woonmilieu. Het besluitgebied ligt (in de toekomstige situatie) binnen de zone ‘rest bebouwde kom’ in een ‘weinig stedelijk’ gebied. In het kader van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de benodigde parkeerplaatsen duurzaam kan worden voorzien. Voor het bepalen van de parkeervraag is derhalve aansluiting gezocht bij de gemiddelde parkeernorm zoals deze geldt op basis van het toetsingskader voor bouwontwikkelingen ‘Parkeerbeleidsplan Hilvarenbeek’.
Beoordeling Onderstaande tabel duidt de gemiddelde verkeersgeneratie op basis van het woningbouwprogramma: Functie ‘Koop, huis, tussen/hoek’ ‘Koop, huis, twee-ondereen-kap’ ‘Koop, huis, vrijstaand’ ‘Bungalowpark’ (b&B) Totaal
Gemiddelde (mvt/etmaal) 7,4 7,8 8,2 2,2
norm
Aantal 13 2 1 4
Totaal aantal voertuigen per etmaal 101,8 16,4 8,6 9,2 136
Het verkeer wordt ontsloten via de Biedonk. De Tilburgseweg kan worden aangemerkt als een gebiedsontsluitingsweg. Dit wegtype kan, in geval van 2 maal 1 rijstrook, 1.400 tot 1.600 motorvoertuigen per uur aan. Omgerekend naar een etmaal gaat het om 33.600 tot 38.400 motorvoertuigen. De huidige intensiteit van de Tilburgseweg is circa 10.000 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag. De Tilburgseweg heeft voldoende restcapaciteit om dit extra verkeer af te wikkelen.
4.7.2 Parkeren Naast de verkeersgeneratie dient er tevens gekeken te worden naar het aspect parkeren. Voor onderhavig initiatief komt het aspect parkeren op het volgende neer: Voor het bouwblok met 13 appartementen geldt de volgende parkeerbehoefte: 5x1,4 (sociale huurappartementen) + 6 x 1,6 (goedkope appartementen) + 2 x 2,1 (dure appartementen) = 20,8. Op basis van aanwezigheidspercentages kan men de werkdagavond aanhouden voor de maximale parkeerbehoefte. Dan wordt de parkeerbehoefte: 5*1,1*0,9 (5) + 5*0,3*0,8 (1,2) + 6*1,3*0,9 (7) + 6*0,3 *0,8 (1,4) + 2*1,8*0,9 (3,2) + 2*0,3 *0,8 (0,5) = 18,3 parkeerplaatsen
Pagina 33 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Er is afgerond behoefte aan 18 parkeerplaatsen, blijkt uit bovenstaande berekening. In het schetsontwerp zijn 16 parkeerplaatsen aanwezig aan de achterzijde van de appartementen. Daarmee wordt nog niet meteen voldaan aan de parkeerbehoefte. In het bestemmingsplan “Hilvarenbeek Noord, Roodloop – Tilburgseweg”, vastgesteld op 12 juli 2023, is een overschot van 2,2 parkeerplaatsen in het noordelijke deelgebied van dat plan, blijkt uit de bijbehorende parkeerbalans (bijlage 2 van de toelichting). Zodoende wordt toch voldaan aan de parkeernormennota. Voor de zijde Tilburgseweg geldt: 2 appartementen in het dure segment 4,2 pp (=2 x 2,1), 4 kamers B&B 4 pp, vrijstaande koop 2,3 pp. Eenzelfde berekening als hierboven geeft: 2*1,8*0,9 (3,2) + 2*0,3*0,8 (0,5) + 4 (4) + 2,0*0,9 (1,8) + 0,3*0,8 (0,24) = 9,74 parkeerplaatsen
Er is een parkeerbehoefte van afgerond 10 parkeerplaatsen. Binnen dit deelgebied zijn er 10 parkeerplaatsen aanwezig op eigen terrein. Er wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Het oostelijk deel van het besluitgebied wordt ontsloten via de Tilburgseweg. Het westelijk deel van het besluitgebied wordt ontsloten via de Biedonk. Er wordt voor het toekomstig autoverkeer geen mogelijkheid gerealiseerd om via de Tilburgseweg naar de Biedonk te rijden. Conclusie Er wordt voorzien in voldoende ruimte om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Bij een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen dient concreet te worden aangetoond dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Tevens dient te worden gezorgd voor de afbouw van de openbare ruimte, waarvoor de ontwikkelende partij in gesprek moet treden met de gemeente. Voor de ontwikkeling is gebruik van de Biedonk en de Roodloop noodzakelijk. Hiervoor dient de ontwikkelaar een plan aan te leveren bij de gemeente. Het verdient de aanbeveling om deze voorwaarden op te nemen bij de vergunning voor het afwijken van de regels voor de fysieke leefomgeving.
4.8
Ecologie / natuurwaarden
Toetsingskader Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten.
Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.
Pagina 34 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Beoordeling Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is in januari 2025 een Quisckan Flora- en fauna-activiteit uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. Van het plan zijn negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen bebouwing. Wel is een ontheffingsaanvraag in het kader van een Flora- en fauna-activiteit noodzakelijk met een worst-case benadering. Het is eveneens noodzakelijk om via een worst-case benadering een ontheffingsaanvraag in het kader van een Flora- en fauna-activiteit in te dienen m.b.t. een verblijfplaats voor de huismus. Bij verstoring van broedvogels dient men te werken volgens een goedgekeurd werkprotocol, om te verzekeren dat geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor overige soorten is de zorgplicht van toepassing. Conclusie Een ontheffing Wet natuurbescherming voor vleermuizen en de huismus is benodigd bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwtechnisch deel. Het ligt in de lijn der verwachting dat deze ontheffingen worden verleend. Het aspect ecologie/natuurwaarden vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Het verdient de aanbeveling dit als voorwaarde op te nemen bij de vergunning voor het afwijken van de regels voor de fysieke leefomgeving.
4.9
Stikstof
Toetsingskader Met de invoering van de Omgevingswet is de Wet natuurbescherming komen te vervallen. Dit houdt in dat het beschermen van natuurwaarden nu onder andere terechtkomt in het Omgevingsplan. Bij een wijziging van een omgevingsplan moet een afweging gemaakt worden over een Natura 2000-activiteit. Hieronder wordt het volgende verstaan: “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied”. Middels een AERIUS-berekening dient aangetoond te worden dat er in de realisatie- en gebruiksfase of er sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Beoordeling In het stikstofdepositieonderzoek van De Roever Omgevingsadvies is voor de aanlegfase en gebruiksfase van de ontwikkeling aan de Tilburgseweg 25 in Hilvarenbeek de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.
Daarnaast blijkt uit berekeningen dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten (de Belgische Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer van het plangebied) ook niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie Stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden ondervinden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000activiteit. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader Overheden dragen bij nieuwe ontwikkelingen zorg voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op grond van de algemene zorgplicht voor het woon- en leefmilieu dienen overheden de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit af te wegen. Dit wordt met de invoering van de Omgevingswet gewaarborgd in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1 Kwaliteit van de buitenlucht).
Pagina 35 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Bij nieuwe ontwikkelingen dient getoetst te worden of de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit worden overschreden. Daarnaast dient te worden getoetst aan mogelijk aanwezige omgevingswaarden die provincies en gemeenten hebben vastgesteld. Eveneens heeft het Rijk aandachtsgebieden vastgesteld waar de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit reeds worden overschreden of de achtergrondconcentratie dermate hoog is, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Binnen deze aandachtsgebieden verzamelen gemeenten en provincies gegevens voor de monitoring van de luchtkwaliteit. Indien een ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, vormen de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dit kan op twee manieren getoetst worden: • Een ontwikkeling valt onder de standaardgevallen, binnen de grenzen van artikel 5.54 van het Bkl.
Deze standaardgevallen beslaan de ontwikkeling van een beperkt aantal veelal woningen, kantoren of een combinatie van beiden; • Het maken van een berekening met de NIBM-tool om aan te tonen dat de toename minder bedraagt dan 1,2 µg/m3. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Verder is het aan de gemeente om beoordelen of er nog extra maatregelen nodig zijn om de luchtkwaliteit op een aanvaardbaar niveau te krijgen. De gemeente kan dit doen door lokale omgevingswaarden te formuleren. De gemeente dient bij nieuwe ontwikkelingen zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op grond van de algemene zorgplicht voor het woon- en leefmilieu dient de gemeente de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit af te wegen. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 16 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.
Het besluitgebied is bovendien niet gelegen in een door het Rijk aangewezen aandachtsgebied (artikel 5.51 Bkl) voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10). Sinds 1 januari 2023 is het CIMLK het nieuwe instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en per 1 januari 2024 de Omgevingswet (Ow). Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt op circa 0,5km ten oosten van het besluitgebied, namelijk aan de N269. Hieruit volgt dat ter plaatse de jaargemiddelde concentraties NO2 13,0 µg/m³, PM10 17,1 µg/m³ en PM2,5 9,6 µg/m³ betreffen. De concentraties blijven hiermee ruim onder de gestelde grenswaarden, zoals opgenomen in artikel 2.4 en 2.5 Bkl (NO2: 40 µg/m³, PM10: 40 µg/m³ en PM2,5: 25 µg/m³). Hiermee wordt bovendien ook voldaan aan de WHO advieswaarden uit 2005 (NO2: 40 µg/m³, PM10: 20 µg/m³ en PM2,5: 10 µg/m³). Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit binnen het besluitgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het Schone Lucht Akkoord (SLA) is afgesproken in 2030 te voldoen aan de WHO-advieswaarden voor stikstofoxiden en fijnstof uit 2005. De WHO heeft deze advieswaarden in september 2021 verder aangescherpt. De WHO heeft echter geen jaartal genoemd waarin de waarden moeten zijn bereikt.
Het blijkt dat de waarden alleen met een ingrijpend pakket aan maatregelen in 2030 kunnen worden gehaald. De maatregelen zouden dan
Pagina 36 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. zowel voor Nederland als de rest van Europa moeten gelden. Onderhavig planvoornemen is niet van dusdanige schaal dat hier direct aan kan worden bijgedragen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.11 Geluid Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel. Dit aandachtsgebied is het gebied langs het wegennetwerk waarbinnen (zonder rekening te houden met afschermende objecten) de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB voor het Lden. Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar.
Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door het verkeer op de gemeentewegen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden beschreven. Daarnaast moet in het omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer). Naast het vaststellen van het gezamenlijke geluid moet in de motivering ook worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten. Tot slot moeten ook de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het
Pagina 37 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd. Beoordeling Door Aveco de Bondt is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het aspect geluid ten behoeve van fase II van de ontwikkeling van het perceel Tilburgseweg 25 in Hilvarenbeek. Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen, deze dienen te worden aangemerkt als nieuwe geluidgevoelige gebouwen in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 63 Lden bedraagt op de appartementen aan de Tilburgseweg. Daarnaast blijkt het geluid door gemeentewegen 57 Lden te bedragen op de vrijstaande woning. Deze woningen zijn beiden voorzien met een geluidluwe gevel waardoor het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 70 Lden niet. Deze waarden zijn alleen gemeten ter hoogte van de bestaande bebouwing aan de Tilburgseweg.
Conclusie Het verdient de aanbeveling het volgende voorschrift bij de vergunning voor afwijken van de regels voor de fysieke leefomgeving op te nemen: “Bij de bescheiden voor de omgevingsvergunning voor het bouwen dient een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de beoogde appartementen aan de Tilburgseweg 25 en de nieuwe vrijstaande woning (Tilburgseweg 23E) te worden uitgevoerd.” Met best beschikbare technieken aan de gevel, zoals gevelisolatie, het toepassen van specifieke ventilatieroosters, kan voor de woningen aan de zijde van de Tilburgseweg een aanvaardbaar akoestisch binnenklimaat worden bereikt. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.