CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bindend Advies Bopa Notelstraat 39 (3 concept onderbouwing EFTAL)

Gemeenteraad 6 november 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies “Notelstraat 39”.10.265 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Functie bedrijventerrein Notelstraat 39, Esbeek

Datum:

Pagina 1 van 35

Augustus - 2024

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

1

Inhoud

Samenvatting........................................................................................................................................... 3 1

Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1

2

3

4

5

Huidige situatie en nieuwe situatie ................................................................................................. 5 2.1

Beschrijving huidige situatie .................................................................................................. 5

2.2

Beschrijving nieuwe situatie .................................................................................................. 5

2.3

Beschrijving strijdigheid ......................................................................................................... 6

Toetsing aan beleid ......................................................................................................................... 7 3.1

Toetsing rijksbeleid. ............................................................................................................... 7

3.2

Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening ........................................................... 9

3.3

Toetsing beleid waterschap ................................................................................................. 11

3.4

Toetsing gemeentelijk beleid. .............................................................................................. 12

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ..................................................................................... 15 4.1

Gezondheid .......................................................................................................................... 15

4.2

Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed .............................................................................. 15

4.3

Bodem .................................................................................................................................. 17

4.4

Ecologie ................................................................................................................................ 18

4.5

Geluid ................................................................................................................................... 20

4.6

Geur ..................................................................................................................................... 21

4.7

Luchtkwaliteit....................................................................................................................... 22

4.8

M.e.r- beoordeling ............................................................................................................... 24

4.9

Milieubelastende activiteiten .............................................................................................. 24

4.10

Omgevingsveiligheid ............................................................................................................ 26

4.11

Verkeersgeneratie,- afwikkeling & (fiets)parkeren.............................................................. 27

4.12

Weging waterbelang ............................................................................................................ 27

Participatie .................................................................................................................................... 32 5.1

6

Inleiding en aanduiding projectgebied .................................................................................. 4

Verplichte participatie ......................................................................................................... 32

Financiële haalbaarheid ................................................................................................................ 33 6.1

Kostenverhaal ...................................................................................................................... 33

6.2

Nadeelcompensatie ............................................................................................................. 33

7

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties ........................................................ 34

8

Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan ........................................... 35

Pagina 2 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Samenvatting De aanleiding voor het opstellen van de motivering voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA) onder de Omgevingswet betreft de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal aan de Notelstraat 39 te Esbeek, gemeente Hilvarenbeek. Hierbij wordt de bedrijfshal aan de noordzijde uitgebreid ten behoeve van de huidige bedrijfsvoering. Beoogd wordt om 633 m² vloeroppervlakte toe te voegen aan de bestaande hal van 361 m². In voorliggende motivering BOPA wordt getoetst aan de beleidskaders op Rijks- provinciaal en gemeentelijk niveau. Er is onder andere getoetst aan de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en de Structuurvisie van de gemeente Hilvarenbeek. Het planvoornemen is in lijn met het gestelde beleid. Na uitgebreid onderzoek naar relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving wordt geconcludeerd dat het plan geen nadelige effecten heeft en zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie, waardoor de ontwikkeling als aanvaardbaar wordt beschouwd. Voor een nadere beoordeling van het planvoornemen wordt voorliggende motivering toegestuurd naar verschillende overleginstanties. De initiatiefnemer zal met de gemeente en anterieure overeenkomst sluiten om de kosten voor de begeleiding van het BOPA en de daarbij behorende procedures te verzekeren.

Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd. Op basis van de toetsing aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap en de toetsing aan de aspecten voor de fysieke leefomgeving wordt geconcludeerd dat het plan geen nadelige effecten heeft en zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies.

Pagina 3 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

1 1.1

Inleiding Inleiding en aanduiding projectgebied

De aanleiding voor het opstellen van de motivering voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA) onder de Omgevingswet betreft de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal aan de Notelstraat 39 te Esbeek (gemeente Hilvarenbeek). Hierbij wordt de bedrijfshal aan de noordzijde uitgebreid ten behoeve van de huidige bedrijfsvoering. Beoogd wordt om 633 m² vloeroppervlakte toe te voegen aan de bestaande bedrijfshal van 361 m². Het projectgebied is kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie L, perceelnummer 1479 met een oppervlakte van 1.963 m². Het projectgebied maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein De Mierbeek. De directe omgeving van de Notelstraat 39 wordt gekenmerkt door grijskleurige bedrijfshallen met platte daken tot een maximale bouwhoogte van 7,5 meter. Aan de noordzijde wordt het projectgebied begrenst deels door de bedrijfshal van een sanerings- en grondverzetbedrijf en deels een watergang. Verder noordelijk is een opslagterrein gelegen van een verhuurbedrijf. Het bedrijf is gespecialiseerd in de verhuur van opleggers, trekkers, terminaltrekkers en meeneem heftrucks. Aan de oostzijde van het projectgebied grenst een bedrijfshal behorende tot het aannemersbedrijf. Aan de zuidzijde van het projectgebied grenst de Notelstraat met daarachter een continuering van het bedrijventerrein inclusief complementaire bedrijfswoningen.

Aan de westzijde grenst het projectgebied aan de bedrijfshal behorende bij de autohandelaar. De eerder genoemde watergang met daarachter het opslagterrein van het verhuurbedrijf grenst eveneens aan de westzijde van het projectgebied.

Ligging projectgebied (projectgebied rood omkaderd)

Pagina 4 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

2

Huidige situatie en nieuwe situatie

2.1 Beschrijving huidige situatie Onderhavig projectgebied is gelegen aan de Notelstraat 39 te Esbeek op het bedrijventerrein De Mierbeek. Aan de zuidzijde van het projectgebied is een bedrijfshal gevestigd met een oppervlakte van 361 m². Het voorste gedeelte van de bedrijfshal bestaat uit donkerkleurig gevelmetselwerk met overheaddeur en raampartijen. De entree van de bedrijfshal is wit geverfd. De achterzijde van de bedrijfshal bestaat uit grijskleurige gevelbeplating met eveneens een overheaddeur en raampartijen. De bedrijfshal is voorzien van een plat dak en heeft een bouwhoogte van circa 6 meter. Op het achterterrein van de bedrijfshal is een verhard terrein aanwezig waarop zonnepanelen zijn opgesteld.

Voor- en bovenaanzicht projectgebied

2.2 Beschrijving nieuwe situatie Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal. Aan de achterzijde van de bestaande bedrijfshal wordt een koppeling gebouwd van circa 100 m². De koppeling verbindt de oude bedrijfshal met de beoogde bedrijfshal. De oppervlakte van de beoogde uitbreiding bedraagt circa 533 m², waardoor de totale uitbreiding circa 633 m² bedraagt. Vanuit een stedenbouwkundig perspectief sluit de uitstraling en de bouwhoogte van de beoogde bedrijfshal aan bij de bestaande bedrijfshal, namelijk circa 6 meter. Om de beoogde bedrijfshal te realiseren worden de zonnepanelen op het achterterrein verwijderd.

Pagina 5 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Schetsontwerp beoogde situatie

2.3

Beschrijving strijdigheid

Het projectgebied maakt onderdeel uit van het tijdelijk Omgevingsplan Hilvarenbeek, zoals in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijk Omgevingsplan bestaat uit de Bruidsschat, alle ruimtelijke gemeentelijke regels en bestemmingsplannen. Ter plaatst van het projectgebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kern Esbeek en bedrijventerrein De Mierbeek’, zoals vastgesteld op 20 december 2017. Verder ligt het ontwerpbestemmingsplan ‘Esbeek en Hilvarenbeek’ ter plaatse van het projectgebied. De planlocatie kent de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en de maatvoeringaanduidingen ‘maximum bebouwingspercentage 80%’ en ‘maximum goot- en bouwhoogte 7,5 m’. Bouwen van bouwwerken is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Voorgenomen bouwplan betreft een uitbreiding van de bestaande bedrijfshal. De beoogde nieuwbouw wordt gebouwd op een afstand van circa 3 en 5 meter van de perceelsgrens. Hierdoor ligt de uitbreiding circa 5 en 3 meter buiten het bouwvlak. Voorgenomen bouwplan is derhalve niet rechtstreeks toelaatbaar binnen de regels van het geldende (tijdelijke) Omgevingsplan.

Pagina 6 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

3

Toetsing aan beleid

3.1

Toetsing rijksbeleid.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstellen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan.

Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam voor klimaatadaptie en energietransitie; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Toetsing Door het nationale kader van de NOVI en de relatief kleine schaal van onderhavig plan, heeft het voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationale kader. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Conclusie De NOVI vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

Pagina 7 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

In hoofdstuk 5 van het Bkl staan instructieregels voor zowel een omgevingsplan als buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van activiteiten, externe veiligheid en cultureel erfgoed. Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat zijn: • • • • • • •

•

waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

In voorliggende motivering wordt nader, wanneer van toepassing, ingegaan op de bovengenoemde hoofdonderwerpen uit het Bkl. Ladder voor duurzame verstedelijking Een van de instructieregels uit het Bkl betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze instructieregel is voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Bij een nieuwe woningbouwontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Toetsing Onderhavig planvoornemen betreft de uitbreiding van de bedrijfsloods aan de Notelstraat 39 te Esbeek. De uitbreiding wordt, grotendeels, gebouwd binnen het bestaande bouwvlak. In de beoogde situatie wordt het maximale bebouwingspercentage van 80% niet overschreden. Een gedeelte van de beoogde uitbreiding wordt gebouwd buiten het bestaande bouwvlak.

Het gedeelte dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd bedraagt minder dan 500 m². Ruimtebeslag van minder dan 500 m² wordt ‘in beginsel’ niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Pagina 8 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Omdat de uitbreiding van de bedrijfshal grotendeels binnen het bestaand bouwvlak wordt gebouwd en er minder dan 500 m² buiten het bouwvlak wordt gebouwd, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de ladder is niet noodzakelijk. Conclusie Verdere toetsing aan de Ladder is voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

3.2

Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De Omgevingsvisie Noord-Brabant is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een Omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. In december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijke ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De Omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Noord-Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven komen voort vanuit de basisopgave.

De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beleidsmatige uitgangspunten van de Omgevingsvisie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, uitgewerkt in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant Per 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant in werking getreden. In hoofdstuk 4 en 5 van de Omgevingsverordening stellen de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant instructieregels, met als doel dat de gemeenteraad (of in voorkomend geval het college van burgemeester en wethouders) de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan. De instructieregels uit deze hoofdstukken zijn ook van toepassing op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepaalt de wet dat de instructieregels uit deze verordening gelden als beoordelingsregels voor de vergunningverlening. Voor onderhavige projectlocatie zijn de volgende instructieregels c.q. beoordelingsregels van toepassing. Het projectgebied valt volgens de Omgevingsverordening onder de volgende relevante gebieden: a) Stedelijk gebied (basiskaart stedelijk gebied, landelijk gebied, natuurnetwerk Brabant) b) Attentiezone geluid provinciale weg (instructieregels gemeenten, waterschappen en gedeputeerde Staten: infrastructuur) Pagina 9 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Stedelijk gebied (artikel 5.55)

Uitsnede TAM-Omgevingsverordening (projectgebied rood omkaderd)

Voor het onderwerp ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen. Hierin is opgenomen dat een plan voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen Stedelijk gebied. Een onderbouwing omschrijft of de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het planvoornemen een duurzame verstedelijking is. Artikel 5.55 lid 3 geeft een nadere bepaling van een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ voor bedrijventerreinen: Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, stelt het omgevingsplan regels over: a. Een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. Het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, zoals: a. Bedrijfswoningen; b. Bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden; c. Voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden. De beoogde uitbreiding van de bestaande bedrijfshal is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 5.55 lid 3 mits passend binnen aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang. De beoogde uitbreiding vindt plaats binnen een reeds bestaand bedrijventerrein en past binnen de huidige kavelomvang.

Er wordt dan ook voldaan aan de maximale bebouwingsgrens van 80%, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan en ontwerpbestemmingsplan. Pagina 10 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

De beoogde uitbreiding wordt gerealiseerd ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf. Het planvoornemen voorziet dan ook niet in een ontwikkeling die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperkt. Attentiezone geluid provinciale weg (artikel 5.27) Een omgevingsplan ter plaatse de Attentiezone geluid provinciale weg laat alleen geluidgevoelige gebouwen toe met een geluidsbelasting tussen de 55 dB Lden en 60dB Lden als is geborgd dat ten minste bij één geluidgevoelige ruimte een geluidluwe zijde aanwezig is met ten minste één te openen deel. Toetsing aan het milieubelastende activiteit ‘geluid’ wordt getoetst in paragraaf 4.5 van voorliggende motivering. Op basis van deze toetsing kan geconcludeerd worden dat het de beoogde ontwikkeling geen geluidgevoelig gebouw is. In het kader van geluid is sprake van een evenwichtige toedeling van functie. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (art. 5.7) Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in artikel 5.7 van de Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Hiervoor moet rekening worden gehouden met: a) zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8); b) de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9); en c) meerwaardecreatie (artikel 5.10). Het planvoornemen betreft een toedeling van functies binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing (bestaand stedelijk gebied), waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De lagenbenadering betreft zaken welke in hoofdstuk 5 en 6 nader worden uitgewerkt, zoals archeologie, bodem en flora en fauna. Met het planvoornemen wordt hier zodoende in voldoende mate rekening mee gehouden. De meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in het gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Met de ontwikkeling ontstaat een kwalitatieve- en kwantitatieve meerwaardecreatie omdat de bedrijvigheid ter plaatse van het bedrijventerrein De Mierbeek wordt bevorderd.

3.3

Toetsing beleid waterschap

Het beleid van het waterschap wordt getoetst in de waterparagraaf van voorliggende motivering. De waterparagraaf is opgenomen als paragraaf 4.12. Vanuit het aspect water is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Pagina 11 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

3.4

Toetsing gemeentelijk beleid.

3.4.1 Structuurvisie Hilvarenbeek 2010 De gemeente Hilvarenbeek heeft op 25 februari 2010 de Structuurvisie Hilvarenbeek vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Uiteraard wil de gemeente ontwikkelingen voorkomen die afbreuk doen aan de toekomst van de gemeente. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Bij sommige ontwikkelingen zal de gemeente zelf als initiatiefnemer fungeren, bij andere ontwikkelingen is de gemeente afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen en burgers. In de structuurvisie wordt eerst voor de gehele gemeente een visie gegeven met betrekking tot het ruimtelijke karakter, wonen en de woonomgeving, welzijn en voorzieningen, economie en werken en mobiliteit en bereikbaarheid. In de uitvoeringsparagraaf van de structuurvisie zijn deze aspecten per kern beschreven. Het ruimtelijk karakter van de 6 dorpen en het buitengebied van de gemeente vormt een belangrijk onderdeel van een goede woon- en leefomgeving en daarmee van het woongenot in Hilvarenbeek. De gemeente ziet het behoud en beschermen van het ruimtelijk karakter als basisverantwoordelijkheid.

Voor het beoordelen van initiatieven van derden zijn de beleidsuitgangspunten uitgewerkt in toetsingscriteria per kern. De toetsingscriteria voor de kern Esbeek zijn onderstaand weergegeven. Esbeek Ten zuiden van Hilvarenbeek is de kern Esbeek gelegen. Esbeek is een kransakkerdorp, ontstaan door het bouwen van buurtschappen rondom de bolle akkers. De ringvormige structuur is gecombineerd met de verbindingsweg naar Hilvarenbeek en De Mierden. De Esbeekseweg liep via de Oude Trambaan, en de Dorpsstraat naar Lage Mierde. Later is de verbindingsweg recht getrokken. Hierdoor werd de oorspronkelijke ringstructuur van Esbeek doorbroken. De Oude Trambaan verloor hiermee haar doorgaande route. Met de aanleg van de N269 werd de ringstructuur ter hoogte van de Groenstraat en de Oude Groenstraat verder verstoord. De velden ten noorden en zuiden van de Oude Trambaan zijn als woongebied ontwikkeld. Dit lag voor de hand omdat met de N269 een eventuele oostelijke ontwikkeling van Esbeek was voorkomen. Het resterende deel van de Groenstraat heeft daardoor haar oorspronkelijk karakter grotendeels kunnen behouden. De zone tussen N269 en Esbeekseweg is recent ontwikkeld als bedrijventerrein. De goede bereikbaarheid van de locatie is hiervan een van de oorzaken geweest. De in 1900 opgerichte Steenfabriek van de familie Zeebregts gaf bovendien al vroeg de aanleiding voor bedrijvigheid in dit gebied.

Pagina 12 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Uitsnede Structuurvisie Hilvarenbeek 2010 (projectgebied aangeduid met gele ster)

Onderhavig projectgebied is gelegen op het bedrijventerrein De Mierbeek. Voor nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen gelden op basis van de Structuurvisie Hilvarenbeek 2010 de volgende toetsingscriteria: Ruimtelijk karakter 1. De gemeente zal een onderzoek doen naar een geschikte nieuwe locatie voor een nieuw bedrijventerrein. Als het bestaande terrein niet meer over voldoende capaciteit beschikt zal een nieuwe bedrijfslocatie elders in de gemeente Hilvarenbeek worden ontwikkeld. Een uitbreiding van het bedrijventerrein aan de noordzijde moet voorkomen worden; 2. Herstructurering van de locatie van de Oude Steenfabriek en daarmee de intensivering, zowel in bebouwingspercentage als bouwhoogte is mogelijk mits het ruimtelijk karakter van de Esbeekseweg niet zal worden verstoord; 3. Voldaan moet worden aan de algemeen beleidsuitgangspunten zoals beschermen in het themabeleid. Economie en werken 1. Nieuwe bedrijvigheid op de locatie van de Oude Steenfabriek, kan tot maximaal milieucategorie 4 behoren, mits de feitelijke milieuhinder voor de omliggende hindergevoelige objecten zal passen binnen algemene milieunormen; 2. Voldaan moet worden aan de algemene beleidsuitgangspunten zoals beschreven in het themabeleid. Mobiliteit 1. Nieuwe initiatieven dienen te voldoen aan de CROW-normering voor parkeren; 2.

Voldaan moet worden aan de algemene beleidsuitgangspunten zoals beschreven in het themabeleid.

Pagina 13 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Toetsing Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal aan de Notelstraat 39 te Esbeek. De uitbreinding vindt plaats op het achterterrein van het reeds bestaande bedrijf, waardoor er geen noodzaak is voor de gemeente Hilvarenbeek om een geschikte locatie te zoeken. De beoogde uitbreiding voldoet eveneens aan de ter plaatse gestelde maximum bebouwingspercentage, bouwhoogte en milieucategorie. Het planvoornemen is derhalve in lijn met de gestelde toetsingscriteria voor het ruimtelijke karakter en economie en werken. De toetsingscriteria voor mobiliteit vindt plaats in paragraaf 4.11 van voorliggende motivering. Op basis van deze toetsing kan gesteld worden dat in het kader van mobiliteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Conclusie Voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk beleid.

Pagina 14 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4 4.1

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Gezondheid

4.1.1 Wettelijk kader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. In artikel 2.1 lid 4 van de wet is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid via instructieregels of omgevingswaarden voor bodem, geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht, milieubelastende activiteiten, mobiliteit, natuur, omgevingsveiligheid, water en de m.e.r-beoordeling. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben.

4.1.2 Uitkomst onderzoek De bovengenoemde aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd.

4.1.3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies

4.2

Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed

4.2.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Omgevingskwaliteit duidt daarbij op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebied en aan dieren plantensoorten. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet wet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet.

4.2.2 Uitkomst onderzoek Archeologie Voor archeologie geldt artikel 2.28 van de omgevingswet. Dit artikel bepaalt dat het Rijk instructieregels zal stellen over omgevingsplannen en projectbesluiten met het oog op het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De nationale wetgeving is afkomstig uit Europees beleid (Verdrag van Valletta).

Pagina 15 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

De gemeenten zijn belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. In artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staat aangegeven dat gemeente bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Toetsing

Uitsnede archeologische beleidskaart Hilvarenbeek (projectgebied d met gele ster aangeduid)

De planlocatie is gekarteerd als ‘vergraven grond’ op de archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente Hilvarenbeek. Ter plaatse gelden geen restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Archeologisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie en erfgoed Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Pagina 16 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Toetsing Op 26 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de ‘Cultuurhistoriekaart’ vastgesteld. Deze gemeentelijk grondgebied dekkende kaart bevat een inventarisatie van diverse ‘cultuurhistorische elementen’ binnen de gemeente, waaronder objecten, lijnen en structuren. Om de cultuurhistorische waarden te beschermen heeft de gemeente Hilvarenbeek het beleidsonderwerp cultuurhistorie doorvertaald in het Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek, zoals vastgesteld op 29 december 2021. Alle rijks- en gemeentelijke monumenten van Hilvarenbeek zijn in tabelvorm vastgelegd in het Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek. Het projectgebied, gelegen aan de Notelstraat 39 te Esbeek, is niet opgenomen in deze tabel. Het projectgebied kent derhalve geen cultuurhistorische waarden.

4.2.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en erfgoed is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • • •

Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

4.3.2 Uitkomst onderzoek Bij het wijzigen van activiteiten of het bouwen van bouwwerken geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodemkwaliteit.

Pagina 17 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van een bedrijfshal. De beoogde bedrijfshal kan worden aangemerkt als bodemgevoelig wanneer het gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Om te toetsen aan de maximaal toegestane bodemwaarden, zoals omschreven in art. 5.89i Bkl, is een bodemonderzoek noodzakelijk. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt een bodemonderzoek overlegd.

4.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.4

Ecologie

4.4.1 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voorgaande Wet natuurbescherming. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt de minister ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Beoordeling vindt plaats middels een stikstofdepositieberekening op basis van AERIUS-rekentool. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. De beoordeling vindt plaats middels de bovengenoemde AERIUS-rekentool.

Pagina 18 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

4.4.2 Uitkomst onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000 Onderhavig projectgebied is gelegen aan de Notelstraat 39 te Esbeek, gemeente Hilvarenbeek. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ is gelegen op een afstand van circa 1,2 km tot het projectgebied. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt een AERIUS-stikstofberekening overlegd. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Uitsnede Natuurnetwerk Brabant (projectgebied met gele ster aangeduid)

Pagina 19 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

In de bovenstaande afbeelding is een uitsnede van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Aan de oostzijde van het projectgebied, op een afstand van circa 240 meter, is een natuurnetwerk gelegen. Gezien de afstand tot het natuurnetwerk en de kleinschaligheid van het planvoornemen, vormt de uitbreiding van de bedrijfshal geen belemmering voor het nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming Onderhavig planvoornemen betreft de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal aan de Notelstraat 39 te Esbeek. De beoogde uitbreiding wordt gerealiseerd op het achterterrein ter plaatse van de oppervlakteverharding. De grond kent de functie ‘bedrijventerrein’ en bestaat uit gestort asfalt/beton. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling vinden geen sloop- en/of ontgroeningswerkzaamheden plaats. Omdat uitvoering van het planvoornemen plaatsvindt op reeds aanwezige oppervlakteverharding waar de activiteit ‘bedrijventerrein’ reeds is toegestaan en er geen sloop- en/of ontgroeningswerkzaamheden plaatsvinden wordt een ecologische Quickscan niet noodzakelijk geacht.

4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.5

Geluid

4.5.1 Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van autowegen, spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Bruidsschat In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald. Geluidsgevoelige gebouwen Artikel 3.21 Bkl omschrijft wat er wordt verstaan onder geluidsgevoelige gebouwen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Pagina 20 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.5.2 Uitkomst onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal. Conform artikel 3.21 Bkl is een bedrijfshal niet aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.5.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.6

Geur

4.6.1 Wettelijk kader In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • •

Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten’ van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1).

4.6.2 Uitkomst onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal. Conform artikel 5.91 Bkl is een bedrijfshal niet aangemerkt als geurgevoelig gebouw. In de toekomstige situatie wordt de bedrijfshal gebruikt door de reeds gevestigde deurtechniekspecialist. Het deurtechniek-bedrijf is geen geurveroorzakende activiteit. Omdat de beoogde uitbreiding geen geurgevoelig gebouw is én het gevestigde bedrijf geen geurveroorzakende activiteit betreft, is het uitvoeren van een geuronderzoek niet noodzakelijk.

4.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Pagina 21 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, koolmonoxide, lood, benzeen en ozon. In Nederland zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn conform artikel 2.4 en 2.5 Bkl en weergegeven in onderstaande tabel. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

Niet in betekende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig, ook niet in de aandachtsgebieden. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in berekende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg.

4.7.2 Uitkomst onderzoek Huidige luchtkwaliteit Onderhavig projectgebied is gelegen aan de Notelstraat 39 te Esbeek. Voor de bepaling van de luchtkwaliteit ter plaatse is getoetst aan de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland (GCN en GND van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu – RIVM). Hierbij is gebruik gemaakt van de kaarten voor 2030 (gegevens 2023). De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in onderstaande tabel. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren.

Pagina 22 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

Luchtkwaliteit ter plaatse 8 μg/m³ 13 μg/m³ 7 μg/m³

Onderzoek luchtkwaliteit NIBM De uitbreiding van de bestaande bedrijfshal zal gepaard gaan met extra (vracht)verkeersbewegingen. Om te bepalen of deze verkeersbewegingen ‘niet in betekende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit dient een berekening te worden uitgevoerd met de NIBM-tool. Hiertoe dient de toename van het aantal verkeersbewegingen bepaald te worden. Voor de bepaling van de verkeersbewegingen is aansluiting gezocht bij de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig Parkeren’. Gezien de ligging van het plangebied in Esbeek, onderdeel van de gemeente Hilvarenbeek, wordt voor het planvoornemen uitgegaan van de cijfers voor ‘rest bebouwde kom, matig stedelijk’ voor de categorie ‘Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)’. Hiervoor geldt een maximale verkeersgeneratie van 10,9 mvt/ etmaal per 100 m² BVO. Uitgaande van deze kengetallen bedraagt de maximale toekomstige verkeersgeneratie 108,3 mvt/ etmaal. Conform tabel A8 geldt voor een ‘gemengd terrein’ een aandeel vrachtverkeer van 19%. Uit de NIBM-tool komt de volgende berekening. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

108,3

Aandeel vrachtverkeer

19,0%

3

NO2 in μg/m

0,28

3

0,03

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

4.7.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Pagina 23 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.8

M.e.r- beoordeling

4.8.1 Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.) Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden.

4.8.2 Uitkomst onderzoek Het planvoornemen is te beoordelen als project ‘Industrieterrein’, zoals opgenomen in Bijlage V Omgevingsbesluit onder J10. Het project is conform kolom 2 van bijlage V van het Omgevingsbesluit niet m.e.r.-plichtig. De m.e.r. beoordelingsplicht geldt enkel voor besluiten over het omgevingsplan. In dit geval wordt echter een besluit genomen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Ten aanzien van het planvoornemen geldt zodoende ook geen m.e.r beoordelingsplicht.

4.8.3 Conclusie Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage. Vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.9

Milieubelastende activiteiten

4.9.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarom is een inventarisatie naar de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten, specifiek ten aanzien van bedrijven, in de directe omgeving van het projectgebied (of andersom) noodzakelijk. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben, met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten.

Pagina 24 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Er dient getoetst te worden of in de omgeving van het projectgebied sprake is van milieubelastende activiteiten en of er voldoende afstand in acht wordt genomen ten opzichte van deze activiteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). Hierin is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. De minimale afstand per categorie is als volgt: Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.5000 m

Richtafstand tot gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

4.9.2 Uitkomst onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal aan de Notelstraat 39 te Esbeek. De ontwikkeling van een bedrijfshal wordt gekenmerkt als milieubelastend object. De afstand tussen de bedrijfshal en de omliggende milieugevoelige functies dient derhalve te voldoen aan de gestelde richtafstanden. Op basis van het vigerende bestemmingsplan en het ontwerpbestemmingsplan zijn ter plaatse bedrijven tot categorie 3.1 toegestaan. Gezien de ligging van het projectgebied op het bedrijventerrein De Mierbeek behoort het projectgebied tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De richtafstand tot de omliggende milieugevoelige functies dient derhalve minimaal 30 meter te bedragen. De uitbreiding van de bestaande bedrijfshal zal plaatsvinden aan de achterzijde van de huidige hal. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object is de bedrijfswoning aan de Notelstraat 23A, op een afstand van ongeveer 30 meter (gemeten vanaf de bestaande gevel). De geplande bebouwing wordt op een grotere afstand dan de voorgeschreven richtafstand van 30 meter gerealiseerd. Er is dan ook geen feitelijke verandering in de richtafstanden tot milieugevoelige functies. Bij de ontwikkeling van de beoogde uitbreiding van de bestaande bedrijfshal wordt voldaan aan de minimale richtafstand tot de omliggende milieugevoelige functies.

Daarbij worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

Pagina 25 van 35

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.10 Omgevingsveiligheid 4.10.1 Wettelijk kader Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.

4.10.2 Uitkomst onderzoek

Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving (projectgebied aangeduid met gele ster)

In de directe nabijheid van de planlocatie zijn geen risicobronnen aanwezig met een zogenaamde plaatsgebonden risico en/of aandachtsgebied. Rond de planlocatie vinden geen activiteiten met en/of transport van gevaarlijke stoffen plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16141598/1