Bindend Advies Bopa Boterpad 6 (7 Concept onderbouwing BOPA)
Tekst van het document
Pagina 25 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
buitengebied staat versterking van de kwaliteit van de bodem, natuur en landschap centraal. Er zal een gezond landschap ontstaan met daarin een sterke agrarische sector.
Afbeelding 16: Uitsnede omgevingsvisie
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de locatie ligt binnen het buitengebied en kansrijk voor recreatie en zoekgebied duurzame energie. De beoogde ontwikkeling is passend binnen deze locatie evenals de bestaande akkerbouwtak en in haar geheel passend binnen het buitengebied. De Bed&Breakfast is een vorm van recreatie en dus ook mogelijk binnen de aanduiding ‘kansrijk voor recreatie’. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen de visie en de kernambities van de gemeente Hilvarenbeek.
Pagina 26 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
4
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.1 M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft het beëindigen van de veehouderij en het slopen van de stallen. Hierbij wordt er een nieuwe loods gebouwd ten behoeve van statische opslag en een B&B. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r. beoordeling is daarom niet noodzakelijk.
4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ‘Ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling omdat het niet de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening betreft.
Pagina 27 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
4.3 Duurzaamheid & gezondheid 4.3.1 Duurzaamheid De beoogde situatie wordt duurzaam gerealiseerd. De veehouderij wordt beëindigd waarbij de stallen gesloopt dienen te worden. Onderdelen van deze stallen worden echter gebruikt om de nieuwe bebouwing te realiseren. Zo worden de spanten, isolatie, dakplaten en zonnepanelen hergebruikt voor het bouwen van de nieuwe loods. Alle herbruikbare onderdelen welke vrij komen bij de sloop van de stallen worden of hergebruikt door initiatiefnemer of worden verkocht aan derden.
4.3.2 Volksgezondheid Met de beoogde ontwikkeling blijft de bedrijfswoning onveranderd aanwezig. Echter zal nieuwe verblijfsrecreatie worden gerealiseerd in de vorm van een Bed&Breakfast. Daarom wordt er gekeken naar welke veehouderijen er aanwezig zijn in de directe omgeving. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen.
Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie ligt aan Boterpad 1 op een afstand van circa 140 meter tot de beoogde B&B. Dit betreft een rundveehouderij. Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
Gezien de afstand van de projectlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de projectlocatie.
4.4 Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.
Pagina 28 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
De gemeente Hilvarenbeek heeft in het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’ opgenomen dat er voldoende parkeergelegenheid dient te zijn ter plaatse van nieuwbouw. Echter zijn er geen normen opgenomen in dit parapluplan. Daarom wordt er aangesloten bij de parkeernota van de gemeente.
4.4.1 Verkeer Het initiatief heeft een afname van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Er wordt geen voer meer geleverd, geen mest opgehaald en geen dieren meer aan en afgevoerd. In de beoogde situatie vinden er enkele bewegingen per week plaats ten behoeve van de akkerbouw, de B&B en de statische opslag. Het Boterpad is een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door het Oude Beekse Pad. Deze ontsluitingsroute beschikt over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van het beperkte aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie is de verkeersgeneratie hoger, een afnemende hoeveelheid verkeersbewegingen is daarom altijd passend binnen de capaciteit van deze weg. Tevens heeft de afname van het aantal vervoersbewegingen een positief effect op de verkeersgeneratie.
4.4.2 Parkeren Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen de projectlocatie. In de beoogde situatie blijft de akkerbouwtak onveranderd aanwezig. Hiervoor zijn voornamelijk mobiele werktuigen benodigd welke worden opgeslagen in de akkerbouwloods. Hier zijn geen extra parkeerplaatsen voor benodigd. Tevens wordt er statische opslag gerealiseerd, dit krijgt een oppervlakte van in totaal 1.600m2. Opslag kan worden geschaald onder de categorie ‘arbeidsextensief/bezoekersextensief’ hiervoor geldt een parkeernorm tussen de 0,8 en de 1,3 per 100m2 voor een bedrijf in het buitengebied. Gemiddeld gezien dient er dus 1,05 parkeerplaats per 100m2 bedrijfsvloeroppervlakte gerealiseerd te worden. Dit komt in totaal neer op (16 x 1,05) = 17 parkeerplaatsen. In de praktijk zal de statische opslag veel minder parkeerplaatsen nodig hebben. Het betreft statische opslag waarbij goederen geen regelmatige verplaatsing behoeven. Naar verwachting zullen slechts enkele personen maar enkele keren per jaar de locatie bezoeken. Het zal niet voorkomen dat er 17 parkeerplaatsen tegelijkertijd bezet zullen zijn. Op een drukke dag zullen er maximaal 2 tot 3 bezoekers komen ten behoeve van statische opslag. Tot slot wordt er in de beoogde situatie een B&B gerealiseerd van 150 m2 met 3 kamers. Een B&B is niet opgenomen in de parkeernota.
Echter wanneer alle 3 de kamers gelijktijdig verhuurd worden kan er geconcludeerd worden dat er 3 parkeerplaatsen benodigd zijn. In totaal zullen er dus 20 parkeerplaatsen (17 voor statische opslag en 3 voor de B&B) gerealiseerd worden op de locatie. Aan de voorzijde van de te realiseren loods zal worden voorzien in parkeergelegenheid. Deze ruimte zal in de praktijk ruimschoots voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. Indien hier toch onvoldoende ruimte blijkt te zijn, zal ter plaatse van de te slopen varkensstal kunnen worden geparkeerd. Er kan ruimschoots worden voorzien in 20 parkeerplaatsen op eigen terrein. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.
4.5 Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer Pagina 29 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Gebiedsbescherming De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 3,5 kilometer ligt. Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming d.d. 17-112015. In kader van de deelname aan de LBV mag er 15% van deze vergunning gebruikt worden als referentiesituatie.
In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Echter omdat er Pagina 30 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
sprake is van intern salderen zal er voor de beoogde situatie een vergunning voor een Natura 2000activiteit aangevraagd worden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Soortenbescherming De soorten beschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan het Boterpad, dient met name bepaald te worden of ter plaatse de te slopen en nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. De te slopen gebouwen zijn varkensstallen, deze worden geheel dicht uitgevoerd om zo te voorkomen dat er ongewenste dieren in de stallen kunnen komen. Dit zou namelijk kunnen zorgen voor ziektes bij Pagina 31 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
de varkens in de stallen. De stallen zijn pas sinds kort niet meer in gebruik. Dit houdt in dat de gebouwen nog van goede kwaliteit zijn en er geen dieren in kunnen komen. De beoogde loods wordt gebouwd ter plaatse van de te slopen gebouwen, er worden dus geen groenvoorzieningen verwijderd voor de bouw. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.
4.6 Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Toetsing normen luchtkwaliteit Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Sinds 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3.
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan/project niet langer meer getoetst te worden.
Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan/project NIBM bijdraagt: • Categorie woningbouwlocaties; • Categorie kantoorlocaties; • Combinatie van woningbouw en kantoren; • Categorie inrichtingen.
Pagina 32 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoogde dient bepaald te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Door de rijksoverheid is hiervoor een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Statische opslag houdt in dat er spullen voor langere tijd opgeslagen worden, bij dit type opslag vindt een minimale hoeveelheid aan verkeersbewegingen plaats. Een vorm van statische opslag is bijvoorbeeld het stallen van caravans. In de beoogde situatie wordt 1.600m2 gebruikt voor statische opslag, een caravan heeft een oppervlakte van circa 30m2. In een loods van 1.600m2 zouden dus theoretisch dus 53 caravans kunnen worden gestald.
Ervanuit gaande dat de eigenaren van deze caravans 2 keer per jaar op vakantie gaan resulteert dit in 4 bezoeken, 2x halen en 2x brengen. Dit komt op een totaal van 8 bewegingen per caravan. In totaal zal dit maximaal resulteren in (8 bewegingen x 53 caravans =) 424 bewegingen per jaar. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van (424 bewegingen : 260 weekdagen/jr =) 2 verkeersbewegingen van en naar de projectlocatie per weekdag. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename van 2 bewegingen per dag de bijdrage aan de fijnstofconcentratie NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de projectlocatie. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie
2026
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
2
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
NO2 in μg/m3
0,02
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 17: NIBM tool
De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief. Woon- en leefklimaat Indien aan de grenswaarden zoals beschreven in voorgaande alinea wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Jaarlijks wordt door RIVM onderzocht wat de achtergrondconcentratie is van verschillende stoffen. Het ruimtelijke patroon van de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 toont in het noorden van Nederland en in Zeeland lagere waarden dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en de hogere aandelen van secundair fijnstof zorgen voor hogere fijnstof concentraties in zuiden en oosten van Pagina 33 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxiden. De waarden van de verschillende stoffen worden door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gebruikt om Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) te maken. Volgens deze kaarten wordt in Nederland bijna overal aan de wettelijke grenswaarden voldaan. Lokaal kan de grenswaarde voor fijnstof wel overschreden worden op grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en TataSteel. Ook bij gebieden met een hoge concentratie aan pluimveehouderijen kan lokaal sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen pluimveehouderijen of zware industrie te vinden. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie niet worden overschreden. Ten aanzien van de luchtkwaliteit is er ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.7 Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De projectlocatie ligt wel binnen de geluidszone van het Boterpad en het Oude Beekse Pad. Echter is het Boterpad een doodlopende straat waardoor er enkel bestemmingsverkeer komt. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig gebouw opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. De recreatieve verblijfsvoorziening hoeft niet betrokken te worden in de besluitvorming. Verder zorgt de ontwikkeling voor een afname in de geluidsproductie. Er worden geen dieren meer gehouden, hierdoor zijn er geen ventilatoren meer die aanstaan en veel minder zwaar wegverkeer van en naar de locatie.
Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie. Of van de geluidsinvloed vanuit de locatie naar de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
4.8 Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: Pagina 34 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
• •
Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? Is ter plaatse van de projectlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd?
Belemmering bedrijvigheid Op grond van de regels uit het omgevingsplan moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige gebouwen. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in het omgevingsplan. Wanneer er een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval is een reeds bestaand geurgevoelig object, de bedrijfswoning, dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen, dan de beoogde Bed&Breakfast. De bedrijfswoning is dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe Bed&Breakfast. Hierdoor zal het bestaande geurgevoelige object de veehouderijen in de omgeving dan ook altijd meer belemmeren dan de beoogde B&B binnen de projectlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
Woon- en leefklimaat Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in het omgevingsplan. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie ligt aan het Boterpad 1. Dit betreft een rundveehouderij. Hiervoor geldt op grond van het omgevingsplan een richtafstand van 50 meter in het kader van geur. De rundveehouderij ligt op een afstand van circa 82 meter ten opzichte van de projectlocatie. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Goirlesedijk 25 op een afstand van 2,8 kilometer. Dit betreft een varkenshouderij. Voor dit bedrijfstype geldt een richtafstand van 50 meter in het kader van geur. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de projectlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrondkaart geur, zie Afbeelding 13. Hieruit blijkt de kwaliteit van de leefomgeving extreem slecht bedraagt.
Echter is dit in de beoogde situatie niet meer correct. De veehouderij aan het Boterpad 6, projectlocatie, wordt beëindigd, dit betekent dat hier geen geurbron meer aanwezig zal zijn. De andere veehouderijen betreffen rundveehouderijen en een geitenhouderij. De geitenhouderij is echter niet aanwezig op de aangegeven locatie. Enkel het vleesvee op de locatie aan de Boterpad 1 betreft dus vee met een geuremissiefactor in de beoogde situatie rondom de projectlocatie. Ruim 98% van de geuremissie die zichtbaar is op onderstaande kaart vervalt dus/is niet aanwezig. In de beoogde situatie zal er dus sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
Pagina 35 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Afbeelding 18: uitsnede achtergrondkaart geur
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. Met de beoogde ontwikkeling wordt een (beperkt of zeer) kwetsbaar object of (beperkt of zeer) kwetsbare locatie opgericht. Met de ontwikkeling worden geen milieubelastende activiteiten gerealiseerd zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl. Beleid Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden.
Pagina 36 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie) aandachtsgebied als (brand- of explosie) voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico.
Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet Pagina 37 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede, zie afbeelding 14.
Afbeelding 19: Uitsnede externe veiligheid
Uit de signaleringskaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Wel ligt er op de locatie zelf een propaantank, deze blijft in de beoogde situatie aanwezig. De op afbeelding 14 aangegeven aandachtsgebieden behoren bij deze propaantank. Het project voorziet wel in de realisatie van nieuwe (beperkte) kwetsbare objecten. Aandachtsgebieden De locatie ligt buiten de veiligheidszone behorende bij de nabijgelegen snelweg. De ontwikkeling ligt wel binnen het aandachtsgebied brand en explosie van de propaantank op het eigen terrein. Op grond van artikel 5.15, onder 2, onder b van het Bkl kan een (beperkt of zeer) kwetsbaar gebouw of locatie toegelaten worden indien de getroffen maatregelen en het aantal personen dat aanwezig nader gemotiveerd is. De nieuwe loods wordt brandveilig uitgevoerd, tevens zijn de bezoekers van de B&B niet de gehele dag aanwezig, deze zullen overdag weg zijn om ’s avonds weer terug te keren. Het aantal personen op locatie blijft beperkt. Tot slot is de propaantank reeds legaal aanwezig.
Pagina 38 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
4.10 Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de nota ruimtelijke kwaliteit Hilvarenbeek van de gemeente. In het omgevingsplan zijn ook regels opgenomen met betrekking tot de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Het aspect welstand wordt verder uitgewerkt bij de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Deze wordt separaat aangevraagd van onderliggende BOPA.
4.11 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. De archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden.
Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. In het omgevingsplan ligt de projectlocatie binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ In het omgevingsplan is opgenomen dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden wanneer er grondwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 plaatsvinden EN grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter plaatsvinden binnen de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’. De beoogde loods met daarin opslag en de B&B wordt 2.250m2 groot. Hiermee blijft deze onder de maximale oppervlakte van 2.500m2. Tevens wordt de beoogde loods geplaatst op een locatie waar reeds bebouwing aanwezig is. De onderliggende gronden zijn dus reeds verstoord bij de bouw en sloop van de te slopen stallen. Er is voor de beoogde situatie geen archeologisch onderzoek benodigd. Cultuurhistorie en landschap Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang.
Pagina 39 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Tevens is binnen de gemeente het omgevingsplan ‘Parapluplan cultuurhistorie Hilvarenbeek’ d.d. 2912-2021 van toepassing. Echter ligt de locatie aan de Boterpad 6 niet binnen een cultuurhistorische aanduiding. Hierdoor zal bij uitvoering van dit project geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.
4.12 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In de beoogde situatie wordt de veehouderij beëindigd. Echter blijft er een agrarisch bedrijf op de locatie in de vorm van een akkerbouwbedrijf. Hierbij wordt 1.600m2 aan statische opslag gerealiseerd. In de nieuwe loods wordt tevens een B&B opgericht. Echter blijft de bestemming van de locatie gelijk aan de huidige situatie. De recreatieve voorziening ziet er enkel op toe dat bezoekers voor korte duur aanwezig zijn waarmee er geen langdurig verblijf gerealiseerd wordt. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 40 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
5
Participatie
De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een veehouderij waarbij de neventak in de vorm van een akkerbouwbedrijf blijft bestaan. Naast de akkerbouwtak wordt met de beoogde ontwikkeling ook ruimte voor statische opslag aangeboden en wordt er een B&B gerealiseerd. De ontwikkeling gaat gepaard met een aanzienlijke daling van stikstof-, geur- en fijnstofemissie en met de ontwikkeling van een landschappelijk inpassingsplan. Daarbij zal er ook sprake zijn van een afname van vervoersbewegingen over de hele projectlocatie door de ontwikkeling. Er vindt sloop van overtollige bebouwing plaats en de geluidsproductie zal dalen. Ondanks dit is het belangrijk om met stakeholders zoals de gemeente en omwonenden in gesprek te gaan over de beoogde ontwikkeling. Het plan kan naar aanleiding van opmerkingen worden aangepast waardoor op voorhand mogelijke overlast/problematiek kan worden voorkomen.
5.1
Verplichte participatie/Intaketafel/Omgevingstafel
Voorafgaand aan onderliggende aanvraag is er een principeverzoek ingediend, deze is behandeld aan de intaketafel van de gemeente Hilvarenbeek. Hieruit is gebleken dat sprake dient te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er dient kwaliteitsverbetering plaats te vinden, en de nieuwe loods kan duurzaam gebouwd worden m.b.v. de spanten uit de te slopen bebouwing. De volledige reactie is opgenomen in de bijlagen. Verder is overleg gevoerd over de beoogde ontwikkeling met de gebruikelijke overlegpartners, waterschap de Dommel, Omgevingsdienst Midden- en WestBrabant en provincie Noord-Brabant.
5.1.1 Participatie omgeving Ook met de omgeving is overleg gevoerd. De realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw kan namelijk zorgen voor een impact op de omgeving. Dit geldt eveneens voor het landschappelijk inpassingsplan. Zichtlijnen voor buren zouden bijvoorbeeld onbewust kunnen weggenomen terwijl dit gemakkelijk op te lossen is. Om deze reden is opdrachtgever langs geweest bij alle omwonenden en heeft hij het volledige initiatief mondeling toegelicht. Er zijn vragen gesteld over de situering van de nieuwe loods en waar deze exact zou komen te staan. Dit is middels tekeningen toegelicht. Omwonden hebben enkel positief gereageerd op de plannen. Omwonenden hebben complimenten gegeven voor de duidelijke uitleg. De reacties van de omwonenden zijn opgenomen in de bijlage. De reacties van omwonenden hebben niet geleid tot aanpassing van de plannen.
5.1.2 Bestuurlijk vooroverleg Verder is overleg gevoerd over de beoogde ontwikkeling met de gebruikelijke overlegpartners, waterschap de Dommel, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en provincie Noord-Brabant. Zowel het waterschap als de omgevingsdienst hebben de stukken beoordeeld en een reactie gegeven op de concept stukken. Naar aanleiding van de reacties zijn de stukken daar waar nodig aangepast.
Pagina 41 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
6
Financiële haalbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer.
6.1
Kostenverhaal
Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze bedragen zijn opgenomen in de “Verordening op de heffing en de invordering van leges Hilvarenbeek 2025” (hierna Legesverordening). (http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR704679) De voorgestane ontwikkeling aan het Boterpad 6 te Hilvarenbeek betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit project heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
6.2
Nadeelcompensatie
De ontwikkeling ziet toe op het veranderen van het agrarische bedrijf, de veehouderij wordt beëindigd en de akkerbouwtak blijft aanwezig in combinatie met een B&B en statische opslag. De locatie is en blijft agrarisch in gebruik. Voor een dergelijke ontwikkeling is het niet benodigd om een analyse voor een nadeelcompensatie op te stellen.
Pagina 42 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
7
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor het beëindigen van de varkenshouderij, de nieuwbouw van een tweetal bedrijfsgebouwen en mestsilo en het realiseren van nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag en een Bed&Breakfast aan het Boterpad 6 te Hilvarenbeek. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het omgevingsplan. Door het aanvragen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is de beoogde ontwikkeling toch mogelijk (artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze onderbouwing is getoetst aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met de ontwikkeling geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De motiveringen met betrekking tot geluid, bodem, geur en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is.
Door de onderzoeken en toelichting met betrekking tot natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door de locatie landschappelijk in te passen en overtollige bebouwing te slopen. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan het Boterpad 6 doorgang vinden.
Pagina 43 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
8
Voorstel opnemen omgevingsplan
De beoogde ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt middels een BOPA. Totdat de gemeente Hilvarenbeek een definitief omgevingsplan heeft vastgesteld is het lastig om in te schatten wat de structuur is van het omgevingsplan en hoe het omgevingsplan exact is opgebouwd. Deze BOPA zal moeten aansluiten bij de structuur van het omgevingsplan. Voorgesteld wordt om bij de structuur van het omgevingsplan aan te sluiten en hierbinnen middels een functiegebied vast te leggen dat er 1.600m2 aan statische opslag is toegestaan binnen de projectlocatie. Ook wordt voorgesteld vast te leggen middels een functiegebied dat er een B&B is toegestaan met maximaal 3 kamers en een maximale oppervlakte van 150m2. Ten behoeve van de deelname aan de LBV wordt tevens verzocht om de functieaanduiding intensieve veehouderij te verwijderen binnen het functiegebied.
Pagina 44 van 45
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Berekening LIR Boterpad 6 Bijlage 3: Invoergegevens AERIUS Bijlage 4: AERIUS berekening vergund 15% vs gebruiksfase beoogd Bijlage 5: AERIUS berekening vergund 15% vs Sloop-en bouwfase en gebruiksfase Bijlage 6: Intaketafel Bijlage 7: Omgevingsdialoog Bijlage 8: Waterschapsvergunning
Pagina 45 van 45
(07-05-2025) (07-05-2025) (07-05-2025) (07-05-2025) (07-05-2025) (20-03-2025) (07-05-2025) (12-08-2025)