CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Vroonacker IV (9m bijlage 12 bij toelichting Passende beoordeling)

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Vroonacker IV17.866 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Passende Beoordeling

Bestemmingsplan Vroonacker IV Inzicht in effecten op Natura 2000

Colofon [Titel] Titel: Opdrachtgever:

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV Gemeente Hilvarenbeek

Auteur(s): Versie: Kenmerk: Datum:

Ruud Broekman D1.2 HISV/2025/RBpbbpv4/12 13 oktober 2025

Hambakenwetering 5, Toren B Etage 4, 5231 DD ’s-Hertogenbosch Tel 073 744 0182 | info@ditisdeessentie.nl | wwww.ditisdeessentie.nl

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 2 van 108

Inhoudsopgave 1

Inleiding ........................................................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding ......................................................................................................................................... 4

1.2

Doel van dit document ...................................................................................................................... 5

1.3

Toetsingskader.................................................................................................................................. 6

1.3.1

Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn ......................................................................................................... 6

1.3.2

Wet natuurbescherming / Omgevingswet ......................................................................................... 6

1.3.3

Stikstof: welke effecten toetsen? ....................................................................................................... 7

1.3.4

Oplossingsrichtingen ......................................................................................................................... 7

1.4

Leeswijzer ......................................................................................................................................... 8

2

Voortoets ......................................................................................................................................... 9

2.1

Mogelijke effecten op Natura 2000.................................................................................................... 9

2.2

Beschouwing verzuring en vermesting door stikstofdepositie ......................................................... 10

2.3

Conclusie voortoets......................................................................................................................... 11

3

Passende Beoordeling ................................................................................................................. 12

3.1

Inzet intern salderen........................................................................................................................ 12

3.2

Cumulatie ........................................................................................................................................ 13

3.3

Additionaliteit ................................................................................................................................... 13

3.4

Conclusie ........................................................................................................................................ 13

Bijlage 1.

Rapportage AERIUS stikstofberekening Vroonacker IV, Diessen ............................................ 14

Bijlage 2.

AERIUS aanlegfase ....................................................................................................................... 65

Bijlage 3.

AERIUS gebruiksfase ................................................................................................................... 76

Bijlage 4.

AERIUS aanlegfase met intern salderen ..................................................................................... 85

Bijlage 5.

AERIUS gebruiksfase met intern salderen ................................................................................. 97

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 3 van 108

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In de gemeente Hilvarenbeek wordt een uitbreiding beoogd van de kern Diessen: ten westen wordt het plan voorbereid om de nieuwe wijk Vroonacker IV te realiseren. Ter plaatse van de beoogde woonwijk zijn woningbouwontwikkelingen op erven voorzien. De wijk gaat bestaan uit een gevarieerd woningaanbod met vrijstaande woningen, rijtjeswoningen, appartementen, rug-aan-rug woningen en patiowoningen. De woningen zijn geschikt voor starters, senioren en doorstromers. Erven vormen een voor de hand liggende verkavelingsvorm. Niet alleen gezien vanuit de directe omgeving maar ook vanwege de mogelijkheden om flexibel te bouwen en om daarmee tegemoet te komen aan een zo’n groot mogelijke woningdifferentiatie. Uiteindelijk biedt het volledige planvoornemen ruimte voor maximaal 201 woningen, waarvan 20% sociale huur en 20% goedkope koop. Het stedenbouwkundig plan is in figuur 2 weergegeven; figuur 2 geeft het geplande woningprogramma weer.

figuur 1.

Overzicht geplande wijk Vroonacker IV: ruimtelijke opzet.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 4 van 108

figuur 2.

Overzicht geplande wijk Vroonacker IV: woningbouwprogramma.

Als gevolg van de realisatie van de nieuwe wijk en het gebruik hiervan zullen stikstofemissies plaatsvinden. Voor Natura 2000-gebieden geldt een beschermingsregime om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden te voorkomen. Middels instandhoudingsdoelstellingen is dit vastgelegd. In de Wet natuurbescherming (Wnb, thans opgenomen in de Omgevingswet, Ow) is de bescherming van deze gebieden geregeld. Het project dient daarom getoetst te worden op de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van dit project dient de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkelingen in beeld te worden gebracht. Dit is gedaan door de uitstoot te berekenen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Middels het programma AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie berekend in de realisatiefase en de gebruiksfase. Om hier inzicht in te verkrijgen, is door Ordito een stikstofberekening met bijbehorende rapportage opgesteld, welke in Bijlage 1 is opgenomen. Op basis van de resultaten van de berekeningen en eventuele maatregelen kan worden bepaald of de ontwikkelingen effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

1.2

Doel van dit document

Voor Natura 2000-gebieden geldt een beschermingsregime om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden te voorkomen. In de Wet natuurbescherming (verder Wnb) was tot 1 januari 2024 de bescherming van deze gebieden geregeld. Per 1 januari 2024 is dit beschermingsregime overgegaan in de Ow. In het kader van de besluitvorming over en vergunningverlening voor een initiatief dient getoetst te worden op de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen; dit heet externe werking. Voor projecten geldt een vergunningplicht als het project significante gevolgen kan hebben op een Natura 2000-gebied (art. 2.7 Wnb / art. 5.1 sub e Ow). Als significante gevolgen niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten in een voortoets, moet er een Passende beoordeling worden opgesteld (art 2.8 Wnb / art. 16.53c Ow). Voor plannen (zoals vaststelling van een bestemmingsplan) dient op planniveau getoetst te worden in een voortoets of in een Passende Beoordeling hoe omgegaan wordt met mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 5 van 108

In dit document wordt eerst in een voortoets onderzocht of er mogelijk significant negatieve effecten op Natura2000 gebieden kunnen optreden. Uit deze voortoets blijkt dat niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van mogelijke significante negatieve effecten en dat mitigerende maatregelen ingezet dienen te worden. Daarom is vervolgens in een Passende Beoordeling nader ingegaan op deze mogelijke effecten.

1.3

Toetsingskader

1.3.1

HABITATRICHTLIJN EN VOGELRICHTLIJN

De Habitatrichtlijn wordt algemeen beschouwd als de richtlijn waarin de bepalingen van de Conventie van Bern uit 1982 in het Europese Unierecht zijn omgezet. De richtlijn heeft zowel gebieds- als soortbescherming tot doel. De Habitatrichtlijn is gericht op de realisatie van een coherent Europees ecologisch gebiedennetwerk, het zogenoemde Natura 2000-netwerk. Hiervoor dienen de EU-landen in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aan te wijzen, soms in combinatie met Vogelrichtlijngebieden. Als speciale beschermingszones worden gebieden aangewezen met natuurlijke vegetaties (habitats) genoemd in de Habitatrichtlijn en/of de leefgebieden van soorten die zijn genoemd. De aanwijzing van gebieden als speciale beschermingszone heeft een aantal gevolgen. Zo dienen de EU-landen maatregelen te treffen zodat de natuurlijke vegetaties (habitats) en/of de leefgebieden van de te beschermen soorten behouden blijven of zich verder kunnen ontwikkelen. In artikel 6 van de Habitatrichtlijn is dit uitgewerkt. De Vogelrichtlijn verplicht de lidstaten van de Europese Unie de instandhouding te garanderen van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Europese verdrag van toepassing is.

Artikel 4 van de Vogelrichtlijn bevat, net als de Habitatrichtlijn, de verplichting tot het aanwijzen van zogenaamde speciale beschermingszones. Deze worden ‘Vogelrichtlijngebieden’ genoemd. Vogelrichtlijngebieden zijn vervolgens, vaak samen met Habitatrichtlijngebieden, ingevoegd in het Natura 2000-netwerk. Binnen en nabij de aangewezen gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden: Natura 2000-gebieden) kunnen plannen of projecten die ‘significante gevolgen’ hebben alleen worden toegestaan indien ze een dwingende reden van groot openbaar belang vertegenwoordigen en indien is aangetoond dat er voor het plan of project geen alternatief is. Bovendien moeten compenserende maatregelen worden getroffen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te waarborgen.

1.3.2

WET NATUURBESCHERMING / OMGEVINGSWET

In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus vanuit de Habitat- en/of Vogelrichtlijn. In Nederland is deze beschermingsstatus vertaald in de Wnb (thans opgenomen in de Ow). Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstofneerslag. Een bestuursorgaan stelt een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Voor projecten is op deze basis een vergunningplicht in de Wnb/Ow opgenomen. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde plannen en projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een project kan worden gerealiseerd als de stikstofdepositie door dat project op geen enkel relevant en voor stikstofdepositie gevoelig hexagoon toeneemt. Dit moet verplicht worden berekend met de meest recente versie van AERIUS Calculator. Als uit deze berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jr optreedt op enig stikstofgevoelig (naderend) overbelast habitat binnen de relevante Natura 2000-gebieden dan kan worden geconcludeerd dat het project per definitie geen significante negatieve effecten door stikstof heeft.

Is er wel sprake van netto toename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar dan kunnen negatieve effecten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. In een ecologische voortoets kan dan worden onderzocht of op voorhand vaststaat dat deze deposities met zekerheid niet zullen leiden tot significante negatieve effecten. Is deze conclusie op voorhand niet te trekken, dan kan middels een passende beoordeling onderzocht worden of effecten daadwerkelijk op gaan treden als gevolg van het plan en of deze de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten. Bij een passende beoordeling geldt er voor projecten een vergunningplicht in het kader van de Wnb/Ow.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 6 van 108

Bij (wijziging van) plannen en projecten dient in basis in een voortoets het zelfstandige projecteffect beschouwd te worden: welke emissies komen als gevolg van de realisatie en/of exploitatie van het initiatief vrij en leiden deze emissies tot deposities in nabijgelegen Natura 2000-gebieden die mogelijk significante negatieve effecten tot gevolg kunnen hebben? Bij een beoordeling kunnen de stikstofeffecten worden beschouwd ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen). De referentiesituatie bij plannen is de feitelijke bestaande planologische legale situatie ten tijde van vaststelling van het plan. Wanneer bijvoorbeeld het verdwijnen van agrarische gronden in het plangebied het rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolg is van de realisatie van een bedrijvensterrein, dan mag hier in de berekening rekening mee worden gehouden (interne saldering). Bij projecten bestaat de referentiesituatie uit een natuurvergunning of (bij ontbreken daarvan) uit de vergunde en feitelijk gerealiseerde situatie voorafgaand aan de aanwijzing van een Natura 2000-gebied. Ook bestaat de mogelijkheid van extern salderen: het beëindigen van stikstofemitterende activiteiten elders ten behoeve van saldering met de emissies vanuit een plan en project, zodat op alle relevante hexagonen per saldo sprake is van geen stikstoftoename.

Voor intern salderen en extern salderen geldt bij een project een natuurvergunningplicht (voor een Natura 2000-activiteit) en bijbehorende verplichting tot het maken van een passende beoordeling. Bij een plan (zoals een bestemmingsplan) dient dan ook een passende beoordeling opgesteld te worden maar is er geen vergunningplicht.

1.3.3

STIKSTOF: WELKE EFFECTEN TOETSEN?

In een toetsing (voortoets en/of passende beoordeling) dienen alle mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het initiatief in beeld te worden gebracht. In geval van effecten als gevolg van stikstofdepositie betekent dit, dat alle stikstofemissies en daaruit volgende stikstofdeposities vanuit een project in beeld gebracht dienen te worden. Er kan hierbij onderscheid gemaakt worden tussen de (veelal permanente) gebruiksfase en tijdelijke fases zoals de bouwfase: • In de gebruiksfase (exploitatiefase) is het project operationeel / ‘in bedrijf’. De gebruiksfase is meestal permanent: er is vooraf geen concrete einddatum bekend. • In de bouwfase (realisatiefase) wordt het project gerealiseerd: de kavel wordt bouwgereed gemaakt, gebouwen worden gerealiseerd en de buitenruimte wordt ingericht. De bouwfase is altijd tijdelijk; de realisatie vindt plaats gedurende enkele weken, maanden of hooguit jaren.

1.3.4

OPLOSSINGSRICHTINGEN

In deze paragraaf is een beknopte algemene toelichting gegeven over de oplossingsrichtingen die betrokken kunnen worden wanneer significante gevolgen door stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat of leefgebied in Natura 2000-gebied optreden. Ecologisch beoordelen Middels een ecologische beoordeling (diepgaander dan een eenvoudige beoordeling met bestaande informatie in een Voortoets) kan worden onderbouwd of significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Mitigeren Effecten van plannen of projecten kunnen verminderd worden door het treffen van mitigerende maatregelen. Dit zijn maatregelen om de negatieve effecten van de stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat of leefgebied in Natura 2000-gebied te verminderen of te voorkomen. Dit kunnen emissiebeperkende of effectgerichte maatregelen zijn. Gezien meerdere uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) gelden strikte voorwaarden waar deze maatregelen aan moeten voldoen. Op hoofdlijnen betekent dit dat een maatregel bewezen effectief moet zijn en het gunstige effect van de maatregel moet optreden voordat het plan of project, in welk kader de maatregel wordt genomen, tot stikstofdepositie leidt. Tevens moet worden aangetoond dat de voorgestelde maatregel niet noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (additionaliteitstoets).

Indien deze wel noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, kan de maatregel niet worden ingezet als mitigerende maatregel, maar wordt het aangemerkt als een noodzakelijke herstelmaatregel (instandhoudingsmaatregel of passende maatregel). Intern en extern salderen zijn maatregelen die gezien kunnen worden als mitigerende maatregel.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 7 van 108

Intern salderen is het verminderen van uitstoot van bestaande activiteiten binnen een reeds verleende natuurvergunning of andere toestemming binnen dezelfde inrichting of op dezelfde locatie. Hierbij wordt de reeds vergunde activiteit met de daarbij behorende stikstofemissie gebruikt voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen. Er kan intern gesaldeerd worden binnen de eigen vergunning, in dat geval wordt de uitstoot van reeds stikstof emitterende activiteiten verminderd, om ruimte te creëren binnen de verleende vergunning om nieuwe activiteiten te realiseren. Uiteindelijk neemt de stikstofdepositie niet toe. Intern salderen kan ook op dezelfde locatie. Dit kan indien op dezelfde locatie als waar het nieuwe project is voorzien een andere stikstofemitterende activiteit verdwijnt als gevolg van de realisatie. Het verdwijnen van de reeds bestaande stikstofemitterende activiteit, onder voorwaarden, mag worden meegenomen in de beoordeling van de uitstoot van het nieuwe project. Extern salderen is het verminderen of wegnemen van de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat of leefgebied in een Natura 2000-gebied als gevolg van een nieuwe activiteit door in directe samenhang daarmee een andere stikstofemitterende activiteit geheel of gedeeltelijk te stoppen. Dit is een oplossing die buiten het project of de locatie plaatsvindt.

De (geheel of gedeeltelijk) stoppende activiteit is de saldogever. Het project of de activiteit, ten behoeve waarvan dit plaatsvindt, is de saldonemer. Voor een toepassen van extern salderen is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. ADC-toets Indien significante gevolgen van een project of activiteit op stikstofgevoelig habitat of leefgebied in Natura 2000gebied niet kan worden uitgesloten middels intern salderen, extern salderen en/of (mitigeren waaronder intern/extern/ bronverlaging), moet instemming worden geweigerd of kan een plan niet worden vastgesteld, tenzij een ADC-toets (succesvol) wordt doorlopen. In dat geval is onderzoek nodig naar: • A: zijn er Alternatieven die hetzelfde doel verwezenlijken maar minder negatieve effecten op Natura 2000natuurwaarden hebben? • D: zijn er met het project Dwingende redenen van groot openbaar belang gemoeid? • C: zijn de significante negatieve effecten te Compenseren? Indien onderbouwd wordt dat er geen reële alternatieven zijn, er sprake is van dwingende reden(en) van groot openbaar belang en effecten kunnen worden gecompenseerd, kan de toestemming voor de activiteit of het plan worden verleend.

In de systematiek van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is de ADC-toets de laatste stap die doorlopen kan worden nadat uit de passende beoordeling naar voren is gekomen dat significante gevolgen niet (volledig) kunnen worden uitgesloten. De ADC-toets is gebaseerd op artikel 6, vierde lid van de Habitatrichtlijn.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is weergegeven welke effecten mogelijk kunnen optreden als gevolg van het beoogde plan, waarbij specifiek t.a.v. stikstof uitwerkingen zijn gemaakt. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op stikstof op het niveau van een Passende Beoordeling: er wordt uitleg gegeven over de inzet van mitigerende maatregelen.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 8 van 108

2

Voortoets

2.1

Mogelijke effecten op Natura 2000

De bouw- en gebruiksfase leidt in de huidige en toekomstige situatie mogelijk tot (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Effecten kunnen op meerdere aspecten plaats vinden, zoals oppervlakteverlies, verandering van kenmerken van habitats en leefgebieden of verstoring van soorten. In de nabijheid zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen (zie figuur 3). Op korte afstand is dit Kempenland-West (ca. 800 m), Kampina & Oisterwijkse Vennen (ca. 8,3 km), Regte Heide & Riels Laag (ca. 9,4 km) en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (ca. 13,7 km). Tevens liggen er in Vlaanderen enkele Natura 2000-gebieden in de nabijheid, waarvan Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout op ca. 6,3 km de meest nabij gelegen is.

figuur 3.

Ligging van het plangebied (roze ster) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden.

Navolgend is een overzicht gegeven van de soorten van effecten die het plan mogelijk kan hebben op Natura 2000-gebieden. Hierbij is tevens aangegeven of al dan niet op voorhand effecten uitgesloten kunnen worden. Hierbij is primair gekeken naar de mogelijke effecten op het Natura 2000-gebied Kempenland-West; overige Natura 2000-gebieden liggen op dusdanige afstand dat gezien deze afstand en de omvang van het initiatief effecten op voorhand met zekerheid uitgesloten kunnen worden, uitgezonderd effecten door stikstofdepositie. Het gaat om de volgende mogelijke effecten: 1. oppervlakteverlies: de locatie is niet gelegen binnen Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied. Er is derhalve geen sprake van oppervlakteverlies. 2. versnippering: er zijn geen ingrepen in de Natura 2000-gebieden die mogelijk kunnen leiden tot versnippering. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 3. verzuring en vermesting: deze effecten kunnen optreden, als de stikstofdepositie toeneemt als gevolg van het initiatief. De toetsing aan stikstofdepositie wordt daarom verderop in deze notitie behandeld.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 9 van 108

4.

verzoeting: verzoeting van het oppervlaktewater is niet van toepassing vanwege de afwezigheid van ingrepen in de waterhuishouding, welke in verbinding staan met Natura 2000-gebieden. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 5. verzilting: van verzilting van het oppervlaktewater is evenmin sprake, doordat er geen ingrepen in de waterhuishouding van de Natura 2000-gebieden worden gedaan. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 6. verontreiniging: er vinden geen verontreinigende activiteiten plaats, afgezien van mogelijk stikstofemissies welke separaat worden behandeld. Er zijn geen activiteiten gepland die kunnen leiden tot verontreiniging. De afstand tussen plan en Natura 2000-gebieden is hiervoor te groot. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 7. verdroging, vernatting, verandering stroomsnelheid en overstromingsfrequentie: deze effecten zijn niet van toepassing, omdat er geen ingrepen in de waterhuishouding worden gedaan in Natura 2000-gebieden of in gebieden die in verbinding staan met Natura 2000-gebieden. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 8. verandering dynamiek substraat: met verandering dynamiek substraat wordt de verandering in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen bedoeld, bijvoorbeeld door aanslibbing of verstuiving.

Er zijn en worden in dit kader geen ingrepen gedaan die de bodem veranderen en een verandering van de dynamiek van het substraat is dan ook niet van toepassing. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 9. verstoring van geluid: gezien de verwachte activiteiten in de nieuwe wijk, de afstand tot Natura 2000-gebieden en tussenliggende activiteiten / geluidsbronnen zijn er geen akoestische effecten vanuit het plan op de betreffende gebieden. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 10. verstoring door licht: gezien de verwachte activiteiten in de nieuwe wijk, de afstand tot Natura 2000-gebieden en de tussenliggende lichtbronnen zijn er geen lichthindereffecten vanuit het plan op de omliggende gebieden. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 11. verstoring door trilling: er vinden geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot verstoring door trillingen, zoals heiwerkzaamheden, die op de afstand (ca. 1,5 tot 1,8 km) kunnen leiden tot trillingen in de betreffende gebieden. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 12. optische verstoring: met optische verstoring wordt bedoeld: verstoring door beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Effecten worden op voorhand uitgesloten gezien de afstand tussen plan en natuurgebieden. 13.

verstoring door mechanische effecten: onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. in Natura 2000-gebied of leefgebieden van soorten die zijn aangewezen voor een Natura 2000-gebied. Effecten worden op voorhand uitgesloten gezien de afstand tussen plan en natuurgebieden. 14. verandering in populatiedynamiek: het betreft een direct effect op de populatieopbouw en/of populatiegrootte, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, jacht of visserij. Er worden geen ingrepen in de Natura 2000-gebieden of in leefgebieden van aangewezen soorten gedaan met invloed op de populatie daarvan. Verandering in populatiedynamiek is niet van toepassing. Effecten worden op voorhand uitgesloten. 15. bewuste verandering soortensamenstelling: er worden geen bewuste ingrepen in de soortensamenstelling, zoals starten met faunabeheer of de introductie van soorten gedaan. Effecten worden op voorhand uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat op voorhand mogelijke significante negatieve effecten met zekerheid uitgesloten kunnen worden, met uitzondering van verzuring en vermesting door stikstofdeposities. Deze worden dan ook navolgend in deze notitie beschouwd.

2.2

Beschouwing verzuring en vermesting door stikstofdepositie

Verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie kan in omliggende Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van de realisatie van de nieuwe wijk en van het gebruik. Om hier inzicht in te krijgen, is door adviesbureau Ordito een stikstofrapportage opgesteld, welke in Bijlage 1 van deze rapportage is opgenomen. De totale emissies in het maatgevende jaar voor de (tijdelijke) bouwfase zijn in deze rapportage geraamd op 471,7 kg NOx en 15,6 kg NH3. Deze emissies komen voort uit de inzet van mobiele werktuigen en uit bouwverkeer. In de (permanente) gebruiksfase is er sprake van een totale emissie van 251,8 kg NOx en 17,6 kg NH3. Deze emissie komen voort uit de verkeersgeneratie welke door het plan wordt veroorzaakt; naast verkeer zijn er

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 10 van 108

geen andere emissiebronnen voorzien. Voor een nadere detaillering en onderbouwing van de uitgangspunten voor deze berekeningen wordt verwezen naar bijgevoegde rapportage in Bijlage 1. Bijlage 2 bevat de separate AERIUS-berekening voor de aanlegfase; Bijlage 3 bevat de separate AERIUS-berekening voor de gebruiksfase. Als gevolg van deze emissies vindt er stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige (naderend) overbelaste habitats in omliggende Natura 2000-gebieden: • De tijdelijke aanlegfase leidt tot een depositietoename op 1.026,68 ha stikstofgevoelig (naderend) overbelast habitat in omliggende Natura 2000-gebieden, tot een maximale toename van 0,03 mol/ha/jr; • De permanente gebruiksfase leidt tot een depositietoename op 381,95 ha stikstofgevoelig (naderend) overbelast habitat in omliggende Natura 2000-gebieden, tot een maximale toename van 0,02 mol/ha/jr. In de onderstaande tabel zijn de deposities per Nederlands Natura 2000-gebied samengevat. Natura 2000-gebied Kempenland-West Kampina & Oisterwijkse Vennen Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Regte Heide & Riels Laag tabel 1.

Bouwfase Max depos. Opp. depos. 0,03 mol/ha/jr 354,99 ha 0,01 mol/ha/jr 607,01 ha 0,01 mol/ha/jr 62,75 ha 0,01 mol/ha/jr 1,93 ha

Gebruiksfase Max depos. Opp. depos. 0,02 mol/ha/jr 213,15 ha 0,01 mol/ha/jr 168,79 ha -

Overzicht berekende deposities op Natura 2000-gebiedenin de maatgevende fasen van het plan (zie Bijlage 2 voor de AERIUS berekening aanlegfase en Bijlage 3 voor de AERIUS berekening gebruiksfase).

Er is tevens gekeken of deze emissies leiden tot mogelijke deposities op buitenlandse (Belgische) Natura 2000gebieden. Uit de beide berekeningen blijkt dat alleen op het gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout op het meest dichtbij gelegen punt (ca. 6 km afstand) een depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt berekend. Op overige rekenpunten in Belgische gebieden worden geen toenames berekend.

2.3

Conclusie voortoets

Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat zowel in de tijdelijke bouwfase als in de permanente gebruiksfase sprake is van een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige (naderend) overbelaste habitats in Kempenland-West en in Kampina & Oisterwijkse Vennen; in de aanlegfase is er ook sprake van een toename op Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en op Regte Heide & Riels Laag. Deze depositie kunnen mogelijk leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de geraakte habitats, danwel kunnen leiden tot een verminderd gunstige staat van instandhouding die voor deze habitats is opgesteld. Een nadere beschouwing, al dan niet met toepassing van mitigerende maatregelen is dan ook noodzakelijk. Deze is in het volgende hoofdstuk uitgewerkt.

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 11 van 108

3

Passende Beoordeling

Uit het voorgaande hoofdstuk blijkt dat het plan leidt tot een toename van stikstofdeposities die mogelijk kunnen leiden tot een verslechtering van de (staat van) instandhouding van habitats in de Natura 2000-gebieden Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Regte Heide & Riels Laag. Daarom is nader onderzocht welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden, waarbij intern salderen is toegepast. Ingevolge de uitspraak van de Raad van State op 18 december 2024 (zogenoemde ‘Rendac-uitspraak’) kan intern salderen niet meer bezien worden als onlosmakelijk onderdeel van een plan of project maar als specifieke mitigerende maatregel. Als gevolg hiervan dient intern salderen bezien te worden in een passende beoordeling. Voor de uitvoering van een project is dan tevens een natuurvergunning benodigd; deze vergunningplicht geldt niet voor een plan.

3.1

Inzet intern salderen

De nieuwe wijk wordt gerealiseerd in een gebied dat tot op heden agrarisch in gebruik is. Voor plannen geldt op basis van vaste jurisprudentie dat een vergelijking met de referentiesituatie in een plan (zoals een bestemmingsplan) mogelijk is. Peilmoment hiervoor is de planologisch toegestane en feitelijk aanwezige situatie, waarbij de situatie feitelijk reeds kan zijn beëindigd als dit specifiek en onlosmakelijk verband houdt met de realisatie van het plan. Het agrarische grondgebruik is op dit moment planologisch toegestaan: het gebied heeft volledig een agrarische bestemming (bestemmingsplan Buitengebied 2014) waarin agrarisch grondgebruik zonder beperkingen in teelt of in mestgebruik is toegestaan. Het gebied is tevens agrarisch in gebruik. Dit gebruikt en de daarbij behorende bemesting verdwijnt derhalve op het moment dat de nieuwe wijk wordt gerealiseerd. De emissies vanuit bemesting die als gevolg hiervan beëindigd worden, kunnen dan ook ingezet worden voor intern salderen. Door Ordito is berekend dat het hier gaat om het verdwijnen van 8,17 ha aan agrarische percelen met een bijbehorende emissie van 222,45 kg NH3 per jaar. In Bijlage 1 is dit nader uitgewerkt. Als het gevolg van het intern salderen van deze referentiesituatie met zowel de aanlegfase als met de gebruiksfase, resteert nergens een toename van stikstofdeposities.

Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Wel is er per saldo sprake van afnames in stikstofdepositie: • In de tijdelijke aanlegfase is er sprake van een depositeafname op 983,51 ha stikstofgevoelig (naderend) overbelast habitat in omliggende Natura 2000-gebieden, tot een maximale afname van 0,03 mol/ha/jr (zie Bijlage 4); • In de permanente gebruiksfase is er sprake van een depositeafname op 1.162,61 ha stikstofgevoelig (naderend) overbelast habitat in omliggende Natura 2000-gebieden, tot een maximale afname van 0,04 mol/ha/jr (zie Bijlage 5). In de onderstaande tabel zijn deze afnames per Natura 2000-gebied weergegeven. Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen Kempenland-West Loonse & Drunense Duinen & Leemkuilen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek tabel 2.

Bouwfase Max afname Opp. afname -0,03 mol/ha/jr 620,26 ha -0,03 mol/ha/jr 351,67 ha -0,01 mol/ha/jr 11,39 ha

Gebruiksfase Max afname Opp. afname -0,04 mol/ha/jr 620,26 ha -0,04 mol/ha/jr 383,94 ha -0,01 mol/ha/jr 155,94 ha

-0,01 mol/ha/jr

-0,01 mol/ha/jr

0,18 ha

2,48 ha

Overzicht berekende deposities op Natura 2000-gebiedenin de maatgevende fasen van het plan, waarbij intern salderen op basis van het verdwijnende agrarisch grondgebruik is toegepast. (zie Bijlage 4 voor de AERIUS berekening aanlegfase en Bijlage 5 voor de AERIUS berekening gebruiksfase)

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 12 van 108

Uit de berekeningen met intern salderen blijkt dat er op het Belgische Natura 2000-gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout op het meest dichtbij gelegen punt (ca. 6 km afstand) een depositie-afname van 0,01 mol/ha/jr wordt berekend. Op overige rekenpunten in Belgische gebieden worden geen toe- en afnames berekend.

3.2

Cumulatie

Bij een beoordeling van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden wordt per project of plan onderzocht of er sprake kan zijn van significante aantasting van de natuurlijke waarden en kwaliteiten, bezien vanuit de instandhoudingsdoelstellingen voor relevante Natura 2000-gebieden: leidt het plan of project tot significante negatieve effecten? Daarnaast dient ook cumulatie in ogenschouw genomen te worden, waarbij niet alleen de effecten van het specifieke plan of project onderzocht worden, maar ook of effecten samen met andere plannen of projecten kan leiden tot significante negatieve effecten. Zo kan het zijn dat een plan of project zelfstandig niet leidt tot significante negatieve effecten, maar wél in cumulatie met andere ontwikkelingen. In onderhavig geval speelt cumulatie geen rol. Door de inzet van mitigerende maatregelen wordt er per saldo voor gezorgd dat er géén negatieve effecten plaatsvinden: er vindt per saldo geen toename van stikstofdepositie plaats. Er is dus niet alleen geen sprake van een significant negatief effect, maar er is per definitie helemaal geen sprake van een negatief effect. Derhalve behoeft ook niet beschouwd te worden wat het planeffect is in cumulatie met andere plannen of projecten.

3.3

Additionaliteit

Het toepassen van intern salderen is een mitigerende maatregel. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Raad van State aangegeven dat daarom voor intern salderen ook de additionaliteitstoets uitgevoerd moet worden. Deze houdt in dat onderbouwd moet worden dat de mitigerende maatregel inzetbaar is voor het plan, omdat deze niet noodzakelijk is voor ‘de natuur’ als instandhoudings- of passende maatregel. In dit geval kan gesteld worden dat het beëindigen van het agrarisch grondgebruik slechts een beperkt effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden: de deposities voortkomende uit het agrarisch grondgebruik zijn beperkt in maximale depositiedruk en in oppervlakte. Vanuit de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof heeft de provincie diverse maatregelen in gang gezet om generiek én gebiedsspecifiek te komen tot een structurele verlaging van de stikstofdepositiedruk. Onderdeel hiervan vormt de uitkoop van piekbelasters: bedrijven die individueel leiden tot een significant aandeel in de stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied. Met deze maatregelen worden grote stappen gezet in de verlaging van de stikstofdepositie, ook in Kempenland-West en Kampina & Oisterwijkse Vennen. Deze stappen hebben een vele malen groter effect dan onderhavige mitigerende maatregel.

Vanuit additionaliteit kan daarom niet gesteld worden dat de mitigerende maatregel noodzakelijk is voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen (i.c. als instandhoudingsmaatregel) of het tegengaan van verdere verslechtering (i.c. als passende maatregel).

3.4

Conclusie

Uit de vorengaande paragraaf blijkt dat de berekende toenames in stikstofdepositie door de bouwfase en door de gebruiksfase, volledig worden gemitigeerd door de afname van emissies als gevolg van het verdwijnen van agrarisch grondgebruik. Met intern salderen kan het plan dus worden verantwoord en is er met zekerheid geen sprake van significante negatieve effecten op omliggende stikstofgevoelige habitats, mede gezien de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Op het moment dat na vaststelling van het plan gekomen gaat worden tot de daadwerkelijke realisatie van één of meerdere projecten binnen het plan, én er wordt bij deze projecten gebruik gemaakt van intern salderen, dan dient voorafgaand aan de start van de betreffende projecten een natuurvergunning (Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit) te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant).

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 13 van 108

Bijlage 1.

Rapportage AERIUS stikstofberekening Vroonacker IV, Diessen

Passende Beoordeling BP Vroonacker IV - D1.2

Pagina 14 van 108

AERIUS

STIKSTOFBEREKENING

Planlocatie:

Vroonackers IV, Diessen Datum:

8 oktober 2025

stikstof@ordito.nl

AERIUS

STIKSTOFBEREKENING

Planlocatie:

Vroonackers IV, Diessen (gemeente Hilvarenbeek)

Projectnummer: 22073 AERIUS-versie:

2025.0.1

Ordito Gilze B.V. Nieuwstraat 87 5126 CC Gilze 0161 801 022 stikstof@ordito.nl

stikstof@ordito.nl

2

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

Inleiding.......................................................................................................................................4 1.1

Het bouwplan .....................................................................................................................4

1.2

Relevante Natura 2000-gebieden .........................................................................................5

1.3

Werkwijze ...........................................................................................................................6

Aanlegfase ...................................................................................................................................9 2.1

Mobiele werktuigen .............................................................................................................9

2.2

Verkeersgeneratie ............................................................................................................. 10

2.3

Stationair draaien wegverkeer ............................................................................................ 11

2.4

Koude start ....................................................................................................................... 11

2.5

Rekenresultaat ................................................................................................................. 11

Gebruiksfase ............................................................................................................................. 12 3.1

Bebouwing ........................................................................................................................ 12

3.2

Verkeersgeneratie ............................................................................................................. 12

3.3

Stationair draaien .............................................................................................................. 14

3.4

Koude start ....................................................................................................................... 14

3.5

Rekenresultaat ................................................................................................................. 14

Referentiesituatie ....................................................................................................................... 15 4.1

Bestaande situatie ............................................................................................................ 15

4.2

Omgevingsplanstatus........................................................................................................ 15

4.3

Stikstofdepositie referentiesituatie..................................................................................... 16

4.4

Verschilberekening ........................................................................................................... 17

Resultaten en conclusie ............................................................................................................. 18 5.1

Rekenresultaat beoogde situatie aanlegfase ....................................................................... 18

5.2

Rekenresultaat beoogde situatie gebruiksfase .................................................................... 18

5.3

Conclusie ......................................................................................................................... 18

stikstof@ordito.nl

3

1. Inleiding Initiatiefnemer is voornemens om ten westen van de kern Diessen de woonwijk Vroonackers IV te realiseren. Ten behoeve van het planvoornemen is het noodzakelijk de stikstofdepositie in kaart te brengen. Voorliggende rapportage betreft een onderzoek ‘stikstofdepositie in relatie tot Natura 2000gebieden’, waarin de stikstofdepositie van onderhavig planvoornemen op omliggende Natura 2000gebieden inzichtelijk wordt. Bij een depositiewaarde kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename van stikstof en worden negatieve effecten uitgesloten.

1.1 Het bouwplan Onderhavig planvoornemen betreft de wens om ten westen van de kern Diessen de woonwijk Vroonackers IV te realiseren. Ter plaatse van de beoogde woonwijk zijn woningbouwontwikkelingen op erven voorzien. De wijk gaat bestaan uit een gevarieerd woningaanbod met vrijstaande woningen, rijtjeswoningen, appartementen, rug-aan-rug woningen en patiowoningen. De woningen zijn geschikt voor starters, senioren en doorstromers. Erven vormen een voor de hand liggende verkavelingsvorm. Niet alleen gezien vanuit de directe omgeving maar ook vanwege de mogelijkheden om flexibel te bouwen en om daarmee tegemoet te komen aan een zo’n groot mogelijke woningdifferentiatie. Uiteindelijk biedt het volledige planvoornemen ruimte voor maximaal 195 woningen, waarvan 20% sociale huur en 20% goedkope koop. Het stedenbouwkundig plan is in onderstaande afbeelding weergegeven.

Stedenbouwkundig inpassingsplan

stikstof@ordito.nl

4

1.2 Relevante Natura 2000-gebieden Onderstaand zijn de voor het plangebied relevante Natura 2000-gebieden weergegeven. Daarnaast zijn per gebied de beschermingsgebieden en de afstand tot het plangebied weergegeven. In onderstaande figuur zijn deze gebieden geografisch weergegeven ten opzichte van het plangebied. 

Kempenland-West • Afstand: 800 meter • Habitatrichtlijngebied (92/43/EEG) Kampina & Oisterwijkse Vennen • Afstand: 8,30 kilometer • Vogelrichtlijngebied (79/409/EEG) en Habitatrichtlijngebied (92/43/EEG) Regte Heide & Riels Laag • Afstand: 9,40 kilometer • Habitatrichtlijngebied (92/43/EEG) Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen • Afstand: 13,70 kilometer • Habitatrichtlijngebied (92/43/EEG)

Omliggende Natura 2000-gebieden

stikstof@ordito.nl

5

1.3 Werkwijze Een standaard planvoornemen is onder te verdelen in de aanlegfase en gebruiksfase. De aanlegfase is een eenmalig proces en onder te verdelen in de sloopperiode en bouwperiode. De gebruiksfase komt na de aanlegfase. De gebruiksfase is een continu proces en bestaat uit de toekomstige uitstoot van het verkeer en van de bebouwing. De emissies van beide fases worden in kaart gebracht en de emissies worden berekend. De berekening is uitgevoerd met behulp van de AERIUS calculator 2025.0.1. Deze rekentoepassing toetst de emissies van beide fases aan de waardes van de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Bij een rekenresultaat van 0,00 mol per hectare per jaar is de stikstofdepositie nihil en vormt het geen belemmering voor de natuur.

Indeling aanlegfase en gebruiksfase

Aanlegfase Mobiele werktuigen In de bouwperiode van de aanlegfase wordt er gebruik gemaakt van mobiele werktuigen die zorgen voor de realisatie van onderhavig planvoornemen. Deze mobiele werktuigen stoten tijdens de werkzaamheden stikstof uit. In tabelvorm wordt het aantal draaiuren weergegeven. Hierbij wordt 6% AdBlue (van het totale verbruik) toegevoegd aan de diesel bij werktuigen met een vermogen groter dan 56 kW. In de aanlegfase wordt gebruik gemaakt van inschattingen die gebaseerd zijn op ervaringscijfers. Verkeersgeneratie aanlegfase Onderstaande tabel geeft voor woningen in de bouwperiode aan wanneer welke kengetallen met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen moet worden opgenomen in de berekening. Dit zijn inschattingen die zijn gebaseerd op ervaringscijfers. Er wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën verkeer. Het middelzware vrachtverkeer is bedoeld (kleinschalige) benodigdheden voor de bouw. Het zware vrachtverkeer is bedoeld voor (grootschalig) bouwmateriaal en het licht verkeer is ten behoeve van het personeel. Onderstaand tabel gaat uit van de volledige nieuwbouw van een woning.

Verkeerstype Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

Aantal voertuigbewegingen 30 per 100 woningen per etmaal 10 per 100 woningen per etmaal 5 per 100 woningen per etmaal

stikstof@ordito.nl

6

Stationair draaien bouwverkeer Voor de bepaling van de emissies is aansluiting gezocht bij de cijfers uit de AERIUS instructie gegevensinvoer 2024.1. Hierbij wordt aangesloten bij de emissiecijfers uit bijlage 1 ‘Stationaire emissies verkeer’. Onderstaande tabel geeft voor woningen in de bouwperiode aan hoelang een voertuig naar verwachting stationair draait per verkeersbeweging.

Verkeerstype Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

Stationair draaien 0,25 minuut per verkeersbeweging 5 minuten per verkeersbeweging 10 minuten per verkeersbeweging

De aannemer ziet zoveel mogelijk toe op het afzetten van de motoren wanneer de mobiele werktuigen niet in gebruik zijn. Koude start Gedurende het bouwproces vinden op de bouwplaats koude starts plaats. Omdat koude starts – substantieel – meer stikstof uitstoten dan warme starts, wordt de uitstoot hiervan opgenomen in de berekening. Voor het bepalen van het aantal koude starts wordt aangesloten bij de ‘handreiking koude start’ van BIJ12. Op basis van de ‘Handreiking koude start’ van BIJ12 is voor bouwprojecten waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van mobiele werktuigen de invoer voor een koude start niet noodzakelijk, omdat deze motoren draaiend arriveren en niet voldoende afkoelen tussen de gebruiksmomenten. Wel dient hierbij rekening gehouden te worden met op de bouw aanwezige personen in de vorm van woon-werkverkeer. Omdat deze personen met een warme motor arriveren op de bouwplaats, wordt het aantal koude starts bepaalt door het aantal lichte verkeersbewegingen te vermenigvuldigd met 50%. Gebruiksfase Bebouwing De bebouwing van de gebruiksfase heeft in geval van niet-gasloze bebouwing stikstofuitstoot tot gevolg. Om de uitstoot te berekenen, wordt gebruik gemaakt van de standaard emissiekengetallen per type functie en/of bebouwing. Deze kengetallen zijn afkomstig van AERIUS. Indien bebouwing zonder gasaansluiting gerealiseerd wordt, is de emissie 0,0 NO X kg/jaar.

Verkeersgeneratie gebruiksfase Voor de emissie van het wegverkeer wordt gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW. Met behulp van deze publicaties wordt het maximale aantal motorvoertuigen per etmaal berekend voor de gebruiksfase.

stikstof@ordito.nl

7

Stationair draaien wegverkeer Voor de bepaling van de emissies is aansluiting gezocht bij de cijfers uit de AERIUS instructie gegevensinvoer 2024.1. Hierbij wordt aangesloten bij de emissiecijfers uit bijlage 1 ‘Stationaire emissies verkeer’. Onderstaande tabel geeft voor woningen in de bouwperiode aan hoelang een voertuig naar verwachting stationair draait per verkeersbeweging.

Verkeerstype Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

Stationair draaien 0,25 minuut per verkeersbeweging 5 minuten per verkeersbeweging 10 minuten per verkeersbeweging

Koude start Voor de bepaling van het aantal koude starts gedurende de gebruiksfase wordt aansluiting gezocht bij de ‘handreiking koude start’ van BIJ12. De handreiking bepaalt dat het verwachtte aantal koude starts per woning wordt geschat op twee per woning per dag. Een van de koude starts per dag is het woonwerkverkeer en de andere koude start is voor eigen gebruik (bijvoorbeeld voor boodschappen, sporten, kinderen ophalen, etc.).

stikstof@ordito.nl

8

2. Aanlegfase Onderhavig planvoornemen betreft de ontwikkeling van de woonwijk Vroonackers IV, waarin ruimte wordt geboden voor de realisatie van maximaal 195 woningen op de momenteel beweide akkerbouwgronden. Voor de realisatie van het planvoornemen is een berekening van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden voor de aanlegfase noodzakelijk. Bij de realisatie van het planvoornemen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit resulteert in de depositie van stikstof. De invoergegevens zijn gebaseerd op de hoogste emissie in een aaneengesloten periode van 12 maanden.

2.1 Mobiele werktuigen In onderstaande tabel zijn de benodigde mobiele werktuigen gedurende de aanlegfase weergegeven. De gegevens met betrekking tot het type materieel, motorvermogen, AdBlue toevoeging (6%) en het aantal draaiuren zijn bepaald op basis van ervaringscijfers en referentieprojecten. De bouwperiode wordt naar verwachting uitgevoerd in drie fasen, verspreid over vier kalenderjaren. Uitgaande van een worstcasescenario wordt gerekend met de bouw van alle 195 woningen in een aaneengesloten periode van 12 maanden. Er is gerekend met een worstcase uitgangspunt. De inzet van stage V (mobiele) werktuigen en elektrische werktuigen is derhalve uitgesloten. Verder is een post onvoorziene werktuigen opgenomen. Deze post moet eventuele meerwerk aan werkzaamheden dekken in de berekening. Het uitgangspunt is dat het aantal draaiuren van de post onvoorziene werktuigen 10% van het totale aantal draaiuren bedraagt. In totaal genereren de mobiele werktuigen een stikstofdepositie van 284,6 NOX kg/ jaar.

Mobiele werktuigen Stage klasse Standaard verbruik Vermogen (kW) Belast Draaiuren Bouwperiode graafmachine Stage IV 8,25 liter/ u 80 35% 209 shovel Stage IV 8,25 liter/ u 80 35% 209 heimachine Stage IV 19,81 liter/ u 200 35% 520 betonpomp Stage IV 8,25 liter/ u 80 35% 146 hijskraan Stage IV 12,10 liter/ u 120 35% 360 verreiker Stage IV 6,32 liter/ u 60 35% 360 graaflaadcombinatie Stage IV 8,25 liter/ u 80 35% 560 minigraafmachine Stage IV 6,32 liter/ u 60 35% 420 trilplaat Stage IV 2,50 liter/ u 20 35% 120 heftruck Stage IV 6,32 liter/ u 60 35% 280 kiepwagen Stage IV 29,45 liter/ u 300 35% 274 vrachtwagen Stage IV 29,45 liter/ u 300 35% 160 Overig onvoorziene werktuigen Stage IV 12,10 liter/ u 120 35% 362 * 10% van het totale aantal draaiuren wordt extra gerekend voor onvoorziene werktuigen

stikstof@ordito.nl

Totale verbruik

AdBlue

Emissie NOx

1724 liter/ j 1724 liter/ j 10301 liter/ j 1207 liter/ j 4356 liter/ j 2275 liter/ j 4620 liter/ j 2654 liter/ j 300 liter/ j 1770 liter/ j 8069 liter/ j 4712 liter/ j

103 liter/ u 103 liter/ u 618 liter/ u 72 liter/ u 261 liter/ u 137 liter/ u 277 liter/ u 159 liter/ u n.v.t. 106 liter/ u 484 liter/ u 283 liter/ u

10,6 kg/ j 10,6 kg/ j 58,3 kg/ j 7,4 kg/ j 25,5 kg/ j 13,9 kg/ j 27,8 kg/ j 16,5 kg/ j 6,6 kg/ j 11,1 kg/ j 45,0 kg/ j 26,1 kg/ j

4378 liter/ j

263 liter/ u

25,3 kg/ j

9

2.2 Verkeersgeneratie De verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen bestaat uit het transport van materiaal, materieel en personen. De rijroute dient ingevoerd te worden tot daar waar de verkeersstromen opgaan in het heersende verkeersbeeld. De verkeersintensiteit neemt in elk geval significant toe bij de N395, waardoor het advies is om de verkeersbewegingen tot dit wegvak te modelleren. Zodoende wordt het wegvak gemodelleerd tot aan de kruising met de N395 en de Waterstraat. In de berekening worden twee wegbronnen opgenomen: 1. Vanaf het plangebied tot aan de Westerwijk, waar de overgang plaatsvindt van binnen naar buiten de bebouwde kom, wordt aangesloten bij het wegvak ‘Binnen de bebouwde kom (stagnerend)’. Vanwege het vele manoeuvreren en langzaam rijdend verkeer is in deze situatie uitgegaan van 100% filerijden. De stikstofdepositie afkomstig van de rijroute bedraagt 45,0 NOX kg/ jaar. 2. Vanaf de Westerwijk tot aan de kruising van de N395 met de Waterstraat, wordt aangesloten bij het wegvak ‘Buitenweg’. Gezien de doorgaande functie van deze weg en het doorstromende verkeer, is uitgegaan van 10% filerijden. De stikstofdepositie afkomstig van de rijroute bedraagt 47,7 NOX kg/ jaar. Bij het in kaart brengen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van ervaringscijfers. De totale stikstofdepositie afkomstig van de verkeersgeneratie bedraagt 92,7 NOX kg/ jaar.

Verkeerstype Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

Voertuigen per jaar 21353 7118 3559

Uitsnede verkeersgeneratie AERIUS-invoer

stikstof@ordito.nl

10

2.3 Stationair draaien wegverkeer Naast de verkeersaantrekkende werking is eveneens een verwachting van het stationair draaien van het wegverkeer opgenomen in de berekening. Het stationair draaien is opgenomen onder vlakbron ‘anders’. Voor de bepaling van de emissies is aansluiting gezocht bij de cijfers uit de AERIUS instructie gegevensinvoer 2024.1. Onderstaand is de verwachting voor het stationair draaien van het verkeer in tabelvorm weergegeven.

Verkeerstype Licht verkeer

Rekenjaar 2026

Uren stationair 89,0

NOx 351,0 g NOx / jaar 3,9456 g/ uur

Middelzwaar verkeer

2026

593,1

37235,9 g NOx / jaar 62,7792 g/ uur

Zwaar verkeer

2026

593,1

53993,2 g NOx / jaar

Totaal

91580,2 g NOx / jaar

91,03176 g/ uur

NH3 14,8 g NH3 / jaar 0,1668 g/ uur

427,1 g NH3 / jaar 0,72 g/ uur

532,4 g NH3 / jaar 0,8976 g/ uur

974,3 g NH3 / jaar

2.4 Koude start Onderhavig planvoornemen betreft de ontwikkeling van de woonwijk Vroonackers IV, waarin ruimte wordt geboden voor de realisatie van maximaal 195 woningen. Omdat het planvoornemen een verkeersaantrekkende werking kent, waarbij voertuigen langer dan twee aaneengesloten uren stilstaan, is het noodzakelijk om de emissiebron ‘koude start’ op te nemen in de berekening. Op basis van de ‘Handreiking koude start’ van BIJ12 is voor bouwprojecten waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van mobiele werktuigen de invoer voor een koude start niet noodzakelijk, omdat deze motoren draaiend arriveren en niet voldoende afkoelen tussen de gebruiksmomenten. Wel dient hierbij rekening gehouden te worden met op de bouw aanwezige personen in de vorm van woon-werkverkeer. De aanwezige personen op de bouw arriveren op de bouwlocatie met een warme en draaiende motor. Omdat een werkdag normaliter langer duurt dan 2 klokuren, is het aannemelijk dat de motoren van de voertuigen zijn afgekoeld wanneer het bouwpersoneel de bouwplaats verlaat. Hierdoor vindt er derhalve een koude start plaats. In de berekening is een aantal koude starts ingevoerd dat aansluit bij de verkeersgeneratie van licht verkeer, zoals bovenstaand berekend. Omdat het personeel met een warme en draaiende motor arriveert op de bouwplaats wordt aangesloten bij 50% van de hierboven berekende verkeersgeneratie.

De stikstofdepositie afkomstig van de koude starts bedraagt 2,8 NOX kg/ jaar.

2.5 Rekenresultaat De totale stikstofdepositie gedurende de aanlegfase bedraagt 483,2 NOX kg /jaar.

stikstof@ordito.nl

11

3. Gebruiksfase Onderhavig planvoornemen betreft de ontwikkeling van de woonwijk Vroonackers IV, waarin ruimte wordt geboden voor de realisatie van maximaal 195 woningen op de momenteel beweide akkerbouwgronden. Voor de realisatie van het planvoornemen is een berekening van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden voor de gebruiksfase noodzakelijk. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de stikstofdepositie afkomstig van de bebouwing en de complementaire verkeersgeneratie. De stikstofdepositie mag niet meer bedragen dan 0,00 mol/ha/jaar.

3.1 Bebouwing Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van nieuwbouwwijk Vroonackers IV, waarin ruimte wordt geboden voor de realisatie van maximaal 195 woningen. Sinds een wetswijziging per 1 juli 2018 kunnen aanvragen voor een bouwvergunning van een woning of bedrijf alleen verleend worden als deze géén aardgasaansluiting hebben. Dit houdt in dat de toekomstige bebouwing zonder gasaansluiting opgeleverd dient te worden. Dit heeft als gevolg dat de beoogde bebouwing geen stikstof uitstoot. Zodoende kan gesteld worden dat de toekomstige bebouwing geen invloed heeft op de berekening met betrekking tot de depositie van stikstof op omliggende Natura 2000-gebieden.

3.2 Verkeersgeneratie Naast de bebouwing is ook de bijbehorende verkeersgeneratie meegenomen in de berekening. De gevolgen van de beoogde ontwikkeling op het verkeer wordt bepaald op basis van de verkeersaantrekkende werking. Bij het in kaart brengen van de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024 Basis voor parkeernormering’. Voor de kwantificering van de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de maximale verkeersgeneratie van stedelijkheidsgradatie ‘rest bebouwde kom – matig stedelijk’. De rijroute dient ingevoerd te worden tot daar waar de verkeersstromen opgaan in het heersende verkeersbeeld. De verkeersintensiteit neemt in elk geval significant toe bij de N395, waardoor het advies is om de verkeersbewegingen tot dit wegvak te modelleren. Op basis van het verkeersonderzoek is bepaald dat de beoogde wijk op twee verschillende aansluitingspunten wordt ontsloten. Aan de noordzijde sluit de beoogde wijk aan op de bestaande wijk Vroonackers, van waaruit via de Schorseneer en de Meiraap de rotonde op de N395 bereikbaar is. Gezien de aard van deze rijroute wordt aangesloten bij het wegtype ‘binnen de bebouwde kom (stagnerend)’. In het kader van een worstcasescenario is hierbij uitgegaan van 100% filerijden. De stikstofdepositie afkomstig van de rijroute bedraagt 61,3 NOX kg/ jaar.

Aan de zuidzijde vormt een aansluiting op de Deusonelaan de meest efficiënte route. Vanaf daar verloopt de verkeersroute via de Westerwijk en de Waterstraat richting de N395. Dit traject is opgedeeld in twee afzonderlijke wegvakken: 1. Van het plangebied tot aan de Westerwijk Dit gedeelte ligt binnen de bebouwde kom. Vanwege het manoeuvreren en langzaam rijdend verkeer wordt dit geclassificeerd als ‘binnen de bebouwde kom (stagnerend)’. Ook hier is in het kader van een worstcasescenario uitgegaan van 100% filerijden. 2. Van de Westerwijk tot aan de kruising N395 – Waterstraat Dit deel bevindt zich buiten de bebouwde kom en wordt geclassificeerd als ‘buitenweg’. Gezien de doorgaande functie van deze route en de verwachte verkeersdoorstroming is voor dit traject uitgegaan van 10% filerijden in een worstcasescenario. De stikstofdepositie afkomstig van de rijroute bedraagt 125,3 NOX kg/ jaar.

stikstof@ordito.nl

12

Bij de verkeersverdeling is uitgegaan van een evenredige ontsluiting, waarbij 50% van het verkeer via de noordzijde en 50% via de zuidzijde afwikkelt. Op basis van de meest recente CROW-publicatie kent een woning een aandeel van 0,02 verkeersbewegingen zwaar verkeer per etmaal. Hierdoor is (in het kader van een worstcasescenario) een aantal van 3,9 mvt/etmaal aan zwaar verkeer opgenomen in de AERIUS-rekentool. De totale stikstofdepositie afkomstig van de verkeersgeneratie bedraagt 186,6 NOX kg/ jaar.

Omschrijving Vrijstaande woning

8,6

Norm Eenheid mvt/ etmaal 23

8,2

mvt/ etmaal

37

303,4 mvt/ etmaal

7,5

mvt/ etmaal

95

712,5 mvt/ etmaal

3,4

mvt/ etmaal

32

108,8 mvt/ etmaal

4,8

mvt/ etmaal

8

38,4 mvt/ etmaal

Totaal

195

1360,9 mvt/ etmaal

Verkeersbewegingen 197,8 mvt/ etmaal

koop, huis, vrijstaand'

Twee-onder-een-kap koop, huis, twee-onder-een-kap'

Hoek- en rijwoning koop, huis, tussen/hoek'

Sociale huur (appartementen) huur, appartement, sociale huur, 75-100 m² bvo

Sociale huur (woningen) huur, huis, sociale huur'

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16514791/1