CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19 (8 toelichting met voorgestelde wijzigingen)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19.26.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek 1

Verkennend asbestonderzoek Klein Westerwijksestraat 19 te Bies-Houtakker, projectnummer: B3194, Bodeminzicht, Zijtaart 14 maart 2023

52

Tijdens het verrichte veldwerk zijn bodemvreemde bijmengingen van met name beton en baksteen aangetroffen in de gezeefde en opgeboorde grond. Ter plaatse van de oprit wordt een bijmenging van met name baksteen en beton waargenomen onder de klinkerverharding. De hoeveelheid bijmenging varieert sterk per proefgat. Ter plaatse van de voormalige stal is tot 1,2 m-mv een bijmenging van baksteen aangetroffen. Asbestverdachte fragmenten zijn nergens aangetroffen. Analyseresultaten mengmonster druppelzone In mengmonster BG1, samengesteld uit zwak baksteenhoudende toplaag ter plaatse van de druppelzone van de voormalige stal, is geen gehalte aan PCB aangetoond boven de achtergrondwaarde. Analyseresultaten asbest De beton-, baksteen-, dakpan- en glashoudende bodem ter plaatse van proefgat 3 bevat geen asbest. Het inspectiegat wordt als representatief (meest verdacht) beschouwd voor de gehele oprit. De toplaag ter plaatse van de druppelzones van de voormalige stal is niet verontreinigd geraakt door verwering en afspoeling van asbestvezels. De aanwezigheid van respirabele vezels in de toplaag wordt verwaarloosbaar geacht op basis van de getelde vezels kleiner dan 0,5 mm. Conclusie en advies Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek.

De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzochte deellocaties vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik van het terrein.

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Uit het geldende bestemmingsplan blijkt dat er binnen het plangebied twee gasleidingen zijn gelegen. Deze leidingen zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. Binnen deze dubbelbestemming zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van deze dubbelbestemming. Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het bouwen binnen deze dubbelbestemming waardoor deze gasleiding geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Uit de risicokaart blijkt daarnaast dat voor deze buisleidingen geen plaatsgebonden risicocontour is opgenomen waardoor dit geen belemmering vormt voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er 53

genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie slechts enkele bedrijven en andere functies gelegen waardoor niet gesproken kan worden van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom dus niet met 1 stap worden verkleind. Gezien de voorgenomen wijziging naar de bestemming ‘Recreatie’, dient beoordeeld te worden of er kan worden voldaan aan de richtafstand tot omliggende milieugevoelige objecten. Conform de VNG-publicatie behoort de beoogde recreatieve functie tot de categorie ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ en dient er een afstand van minimaal 50 meter tot omliggende milieugevoelige objecten aangehouden te worden.

Het meest dichtstbijzijnde milieugevoelige object is de bedrijfswoning aan de Klein Westerwijksestraat 12. Deze woning is op een afstand van circa 85 meter van het plangebied gelegen waardoor aan de minimum richtafstand kan worden voldaan. Daarnaast dient er ook een omgekeerde toetsing plaats te vinden waarin wordt bepaald of voldaan kan worden aan de minimumafstand van omliggende bedrijven tot de beoogde milieugevoelige objecten (recreatiewoningen). Hierbij is getoetst of de recreatieve functie binnen de minimum richtafstand van omliggen bedrijven is gelegen. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand van het bestemmingsvlak van de beoogde recreatieve functie tot het bouwvlak van de omliggende bedrijven. In onderstaande tabel zijn de meest nabijgelegen functies opgenomen.

Tabel 1 afstand van het plangebied tot omliggende bedrijven

Adres

Functie

Milieucat.

Klein Westerwijksestraat 12 Klein Westerwijksestraat 16 Klein Westerwijksestraat 17 Klein Westerwijksestraat 18 Biestsestraat 99 Biestsestraat 101 Biestsestraat 103b

Agrarisch Verhuurbedrijf Varkenshouderij Autogarage Bedrijf Café Visvijver incl. horeca Rundveehouderij

Biestsestraat 108 en 110

Minimum afstand 30 meter 30 meter 200 meter 30 meter 30 meter 10 meter 10 meter

Voldaan?

2 2 4.1 2 2 1 1

Werkelijke afstand 65 meter 35 meter 220 meter 140 meter 90 meter 75 meter 30 meter

3.2

130 meter

100 meter

Ja

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Advies GGD Er enkele veehouderijen binnen 250 meter van de planlocatie gelegen zijn. Deze afstand wordt in principe door de GGD als minimumafstand aangehouden tot een gevoelige bestemming omdat er sprake kan zijn van een verhoogde blootstelling aan 54

fijnstof/ endotoxine/ geur vanuit de veehouderijen. Recreatiewoningen zijn, tenzij ze langdurig bewoond mogen worden, naar mening van de GGD in principe geen geurgevoelige bestemmingen. Recreatiewoningen zijn wel gevoelige bestemmingen wat betreft endotoxinen/ luchtkwaliteit. Vandaar dat een locatie specifieke beoordeling is uitgevoerd voor dit initiatief. De afstand van de dichtstbijzijnde geitenhouderij (Kanaaldijk 4) tot het plangebied bedraagt circa 0,35 kilometer. Daarnaast zijn er geitenhouderijen op een afstand van circa 1,8 en 1,9 kilometer gelegen. Op de planlocatie worden recreatiewoningen gebouwd waar dezelfde groep mensen maximaal 6 weken mogen verblijven. In het VGO onderzoek is enkel onderzoek gedaan naar het risico op het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden en niet bij mensen die kortdurender in de omgeving van een geitenhouderij wonen. Het effect op de gezondheid bij een kortdurender verblijf kan derhalve niet beoordeeld worden. Het advies is in elk geval recreanten hierop te wijzen. Conclusie Uit bovenstaande tabel blijkt aan de minimum richtafstanden tot omliggende functies voldaan kan worden. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

4.8

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Met name de handreiking wet geurhinder en veehouderij geeft nadere invulling in het gebruik van de wet. In de wet ruimtelijke ordening is bepaald dat sprake dient te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dat houdt in dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake dient te zijn van een aanvaardbaar verblijfswoon- en leefklimaat, die past bij de ontwikkeling. Het initiatief voorziet niet in de (her)ontwikkeling van veehouderijactiviteiten, waardoor de Wet geurhinder en veehouderij in principe niet van toepassing is voor deze situatie. Echter gelden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij normen waaraan een veehouderij dient te voldoen. Deze normen worden gesteld op geurgevoelige objecten. Wanneer nieuwe geurgevoelige objecten worden gerealiseerd, kan dat betekenen dat deze een effect heeft op bestaande veehouderijbedrijven.

4.8.1

Verblijfsklimaat In het kader van de wro dient aangetoond te worden dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Uit het geurhinderonderzoek (zie bijlage VIIIa en VIIIc) is aangetoond dat wordt voldaan aan de wettelijke hinderpercentages, waardoor ter hoogte van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Een uitzondering geldt voor het zuidwestelijke hoekpunt van het plangebed. Aangezien ter plaatse de bestemming ‘Natuur’ is opgenomen en er geen verblijfmogelijkheden zijn, is dit niet relevant. In de Handreiking bij de voormalige Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen

55

wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Tabel 2 Leefklimaat versus geurgehinderden versus geurbelasting (concentratiegebied) Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Geurgehinderden 0–5% 5 – 10 % 10 – 15 % 15 – 20 % 20 – 25 % 25 – 30 % 30 – 35 % 35 – 40 %

Voorgrondbelasting 0 – 1,5 OUE/m³ 1,5 – 3,5 OUE/m³ 3,5 – 6,5 OUE/m³ 6,5 – 10 OUE/m³ 10 – 14 OUE/m³ 14 – 19 OUE/m³ 19 – 25 OUE/m³ 25 – 32 OUE/m³

Achtergrondbelasting 0 – 3 OUE/m³ 3 – 8 OUE/m³ 8 – 13 OUE/m³ 13 – 20 OUE/m³ 20 – 28 OUE/m³ 28 – 26 OUE/m³ 26 – 50 OUE/m³ 50 – 65 OUE/m³

In tabel 3 is de achtergrondbelasting ter plaatse van de hoekpunten (Nw, No, Zo en Zw) in beeld gebracht. Deze tabel is afkomstig uit het geurrapport (2023) dat als bijlage VIIa is opgenomen. In navolging van dat rapport zijn er in het kader van de belemmerende werking twee extra toetspunten toegevoegd. Het plangebied valt namelijk voor een deel in een gebied war de geurnorm 7 OUE/m³ voor veehouderijen geldt en een deel waarvoor een geurnom van 10 OUE/m³ geldt. Ten aanzien van de belemmerende werking kan dat een effect hebben, voor het verblijfsklimaat is dat niet relevant. De toetspunten zijn op die grens neergelegd. Vervolgens heeft in 2025 een update plaatsgehad op de berekeningen van 2023 met de situatie zoals die in de huidige situatie het geval is, met behulp van het meest recente model van V-stacks en met de actuele situatie aangaande relevante en in werking zijn de veehouderijen. De resultaten van die berekening zijn in bijlage VIIc toegevoegd. In tabel 5 is voorgrondbelasting ter plaatse van de hoekpunten (Nw, No, Zo, Zw, Nw-2 en Zw-2) van het plangebied in beeld gebracht. De aanduidingen in de tabellen corresponderen met de aanduidingen in figuur 9. Tabel 3 berekende achtergrondbelasting vanuit veehouderijen binnen een straal van 2 km (bron: rapportage bijlage VIIIa) TNoetspunt Nw No Zo Zw

Toetspunt omschrijving Hoekpunt noordwest Hoekpunt noordoost Hoekpunt zuidoost Hoekpunt zuidwest

norm 20,0

V-stacks gebied (OUE/m³) vanuit 48 veehouderijen 12,91

20,0

13,55

20,0

15,88

20,0

19,09

56

Tabel 4 berekende achtergrondbelasting vanuit veehouderijen binnen een straal van 2 km (bron: rapportage bijlage VIIIa) Toetspunt Nw No Zo Zw NW-2

Toetspunt omschrijving Hoekpunt noordwest Hoekpunt noordoost Hoekpunt zuidoost Hoekpunt zuidwest Hoekpunt noordwest norm 7 Hoekpunt zuidwest norm 7

ZW-2

norm 20,0

V-stacks gebied (OUE/m³) vanuit 48 veehouderijen 8.22

20,0

8.61

20,0

10.3

20,0

13.91

20.0

8.04

20.0

14.01

nw zw-2

no

zw

zw-2 zo

Figuur 9 Ligging geurgevoelige objecten op luchtfoto

57

Tabel 5 Voorgrondbelasting ter plaatse van de hoekpunten van het plangebied met de hoogste voorgrondbelasting per hoekpunt gemarkeerd Aanduiding

Toetspunt

X-coörd.

Geurbelasting (ouE/m3)

Y-coörd.

op

Norm

luchtfoto

Klein

Klein

Biestsestraat

Westerwijkse

Westerwijkse-

108

-straat 17

straat 12a

Nw

Hoekpunt noordwest

138 308

391 967

10

5,6

4,7

2,0

No

Hoekpunt noordoost

138 438

391 877

7

4,6

5,5

3,4

Zo

Hoekpunt zuidoost

138 518

391 590

7

3,7

7,4

4,6

Zw

Hoekpunt zuidwest

138 124

391 715

10

15,3

12,3

1,1

NW-2

Hoekpunt noordwest norm 7

138 367

391 905

7

5,9

5,5

2,4

ZW-2

Hoekpunt zuidwest norm 7

138 216

391 695

7

11,7

13

1,5

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. De gemeente Hilvarenbeek heeft in de gemeentelijke geurverordening niet vastgelegd wat op basis van de voor- en achtergrondbelasting een acceptabel verblijfsklimaat is. Voor de bepaling van geurhinder is daarom aangesloten bij Bijlage 7 van de Wet geurhinder en veehouderij. Hierin is tabel 5 opgenomen voor de bepaling van de milieukwaliteit aan de hand van het percentage geurgehinderden. Tabel 6 Beoordeling woon -en leefklimaat Omschrijving

voorgrondbelasting

achtergrondbelasting

Hoekpunt noordwest Hoekpunt noordoost Hoekpunt zuidoost Hoekpunt zuidwest

6

Hoekpunt noordwest norm 7 Hoekpunt zuidwest norm 7

% geurgehinderden

8

Meest bepalend Voorgrond

Verblijfsklimaat

13%

Redelijk goed

6

9

Voorgrond

13%

Redelijk goed

7

10

Voorgrond

16%

Matig

15

14

Voorgrond

26%

slecht

5.9

8

Voorgrond

14%

Matig

13

14

voorgrond

24%

Tamelijk slecht

Op basis van de resultaten in tabel 6 kan worden geconcludeerd dat sprake is van een verblijfsklimaat dat varieert van “redelijk goed” tot “slecht”. In bijlage 7 van de Wet geurhinder en veehouderij is vastgelegd wat de wettelijke waarden en maximale waarden voor geurbelasting en bijbehorende hinderpercentages zijn. deze zijn weergegeven in tabel 6. Binnen bebouwde kom Wettelijk Maximaal (artikel3) (artikel 6)

Buiten bebouwde kom Wettelijk Maximaal (artikel 3) (artikel 6) 58

Concentratiegebied Geurbelasting 3 (OUEm³) Hinder ≥8% Niet concentratiegebied Geurbelasting 2 (OUEm³) Hinder ≥11%

14

14

35

≥25%

≥25%

≥ 41%2

8

8

20

≥29%

≥29%

≥46%

De planlocatie is gelegen in een concentratiegebied buiten de bebouwde kom. Hiervoor geldt een wettelijke hinderpercentage van 25%, met een mogelijkheid om af te wijken tot maximaal 41 %. Binnen die marge is derhalve sprake van een verblijfsklimaat die als aanvaardbaar kan worden beschouwd voor locaties die in het buitengebied zijn gelegen van een concentratiegebied. Deze wordt enkel en marginaal (met 1%) overschreden op het hoekpunt zuidwest. Het maximale hinderpercentage wordt echter niet overschreden. Hierdoor kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied.

Advies GGD verblijfsklimaat Ten aanzien van dit plan is door de gemeente Hilvarenbeek een advies opgevraagd bij de GGD. Dit advies is als bijlage XII opgenomen bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf de conclusie ten aanzien van het verblijfsklimaat met betrekking tot het aspect geur. In de beoogde situatie worden op de planlocatie geen varkens meer gehouden. Dit heeft een positief effect op het verblijfsklimaat van de bestaande omliggende woningen. In de directe omgeving zijn nog wel veehouderijen gelegen die een effect kunnen hebben op de te bouwen recreatiewoningen. Uit de kaart achtergrondgeurbelasting van de ODZOB blijkt dat ter plaatse van het plangebied een achtergrondgeurbelasting heerst van 7-13 OU. Recreatiewoningen worden door de GGD in principe niet als een geurgevoelig object beschouwd, behalve wanneer het mogelijk is om in dergelijke woningen langdurig te verbleven. In de toelichting op het initiatief wordt aangegeven dat de initiatiefnemers hebben ingestemd om het gebruik van de recreatiewoningen in te perken en een verblijfsduur aan te merken voor eenzelfde groep mensen van maximaal 6 weken aaneengesloten per jaar.

Zou een langdurig verblijf toch mogelijk zijn, dan adviseert de GGD de geurbelasting te toetsen aan de gezondheidskundige advieswaarden voor woningen in het buitengebied, zijnde een voorgrondgeurbelasting van 5 OU en een achtergrondgeurbelasting van maximaal 10 OU. Conclusie verblijfsklimaat In dit bestemmingsplan is de verblijfsduur van mensen in de recreatiewoningen gemaximeerd waardoor geen sprake is van langdurig verblijf. In het bestemmingsplan worden ook geen mogelijkheden geboden om de verblijfsduur te verlengen. Het verblijfsklimaat zou daardoor niet meer relevant zijn. Desondanks is met het geuronderzoek aangetoond dat voldaan wordt aan de geldende criteria ten aanzien van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

2

Berekend door extrapolatie en daardoor minder betrouwbaar dan de overige percentages.

59

4.8.1

Belemmerende werking In het kader van deze ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat het verblijfswoon- en leefklimaat aanvaardbaar is voor de nieuwe situatie. De beoordeling van de nieuwe situatie is gebaseerd op geurgevoelige objecten. Daardoor is sprake van een goede ruimtelijke ordening en kan het initiatief conform wro gerealiseerd worden. Daarnaast is bekeken en beoordeeld of, wanneer het uitgangspunt ‘realisatie van geurgevoelige objecten’ wordt toegepast, sprake is van een belemmerende werking op bestaande veehouderijen in de (directe) omgeving. De toets is op verschillende aspecten uitgevoerd, namelijk op: - vaste afstanden; - geuremissie op basis van geurnormen, en; - de nuance ten aanzien van de huidige functionele/ruimtelijke situatie van de omgeving in relatie tot de geldende geurnormen. Vast afstanden In het onderzoek (zie bijlage VIIIb), is geconcludeerd dat de recreatiewoningen niet binnen de vaste afstanden die vanuit de Wgv zijn opgelegd aan veehouderijbedrijven, zijn gelegen. Ten aanzien van de vaste afstanden vormen de recreatiewoningen, beoordeeld als geurgevoelige objecten, geen belemmering voor omliggende veehouderijbedrijven. Geuremissie op basis van geurnormen In figuur 9 is een uitsnede opgenomen van de kaart behorende bij de geurverordening.

Daarop is te zien dat ter plaatse van het plangebied en directe omgeving van het plangebied, verschillende gebieden zijn aangewezen. In de geurverordening zijn aan deze gebiedsindeling geurnormen gehangen. In onderstaande tabel zijn deze opgenomen. Geconcludeerd wordt dat voor het overgrote deel van het plangebied een geurnorm van 7 ouE/m³ geldt. Voor een klein deel (het westelijk deel) van het plangebied geldt een geurnorm van 10 ouE/m³. Het gebied ten westen en zuidwesten van het plangebied is als invloedsgebied buitengebied aangemerkt, het gebied ten zuidoosten is aangemerkt als invloedsgebied woonkern en het gebied ten westen en

60

noordwesten van het plangebied als invloedsgebied extensiveringsgebied met primaat wonen.

Tabel 7 Geurnorm per invloedsgebied

Figuur 9 Uitsnede kaart geurverordening

Gebied a. Invloedsgebied woonkernen b. Invloedsgebied extensiveringsgebied met primaat wonen c. Invloedsgebied zoekgebieden wonen d. Invloedsgebied sportparken e. buitengebied

Geurnorm 2 ouE/m³ 7 ouE/m³ 7 ouE/m³ 7 ouE/m³ 10 ouE/m³

De geurnormen ter plaatse zijn relevant voor veehouderijbedrijven waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissie is vastgesteld. Uit de analyse (bijlage VIIIa) blijkt dat er in de directe omgeving 3 veehouderijbedrijven zijn gelegen waarvoor een ontwikkeling van geurgevoelige objecten in het plangebied relevant kan zijn. Ten aanzien van de berekeningen is uitgegaan van een worst-casescenario. Dat betekent dat voor het hele plangebied de geldende geurnorm van het invloedsgebied ‘extensiveringsgebied met het primaat wonen’ is toegepast, namelijk 7 ouE/m³, daarnaast, dat er binnen het hele plangebied geurgevoelige objecten kunnen worden opgericht en dat er geen rekening is gehouden met omgevingsaspecten. Uit deze berekeningen is gebleken dat op hoekpunt zuidoost en hoekpunt zuidwest een overschrijding plaatsvindplaatsvindt. Wanneer op die plekken een geurgevoelig object

61

zou worden opgericht, zou deze tot een belemmering van de veehouderijen kunnen leiden. Nuance huidige functionele/ruimtelijk situatie in relatie tot de geldende geurnormen Omdat in de eerste berekening uit is gegaan van een worst-caseberekening en daaruit bleek dat sprake is van een overschrijding, heeft er een verdieping plaatsgehad op het onderzoek. In deze verdieping is rekening gehouden met bestaande geurgevoelige objecten in de directe omgeving en de geurnorm die voor deze geurgevoelige objecten geldt. Tegelijkertijd is rekening gehouden met de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijbedrijven ten opzichte van de bestaande geurgevoelige objecten en de geurnorm. Met dat laatste wordt bedoeld dat in de huidige situatie (na 1-1-2024, de inwerkingtreding van de Omgevingswet 3), voor veehouderijen geldt dat, wanneer een overschrijding van de geurnorm plaatsvindt in de huidige situatie, zij bij verdere ontwikkeling van de veehouderijbedrijven niet direct aan de geurnorm hoeven te voldoen, maar een reductie van 50% van de overschrijding moeten bewerkstelligen. Voor nieuwe geurgevoelige objecten geldt deze 50% regel niet. Hierdoor kan bij realisatie van een nieuw geurgevoelig object, eerder sprake zijn van een belemmerende werking, dan bij een huidig aanwezig geurgevoelig object.

Om de 50% regeling toe te passen is de huidige geurbelasting op de bestaande geurgevoelige objecten in beeld gebracht en is de 50%-maatregel in de berekeningen toegepast. Tevens zijn die conclusies gerelateerd aan de geldende geurnorm ter plaatse van de bestaande geurgevoelige objecten. In de huidige situatie is een aantal geurgevoelige objecten aanwezig die dichter bij de veehouderijen zijn gelegen. Uit de berekening volgt dat de geurbelasting de geldende geurnorm ter plaatse van de bestaande geurgevoelige objecten overschrijdt. Op basis van die overschrijding en de geldende geurnorm is de reductie (50%) toegepast op de bestaande geurgevoelige objecten. Vervolgens is bekeken wat het effect van die reductie betekent voor het plangebied en de belemmerende werking voor de bestaande veehouderijen. Uit het onderzoek blijkt dat de te behalen reductie ter plaatse van bestaande geurgevoelige objecten, dusdanig hoog is dat daardoor ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan de geurnorm. Een uitzondering geldt voor het toetspunt ‘zuidwest’, waarvoor met de geurnorm 7’ ten opzichte van het veehouderijbedrijf aan Klein Westerwijksestraat 12a. Ter plaatse van het betreffende toetspunt geldt dat de geurbelasting 13 ouE/m³ betreft.

De te behalen reductie betreft derhalve 6 ouE/m³, terwijl op het bestaande geurgevoelige object aan Klein Westerwijksestraat 17a een geurreductie van 5,8 ouE/m³ behaald dient te worden. Dit toetspunt kan derhalve bepalend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden van het veehouderijbedrijf aan klein Westerwijksestraat 12a. De realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten ter plaatse van het plangebied kan derhalve leiden tot een belemmering van omliggende veehouderijbedrijven. Er is daarom besloten om ter plaatse van het plangebied langdurig verblijf uit te sluiten. Hierdoor is geen sprake van een geurgevoelig object en vormen de recreatiewoningen geen bepalende factor ten aanzien van vergunningsaanvragen voor de omliggende veehouderijbedrijven. De

3

Artikel 5.109a Besluit kwaliteit leefomgeving

62

recreatiewoningen vormen veehouderijbedrijven.

daardoor

geen

belemmering

voor

omliggende

Geurgevoelig object in juridische context Alvorens men tot de vraag komt of, en zo ja welk beschermingsniveau op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet worden gehanteerd, dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van een geurgevoelig object, zoals gedefinieerd in artikel 1 Wet geurhinder en veehouderij: “gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt” Pas als sprake is van een geurgevoelig object, dan is de Wgv van toepassing. Dan kan ook pas de vraag aan de orde komen welk beschermingsniveau aan dat geurgevoelig object toekomt. Of sprake is van een geurgevoelig object dient blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3) te worden beoordeeld aan de hand van het criterium verblijfsduur van de mensen op een locatie. Deze definitie bestaat uit drie onderdelen: a. De locatie is bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf. De locatie moet in het bestemmingsplan een functie hebben voor wonen of verblijf () b. De locatie is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf () c.

De locatie wordt permanent of regelmatig gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf () Met een regelmatig verblijf wordt bedoeld een aanwezigheid op de locatie, gedurende een niet onaanzienlijk gedeelte van een tijdseenheid, van één of meer mensen, al dan niet met gelijke tussenpozen. Laatstgenoemd onderdeel, te weten de locatie wordt permanent of regelmatig gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, dient gelet op de wetsgeschiedenis evenwel slechts in beperkte mate in acht genomen te worden. Terwijl in het eerste wetsvoorstel in de definitie van geurgevoelig object de term regelmatig was opgenomen, is deze term later door het aannemen van een amendement namelijk uit de definitie geschrapt (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 19). Door het schrappen van de term regelmatig wordt alleen bescherming geboden tegen langdurige blootstelling. Hieruit blijkt uitdrukkelijk dat de Wet geurhinder en veehouderij enkel bescherming biedt tegen langdurige blootstelling. Dit blijkt ook uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (in het vervolg: de Afdeling): Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 19) valt af te leiden dat met de zinsnede permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik bedoeld is bescherming te bieden tegen langdurige blootstelling.

(Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 24 maart 2010, zaaknr. 200905539/1/H1). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alleen bescherming tegen langdurige blootstelling aan geurhinder is beoogd (Kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3 p. 16 ev. en nr. 19). (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 12 mei 2010, zaaknr. 200902210/1/M2).

63

Daarnaast kan worden verwezen naar de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij, opgesteld door InfoMil in samenwerking met het Ministerie van VROM, het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) en de provincie Noord-Brabant: Criteria die relevant zijn om te betrekken in de beoordeling zijn: a. de verblijfsduur van menselijk wonen of verblijf. Van belang is de verblijfsduur op een dag, maar ook het aantal dagen per jaar dat sprake is van wonen of verblijf; indien sprake is van gebouwen die slechts een deel van het jaar worden gebruikt voor wonen of verblijf, kan dit een reden zijn om dit niet als permanent te beschouwen. b. de aanwezigheid van dagelijks dezelfde personen of steeds wisselende personen. Als iemand elke dag weer opnieuw last heeft van geurhinder, is dat anders dan dat dit incidenteel een keer het geval is. Elke dag opnieuw heeft een meer permanent karakter dan af en toe een keer. c. de mogelijkheid dat er mensen ook in de nachtperiode in het object verblijven. () Recreatiewoningen of kampeerboerderijen die slechts enkele weken of maanden per jaar () in gebruik zijn en gebruikt worden door een steeds wisselende samenstelling van mensen zijn daardoor niet vergelijkbaar zijn met permanent gebruik. Dezelfde strekking zal van toepassing zijn op het bij een kleinschalige B&B verstrekken van logies en ontbijt.

Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie biedt de Wet geurhinder en veehouderij enkel bescherming tegen langdurige blootstelling. Zoals blijkt uit de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij, zijn er een aantal criteria die relevant zijn om te betrekken in de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object. In de eerste plaats gaat het daarbij om de verblijfsduur van menselijk wonen of verblijf. Van belang is de verblijfsduur op een dag, maar ook het aantal dagen per jaar dat sprake is van wonen of verblijf is van belang. In de tweede plaats dient bij de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van dagelijks dezelfde personen of steeds wisselende personen. Als iemand elke dag weer opnieuw last heeft van geurhinder, is dat anders dan dat dit incidenteel een keer het geval is. In de derde plaats dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat er mensen ook in de nachtperiode in het object verblijven. de realisatie van geurgevoelige objecten ter plaatse van het plangebied, met uitzondering van het erf waarop de bedrijfswoning staat (het bouwvlak) uit te sluiten. Jurisprudentie Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:1431) blijkt dat verblijfsrecreatieve objecten niet altijd als geurgevoelig moeten worden beschouwd.

Wanneer blijkt dat het gebruik van de recreatieobjecten is beperkt en dat permanent verblijf is uitgesloten, dan betekent dit dat de recreatieobjecten als “niet-geurgevoelig object” worden beschouwd. Deze jurisprudentielijn is in de regels van dit bestemmingsplan doorgevoerd en verankerd. Concreet betekent dit het volgende: - permanent verblijf is uitgesloten (zie begripsbepalingen Kampeermiddel, hoofdverblijf, recreatief nachtverblijf, permanente bewoning) ter plaatse van de recreatieobjecten; - het gebruik van een recreatief object is beperkt tot maximaal 6 weken aaneengesloten per persoon per recreatief object per jaar (zie artikel 3.4.1 onder

64

-

e.(strijdig gebruik), i.c.m. artikel 1.98 begripsbepaling “permanente bewoning, artikel 1.101 begripsbepaling recreatief verblijfPM). Er geldt een verplichting tot het bijhouden van ene nachtregister door de exploitant (zie artikel 3.4.3 voorwaardelijke verplichting i.c.m. artikel 1.85 begrip nachtregister PM).

Door deze beperkingen juridisch te borgen wordt deze jurisprudentie doorgevoerd in het plan. Hierdoor is zeker gesteld is dat ter plaatse van het plangebied, met uitzondering van het bouwvlak, geen geurgevoelige objecten gerealiseerd kunnen en mogen worden. Daardoor wordt ook geconcludeerd dat de realisatie van het plan niet zorgt voor een belemmering van de omliggende veehouderijbedrijven. Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied aan de Klein Westerwijksestraat 19 te Biest-Houtakker niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een acceptabel verblijfswoon- en leefklimaat gewaarborgd wordt.

4.9

Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel verblijfswoon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval is ter plaatse reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning, waarvoor reeds is bepaald dat de situatie acceptabel is om voor langere tijd te verblijven. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen

Figuur 9 Uitsnede kaart "Geluid in Nederland (Lcum), bron: www.atlasleefomgeving.nl

65

wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het behoud van de bedrijfswoning. De omgevingsdienst heeft aangegeven dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening, inzicht dient te worden gegeven over het geluidsniveau ter plaatse en de aanvaardbaarheid daarvan. Dit inzicht wordt geboden door het opnemen van een uitsnede van de kaart “geluid in Nederland (Lcum)” uit www.atlasleefomgeving.nl. In figuur 9 is deze uitsnede weergegeven. Daarin is te zien dat de woning binnen een zone ligt van geluid die als “redelijk” kan worden bestempeld. Dat is niet ideaal, maar ook niet slecht. Advies GGD Ten aanzien van dit plan is door de gemeente Hilvarenbeek een advies opgevraagd bij de GGD. Dit advies is als bijlage XII opgenomen bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf de conclusie ten aanzien van het verblijfsklimaat met betrekking tot het aspect akoestiek. Uit de kaart van de Atlas leefomgeving blijkt dat de geluidsbelasting op de planlocatie tussen de 51 en 55 dB ligt. Dit betekent dat de geluidsbelasting boven de gezondheidskundige advieswaarde voor woningen in zijn algemeenheid ligt, hetgeen kan leiden tot hinder. Daarnaast is gekeken naar de geluidsbelasting tijdens de nachtelijke uren. Ook hiervoor geldt dat ter plaatse van de planlocatie de gezondheidskundige advieswaarde wordt overschreden.

Dit betekent dat er sprake kan zijn van slaapverstoring. In de uitleg bij de kaarten van de Atlas leefomgeving wordt aangegeven dat de kaarten niet geschikt zijn voor bijvoorbeeld het toetsen van de geluidbelasting op de gevel aan normen. De kaarten geven wel een indicatie. Het advies is om in elk geval bij de bouw van de recreatiewoningen rekening te houden met de geluidsbelasting en bijvoorbeeld de slaapvertrekken/ buitenruimten aan de geluidsluwe zijde te positioneren. Conclusie De beoogde recreatiewoningen worden in het kader van de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelige objecten beschouwd waardoor een onderzoek wegverkeerslawaai voor deze functies niet noodzakelijk is. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

66

Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed verblijfswoon- en leefklimaat, is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 41 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 8: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.

2020 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2 10.98 11.51 40

Totale concentratie (µg/m³) PM10 15.92 15.73 40

Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 8.70 9.05 25

Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Daarnaast kan een ontwikkeling invloed hebben op de luchtkwaliteit. Bij het wijzigen of toevoegen van functies kan sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit

Figuur 8. NIBM-tool.

door de toename van het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 4.15.1 blijkt dat er ten opzichte van de huidige situatie sprake is van een toename van 82,5 verkeersbewegingen per dag. Middels de NIBM-tool van het RIVM is berekend of deze toename aanleiding geeft voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit. In figuur 8 is te zien dat de toename ‘niet in betekenende mate’ is. Dat wil zeggen dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Advies GGD Ten aanzien van dit plan is door de gemeente Hilvarenbeek een advies opgevraagd bij de GGD. Dit advies is als bijlage XII opgenomen bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf de conclusie ten aanzien van het verblijfklimaat met betrekking tot het aspect fijnstof.

67

De concentratie PM10 ligt in 2025 volgens berekening op 15,7 ug/m3 en de concentratie PM 2,5 op 9,05 ug/m3. Dit betekent dat met name voor PM2,5 niet voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarden, zoals op veel plekken in Nederland. Conclusie De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarnaast blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen ‘niet in betekenende mate is’ waardoor een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

4.11

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

68

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Tabel 9 Wanneer verantwoorden?

Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen4. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 9 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 4

69

Figuur 9. Uitsnede risicokaart. Plangebied blauw omcirkeld.

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er op de locatie aan de Veldbraken 2 een propaantank met een inhoud van 8000 liter is gelegen. T.a.v. deze risicovolle inrichting dient een minimumafstand van 15 meter aangehouden te worden. Aangezien het plangebied op een afstand van circa 400 meter van deze propaantank is gelegen vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen. Buisleidingen Binnen het plangebied zijn een drietal buisleidingen gelegen. Door deze buisleidingen wordt aardgas vervoerd. Ter plaatse van het plangebied zijn voor deze buisleidingen geen plaatsgebonden risicocontouren opgenomen. Ten zuiden van het plangebied is echter wel een plaatsgebonden risicocontour bij de buisleidingen opgenomen. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een drietal (binnen het plangebied gelegen) aardgasleidingen moet het groepsrisico worden verantwoord. De standaardverantwoording en het standaard advies van de brandweer zijn als bijlage X en XI opgenomen. Risicovol transport In de nabije omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats, waardoor dit aspect geen invloed heeft op voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied ligt vanuit toxisch scenario binnen de invloedsgebied (4 km) van de Rijksweg A58. Om die reden is een verantwoording van het groepsrisico nodig.

Er dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. In bijlage IX van dit bestemmingsplan is de standaard verantwoording en in bijlage X het standaard advies van de brandweer opgenomen.

70

Conclusie Uit de risico-inventarisatie blijkt kaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de A58 (toxisch) en de drie aardgasleidingen. Daarvoor voldoet de standaard verantwoording en het standaardadvies van de brandweer. Beide document zijn als bijlagen (respectievelijk bijlage IX en X) toegevoegd aan dit bestemmingsplan. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.12

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderijen werken. Mensen kunnen ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen, zogenaamde zoönose. Dieren in de veehouderij kunnen dit soort ziekteverwekkers bij zich dragen, bijvoorbeeld Q-koorts of Salmonella. Ook fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen. Verschillende partijen hebben onderzoek gedaan naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van zowel mensen die beroepsmatig contact hebben met vee (boeren, dierenartsen) als mensen die in de buurt van een veehouderij wonen. Veehouderij en gezondheid In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen.

In dit onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. De oorzaak is echter nog niet bekend. De Gezondheidsraad concludeert in haar vervolgadvies van 14 februari 2018, waarin zij de resultaten van de meest recente onderzoeken heeft betrokken (waaronder ook de VGO-onderzoeken), dat bij alle gevonden verbanden in het VGO-onderzoek en in internationale onderzoeken over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen het om meer of minder sterke aanwijzingen gaat. Aanwijzingen worden gedefinieerd als mogelijke oorzakelijke verbanden, waarvoor de bewijskracht tekortschiet. De gegevensbasis die er tot op heden ligt, is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten (aangetoonde of waarschijnlijke oorzakelijke verbanden) te kunnen spreken. Op 22 oktober 2018 kwam het eerste deelrapport van VGO III uit: 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen'. Geitenhouderijen Ten aanzien van geitenhouderijen concludeert de Gezondheidsraad dat nader onderzoek zal worden gedaan naar het longontstekingsrisico in de buurt van geitenhouderijen. Aangezien de onderzoeksresultaten nog niet zijn uitgekristalliseerd, kunnen nog geen gerichte maatregelen worden getroffen om gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken. Totdat vervolgonderzoek is afgerond wordt de werkwijze 71

gehanteerd dat voor nieuwe woningen die binnen een straal van 2 kilometer liggen van een geitenhouderij, een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen moet plaatsvinden. In dit geval zijn er binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied een aantal geitenhouderijen gelegen: -

Kanaaldijk 4 op een afstand van 360 meter van het plangebied; Kleine Voort 12 op een afstand van 1,8 kilometer van het plangebied; Oude Tilburgseweg 5 op een afstand van 1,9 kilometer van het plangebied.

In onderhavige ontwikkeling wordt formeel geen woningbouwmogelijkheid toegevoegd waar personen voor langere tijd kunnen verblijven. De recreatiewoningen betreffen immers woningen waar personen slechts voor beperkte tijd zullen verblijven. Hierdoor kan de ruimtelijke ontwikkeling toe kan worden gestaan binnen een straal van twee kilometer rondom de geitenhouderijen aan de Kanaaldijk 4, Kleine Voort 12 en Oude Tilburgseweg 5. Fijnstof en endotoxinen Op 25 november 2016 is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid’ uitgebracht. Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve is een endotoxine toetsingskader ontwikkeld, dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Het kader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen.

Op basis van het endotoxine toetsingskader uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid’ is de ontwikkeling getoetst aan een afstandsgrafiek, waarin de relatie is gelegd tussen de fijn stof emissie en de afstand tussen de veehouderij (lees: emissiepunt) en het meest nabijgelegen gevoelig object. Op basis van de emissie is de aan te houden afstand te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen (overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3). Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar verblijfswoon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxinecontour van 30 EU/m3 eenvoudig bepaald kan worden. Voor het bepalen van de aan te houden afstand zijn de gegevens volgens het Web BVB en dus de vergunde situatie aangehouden. Er is getoetst of met de afstand van de woning tot het emissiepunt kan worden voldaan aan de minimum aan te houden afstand. -

Aan de Klein Westerwijksestraat 17 is een varkensbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM 10: 331 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 88 meter. De werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 270 meter waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand.

72

-

Aan de Klein Westerwijksestraat 12a is een varkensbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM 10: 228 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 78 meter. De werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 280 meter waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand.

-

Aan de Biestestraat 108 en 110 rundveebedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 55 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 50 meter. De werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 230 meter waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand.

De werkelijke afstand tussen het plangebied aan de Klein Westerwijksestraat 19 en de intensieve veehouderijen is dus groter dan de minimum aan te houden afstand op het gebied van fijnstof en endotoxinen. Er is dus geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. Het aspect volksgezondheid vormt dus geen belemmering voor onderhavig plan. Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ bevat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan is dan ook doorlopen om na te gaan of er knelpunten zijn met betrekking tot de herbestemming van het perceel. Uit de toetsing aan het stappenplan blijkt dat advisering door de GGD noodzakelijk wordt geacht. Voor het doorlopen stappenplan wordt verwezen naar bijlage XI. Advies GGD Ten aanzien van dit plan is door de gemeente Hilvarenbeek een advies opgevraagd bij de GGD. Dit advies is als bijlage XII opgenomen bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf de conclusie ten aanzien van het verblijfsklimaat met betrekking tot het aspect endotoxinen en fijnstof. Door het stoppen met de varkenshouderij vindt er geen emissie meer plaats vanuit dit bedrijf naar de omgeving. Dit is vanuit gezondheid bezien positief voor de omwonenden.

In de directe nabijheid van de te bouwen recreatiewoningen zijn 2 varkenshouderijen gelegen. De te bouwen recreatiewoningen liggen niet binnen de endotoxine richtafstand van deze bedrijven, waardoor er geen sprake is van het verhoogd risico op gezondheidsklachten ten gevolge van de blootstelling aan endotoxinen afkomstig uit deze individuele varkenshouderijen.

4.13

Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 2,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

4.14

Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als 73

gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren et cetera) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden ten westen, noorden en oosten van het plangebied (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw en ook als zodanig bestemd. Advies GGD Binnen 50 meter van de planlocatie liggen gronden voor akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen deze afstand. Gesteld wordt in het rapport “Toelichting Klein Westerwijksestraat 19 Biest Houtakker” dat hierdoor de kans op drift zeer klein is.

Binnen de planlocatie wordt ook fruit/ kruiden etc verbouwd. Bij het telen van gewassen/fruit wordt er regelmatig gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Deze kunnen mogelijk een effect hebben op de gezondheid van omwonenden. In tegenstelling tot hetgeen in het rapport “Toelichting Klein Westerwijksestraat 19 Biest Houtakker” staat adviseert de GGD uit voorzorg om tenminste 50 meter afstand te houden tussen landbouwgrond waarop bestrijdingsmiddelen kunnen worden toegepast en gevoelige bestemmingen (inclusief de recreatiewoningen). De afstanden kunnen ingevuld worden met teeltvrije zones of spuitvrije zones die een (extra) veiligheidsmarge bieden. Er is geen goede onderbouwing dat dat door het gebruik van hagen/ bomen deze afstand verkleind kan worden. Doorwerking plangebied Onder de Omgevingswet is geen eenduidige wettelijke definitie van een gevoelige functie opgenomen. Op basis van jurisprudentie en beleidsdocumenten, blijkt dat het begrip ingevuld wordt op basis van blootstellingsrisico en duur van verblijf. Het is aannemelijk dat er bij kortdurende blootstelling, zoals tijdelijk verblijf in een recreatiewoning, er minder of geen gezondheidsschade optreedt. Omdat er inde regels een gebruiksbeperking qua tijdsduur is opgenomen, worden de recreatie-objecten voor dit aspect niet als gevoelig beschouwd. De gemeente Hilvarenbeek heeft dit als beleidslijn vastgesteld.

Er hoeft geen spuitvrije zone aangehouden te worden ten opzichte van omliggende gronden. Overigens is rondom het plan een groene zone opgenomen die bestemd is als natuur. Binnen deze natuurbestemming is een agrarisch bestemming opgenomen met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch- voedsel- en beleeflandschap’. Ter plaatse is een verbod op het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen opgenomen omdat dit past bij deze specifieke aanduiding.

74

. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is ten noorden van het plangebied een visvijver gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tot slot is ter plaatse van het plangebied reeds een woning aanwezig, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant zorgen de beoogde recreatiewoningen niet voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt de kans zeer klein geacht dat er drift bij de recreatiewoningen terecht komt.

Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.

4.15

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

4.15.1

Mobiliteit Ter plaatse van de Klein Westerwijksestraat 19 wordt een varkensbedrijf gesaneerd en worden 25 recreatiewoningen en een multifunctioneel gebouw (o.a. activiteiten en workshops) gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd waardoor voor wat betreft de huidige woning het aantal verkeersbewegingen in stand blijft. Als gevolg van de realisatie van de nieuwe functies zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. In onderstaande tabel 6 is inzichtelijk gemaakt wat de huidige verkeersgeneratie van het bedrijf aan Klein Westerwijksestraat 19 is. In de tabel 7daaronder is de toekomstige verkeersgeneratie van de beoogde situatie weergegeven. Voor beide tabellen is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (nummer 381). Tabel 10 huidige verkeersgeneratie

Functie Intensieve veehouderij (varkenshouderij) Bedrijfswoning 5

Oppervlakte/eenheden 1

Norm 145

Verkeersgeneratie 14

1

6

6

Hiervoor is geen norm beschikbaar, maar op basis van vergelijkbare situaties is hier een inschatting voor gemaakt

75

Totaal

20

Tabel 11 Toekomstige verkeersgeneratie

Functie Recreatiewoning Multifunctioneel gebouw bedrijfswoning Totaal

Oppervlakte/eenheden 25 eenheden ca. 250 m2

Norm 2,7/ eenheid 6,0/ 100 m2

Verkeersgeneratie 67,5 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16624440/1