Bestemmingsplan Akkerstraat 2B (7 Toelichting bestemmingsplan)
Tekst van het document
De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen.
Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie bevindt zich geen pluimveehouderij. Binnen een afstand van circa 200 meter van de planlocatie tot nabijgelegen emissiepunten van een varkenshouderij bevindt zich eveneens geen varkenshouderij. Conclusie Het aspect ‘endotoxine’ staat de planvorming niet in de weg. Pagina 74 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (1,3 km); • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (1,5 km); • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (1,2 km); • Hoekje 9 Diessen (2,5 km); • Frankenstraat 2 Haghorst (3,1 km); • Ontginningsweg 15 Haghorst (4,8 km).
De afstand tot de meest dichtstbijzijnde geitenhouderijen (Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker, Kleine Voort 12 Hilvarenbeek en Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek) tot het plangebied bedraagt circa 1,2 kilometer, respectievelijk circa 1,3 kilometer en circa 1,5 kilometer. Overige geitenhouderijen bevinden zich op een afstand die aanmerkelijk meer bedraagt dan 2 kilometer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen de geitenhouderij en de beoogde woning reeds meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient opgemerkt te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Hierbij kan verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4), op grond waarvan naar voren komt dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming. Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert, dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden. Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden. Dit betekent dat het voorzorgprincipe niet in de weg staat aan de onderhavige ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘geitenhouderijen’ staat de planvorming niet in de weg. 4.11.3 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er is geen vigerend beleid om het aspect spuitzones aan te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling
Pagina 75 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.).
Bestaande situatie Aanvankelijk dient opgemerkt te worden dat binnen de planlocatie in de huidige situatie reeds gevoelige functies zijn toegestaan. Immers, ter plaatse is reeds bewoning binnen een bedrijfswoning toegestaan en is een agrarisch verwant bedrijf in de hoedanigheid van een dierenpension met een fokkerij toegestaan. Gelet hierop kunnen zich binnen de planlocatie vanwege het woongebruik en het gebruik als dierenpension reeds in betrekkelijk permanente mate begeven (meer dan twee uur per dag). Vanwege deze gevoelige functie in de huidige situatie worden omliggende agrarische gronden in de nabijheid reeds belemmerd in diens ontwikkelingsmogelijkheden, gelet op spuitzones. Immers, agrarische grondgebruikers aldaar dienen reeds rekening te houden met spuitzones ten opzichte van omliggende gevoelige functies, waaronder de gevoelige functie binnen de planlocatie aan de Akkerstraat 2B te Biest-Houtakker. Beoogde situatie In de beoogde situatie is de woonfunctie zodanig gepositioneerd dat deze zich bevindt op meer dan 50 m van alle omliggende agrarische gronden in eigendom van derden. Aanvullend en om zeker te zijn van een gezond woon- en leefklimaat t.a.v. spuitzone’s wordt een driftwerende robuuste houtsingel gerealiseerd conform het landschappelijk inpassingsplan. De realisatie en instandhouding hiervan is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
Deze houtsingel (plantmateriaal: 20% Amelanchier lamarckii, 15% Prunus spinosa, 15% Euonymus europaeus, 15% Sorbus aucuparia, 15% Cornus sanguinea, 20% Viburnum opulus) heeft een afschermende werking aangezien drift hierdoor wordt afgevangen. Dit is tevens geborgd door de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – voorwaardelijke verplichtingdriftreducerende maatregel struweelhaag’. Hierdoor is planologisch verzekerd dat deze struweelhaag, met een breedte van 3 m en een hoogte van 2,4 m (op basis van onderstaand plantverband in driehoeksverband), wordt aangelegd en in stand gehouden, waardoor eventuele drift wordt afgevangen.
Pagina 76 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
Figuur 37 Plantverband struweelhaag zoals opgenomen in landschappelijk inpassingsplan
De planlocatie wordt aan de oostelijke/noordoostelijke zijde omgeven door gronden waar een bedrijfsbestemming van toepassing is. Aldaar is derhalve geen sprake van de aanwezigheid van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Verder in zuidoostelijke richting bevinden zich op behoorlijke afstand van delen van het plangebied waarbinnen gevoelige functies zijn toegestaan wel agrarische gronden. Echter, hierbij dient opgemerkt te worden dat ter plaatse aan de oostelijke zijde van de planlocatie een robuuste houtwal is gesitueerd. Deze houtwal heeft een afschermende werking ten opzichte van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden aangezien hierdoor drift wordt afgevangen. Daar komt bij dat ter plaatse sprake is van een bestaande gevoelige functie ten aanzien van spuitzones. Verder wordt de planlocatie aan de zuidelijke/zuidoostelijke zijde omgeven door agrarische gronden die tot het eigendom van de initiatiefnemer behoren. Ter plaatse kan met zekerheid worden gesteld dat geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Verder zijn er in overwegend noordoostelijke richting van het plangebied tevens agrarische gronden gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt (percelen 1396 en 1397).
Met betrekking tot deze percelen dient opgemerkt te worden dat de beoogde woning op ruimschoots grotere afstand dan 50 meter is gelegen. Daar komt bij dat ook voor deze percelen geldt dat het plangebied aan die zijde grenst aan de Akkerstraat met bijbehorende berm en wegbeplanting. De doorgaande weg Akkerstraat bevindt zich tussen het plangebied en de agrarische gronden in noordwestelijke richting. Hierdoor is verzekerd dat van een beperking van de gebruiksmogelijkheden geen sprake is en dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op spuitzones. Met betrekking tot de om te zetten bedrijfswoning dient opgemerkt te worden dat sprake is van een bestaande gevoelige functie en van een bestaande situatie. De huidige bedrijfswoning heeft reeds een beperkende werking op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de agrarische percelen 1396 en 1397, waardoor van een beperking van de gebruiksmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake is. Daar komt bij dat zowel in de huidige als de beoogde situatie reeds een afstand van 50 meter aangehouden dient te worden ten aanzien van de (bedrijfs)woning, waardoor tevens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd.
Pagina 77 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er voor wat betreft het aspect spuitzones een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden binnen het plangebied. Ook heeft de beoogde ontwikkeling, gelet op vorenstaande uiteenzetting, geen beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende agrarische gronden tot gevolg. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is.
Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een agrarisch verwante bedrijfslocatie herbestemd naar wonen. Een bedrijfswoning wordt hiermee herbestemd naar burgerwoning en een bestaande mantelzorgwoning blijft behouden. Verder wordt een boerderijvolume met twee wooneenheden gerealiseerd. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van één gevoelige functie. Hierdoor dient inzicht gegeven te worden in het aspect externe veiligheid. De planlocatie is, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute, de A58 is gelegen op circa 3,7 kilometer afstand. Derhalve dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Hiervoor wordt verwezen naar het standaardadvies van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Een en ander is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. De overige risicobronnen in de omgeving is een aantal leidingen, waarvan de meest dichtstbijzijnde een gasleiding op circa 517 meter in overwegend noordelijke richting betreft. Verder bevindt zich op een kortste afstand van circa 530 meter en circa 607 meter in overwegend noordelijke richting een tweetal gasleidingen.
Verder bevindt zich op een kortste afstand van circa 749 meter in overwegend zuidoostelijke richting eveneens een gasleiding. De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstand van voornoemde leidingen. Gezien er met de ontwikkeling geen bijzonder kwetsbaar object wordt opgericht, er sprake is van een ruime afstand tot de buisleidingen en de risicobronnen van de genoemde inrichtingen en wegen, en er sprake is van zelfredzame personen, mag voor de ontwikkeling het standaardadvies inclusief de standaard groepsrisicoverantwoording van de Veiligheidsregio Midden en West-Brabant worden gehanteerd. Een en ander is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. Geconcludeerd kan worden dat een voldoende afstand wordt gerespecteerd tot risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen. Omdat de onderhavige planlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of Pagina 78 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
binnen veiligheidsafstanden zijn er geen onaanvaardbare risico’s met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
Figuur 38 Uitsnede risicokaart.nl (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 4.13 Luchtkwaliteit 4.13.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor Pagina 79 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Het planvoornemen betreft de herbestemming van een agrarisch verwante bedrijfslocatie naar wonen. Een bedrijfswoning wordt hiermee herbestemd naar burgerwoning en een bestaande mantelzorgwoning blijft behouden. Verder wordt een boerderijvolume met twee wooneenheden gerealiseerd. Indien voornoemd planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1.500 nieuwe Pagina 80 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. 4.13.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. - de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2020).
Figuur 39: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2020) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Figuur 40: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2020) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties PM10 en PM2,5 die ver onder de grenswaarden blijven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. Pagina 81 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang Pagina 82 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief betreft de herbestemming van een agrarisch verwante bedrijfslocatie naar wonen. Een bedrijfswoning wordt hiermee herbestemd naar burgerwoning en een bestaande mantelzorgwoning blijft behouden. Verder wordt een boerderijvolume gerealiseerd met twee wooneenheden. De beoogde ontwikkeling gaat derhalve gepaard met de toevoeging van één extra wooneenheid. De realisatie van woningen valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Echter, met de beoogde ontwikkeling worden de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden.
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.- beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven, is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Pagina 83 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan en worden deze eveneens van toepassing verklaard in de regels: - ‘Buitengebied’ (vastgesteld 13-3-2014); - ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’ (vastgesteld 7-3-2018); - ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018 (vastgesteld 8-11-2018); - ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ (vastgesteld 15 oktober 2020).
Pagina 84 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een wijzigingsplan, bestemmingsplan of verlenen van een Omgevingsvergunning voor een bouwplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij: het kostenverhaal anderszins verzekerd is; er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is; er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meer hoofdgebouwen. De beoogde ontwikkeling kan worden bestempeld als een 'bouwplan' op grond van artikel 6.2.1 Bro. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden.
Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is Verder fungeert de initiatiefnemer als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en de gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 85 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan is in het kader van het wettelijk vooroverleg aangeboden bij de diverse vooroverleginstanties. Enkel de provincie Noord-Brabant heeft een vooroverlegreactie ingediend. De provincie heeft onder meer aangegeven dat de ontwikkelingsrichting van het gebied onvoldoende is beschreven, dat de landschappelijke inpassing niet opgevoerd mag worden als kwaliteitsverbetering in het kader van de provinciale beleidsregel en heeft enkele opmerkingen ten aanzien van de regels geplaatst. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie is onder meer de beschrijving van de ontwikkelingsrichting van het gebied uitgebreid, is de berekening van de provinciale beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit aangepast en daarnaast is een aanpassing in de regels doorgevoerd. Gelet hierop zijn alle vooroverlegreacties naar behoren verwerkt. Waar nodig, zijn aanpassingen doorgevoerd.
7.2 Omgevingsdialoog In de bijlage van deze toelichting is een beknopt geanonimiseerd verslag van de gevoerde omgevingsdialoog opgenomen. De complete resultaten van de omgevingsdialoog zijn compleet gedeeld met de gemeente Hilvarenbeek. 7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. Het ontwerpbestemmingsplan “Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker” heeft gedurende een periode van zes weken, te weten van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Er zijn gedurende deze periode van tervisielegging een aantal zienswijzen binnengekomen, te weten van: - de provincie Noord-Brabant; - een grondeigenaar van het aangrenzende agrarische perceel; - een omwonende; - een omwonende.
In de nota zienswijzen die als bijlage aan de onderhavige toelichting is opgenomen, wordt nader inzicht gegeven in de binnengekomen zienswijzen en wordt aangegeven in hoeverre de zienswijzen tot aanpassingen hebben geleid.
Pagina 86 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker
BIJLAGEN 1 Landschappelijk inpassingsplan; 2 Analyse van het landschap 3 Offerte sloop; 4 Rekenmodule beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit; 5 LIR-berekening; 6 Verkennend bodemonderzoek; 7 Quickscan flora en fauna; 8 AERIUS-berekening aanlegfase; 9 AERIUS-berekening gebruiksfase beoogde situatie; 10 Standaard advies veiligheidsregio; 11 Intrekking vergunning Wet milieubeheer hondenpension; 12 Bouwtitel ‘Ruimte voor Ruimte’ en allonge 13 Geluidsonderzoek wegverkeerslawaai; 14 Nota zienswijzen 15 Nota ambtshalve wijzigingen
Pagina 87 van 87 Toelichting bestemmingsplan Akkerstraat 2B, Biest-Houtakker