Actualisatie APV 2026 (3 bijlage Was-wordt-tabel na cie 18-6-2026)
Tekst van het document
Voor het exploiteren van een overige bedrijf Artikel 2:59 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: o a. exploitant: natuurlijk persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; o b. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of on- middellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
Artikel 2:59 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: o a. exploitant: natuurlijk persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; o b. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; o c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk ge- bouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van
23
Zaaknummer: 1059066
o
c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zicht tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: o a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten of o b. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: o a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; o b.
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreig te worden beïnvloed; o c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; o d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aan- gewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zicht tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: o a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten of o b. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: o a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; o b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreig te worden beïnvloed; o c. indien de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; o d.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, daaronder vallen; o e. indien er aanwijzingen zijn dat in dat bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet bepaalde; o f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan/BOPA of de provinciale omgevingsverordening; o g. indien een of meer de exploitant of beheerder(s)/leidinggevende(n) van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leef- klimaat daaronder begrepen, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken; o h. indien niet is voldaan aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
24
Zaaknummer: 1059066
o
e. indien er aanwijzingen zijn dat in dat bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet bepaalde; o f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan/BOPA of de provinciale omgevingsverordening; o g. indien een of meer beheerder(s) van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leef- klimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken; o h. indien niet is voldaan aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met be- trekking tot de aanvraag. 5.De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: o a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; o b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; o c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; o d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; o e.
een bewijs waaruit blijkt dat
o
i. indien de exploitant en de beheerder/leidinggevende niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan beheerder/leidinggevende gestelde eisen; o j. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. 5.De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: o a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; o b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; o c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; o d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; o e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; o f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschik- ken waarin het bedrijf wordt gevestigd. o g.
naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden ver- langd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke ge- bouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagde exploitatie- vergunning betrekking heeft. 6.Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij ver- langen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7.Onverminderd het bepaalde in 1:5, kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: o a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast of indien aannemelijk is dat de exploitant of beheerder/leidinggevende van het bedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit het bedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; of o b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of o c. In strijd met de voorwaarden uit de vergunning wordt gehandeld of de plichten voortvloeiend uit dit
25
Zaaknummer: 1059066
de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; o f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschik- ken waarin het bedrijf wordt gevestigd. o g. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden ver- langd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke ge- bouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagde exploitatievergunning betrekking heeft. 6.Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7.Onverminderd het bepaalde in 1:5, kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: o a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of o b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of o c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of o d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of o e.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of o e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of o f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of o g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet bepaalde; of o h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in lid 11; of o i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is of indien de gegevens die zijn verstrekt voor het verkrijgen van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat bij kennis van de juiste en volledige gegevens een andere beslissing op de aanvraag zou zijn genomen. Hieronder vallen mede het Bibobvragenformulier en andere in het kader van de aanvraag overgelegde documenten; of o j.
de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan/BOPA of de provinciale omgevingsverordening; of o k. de exploitant en de beheerder/leidinggevende niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan beheerder/leidinggevende gestelde eisen; of o l. indien zich in of vanuit het bedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het bedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf; of o m. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. 8. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en o
26
Zaaknummer: 1059066
o
f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of o g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet bepaalde; of o h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of o i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of o j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan/BOPA of de provinciale omgevingsverordening. 8. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan e burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11.
Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandig- heden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de
met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens en er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen twee weken is ingediend na de verandering van omstandig- heden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden, of als de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor de vergunning was verstrekt voor een periode langer dan 6 maanden is of wordt gestaakt, behalve indien dit is ten gevolge van langdurige ziekte van de exploitant. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de ver- gunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 13.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaats- vinden.
14.In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15.Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
27
Zaaknummer: 1059066
verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 13.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14.In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15.Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Het uitoefenen van een seksinrichting of escortbedrijf Artikel 3:7 Weigeringsgronden Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1.Een vergunning wordt geweigerd als: 1. De vergunning, als bedoeld in artikel 3:3, wordt geweigerd indien; o a. de exploitant of de a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; beheerder onder curatele b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een staat; gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht o b. de exploitant of de van slecht levens- gedrag is; beheerder onherroepelijk is c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft veroordeeld voor een bereikt; gewelds- of zedendelict of d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand voor mensenhandel, of in enig niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, ander opzicht van slecht waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in levens- gedrag is; het kader van de aanvraag zijn overgelegd, daaronder vallen; o c. de exploitant of de e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal beheerder de leeftijd van 21 handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of jaar nog niet heeft bereikt; voorschriften o d. redelijkerwijs moet worden f.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen aangenomen dat de feitelijke tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreffen, nog toestand niet met het in de niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen aanvraag vermelde in betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn overeenstemming zal zijn; van mensenhandel (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht) of o e. redelijkerwijs moet worden verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens Wet
28
Zaaknummer: 1059066
o
o
o
aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreffen, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: ▪ 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet, de Wet arbeid
arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet; g. de exploitant of de beheerder minder van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 273f, 416, 417, 417bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan/BOPA of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; j. niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; k. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder van € 375,00 bedraagt. 3.De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5.Een vergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:7, in ieder geval worden geweigerd: a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met h, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
29
Zaaknummer: 1059066
vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; ▪ 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; ▪ 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; ▪ 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; ▪ 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of ▪ 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. o i. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan/BOPA of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan. 2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: o a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; o b. vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder van € 375,00 bedraagt. 3.De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze
b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. de aanwezigheid of exploitatie van de seksinrichting naar het oordeel van de burgemeester leidt tot nadelige beïnvloeding van de openbare orde, overlast, aantasting van het woon- en leefklimaat of de veiligheid, gevaar voor de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of -veiligheid, de gezondheid of zedelijkheid van prostituees of klanten, dan wel de arbeidsomstandigheden van de prostituee. e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
30
Zaaknummer: 1059066
vergunning. 4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5.Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: o a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; o b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; o c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; o d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd. o e. als het bedrijfsplan niet
31
Zaaknummer: 1059066
o
o
voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1.De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1o; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet doet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt;
Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1.De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1o; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet doet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt; h. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Toelichting Met deze wijziging wordt de APV op enkele onderdelen aangevuld met een expliciete Bibobweigeringsgrond. De betreffende vergunningstelsels vallen reeds (of gaan vallen) onder het gemeentelijke Bibob-beleid en kunnen in dat kader worden getoetst. Door deze grond ook in de APV op te nemen, wordt het vergunningenstelsel verduidelijkt en juridisch robuuster gemaakt. Hiermee wordt beter geborgd dat vergunningen kunnen worden geweigerd in situaties als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. De APV sluit daarmee beter aan bij de landelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit.
32
Zaaknummer: 1059066
1. Specifieke evenementen - categorie vechtsportwedstrijden, vechtsportgala’s en evenementen van motorclubs De regeling voor evenementen wordt aangepast door evenementen van motorclubs expliciet als risicocategorie aan te merken. Voor de categorie vechtsportwedstrijden, vechtsportgala’s en evenementen van motorclubs wordt een aanvullende weigeringsgrond opgenomen, waaronder een toets op grond van de Wet Bibob. Hiermee kan vooraf beter worden beoordeeld of een evenement risico’s oplevert voor de openbare orde. Dit sluit aan bij het gemeentelijke Bibob beleid. 2. Speelgelegenheden Voor speelgelegenheden wordt een Bibob-weigeringsgrond toegevoegd. Hiermee kan een vergunning worden geweigerd indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit versterkt de mogelijkheden om ongewenste of risicovolle exploitatie te voorkomen. De regeling sluit hiermee beter aan op het bestaande Bibob-beleid. 3. Toezicht op campings en recreatieparken De regeling voor campings en recreatieparken wordt uitgebreid met aanvullende weigerings - en intrekkingsgronden, waaronder Bibob. Hierdoor kan beter worden opgetreden bij integriteitsrisico’s, onjuiste gegevens of ongewenste exploitatie. Ook wordt de meldplicht bij wijzigingen in de exploitatie verduidelijkt. Dit draagt bij aan een beter toezicht op deze sector. 4.
Voor het exploiteren van een overig bedrijf Voor overige bedrijven in aangewezen gebieden of branches wordt het vergunningenstelsel aangescherpt. De bestaande regeling wordt aangevuld met extra weigerings- en intrekkingsgronden, waaronder slecht levensgedrag, onjuiste aanvraaggegevens, niet-gemelde wijzigingen en Bibob. Hiermee kan gerichter worden opgetreden tegen bedrijven die de leefbaarheid, veiligheid of openbare orde onder druk zetten. Dit versterkt de aanpak van ondermijning. 5. Het uitoefenen van een seksinrichting of escortbedrijf De regeling voor seksinrichtingen en escortbedrijven wordt aangevuld met een expliciete Bibob weigerings- en intrekkingsgrond. Daarnaast worden de weigeringsgronden verduidelijkt en deels samengevoegd. Hiermee wordt beter geborgd dat vergunningen kunnen worden geweigerd of ingetrokken bij integriteitsrisico’s. Dit maakt het vergunningenstelsel juridisch robuuster.
33
Zaaknummer: 1059066
9. Verbod op slapen op of aan de weg Oud Nieuw Artikel 2:33a - Slapen op of aan de weg 1. Het is verboden op een openbare plaats of aan de weg een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van een kampeermiddel: a. voor het gebruik op eigen terrein door de rechthebbende van datzelfde terrein; b. door nachtvissers aan nachtviswateren; c. door leden van jeugdverenigingen in verenigingsverband. d. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan; e. voor woonwagens met een woonbestemming; f. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; g. op kampeerplaatsen die op grond van het omgevingsplan zo zijn bestemd of een vergunning daarvoor hebben gekregen. Was-wordt-tabel Was
Wordt Artikel 2:33a Slapen op of aan de weg 1. Het is verboden op een openbare plaats of aan de weg een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van een kampeermiddel: a. voor het gebruik op eigen terrein door de rechthebbende van datzelfde terrein; b. door nachtvissers aan nachtviswateren; c. door leden van jeugdverenigingen in verenigingsverband. d. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan; e. voor woonwagens met een woonbestemming; f. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; g. op kampeerplaatsen die op grond van het omgevingsplan zo zijn bestemd of een vergunning daarvoor hebben gekregen.
34
Zaaknummer: 1059066
Toelichting Artikel 2:33a Slapen op of aan de weg Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van het dorp. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel hij in de concrete situatie proportioneel acht. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van recidive. Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dan fungeert het verbod meer als stok achter de deur voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang. Het tweede lid bakent de verbodsbepaling nader af door een aantal uitzonderingen op te nemen. Zo geldt het verbod niet voor gebruik op eigen terrein door de rechthebbende, nu dit tot de privésfeer behoort. Evenmin is het verbod van toepassing op nachtvissers aan aangewezen nachtviswateren en op leden van jeugdverenigingen die in verenigingsverband activiteiten met overnachting verrichten. Daarnaast wordt aangesloten bij bestaande planologische kaders.
Het verbod geldt niet voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan, noch voor woonwagens met een woonbestemming. Ook is nachtverblijf toegestaan op kampeerterreinen die als zodanig in het omgevingsplan zijn bestemd of mede bestemd, evenals op kampeerplaatsen die planologisch zijn toegestaan of waarvoor een vergunning is verleend. Met deze uitzonderingen wordt geborgd dat het verbod zich richt op ongewenste en overlastgevende situaties in de openbare ruimte, en niet op legitieme vormen van verblijf en recreatie.
35
Zaaknummer: 1059066
10. Aanpassing APV naar aanleiding van wijziging Opiumwet (designerdrugs) Met ingang van 1 juli 2025 zijn nieuwe psychoactieve stoffen (designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Om de APV hierop aan te laten sluiten worden de bepalingen over drugshandel en drugsgebruik op straat aangepast conform de model-verordening van de VNG. Hiermee wordt verduidelijkt dat ook deze middelen onder de bestaande aanpak van drugsoverlast vallen. Was-wordt-tabel Was Artikel 2:52 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:52a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Wordt Artikel 2:52 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:52a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Toelichting Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a (en lijst Ia) aan de Opiumwet toegevoegd. Daarin zijn nieuwe psychoactieve stoffen (zogenaamde designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Het betreft een aantal groepen stoffen dat sterk lijkt op middelen die op lijst I van de Opiumwet zijn geplaatst. De artikelen 2:52 en 2:52a van de Apv zijn erop gericht hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid door drugshandel en drugsgebruik op straat te voorkomen. Hoewel deze designerdrugs kunnen worden aangemerkt als ‘daarop gelijkende waar’ in de Apv-artikelen, is het wenselijk hierin ook substanties als bedoeld in artikel 2a van de Opiumwet expliciet te noemen.
36