17 bp De Welder 2 (38 Bijlage 37 Ruimtelijke onderbouwing Witvenstraat 23B)
Tekst van het document
Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien en om aan te tonen dat de beoogde herbestemming passend is binnen gemeentelijke beleidskaders, wordt in het onderstaande illustratief getoetst (toetsing in cursief) aan de voorwaarden van de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.6.9: Artikel 3.6.9 Wijziging naar Wonen/ woningsplitsing Burgemeester en wethouders kunnen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen teneinde deze aanduiding te laten vervallen en de bestemming deels te wijzigen in de bestemming Artikel 16 Wonen, waarbij na bedrijfsbeëindiging de herbouw van een voormalige bedrijfswoning of voormalig (woon)boerderijpand voor woondoeleinden kan worden toegestaan; tevens kan daarbij, mits het betreft (woon)boerderijpanden met de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie', woningsplitsing worden toegestaan. Een en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Algemene voorwaarden:
Pagina 27 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Omwonenden of omliggende (agrarische) bedrijven worden niet onevenredig in de belangen geschaad. In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt getoetst aan de milieuhygiënische aspecten. b. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4. c. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; De genoemde aanduidingen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. d. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 1500 m2; De omvang van het beoogde bestemmingsvlak wonen bedraagt niet meer dan het voormalige agrarische bouwvlak.
Waar het huidige agrarische bouwvlak een omvang kent van circa 3.500 m2, zal de beoogde woonbestemming een omvang kennen van circa 1.400 m2. Gelet hierop wordt binnen de maximale maatvoering van 1.500 m2 gebleven. e. ten aanzien van kwaliteitsverbetering geldt het volgende: 1. indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 30% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak, dan is geen specifieke kwaliteitsverbetering vereist; 2. indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 40% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak dient de herinrichting van het erf landschappelijk wordt ingepast in welk kader een landschappelijk inpassingsplan dient te worden opgesteld; 3. in de overige gevallen vindt er kwaliteitsverbetering plaats; Het nieuwe bestemmingsvlak ‘Wonen’ bedraagt maximaal 40% van het voormalige agrarische bouwvlak. Hierdoor is landschappelijke inpassing vereist. Aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan, die als bijlage aan de onderhavige ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, wordt binnen de planlocatie voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. f.
de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 29, beogen te beschermen; Binnen de planlocatie zijn geen gebiedsaanduidingen van toepassing. Bovendien doet de beoogde ontwikkeling geen afbreuk aan de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden. Te meer nu de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met een afname van bestaand ruimtebeslag en ter plaatse wordt voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. Pagina 28 van 59
Witvenstraat 23B, Haghorst
g. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; In hoofdstuk 4 van de onderhavige ruimtelijke onderbouwing vindt een toetsing plaats aan planologisch relevante (milieu)aspecten, waaronder het aspect bodem. De conclusie luidt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. h. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; In hoofdstuk 4 van de onderhavige ruimtelijke onderbouwing vindt een toetsing plaats aan planologisch relevante (milieu)aspecten, waaronder het aspect wegverkeerslawaai. Hierbij kan opgemerkt worden dat met de herbestemming van de huidige bedrijfswoning naar burgerwoning geen nieuw geluidsgevoelig object wordt opgericht, waardoor een toetsing aan de Wet geluidhinder achterwege kan blijven. Verder is vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien in paragraaf 4.8 wel inzicht gegeven in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied gelet op het aspect wegverkeerslawaai. i.
de regels van Artikel 16 Wonen worden van overeenkomstige toepassing verklaard; Met de onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bij een nadere planvorming zal aansluiting worden gevonden bij voornoemde regels.
Specifieke voorwaarden voor wijziging in woondoeleinden: j. de bebouwde oppervlakte en inhoud van de voormalige bedrijfswoning (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot, met dien verstande dat: 1. vergroting is toegestaan indien er per 50 m3 vergroting van de woning telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing wordt gesloopt; 2. de uiteindelijke inhoud niet meer bedraagt dan 1000 m3; 3. de bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m2 per woning; de overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) dient te worden gesloopt; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3. mag de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 200 m2 bedragen, indien het surplus (alle aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen en bijgebouwen boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m2) in één keer wordt gesloopt, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en deze sloop is als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden; 5. uitsluitend de sloop van legaal gebouwde gebouwen komen in aanmerking voor deze sloopbonusregeling; De bebouwde oppervlakte en inhoud van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning wijzigt niet.
Verder blijft aanwezige bebouwing in de hoedanigheid van een agrarisch bedrijfsgebouw met een omvang van circa 495 m2 behouden als bijgebouw bij de beoogde woonfunctie. De ontwikkeling past qua omvang van de beoogde bijgebouwen niet binnen de voorwaarden van de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Desondanks is in casu een grotere oppervlakte aan bijgebouwen vereist. Dit omdat sprake is van een voldoende courant agrarisch bedrijfsgebouw die wordt omgezet in bijgebouw. Hierbinnen zal onder meer opslag ten behoeve van de woonfunctie plaatsvinden. Ook biedt een en ander de mogelijkheid om op hobbymatige basis enkele paarden te houden. k. de sloopbonusregeling als bedoeld onder j is niet van toepassing indien: Pagina 29 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop heeft plaatsgevonden of kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voorruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. of de sloop al op andere wijze is verzekerd; Onderhavig plan maakt geen gebruik van de sloopbonusregeling. l.
de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; Niet van toepassing
Specifieke voorwaarden voor wijziging t.b.v. woningsplitsing: Lid m t/m s zijn niet van toepassing op onderhavig plan, waardoor een toetsing hieraan in de onderhavige ruimtelijke onderbouwing achterwege wordt gelaten. 3.4.4 Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies Op 11 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de visie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Nietagrarische functies’ vastgesteld. Deze strategie is gericht op de vitalisering van het buitengebied en bevat de beleidskaders voor het buitengebied, behoudens voor de ontwikkeling van de agrarische sector. De afgelopen jaren is er veel veranderd in het buitengebied en deze trend zet zich door. Het aantal agrarische bedrijven daalt en de overblijvende agrarische sector ontwikkelt (bijvoorbeeld middels intensiveren, specialiseren of het ontplooien van nevenactiviteiten). Daarnaast ontwikkelen ook andere functies zich meer en meer in het buitengebied: wonen, recreëren, energietransitie en andere dan agrarische functies. Om hierin de juiste afwegingen te kunnen maken heeft de gemeente Hilvarenbeek deze uitvoeringsstrategie voor het buitengebied opgesteld. De Uitvoeringsstrategie Buitengebied is een breed pallet aan activiteiten, zoals beoogd in het raadsbrede programma 2018 2022 van de gemeente Hilvarenbeek. De Strategie Vitalisering bevat de ontwikkelingsmogelijkheden voor o.a.
vrijkomende (agrarische) gebouwen (VAB’s), ruimte-voor-ruimte-woningen, maar ook doorontwikkeling van andere bestaande functies. De strategie dient te leiden tot vitalisering van het buitengebied; het behouden en versterken van de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Beekse buitengebied. Het doel ‘versterken van de kwaliteiten van het buitengebied’ staat in deze strategie centraal. De aard van de nieuwe ontwikkeling is daaraan ondergeschikt. De gemeente wil met deze strategie belemmeringen voor innovatie opheffen en ruimte maken voor een toekomstige ontwikkeling gericht op het versterken van de kernkwaliteiten van het buitengebied van Hilvarenbeek (zoals o.a. beschreven in de Structuurvisie Buitengebied 2014). De gemeente wil de balans tussen ondernemen en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving verbeteren. De gemeente wil toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Dat vergt een forse kwaliteitsslag in de komende jaren. Op basis van het provinciale ruimtelijke beleid moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied altijd sprake zijn van een fysieke kwaliteitsverbetering. De gemeente Hilvarenbeek hanteert hierbij de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’.
Daarin wordt gewerkt met categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, afhankelijk van het effect daarvan op het landschap. Bij categorie 3 (ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap), dient tenminste 20% van de grondwaarde te worden geïnvesteerd in het landschap. Onderdeel van deze visie wordt bovendien gevormd door het werkdocument en rekenbestand ‘Bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering landschap’, waarmee de rekenbedragen voor het berekenen van de benodigde kwaliteitsverbetering in het landschap zijn Pagina 30 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
geüniformeerd. In de uitvoeringsstrategie zijn per type functie (zoals VAB’s, ruimte-voor-ruimte en niet-agrarische functies) de beleidskaders uitgewerkt. Beoordeling Onderhavig planvoornemen is reeds getoetst aan de hand van de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’. Deze toetsing laat zien dat de beoogde ontwikkeling te bestempelen is als een categorie 2 ontwikkeling, waardoor in casu alleen landschappelijke inpassing is vereist. Met een landschappelijk inpassingsplan, die als bijlage aan de onderhavige ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, wordt hieraan voldaan. Verder wordt met de beoogde ontwikkeling een passende herbestemming gevonden voor een agrarische bedrijfslocatie naar wonen passend binnen de heersende omgevingskarakteristiek. Bovendien heeft deze herbestemming een positief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en de kern Haghorst en wordt hiermee de weg vrij gemaakt voor de beoogde woningbouwontwikkeling ‘De Welder’. Gelet hierop wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan de vitalisering van het buitengebied en wordt met de herbestemming naar wonen een passende functie gevonden. Dit maakt dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies’.
Pagina 31 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •
bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling In de huidige planologische situatie is binnen de planlocatie reeds een woongebruik met aanhorigheden toegestaan binnen de bedrijfswoning met bijbehorend erf. De omringende gronden en het bijbehorende erf zijn reeds ingericht als intensief gebruikte tuin met aanhorigheden en worden eveneens aangewend ten behoeve van het wonen. Deze bedrijfswoning wordt in de beoogde planologische situatie herbestemd tot burgerwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie en bovendien blijft ook in de beoogde planologische situatie bewoning binnen de planlocatie bestaan, waardoor geen sprake is van een gebruikswijziging.
Gelet hierop vraagt de beoogde ontwikkeling geen andere bodemkwaliteit dan in de huidige situatie, waardoor geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de voortzetting van het woongebruik. Verder hebben er zich binnen de planlocatie geen milieubelastende activiteiten voorgedaan en is er geen sprake van de aanwezigheid van dieseltanks en dergelijke, die van negatieve invloed hadden kunnen zijn op de bodemkwaliteit. Er is geen sprake van asbest binnen de planlocatie Pagina 32 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
gezien de gebouwen reeds later dan 1994 zijn opgericht. Nader onderzoek naar de bodemkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop het historische gebruik binnen de planlocatie is weergegeven in de jaren 1900, 1950, 1980 en 2000. Hieruit komt naar voren dat de onderhavige gronden uitsluitend in gebruik zijn geweest als reguliere landbouwgrond en nooit als boomgaard of ander intensief gebruik. Hieruit kan geconcludeerd worden dat geen aanwezigheid van verontreinigingen wordt verwacht en dat de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Het naastgelegen perceel dat reeds wordt betrokken bij de ontwikkeling van de Welder 2 is in die planprocedure onderzocht voor de beoogde woningbouw. De resultaten van dat bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem aldaar vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling met woningbouw.
Figuur 11: Historisch grondgebruik planlocatie (Topotijdreis) (planlocatie is indicatief aangeduid met een stip)
Conclusie De bodemkwaliteit staat de beoogde herbestemming en bestemmingswijziging niet in de weg. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; Pagina 33 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
- Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014.
In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.
Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Pagina 34 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; • Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen.
Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen met behoud van aanwezige bebouwing. Nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een toename van verharding of bebouwing, geldt ten aanzien van het planvoornemen geen verplichting tot de realisatie van een compenserende waterberingsvoorziening. Dit aspect is dan ook niet van toepassing. Bovendien is in de huidige situatie ter plaatse van en rondom de planlocatie sprake van voldoende aanwezigheid van gronden die niet zijn voorzien van bebouwing waar hemelwater oppervlakkig kan afvloeien en infiltreren. Hierdoor is geen wateroverlast ter verwachten ter plaatse van of rondom de planlocatie. Pagina 35 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Conclusie Omdat er in de beoogde situatie geen sprake is van een toename van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk besluit dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Beoordeling Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (planlocatie is indicatief voorzien van een zwarte stip)
Pagina 36 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
De planlocatie is niet gelegen binnen een cultuurhistorisch landschap, vlak of element. Ook is de Witvenstraat niet aangemerkt als een lijn (historische geografie) van enige waarde. Wel bevindt de planlocatie zich binnen de regio de Kempen, hetgeen is aangemerkt als een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Het cultuurhistorisch belang van deze regio wordt als volgt beschreven: ‘De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige klein-schaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland’. De beoogde herbestemming van de planlocatie aan de Witvenstraat 23B te Haghorst doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de Kempen als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang.
Conclusie De beoogde herbestemming heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).
Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven daarnaast aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart Hilvarenbeek. Hieruit komt naar voren dat de gronden behorende tot het plangebied in hoofdzaak zijn aangeduid als ‘hoge archeologische verwachting (categorie 4)’ en ten dele als ‘onderzoeksgebied: AMZ afgerond (categorie 8)’.
Pagina 37 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Figuur 13: Uitsnede Archeologische beleidskaart Hilvarenbeek (totaal kadastraal perceel 1433 is indicatief aangegeven met een rode omlijning)
Beoordeling In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” (en latere wijzigingen/herzieningen) is aan het plangebied deels de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” toegekend. Wegens de toekenning van de archeologische dubbelbestemming gelden ter plaatse diverse restricties ten aanzien van bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 een diepte van 0,5 meter onder het maaiveld. De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie waarbinnen een paardenhouderij wordt geëxploiteerd naar wonen. Hiermee zijn geen bodemingrepen voorzien. Nu geen bodemingrepen of anderszins zijn voorzien, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten.
Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent
Pagina 38 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Kempenland-West gelegen op circa 1,5 kilometer in overwegend westelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
1,5 km.
Figuur 14: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met zwarte stip)
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan in beginsel met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard Pagina 39 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is, indien nodig, een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. Bouwfase De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie waarbinnen een paardenhouderij wordt geëxploiteerd naar wonen. Een en ander betreft uitsluitend een gebruikswijziging met behoud van bebouwing. Hiermee zijn geen bouwwerkzaamheden of anderszins voorzien. Gelet hierop is in casu geen sprake van een bouwfase, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat een en ander geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van circa 9 verkeersbewegingen per etmaal. Ook is uitgegaan van de aanwezigheid van één cv-installatie in het woonhuis. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.
Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.
Pagina 40 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling De gronden behorende tot het plangebied worden in de huidige planologische situatie reeds intensief gebruikt. De onderhavige gronden worden conform het vigerende bestemmingsplan gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een paardenhouderij en bewoning binnen en rondom de bedrijfswoning. De gronden rondom de bedrijfswoning en een agrarisch bedrijfsgebouw zijn ingericht als erf en intensief gebruikte tuin. Dit intensieve gebruik maakt dat de aanwezigheid van beschermde soorten in zijn algemeenheid niet te verwachten is. Verder betreft de beoogde ontwikkeling uitsluitend een herbestemming en gebruikswijziging waarmee een agrarische bedrijfslocatie met aanhorigheden wordt herbestemd tot wonen. De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met de sloop van bebouwing of het verwijderen van houtopstanden of andere vormen van beplanting.
Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan. Effectenindicator Soorten Om bovenstaande conclusie te staven is door middel van de Effectenindicator Soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op www.synbiosys.alterra.nl gekeken of de beoogde ontwikkeling een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten en planten. De Effectenindicator van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit maakt daarbij gebruik van de meest actuele gegevens van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Conclusie Flora- en Faunascan De resultaten van deze scan zijn opgenomen in onderstaande afbeelding, waarbij het plangebied en de omgeving zijn meegenomen. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Wet Natuurbescherming door het planinitiatief onwaarschijnlijk is.
Pagina 41 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Figuur 15: Invoergegevens en resultaten effectindicator soorten
Conclusie Het aspect flora en fauna en de Wet Natuurbescherming staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Pagina 42 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen. De huidige bedrijfswoning wordt hierbij herbestemd naar burgerwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een geluidsgevoelige functie. Immers, de huidige agrarische bedrijfswoning is reeds aan te merken als een gevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een andere planwijziging hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). Als gevolg van de beoogde herontwikkeling is een akoestisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het desondanks toch wenselijk om het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk te maken ten aanzien van het aspect geluid wegverkeer. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeer binnen de planlocatie.
Figuur 16: Geluidsbelasting wegverkeer (woning is aangeduid met een stip)
Op grond van bovenstaande afbeelding komt naar voren dat de geluidsbelasting binnen de planlocatie en ter plaatse van de te herbestemmen bedrijfswoning sprake is van een geluidsbelasting die minder bedraagt dan 45 dB. Gelet hierop wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden en is binnen de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Pagina 43 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling Het planinitiatief betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen, waarbij de bedrijfswoning wordt herbestemd tot burgerwoning met behoud van de huidige bebouwing. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie.
Hierdoor kan een toetsing aan het aspect bedrijven en milieuzonering achterwege blijven. Derhalve kan met zekerheid geconcludeerd worden dat omliggende bedrijvigheid niet wordt belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Ook kan daarom een toetsing aan geldende richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijvigheid achterwege blijven om het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk te maken. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het desondanks toch wenselijk om te toetsen aan de geldende richtafstanden om inzichtelijk te maken of ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: -
Wilhelminadijk 5: een detacheringsbedrijf (bouwvlak waarbinnen categorie 3.1 bedrijvigheid is toegestaan): grootste richtafstand 50 meter; Wilhelminadijk 6: een garagebedrijf (bouwvlak waarbinnen categorie 3.1 bedrijvigheid is toegestaan): grootste richtafstand 50 meter; Wilhelminadijk 7A: een bouwmarkt (bouwvlak waarbinnen categorie 3.1 bedrijvigheid is toegestaan): grootste richtafstand 50 meter; Wilhelminadijk 7: een bouwbedrijf (bouwvlak waarbinnen categorie 3.1 en 3.2 bedrijvigheid is toegestaan): grootste richtafstand 100 meter; Wilhelminadijk 7C: Een aannemersbedrijf (bouwvlak waarbinnen categorie 3.1 bedrijvigheid is toegestaan): grootste richtafstand 50 meter.
In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan “Kern Haghorst” waarop de omliggende bedrijvigheid is weergegeven.
Pagina 44 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Cat. 3.1 Cat. 3.2
Cat. 3.1
Figuur 17: Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Kern Haghorst" met daarop weergegeven omliggende bedrijvigheid (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)
Ten aanzien van categorie 3.1 bedrijvigheid geldt een grootste richtafstand van circa 50 meter. In casu bedraagt de afstand van de beoogde woonbestemming tot het meest dichtstbijzijnde bouwvlak waarbinnen categorie 3.1 bedrijvigheid is toegestaan, bedraagt circa 98 meter. Gelet hierop wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van categorie 3.1 bedrijvigheid in de directe omgeving. Voor wat betreft categorie 3.2 bedrijvigheid geldt een grootste richtafstand van 100 meter. De afstand van de beoogde woonbestemming tot het meest dichtstbijzijnde bouwvlak waarbinnen categorie 3.2 bedrijvigheid is toegestaan, bedraagt circa 127 meter. Gelet hierop wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van categorie 3.2 bedrijvigheid Nu voldaan wordt aan geldende richtafstanden ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie kan worden geconcludeerd dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien kan met zekerheid geconcludeerd worden dat omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie.
Pagina 45 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Bovendien is in paragraaf 4.9 reeds getoetst aan het aspect bedrijven en milieuzonering. Hieruit is gebleken dat ten opzichte van nietagrarische bedrijvigheid in de omgeving voldaan wordt aan de geldende richtafstanden, waaronder ten aanzien van de richtafstanden ten aanzien van het aspect geur. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening.
De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.
Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
Pagina 46 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
De gemeente Hilvarenbeek heeft een geurverordening vastgesteld met geurnormen die afwijken van de landelijke normen. Deze geurnormen zijn echter enkel van toepassing voor het verlenen van milieuvergunningen voor veehouderijbedrijven en zeggen volgens vaste jurisprudentie niet iets over het woon- en leefklimaat ten aanzien van een ruimtelijke procedure. Aan de geurnorm van gemeente Hilvarenbeek hoeft derhalve niet worden getoetst in onderhavig plan. 4.10.1 Geurgevoelige objecten De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen. De huidige bedrijfswoning wordt hierbij herbestemd naar burgerwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Immers, de huidige agrarische bedrijfswoning betrof reeds een geurgevoelige object in de zin van artikel 1 van de Wgv. Dit maakt dat een toetsing aan de Wgv niet noodzakelijk is. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, wordt volledigheidshalve getoetst aan het aspect geur en de Wgv. Dit om inzichtelijk te maken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven worden beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
4.10.2 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld Overeenkomstig de Wgv is met het beoogde plan sprake van de aanwezigheid van één geurgevoelig object onder artikel 3, lid 1 (reguliere geurgevoelige objecten). In de directe nabijheid van de planlocatie bevinden zich geen veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De meest dichtstbijzijnde veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden, bevinden zich namelijk op behoorlijke afstand van de planlocatie en betreffen de volgende: -
Sint Josephstraat 23: schapenhouderij: circa 360 meter afstand; Emmerseweg 24: vleesvee: circa 380 meter afstand; Lage Haghorst 33: varkenshouderij: circa 560 meter afstand; Frankenstraat 2: geitenhouderij: circa 630 meter afstand.
Alle voornoemde veehouderijbedrijven bevinden zich op grote afstand van de planlocatie. Vanwege de aanmerkelijke afstand van de planlocatie ten opzichte van voornoemde veehouderijen en vanwege de omstandigheid dat er zich reeds geurgevoelige objecten op kortere afstand bevinden die maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat voornoemde veehouderijen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4.10.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld Nu de planlocatie ruimtelijk gezien is gelegen in het buitengebied wordt bij de toetsing aan richtafstanden in het kader van de Wgv uitgegaan van de omstandigheid dat de sprake is van een situatie buiten de bebouwde kom. In geval van een uitbreiding van een veehouderij met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, dient derhalve getoetst te worden aan een afstand van 50 meter op geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.
In de directe omgeving van de planlocatie bevindt zich een aantal veehouderijbedrijven waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, te weten: - Wilhelminadijk 8: rundveehouderij: circa 370 meter afstand; - Lage Haghorst 35: rundveehouderij: circa 610 meter afstand; Pagina 47 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
-
Lage Haghorst 31: rundveehouderij: circa 540 meter afstand; Lage Haghorst 29: rundveehouderij: circa 540 meter afstand; Lage Haghorst 19: rundveehouderij: circa 600 meter afstand.
Alle voornoemde veehouderijbedrijven bevinden zich echter op meer dan 50 meter van de planlocatie, waardoor wordt voldaan aan de vaste afstandsmaat. Bovendien zou ook ruimschoots voldaan worden aan de afstandsmaten wanneer de planlocatie zich binnen de bebouwde kom zou bevinden. Daarnaast bevinden er zich reeds geurgevoelige objecten op kortere afstand die maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderijen. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat deze veehouderijen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Volledigheidshalve is in het onderstaande een afbeelding weergegeven waarop de omliggende veehouderijbedrijven zijn weergegeven. Voormalige bedrijven zijn voorzien van een rode stip en bestaande bedrijven van een groene stip.
Figuur 18: Omliggende veehouderijbedrijven (planlocatie is voorzien van een zwarte stip)
4.10.4 Woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant kan de achtergrondbelasting binnen de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 3-7 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie.
Pagina 48 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
Figuur 19: Kaart achtergrondbelasting planlocatie (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stip)
4.10.5 Conclusie Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat omliggende veehouderijen als gevolg van het planvoornemen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.11 Gezondheid De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, is het woon- en leefklimaat in het kader van volksgezondheid in relatie tot omliggende veehouderijen toch relevant. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen.
Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.
Pagina 49 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen.
Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie bevindt zich geen pluimveehouderij. Binnen een afstand van circa 200 meter van de planlocatie bevindt zich eveneens geen varkenshouderij. Conclusie Het aspect ‘endotoxine’ staat de planvorming niet in de weg. 4.11.3 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.
Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt met de herbestemming van de huidige bedrijfswoning naar burgerwoning geen nieuw ‘kwetsbaar object’ opgericht. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (circa 6,1 km) • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (circa 4,6 km) • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (circa 5 km) • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (circa 4,2 meter) • Tuldensedijk 7 Esbeek (circa 6,9 km) Pagina 50 van 59 Witvenstraat 23B, Haghorst
• • • •
Hoekje 9 Diessen (circa 2,3 km) Esbeeksedijk 4 Diessen (circa 4,7 km) Frankenstraat 2 Haghorst (circa 630 meter) Ontginningsweg 15 Haghorst (circa 1,1 km)
De afstand tot de meest dichtstbijzijnde geitenhouderijen (Frankenstraat 2 en Ontginningsweg 15) tot het plangebied bedraagt circa 630 meter, respectievelijk 1,1 kilometer. Overige geitenhouderijen bevinden zich op een afstand die aanmerkelijk meer bedraagt dan 2 kilometer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderijen en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Het plan ziet er op toe dat een veehouderij-locatie definitief wordt herbestemd, waardoor de mogelijkheid vervalt om ter plaatse een agrarisch bedrijf te exploiteren. Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderijen zijn meerdere (burger)woningen gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.