CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

17 bp De Welder 2 (21 Bijlage 20 Inventariserend veldonderzoek archeologie)

Gemeenteraad 13 juli 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "De Welder 2".21.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

57

3.3

Vondstmateriaal

Tijdens het veldwerk zijn 18 vondstnummers uitgeschreven, waarvan het merendeel uit specifieke context (sporen). Drie vondstnummers betreffen vlakvondsten die verzameld zijn tijdens de aanleg van het vlak. Het merendeel van de verzamelde vondsten zijn aardewerkscherven (zie tabel 4). In mindere mate zijn ook enkele fragmenten glas, bouwmateriaal, plastic of rubber en metaal verzameld. Onderstaand zullen de determinaties van het vondstmateriaal besproken worden, aardewerk in een afzonderlijke paragraaf, de overige vondsten vanwege de beperkte hoeveelheid in een gezamenlijke paragraaf. Tabel 4. Vondstaantallen per materiaalcategorie. INHOUD

Totaal aantal

Totaal gewicht

MXX AW GLS BOUWMAT XXX

1 76 9 11 2

11,7 1560,7 15,1 157,7 1,2

3.3.1 Aardewerk (J.T. Verduin) Inleiding Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 76 fragmenten aardewerk uit de Late Middeleeuwen aangetroffen (tabel 5). Het aardewerk is gedetermineerd volgens het Deventer Systeem. De determinaties zijn ingevoerd in de veld- en specialistendatabase van ADC ArcheoProjecten. De methode van beschrijven wordt hieronder toegelicht. Daarna zullen de vondsten per baksel beschreven worden. Als laatste zal de onderzoeksvraag uit het PvE, die betrekking heeft op de vondsten, beantwoord worden. Deze vraag luidt: -

Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondst categorieën behoren zij?

Tabel 5. De soorten baksels die zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek: het aantal scherven, totaalgewicht per baksel en het Minimum Aantal Exemplaren (MAE) per baksel. Baksels roodbakkend Maaslands aardewerk blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type grijsbakkend aardewerk roodbakkend aardewerk steengoed met oppervlaktebehandeling Totaal

aantal

gewicht

MAE

4 17 37 16 2 76

18 327 781 417 18 1561

3 3 2 9 2 19

Methoden Tijdens de determinatie is het aardewerk in een database ingevoerd. Daar zijn variabelen als aantal, gewicht (in gr), minimum aantal exemplaren (MAE) en fragmentsoort ingevuld. Het MAE is bepaald aan de hand van het aantal randvormen per vondstnummer. Daarnaast is het aardewerk onderverdeeld in een aantal baksels, vormen en typen. Als het van toepassing is, zijn ook de velden met betrekking tot de oppervlaktebehandeling, decoratie, compleetheid en herkomst van het fragment ingevuld. Waar deze velden niet toereikend waren, bestond de mogelijkheid om verdere kenmerken in een tekstveld in te vullen.

58

Resultaten Het aardewerk uit de proefsleuven bestaat uit vijf verschillende baksels: roodbakkend Maaslands aardewerk, blauwgrijs aardewerk (Elmpt-type), grijs- en roodbakkend aardewerk en steengoed met oppervlaktebehandeling. De fragmenten zijn aangetroffen in kuilen, sloten, greppels, drie waterputten en in laag S5000. De datering van het aardewerk ligt in de periode ca. 1325-1450. Het rood- en grijsbakkende aardewerk is waarschijnlijk in regionale pottenbakkerscentra geproduceerd, mogelijk in Breda of Oosterhout. De fragmenten roodbakkende aardewerk zijn spaarzaam geglazuurd. In het materiaal uit kuil S11.13 (V14.002) waren twee vormen herkenbaar: een kom (r-kom-, 1350-1450) en een bakpan (r-bak-2, 1400-1550). Het grijsbakkende aardewerk kwam voor in laag S5000 en in greppel S7.59. In de greppel waren fragmenten van de bovenzijde van een bolle pot met manchetrand en lensbodem aanwezig (V5.001, g-pot-10, 1200-1350). De manchetrand heeft ribbels en een naar buiten geknikte bovenrand. Blauwgrijs aardewerk werd in Duitsland geproduceerd, in de regio Elmpt-Brüggen 9, maar er zijn ook Nederlandse productiecentra bekend, bijvoorbeeld in Oosterbeek 10 en Ermelo 11. Het blauwgrijze aardewerk van het Elmpt-type heeft over het algemeen een wit baksel met een gesmoord grijs of blauwgrijs oppervlak. Dit type aardewerk is aangetroffen in greppel S10.8, kuil S7.81 en in waterput S7.43.

Het gaat om wandfragmenten en een deel van een geknepen standring. Roodbakkend Maaslands aardewerk werd geproduceerd in verschillende steden in de Belgische Maasvallei, waaronder Andenne. Binnen dit baksel worden drie verschillende typen onderscheiden. Het aardewerk dat in Hilvarenbeek is gevonden is van het type 3. Dit type heeft op de breuk een vuilwitte tot roodbruine kleur en is aan de buitenzijde (spaarzaam) voorzien van een laag paarsbruine tot donkerbruine ijzerengobe of mangaanoxide. Dit aardewerk is geproduceerd tussen 1325 en 1550. In tegenstelling tot het overige roodbakkende Maaslandse aardewerk wordt type 3 niet uitsluitend in de Belgische Maasvallei vervaardigd, maar is er ook in Zuid-Limburg, in de plaatsen Brunssum en Schinveld, pottenbakkersafval van dit type aardewerk aangetroffen. 12 Naast enkele wandscherven, is een kleine kraagrand met aan de binnenzijde glazuur met mangaanoxide gevonden (V15.001, kuil S11.9). Het steengoed met oppervlaktebehandeling is afkomstig uit het Duitse Siegburg en het Belgische Raeren. Het fragment uit Siegburg heeft aan beide zijden een donkerbruine engobe (V9.001, 13751450, greppel S9.5). Het wandfragment uit Raeren heeft een zoutglazuur met ijzerengobe (V2.001.2, ca. 1450-1650, sloot S5.13). 3.3.2 Overige vondstcategorieën Keramisch bouwmateriaal Het keramisch bouwmateriaal omvat vier vondstnummers (vnr 1, 5, 10 en 14).

Het bouwmateriaal is gedetermineerd door specialiste M.J.A. Melkert (MarianMelkert). Eén vondstnummer (vnr 1) bevat één recent te dateren dakpan. De machinaal vervaardigde dakpan dateert uit het eind van de 19e eeuw of later. Het merendeel van de vondsten (vnr 5, 10 en 14) bestaat uit kleine brokjes bouwmateriaal. Enkele brokjes (vnr 5) zijn sterk verweerd. Op basis van de gemêleerde bakselsamenstelling kan één vondstnummer (vnr 14) na 1200 gedateerd worden. Een verdere determinatie of datering van het bouwmateriaal is niet mogelijk.

9 Rech 1982.

10 Griffioen 2019.

11 Jaspers & Wispelwey 2020. 12 Ostkamp 2013.

59

Glas Uit één context, sloot spoor 6 (werkput 8), zijn negen fragmenten van glas verzameld. Determinaties door specialiste J. Verduin wijst uit dat het kleurloos vensterglas uit de 19e of 20e eeuw betreft. Metaal Een metaalvondst (vnr 17), verzameld bij de aanleg van het vlak, betreft een ijzeren spijker. De vondst is niet verder determineerbaar. Modern materiaal Vondstnummer 1, verzameld uit sloot S4 in werkput 3 omvat twee stukjes recent te dateren rubber.

60

4 Interpretatie 4.1

Inleiding

Het archeologisch onderzoek in de beide deelgebieden leverde een verschillende beeld op: het noordelijk deel met een duidelijke impact van recente verstoringen door ploegwerkzaamheden en weinig archeologische sporen; en het zuidelijk deel met een middelhoge tot hoge spoordichtheid en enkele clusters met bewoning uit de Late Middeleeuwen.

4.2

Noordelijk deelgebied

Het bodemkundig onderzoek in het noordelijk deelgebied laat duidelijk zien dat de top van de natuurlijke bodem sterk aangetast is door ploegwerkzaamheden in het verleden. Dit valt op te maken uit de ploegbanen die in de natuurlijke bodem snijden, evenals uit een duidelijk omgewerkte laag met restmateriaal van de natuurlijke bodem (dikte +- 20 cm). Ook het ontbreken van bodemhorizonten bevestigt het beeld. Hoe groot de impact van het diepploegen precies is geweest, valt moeilijk te achterhalen. De akkerlaag / bouwvoor in het noordelijk plangebied is gemiddeld 70 cm dik, en daarmee vergelijkbaar aan de akkerlaag in het zuidelijk deel. De spoordichtheid in het noordelijk deelgebied is laag. Hoofdzakelijk zijn de restanten van sloten terug gevonden en lokaal in het noordoostelijk deel enkele paalsporen. De sloten zijn redelijk goed bewaard, de overige (paal)sporen zijn slecht bewaard. Hiervan resteren alleen nog de onderzijden, waardoor een interpretatie bemoeilijkt wordt. Vondstmateriaal is schaars. Slechts uit één sloot (S13 in werkput 5) zijn twee fragmenten sterk verweerd roodbakkend aardewerk uit de periode 1250 – 1650 verzameld. Daarnaast is uit een andere sloot (S4 in werkput 3) recent materiaal (rubber, bouwmateriaal) verzameld. In de akkerlaag of bouwvoor is geen vondstmateriaal gevonden.

Wanneer de onderzoeksresultaten gecombineerd worden met de historische kennis van het gebied, valt een deel van de sporen (sloten) te relateren aan een specifieke tijdsperiode. De vroegst beschikbare kaart met een duidelijke weergave van de landinrichting is het kadastrale minuutplan uit 1811-1832 (afb. 50). Het noordelijk deelgebied ligt op deze kaart ter hoogte van een aantal onregelmatig gevormde blokpercelen die alle onbebouwd zijn. Het merendeel van de perceelscheidingen is niet terug te zien in de vastgestelde sloten. Alleen sloot S1 in proefsleuf 5 valt samen met een perceelscheiding. De historische kaart uit 1830 – 1849 geeft slechts een globale weergave zonder een verdere detaillering van percelen en bebouwing. Wel geeft de kaart een goede indruk van de globale landinrichting. Het plangebied ligt hierop binnen een akkergebied ten westen van de Sint Josephstraat. Ten oosten van de straat is heidegebied aangeduid. De eerstvolgende historische kaart dateert uit 1870 (afb. 52). Hieruit valt op te maken dat de perceelsindeling ter hoogte van het noordelijk deelgebied veranderd is ten opzichte van de situatie op de kadastrale minuutplan uit 1811-1832. Deze situatie blijft ongewijzigd tot aan het einde van de 19e eeuw, zoals blijkt uit de iets gedetailleerdere kadastrale kaarten uit 1900 (afb. 53).

Aan het begin van de 20e eeuw wijzigt de perceelsindeling ter hoogte van het noordelijk deelgebied. Er is sprake van een opdeling in meerdere kleinere percelen (zie de historische kaart uit 1924 afb. 54). De noord – zuid georiënteerde sloot in het zuidelijke deel van werkput 5 lijkt hiermee samen te vallen. Dat zou betekenen dat deze sloot een 20e-eeuwse oorsprong heeft. Langs de zuidzijde van het noordelijk deelgebied is op een (land)weg ontstaan. In het midden van de 20e eeuw wijzigt de perceelindeling opnieuw (zie historische kaart 1962, afb. 55). De noordwest – zuidoost georiënteerde sloten in de werkputten 1 en 3 vallen daarbij precies samen met de nieuwe perceelsindeling en -oriëntatie. Niet veel later, in de jaren ’60 van de 20e eeuw vindt er een ruilverkaveling plaats, waarbij de meerdere kleine percelen worden samengevoegd tot telkens één perceel (zie de historische kaarten uit 1970 en 1990, afb. 56 en 57).

61

Uit de verschillende kadastrale en historische kaarten kan afgeleid worden dat met name de perceelsindeling ter hoogte van het noordelijk deelgebied in de afgelopen twee eeuwen meermaals gewijzigd is. Een groot deel van de sloten die in de proefsleuven van het noordelijk deelgebied zijn aangetroffen, lijkt tot deze 19e en 20e-eeuwse perceelsindeling herleid te kunnen worden. Slechts één sloot (meest noordelijke sloot in proefsleuf 5) lijkt aan het begin van de 19e eeuw in gebruik te zijn, en dateert mogelijk ouder. Tot hoever deze sloot in de tijd terug gaat is niet duidelijk. Vondstmateriaal dateert in de Late Middeleeuwen tot vroeg in de Nieuwe tijd. Of de sloot daadwerkelijk een dergelijke ouderdom heeft is niet zeker. Het vondstmateriaal is sterk verweerd en daarnaast schaars. De andere sloten kunnen gekoppeld worden aan perceelwijzigingen in de 19e of zelfs de 20e eeuw. Deze sloten hebben tot in het midden van de 20e eeuw voorbestaan, tot aan de grote ruilverkaveling.

Afb. 50. Ligging van het plangebied en de proefsleuven op de kadastrale minuutplan uit 1811-1832.

62

Afb. 51. Indicatieve ligging van het plangebied op de historische kaart uit 1830-1849.

63

Afb. 52. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1870.

64

Afb. 53. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1900.

65

Afb. 54. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1924.

66

Afb. 55. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1962.

67

Afb. 56. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1975.

68

Afb. 57. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1990.

69

4.3

Zuidelijk deelgebied

De bodemopbouw in het zuidelijk plangebied is redelijk intact. Lokaal komen bij laagtes nog de restanten van bodemvorming voor. Desondanks is ook in het zuidelijk plangebied de impact van (diep)ploegen goed zichtbaar door de ploegbanen die zich in de top van de natuurlijke bodem aftekenen. Op beperkte schaal hebben deze ploegwerkzaamheden schade aangericht aan het archeologisch bodemarchief, maar niet op een dusdanige manier dat archeologische resten volledig verloren zijn gegaan. Het zuidelijk deelgebied heeft een hogere ligging ten opzichte van de noordelijke zone. Lokaal is er een micro reliëf, zoals blijkt uit de laagte in proefsleuf 9 en de dalende vlakhoogtes langs met name de noordrand van de zone. De spoordichtheid in het zuidelijk plangebied is aanzienlijk hoger. In vrijwel elke proefsleuf zijn archeologische sporen terug gevonden. Zo is er sprake van drie spoorclusters alsook zones die minder sporen opleverden (afb. 58). Eén van de spoorclusters ligt in proefsleuf 7 aan de zuidoostzijde van het deelgebied. Binnen het cluster worden twee structuren en ten minste twee waterputten vermoed. Eén van de structuren, centraal in de proefsleuf, wordt geïnterpreteerd als een twee schepig bijgebouw. Deze interpretatie zal mogelijk bijgesteld kunnen worden wanneer bij een opgraving zicht is op de volledige structuur.

Iets ten noorden van het bijgebouw liggen twee (vermoedelijke) waterputten. Zowel de vorm, opvulling met mogelijk kern en insteek, als ook de diepte sluiten aan bij een interpretatie als waterput. Een tweede, kleine structuur betreft een bijgebouw (mogelijk spieker) in het noordelijke deel van de proefsleuf. De spoordichtheid is naar het noorden toe iets afgenomen. Twee forsere kuilen zouden mogelijk eveneens als waterput of waterkuil geïnterpreteerd kunnen worden. Verder doorsnijden enkele greppels de werkput. Ondanks dat vondstmateriaal binnen het spoorcluster schaars is, wijzen de beperkte vondstaantallen wel duidelijk op bewoning die in de periode 1200-1350 te plaatsen is. Zowel het verzamelde roodbakkend, grijsbakkend, als Elmpt aardewerk dateren uit deze periode. Een tweede spoorcluster is aangetroffen aan de noordwestzijde van het deelgebied, ter plaatse van proefsleuf 10. Ondanks dat uit de configuratie van de (paal)sporen nog niet direct structuren te herleiden zijn, kan de aanwezigheid ervan wel verondersteld worden. De sporen bestaan uit een matige tot dichte spreiding van paalsporen en kuilen met daarnaast enkele greppels. Ook in de noordelijke zone is vondstmateriaal schaars. Desondanks laten de aardewerkdateringen een ruimere datering zien dan het cluster in proefsleuf 7.

Naast een wat vroeger te dateren scherf van Elmpt aardewerk (1150-1350), is het merendeel van het aangetroffen aardewerk later te dateren zoals blijkt uit rood- en grijsbakkend aardewerk (1300-1450) en Andenne aardewerk (13251550). Het derde spoorcluster ligt in het zuidwestelijk deel en omvat naast een lichte spreiding aan paalsporen ook een cluster met forse kuilen. Eén van deze kuilen kon na couperen als waterput geïnterpreteerd worden. Ook de andere kuilen zouden waterputten kunnen zijn. Uit de spreiding van paalsporen kan geen structuur herleid worden. De paalsporen lijken eerder te passen bij erf gerelateerde sporen, zoals kleine gebouwtjes, omheiningen, afrasteringen etc. Aardewerkvondsten kunnen de sporen dateren in de periode 1250-1450. In de overige proefsleuven is de spoordichtheid eerder laag, maar er zijn telkens wel archeologische sporen aangetroffen, zoals greppels, een waterput (proefsleuf 8) en karrensporen (proefsleuf 6 en 9). Het beperkte aardewerk dat in de overige proefsleuven (6, 8 en 9) is gevonden, past met dateringen van 1300 – 1450/1650 binnen het algemene beeld. Bij projectie van de sporen op de kadastrale en historische kaarten (afb. 50 - 57) valt op dat voor een deel van de greppels en sloten een relatie gelegd kan worden met de historische kaarten, en dat een deel daar ook van afwijkt.

Een deel van de sloten en greppels lijkt daarmee tot een oudere periode terug te gaan dan de historische kaarten. De kadastrale en historische kaarten uit de 19e en 20e eeuw laten een weinig veranderlijk beeld zien met ter hoogte van het zuidelijk deelgebied een opdeling in drie (later twee) percelen en bebouwing langs de straat. De percelen zijn min of meer noordwest – zuidoost georiënteerd op de Sint-Josephstraat, die tenminste tot in de 19e eeuw terug gaat.

70

Enkele sloten en greppels kunnen aan de 19e- / 20e-eeuwse situatie gerelateerd worden. De sloten in het zuidelijke deel van de werkputten 7, 8 en 11 vallen samen met de erfgrenzen van bebouwing langs de Sint-Josephstraat. Voor deze sloten kan een recentere datering verondersteld worden, zoals ook al bleek uit het vondstmateriaal en de opvulling. Een greppel in het noordelijk deel van werkput 10 valt samen met een oude (veld)weg die langs de westzijde van het plangebied liep. De oostelijke (berm)greppel van de weg is daarmee vermoedelijk net aangesneden. De overige greppels zijn niet direct aan de percelering uit de 19e of 20e eeuw te relateren en dateren vermoedelijk vroeger. Aardewerkscherven kunnen dit deels ook bevestigen met dateringen in de Late Middeleeuwen tot vroege Nieuwe tijd. Voor een deel hebben de greppels dezelfde oriëntatie als de Sint Josephstraat. Ook de karrensporen die in de proefsleuven 6 en 9 zijn gevonden, zijn niet te verbinden met de oude veldwegen of de (oriëntatie van de) percelering op de kadastrale of historische kaarten uit de 19e en 20e eeuw. Het is daarmee aannemelijk dat de karrensporen behoorden tot een veldweg uit de 18e eeuw of vroeger. De veldweg doorsneed het zuidelijk plangebied van noordoost naar zuidwest.

Afb. 58. Locatie van de drie spoorclusters in blauw omcirkeld.

71

5 Synthese 5.1

Algemeen

De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek ten dele worden bevestigd. Voor het noordelijk deelgebied gold op basis van de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek deels een hoge verwachting (Beleidscategorie 4). Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan deze verwachting worden bijgesteld naar laag. In het noordelijk deelgebied zijn geen archeologisch relevante sporen of vondsten aangetroffen en is er sprake van een hoge mate aan bodemverstoring door diepploegen. Of de bodemverstoring ook de reden is voor de afwezigheid van archeologische sporen, of dat het plangebied minder aantrekkelijk was voor bewoning vanwege een lagere ligging, valt niet meer te achterhalen. Voor het zuidelijk deelgebied gold een hoge tot middelhoge verwachting (Beleidscategorie 4 en 6). Deze vooraf gestelde verwachting kon met het proefsleuvenonderzoek bevestigd worden. Binnen het zuidelijk plangebied is een vindplaats uit de Late Middeleeuwen vastgesteld. Deze vindplaats kan gedefinieerd worden als een nederzetting uit de Late Middeleeuwen met vermoedelijk drie bewoningslocaties (clusters).

Ondanks dat specifieke structuren in dit stadium van het onderzoek maar beperkt aangeduid kunnen worden, zijn er voldoende aanwijzingen in de vorm van lokaal hoge spoordichtheid en de aanwezigheid van waterputten, om te spreken van een nederzetting. Aardewerkdateringen leveren een algemene datering van de nederzetting op in de periode 12001450. Globaal genomen lijkt het aardewerk in het zuidoostelijke cluster iets vroeger te dateren (1200-1350) dan de beide andere clusters (1300-1450). Maar of er echt sprake is van een fasering in de bewoning zal nog moeten worden uitgewezen bij vervolgonderzoek. Rondom de clusters is de spoordichtheid lager en zijn met name sporen gevonden van terreininrichting (greppels) en een oude veldweg. Ook in deze zones met een lagere spoordichtheid kunnen structuren of erfelementen verwacht worden, die met de proefsleuven net gemist zijn. Een duidelijke begrenzing van de vindplaats is daarmee niet te geven. De vindplaats zou zich in potentie verder kunnen uitstrekken tot buiten het plangebied.

5.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek. -

Bevinden zich in het plangebied nog archeologisch relevante sporen of vondsten in de breedste zin van het woord (dus ook (sub)recente resten ouder dan 50 jaar)? In het noordelijk deelgebied is de spoordichtheid laag en zijn er weinig vondsten geborgen. De sporen en vondsten die zijn aangetroffen hebben een datering in de Nieuwe tijd. Aanwijzingen voor vroegere sporen of vroeger gebruik zijn niet aangetroffen. De sporen beperken zich hoofdzakelijk tot off site sporen, zoals percelering (sloten en greppels). Lokaal zijn enkele (twijfelachtige) paalsporen gevonden, waarvan de conservering slecht was. Duidelijke nederzettingssporen ontbreken daarmee. In het zuidelijke deelgebied is de spoor- en vondstdichtheid hoger. In drie werkputten zijn clusters gevonden met paalsporen en waterputten. Aardewerk verzameld uit de sporen en in de omgeving ervan wijzen op een nederzetting uit de Late Middeleeuwen. In en rondom de clusters met sporen kunnen erven met gebouwen verwacht worden. Greppels en sloten houden wellicht verband met de perceelsindeling en mogelijk afbakening van het erf of het nederzettingsterrein. Karrensporen duiden op een oude veldweg. -

Zijn er archeologische resten in situ bewaard gebleven, vanaf welke diepte en dient hier in de toekomst rekening mee te worden gehouden bij ontwikkelingen in het plangebied en de directe omgeving? In het noordelijk deelgebied is de conservering van de bodem slecht. Ploegwerkzaamheden hebben duidelijk een impact gehad. De top van de natuurlijke bodem bevindt zich op circa 0,7m onder maaiveld. Sporen die in de top van de natuurlijke bodem zijn aangetroffen, zijn vrijwel

72

allemaal aan off site fenomenen zoals percelering toe te schrijven. Deze dateren hoofdzakelijk laat in de Nieuwe tijd en zijn daarmee archeologisch gezien minder relevant. In het zuidelijk deelgebied zijn in vrijwel alle proefsleuven archeologisch relevante sporen aangetroffen. Het sporenniveau bevindt zich direct onder de bouwvoor of akkerlaag, in de top van de natuurlijke bodem. Dit ligt op gemiddeld 0,7m onder maaiveld. De sporen zijn redelijk goed bewaard gebleven. Zo kunnen bijvoorbeeld ook nog kleinere sporen onderscheiden worden die ook voldoende bewaard zijn gebleven voor een goede interpretatie. Wel hebben ploegwerkzaamheden in het zuidelijk deelgebied ook enige mate aan verstoring veroorzaakt. Zo zijn in de top van de natuurlijke bodem vaak nog de ploegbanen duidelijk aanwezig, met als gevolg dat sporen ‘uitgesmeerd’ kunnen zijn. Dit is tevens een aandachtpunt bij eventueel archeologisch vervolgonderzoek. Gelet op de aard van de ontwikkeling van het plangebied met woningbouw, vormen de toekomstige bouwwerkzaamheden een bedreiging voor het bodemarchief in die delen van het plangebied waar archeologisch relevante sporen en vondsten zijn aangetroffen. Voor het plangebied betreft dit het zuidelijk deelgebied. Dit beeld kan zich ook buiten het plangebied voorzetten. -

Wat is de aard, datering, omvang en begrenzing (horizontaal en verticaal) van archeologische resten, grondsporen en structuren? In het noordelijk deelgebied ontbreken archeologisch relevante sporen of vondsten. In hoeverre archeologische sporen aanwezig zijn geweest in het noordelijk deelgebied, valt niet meer goed te achterhalen. Aardewerkvondsten uit de Middeleeuwen of vroeger ontbreken nagenoeg, en daarnaast heeft het noordelijk deelgebied een relatief lage ligging. Verder zijn er geen (restanten van) diepere sporen gevonden die bij een nederzettingsterrein verwacht kunnen worden, zoals diepere staanders van gebouwen, waterputten of diepere kuilen. Al met al ontbreken in de noordelijke zone aanwijzingen voor de aanwezigheid van een nederzetting. De sporen die zijn aangetroffen kunnen worden geïnterpreteerd als off site fenomenen, zoals percelering gerelateerd aan akkerbouw. De datering van deze sporen ligt over het algemeen ook laat in de Nieuwe tijd. In het zuidelijk deelgebied zijn wel archeologisch relevante sporen en vondsten aangetroffen in vrijwel elke proefsleuf. De dichtheid van het sporenbestand wisselt, waarbij er enkele clusters zijn aan te wijzen. Buiten deze clusters komen ook relevante sporen voor, zoals karrensporen, greppels of sloten van perceleringen, en ook meer geïsoleerd liggende paalsporen of kuilen.

Op basis van aardewerkdatering kan er gesproken worden van een nederzettingsterrein uit de Late Middeleeuwen. Aan de zuidoostzijde van het plangebied, ter hoogte van proefsleuf 7, ligt spoorcluster 1. Naast een spreiding aan paalsporen en kuilen, worden ook enkele waterputten vermoed. Mogelijk bakenden enkele greppels een woonerf af. De sporen wijzen op de aanwezigheid van een woonerf, waarvan mogelijk twee bijgebouwen zijn aangesneden: een twee schepig bijgebouw centraal in de proefsleuf en een kleiner bijgebouw in het noordelijk deel van de proefsleuf. Aardewerkvondsten dateren het erf in de periode 1200-1350. Een tweede spoorcluster bevindt zich aan de noordwestzijde van het plangebied, ter hoogte van proefsleuf 10. Een spreiding aan paalsporen en kuilen duidt op de mogelijke aanwezigheid van een woonerf, al kunnen op dit moment nog geen individuele structuren onderscheiden worden. Enkele erfgreppels kunnen wellicht aan de afbakening van de huisplaats gerelateerd worden. De datering van de sporen ligt iets later dan spoorcluster 1 en is in de periode 1300-1450 te plaatsen. In het zuidwestelijk deel van het plangebied ligt een derde spoorcluster. Behalve een lichte spreiding aan (paal)kuilen omvat het spoorcluster enkele forse kuilen, waarvan tenminste één waterput. Aardewerkvondsten dateren het cluster in de periode 1250-1450.

Of de sporen in relatie staan tot één of beide andere spoorclusters (woonerven) is nog onduidelijk. Mogelijk kan een in proefsleuf 8 veronderstelde waterput ook nog aan het cluster worden toegeschreven. Samengevat kan er in het zuidelijk deelgebied een vindplaats, nederzetting, uit de Late Middeleeuwen vastgesteld worden. De drie sporenclusters geven een indicatie van de ligging van mogelijke huisplaatsen, namelijk in het zuidoostelijk deel van het plangebied, het noordwestelijk en zuidwestelijk deel. Daarbij laten de aardewerkdateringen een mogelijke fasering zien tussen de verschillende clusters. Aangezien in vrijwel alle proefsleuven archeologisch relevante sporen zijn

73

gevonden, ook in de proefsleuven met een lagere spoordichtheid, en omdat (kleinere) gebouwstructuren met de proefsleuven makkelijk gemist kunnen worden, is er geen duidelijke begrenzing aan te duiden van de vindplaats. Deze lijkt zich over het volledige deelgebied uit te strekken en mogelijk daarbuiten. -

Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondst categorieën behoren zij? In de proefsleuven zijn de volgende vondstcategorieën aangetroffen: aardewerk, glas, keramisch bouwmateriaal en kunststof (rubberen elastiek). Het keramisch bouwmateriaal bestaat uit zeer kleine brokjes baksteen en een vrij recent fragment machinaal gemaakte dakpan. Het glas is kleurloos vensterglas uit de 19e of 20e eeuw. Het aardewerk bestaat uit de baksels: roodbakkend Maaslands aardewerk, blauwgrijs aardewerk (Elmpt-type), grijs- en roodbakkend aardewerk en steengoed met oppervlaktebehandeling. Het aardewerk dateert in de Late Middeleeuwen (ca. 1200-1450). - Wat is de gaafheid en conservering van grondsporen, structuren en vondstconcentraties? In het noordelijk deelgebied is de conservering van sporen slecht. Sloten bleken nog redelijk goed bewaard gebleven, wellicht vanwege de relatief jonge datering in de Nieuwe tijd. Het beperkt aantal andere sporen (paalsporen – kuilen) was slecht bewaard gebleven. Veelal resteerde daar enkel nog de onderzijde van. Vondstmateriaal is slechts beperkt aangetroffen. Ouder te dateren materiaal bleek aanzienlijk verweerd. In de het zuidelijk deelgebied is de conservering beter, al is ook hier de invloed van ploegbanen op de top van de natuurlijke bodem goed zichtbaar. Er is geen sprake van (omvangrijke) recente verstoringen.

In deze zone zijn ook de kleinere of oppervlakkige sporen zoals karrensporen, kleine paalsporen nog goed bewaard. Vanwege de goede conservering van de kleinere sporen, kan er van uitgegaan worden dat structuren behoorlijk compleet onderzocht kunnen worden. Wel dient er rekening mee gehouden te worden dat sporen ‘uitgesmeerd’ kunnen zijn door de ploegwerkzaamheden. Vondstmateriaal (anorganisch) was goed bewaard gebleven. -

Wat is de landschappelijke ligging van de site(s). Meer in het bijzonder, wat is de geologische, geomorfologische en bodemkundige context? Zoals uit het vooronderzoek al naar voren was gekomen, wordt de bodem gevormd door dekzanden. In het noordelijk deelgebied komen daarbij aan de top van de natuurlijke bodem leembrokken voor, wat wijst op fluviatiele afzettingen. Op diepere niveaus liggen leemlagen. De laatmiddeleeuwse vindplaats bevindt zich in het zuidelijk deelgebied. Landschappelijk gezien is dit een hogere zone in vergelijking met het noordelijk deelgebied. De bodemopbouw is redelijk intact, al is er in het overgrote deel van de zone sprake van een AC profiel. Het lokaal voorkomen van bodemhorizonten toont echter aan dat de impact van ploegwerkzaamheden zich beperkt heeft tot het bovenste deel van de oorspronkelijke natuurlijke bodem. Daarnaast kon in proefsleuf 9 een laagte vastgesteld worden, wat duidt op een lokaal micro reliëf. Uit de vlakhoogtes kan afgeleid worden dat de hoogste zones zich over het midden uitstrekken met een aflopend hoogteprofiel in noordelijke en in zuidelijke richting. -

Is er sprake van (sub)recente verstoring en postdepositionele processen? Wat is de relatie tussen het gebruik en de geschiedenis van de onderzoekslocatie en de historische, historisch landschappelijke en overige cultuurhistorische aspecten van zijn omgeving? Zie ook voorgaande onderzoeksvragen. In het noordelijk deelgebied is de impact van diepploegen in het verleden groot. In het zuidelijk deelgebied hebben ploegwerkzaamheden ook invloed gehad, maar dit heeft niet geleid tot grootschalige verstoring. In het noordelijk deelgebied zijn hoofdzakelijk sloten en greppels aangetroffen, die dankzij projectie op de kadastrale kaarten gekoppeld kunnen worden aan diverse wijzigingen in de perceelgrenzen in de 19e en 20e eeuw. In het zuidelijk deelgebied zijn verschillende archeologische sporen gevonden die gerelateerd kunnen worden aan de inrichting van het landschap, zoals greppels, sloten en karrensporen. Een deel van deze sporen kan op basis van kadastrale kaarten herleid worden tot de situatie in de 19e

74

eeuw en dateert mogelijk nog vroeger. Enkele andere sporen zijn niet aan historisch kaartmateriaal te koppelen en dateren waarschijnlijk vroeger. Bij de greppels moet gedacht worden aan mogelijke erfgreppels, of oudere perceleringen. Ook de karrensporen komen qua ligging en oriëntatie niet overeen met de situatie op de kadastrale kaarten uit de 19e en 20e eeuw. Het is aannemelijk dat de karrensporen ouder zijn. Het verband tussen de karrensporen, mogelijk dus een oude veldweg, en de bewoningsclusters vormt een onderzoeksdoel bij verder onderzoek. -

Zijn er aanwijzingen aangetroffen voor landgebruik (off site-patronen) zoals wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen etc.? Zie beantwoording van de voorgaande onderzoeksvragen. In het noordelijk deelgebied betreft het voornamelijk sloten en greppels uit de 19e en 20e eeuw. In het zuidelijk deelgebied zijn greppels en karrensporen gevonden die ook nog verder teruggaan in de tijd. -

Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk? Er zijn geen grondmonsters verzameld voor botanisch onderzoek. Geen van de sporen leende zich hier op inhoudelijke gronden voor. Doorgaans kan er uitgegaan worden van een goede conservering van organische resten onder grondwaterniveau in diepere sporen en een goede conservering van verkoolde organische resten boven grondwaterniveau. Bij het proefsleuvenonderzoek konden in het zuidelijk terreindeel meerdere diepere kuilen vastgesteld worden, waaronder zeer waarschijnlijk een aantal waterputten of waterkuilen. Dergelijke contexten lenen zich goed voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek. Houtskoolrijke contexten en paalkernen lenen zich voor macroresten onderzoek. -

Indien er geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijv. alleen losse vondsten zonder enige context) oplevert, welke verklaring kan hieraan worden gegeven? Is er bijvoorbeeld sprake van aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoringen van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van bodemprocessen of beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van werk- en/of weersomstandigheden? In het noordelijk deelgebied zijn geen archeologisch relevante sporen of vondsten aangetroffen. De bodemverstoring door diepploegen kan hiervan de oorzaak zijn. Maar, ook andere indicaties voor bewoning in het verleden ontbreken. Zo zijn er geen (restanten van) diepere sporen gevonden die op een nederzettingsterrein verwacht kunnen worden (waterputten, diepe staanders, kuilen etc). Ook is vondstmateriaal zeer schaars. Daarnaast heeft het deelgebied landschappelijk gezien een lagere ligging van het zuidelijk deelgebied waar een vindplaats uit de Late Middeleeuwen is vastgesteld. De conclusie luidt dan ook dat in het noordelijk deelgebied geen archeologische vindplaats is vastgesteld. De afwezigheid ervan zou gerelateerd kunnen worden aan de grootschalige bodemverstoring, maar ook (indirecte) aanwijzingen voor bewoning in het verleden ontbreken.

Een mogelijk verklaring voor de afwezigheid van bewoning zou ook gezocht kunnen worden in de landschappelijk gezien lagere ligging van het plangebied, waardoor andere locaties in de omgeving wellicht meer geschikt waren om te bewonen. In de Nieuwe tijd is het plangebied in ieder geval ontgonnen en agrarisch in gebruik. -

Hoe kan de vindplaats gewaardeerd worden op basis van de fysieke en archeologisch inhoudelijke kwaliteit? Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde conform de waarderingstabel uit de KNA 4.1. Beide deelgebieden zijn afzonderlijk gewaardeerd. Het noordelijke deelgebied scoort laag op zowel fysieke als inhoudelijke kwaliteiten en is daarmee niet behoudenswaardig. In het zuidelijk deelgebied is er wel sprake van een vindplaats die hoog scoort op fysieke en inhoudelijke kwaliteiten en daarmee behoudenswaardig is. Een uitgebreidere toelichting volgt in hoofdstuk 6.

75

6 Waardering en selectieadvies 6.1

Waardering van de vindplaats

De waardestelling, zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1, specificatie VS06) gebeurt op drie niveaus: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. De eerste is niet van toepassing omdat de vindplaats niet bovengronds zichtbaar is. Alleen de laatste twee niveaus zijn op deze vindplaats van toepassing. De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op haar conservering en gaafheid. De conservering geeft aan de mate waarin het archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven, de gaafheid in hoeverre de vindplaats nog compleet is. De beoordeling is voor zowel gaafheid als conservering: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. Aangezien het plangebied is opgesplitst in twee deelgebieden en de resultaten van het archeologisch onderzoek per deelgebied ook sterk van elkaar verschillen, zal elk deelgebied afzonderlijk gewaardeerd worden. 6.1.1 Noordelijk deelgebied De vindplaats is ruimtelijk slecht bewaard gebleven en kan dus worden beschouwd als zijnde van lage kwaliteit. Het deel met sporen is van onvoldoende omvang om van een representatief deel van een nederzetting te spreken. De gaafheid van de grondsporen is slecht. Enkel de diepere sloten en de onderzijde van enkele losse (paal)sporen zijn bewaard gebleven.

De top van de natuurlijke bodem is aantoonbaar zwaar verstoord geraakt door diepploegen. Overige indicaties voor een vindplaats (restanten sporen, vondstmateriaal etc) ontbreken. Aardewerk is schaars. Het aardewerk dat verzameld is tijdens het aanleggen van de sporenvlakken is matig tot ernstig verweerd en gefragmenteerd. Bot en zaden zijn niet aangetroffen. De gaafheid/conservering van sporen en vondsten wordt laag gewaardeerd. De conserveringsomstandigheden binnen het noordelijk deelgebied zijn daarmee duidelijk slecht. De waardering van beide fysieke kwaliteitscriteria is in totaal 2 punten. Dit is een score die laag is en die haar het predikaat ‘niet behoudenswaardig’ oplevert (tabel 6). Ook op inhoudelijke kwaliteit, uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie en ensemble, wordt de vindplaats beoordeeld met hetzelfde puntensysteem. Het noordelijk deelgebied kent een lage spoordichtheid. De sporen die zijn aangetroffen kunnen hoofdzakelijk worden toegeschreven aan perceelsloten. Deze sloten kunnen met behulp van kadastrale kaarten aan verschillende fasen van 19e- en 20e-eeuwse akkerindeling gekoppeld worden. Behalve de sloten zijn er lokaal enkele onderzijden van sporen gevonden, die niet nader gedetermineerd kunnen worden. Omdat dat de sporen slecht bewaard zijn gebleven en niet gedateerd kunnen worden, is de archeologische relevantie laag.

Samengevat is de inhoudelijke kwaliteit van de sporen (en vondsten) laag. De totale score voor de inhoudelijke kwaliteit is 3 en de waardering van de vindplaats op basis van deze criteria is dan ook laag. Tabel 6. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1). Waarden

Criteria

Beleving

Schoonheid Herinneringswaarde Gaafheid Conservering Zeldzaamheid Informatiewaarde Ensemblewaarde Representativiteit

Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit

Scores Hoog Midden Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord

Laag

1 1 1 1 1 N.v.t.

Totale score

≥ 5 behoudenswaardig ≥ 7 behoudenswaardig

76

6.1.2 Zuidelijk deelgebied De vindplaats is ruimtelijk goed bewaard gebleven en kan dus worden beschouwd als zijnde van hoge kwaliteit. Het deel met sporen is van voldoende omvang om van een representatief deel van een nederzetting te spreken. De gaafheid van de grondsporen is goed. Ondanks dat ploegwerkzaamheden van invloed zijn geweest op de intactheid van de bodem, zijn ook kleinere en ondiepere sporen (zoals kleine paalsporen, karrensporen) nog bewaard gebleven. Sommige sporen zijn aan de top licht vervormd door de ploegbanen (‘uitgesmeerd’), maar desondanks nog wel in vlak en in coupe goed herkenbaar en determineerbaar. Het aardewerk dat verzameld is tijdens het aanleggen van de sporenvlakken is matig verweerd en gefragmenteerd. Bot en zaden zijn niet aangetroffen. Voor de conservering mag uitgegaan worden van de standaard conservering op de Brabantse zandgronden met een goede conservering van organische resten onder grondwaterniveau. Boven grondwaterniveau zijn organische resten alleen in verkoolde vorm nog bewaard gebleven. De gaafheid/conservering van sporen en vondsten wordt hoog gewaardeerd. De waardering van beide fysieke kwaliteitscriteria is in totaal 5 punten. Dit is een score die bovengemiddeld is en die haar het predikaat ‘behoudenswaardig’ oplevert (tabel 7).

Ook op inhoudelijke kwaliteit, uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie en ensemble, wordt de vindplaats beoordeeld met hetzelfde puntensysteem. De vindplaats omvat een nederzettingsterrein uit de Late Middeleeuwen, waarbinnen drie clusters met sporen kunnen worden aangeduid en die mogelijk gefaseerd zijn. Dergelijke vindplaatsen zijn over het algemeen niet zeldzaam, maar zijn in de omgeving van het plangebied nog niet eerder aangetroffen. Daardoor is de informatiewaarde van de vindplaats ook hoog. De vindplaats kan inzicht geven in de dorpsvorming en ontginningsperiode van Haghorst. Ook elementen als perceleringen en oude veldwegen kunnen informatie opleveren over het lokale cultuurlandschap. De ensemblewaarde is gemiddeld. De vindplaats kan, ondanks dat deze niet zeldzaam is en er in de nabije omgeving geen andere vindplaatsen bekend zijn, wel bijdragen aan de bredere kennis over dorpsvorming en ontginningen op de Brabantse zandgronden. De totale score voor de inhoudelijke kwaliteit is 7 en de waardering van de vindplaats op basis van deze criteria is dan ook hoog. Tabel 7. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1). Waarden

Criteria

Scores

Beleving

Schoonheid Herinneringswaarde Gaafheid Conservering Zeldzaamheid Informatiewaarde Ensemblewaarde Representativiteit

Hoog Midden Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord 3 2 2 3 2 N.v.t.

Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit

Laag

Totale score

≥ 5 behoudenswaardig ≥ 7 behoudenswaardig

77

6.2

Selectieadvies

6.2.1 Noordelijk deelgebied In het noordelijk deelgebied is geen behoudenswaardige vindplaats vastgesteld. De geplande ontwikkeling met woningbouw vormt daarmee geen bedreiging voor het bodemarchief. Het noordelijk deelgebied kan daarmee worden vrijgesteld van archeologisch vervolgonderzoek (afb. 59). 6.2.2 Zuidelijk deelgebied In het zuidelijk deelgebied is een behoudenswaardige vindplaats (nederzetting Late Middeleeuwen) vastgesteld. De voorgenomen planontwikkeling zal een negatieve impact hebben op het bodemarchief. Aangezien de vindplaats de volledige zuidelijke zone bestrijkt, is behoud in situ door planaanpassing niet mogelijk. ADC ArcheoProjecten adviseert daarom behoud ex situ in de vorm van opgraven voor de zuidelijke zone (afb. 59).

Afb. 59. Selectieadvies met de zones voor deselectie en vervolgonderzoek.

78

Literatuur Boldrik, J.M.L., Kruithof, L. & N.J.W. van der Feest, 2022: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen De Welder 2 te Haghorst (gemeente Hilvarenbeek). AM21379-3 De Ridder, A. & N.J.W. van der Feest, 2022: Programma van Eisen De Welder 2 te Haghorst (gemeente Hilvarenbeek). AM21379-4 Griffioen, A.A.J., 2019, Aardewerk, keramische objecten en kleipijpen, in: H.J.N. van Engeldorp Gastelaars (red.), Aan de rand van de stad: Arnhem Bartok. Een archeologische begeleiding en opgraving, Amersfoort (ADC Monografie 27 / ADC rapport 4800), 103-156. Jaspers, N.L. & M. Wispelwey, 2020, Misbaksels uit Ermelo. Productieafval van een middeleeuwse pottenbakker (circa 1300), Zaandijk (Terra Cotta Incognita Special nr.3). Ostkamp, S., 2013, Acht eeuwen gebruiksaardewerk in Maastricht (1100-1900), in: Janssen, M.& T.Spitzers, Archeologisch onderzoek tussen de Markt en de Maas in Maastricht, Zevenaar (Archeodienst Rapport 200). Rech, M., 1982, Mittelalterliche keramik der töpfereien um Elmpt und Brüggen aus der sammlung Franz Janßen, Brüggen, in: Zeitschrift für archäologie des mittelalters, jahrgang 10 -1982, Keulen.

Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied. Afb. 2. Overzicht van de aangelegde proefsleuven. Afb. 3. Bij de aanleg van het vlak is de impact van de ploegbanen op de ondergrond goed zichtbaar. Afb. 4. Detailopname van de bodemopbouw in werkput 5. De golvende ploegbanen tekenen zich in profiel duidelijk af. Onder de donkere akkerlaag is een verrommelde top van de natuurlijke bodem zichtbaar. Afb. 5. Bodemprofiel in werkput 9 met nog een intacte B-/BC horizont. Afb. 6. Bodemprofiel ter hoogte van de lokale depressie met goed te onderscheiden een E- en Bhorizont. Afb. 7. Vlak- en maaiveldhoogtes van beide deelgebieden. Afb. 8. Overzichtskaart met de geregistreerde sporen in beide deelgebieden. Afb. 9. Detailkaart van de sporen in de noordelijke zone Afb. 10. Sporenvlak proefsleuf 1. Afb. 11. Proefsleuf 1 gezien vanuit het zuiden. Goed zichtbaar zijn de noord – zuid georiënteerde ploegbanen die de top van de natuurlijke bodem verstoord hebben. Afb. 12. Detailfoto’s van de sloten S3 en S5 (resp. boven en onder). Afb. 13. Sporenvlak proefsleuf 2. Afb. 14. Proefsleuf 2 met in het vlak enkele verkleuringen door boomvallen. Net als bij proefsleuf 1 zijn de verstoringsbanen van het diepploegen goed zichtbaar. Afb. 15. Sporenvlak proefsleuf 3. Afb. 16. Aanleg van proefsleuf 3. Afb. 17. Doorsnedes van de beide sloten in proefsleuf 3. Afb. 18. Sporenvlak proefsleuf 4.

Afb. 19. Aanleg van proefsleuf 4. Afb. 20. Sporenvlak proefsleuf 5. Afb. 21. Zicht op het noordelijke deel van proefsleuf 5 met daarin een twee sloten, een greppel en ploegbanen. Afb. 22. Doorsnede van sloot S1. Afb. 23. Eén van de (paal)kuilen (S5) in het zuidelijke deel van de proefsleuf. Afb. 24. Detail van greppel S10 met mogelijke paalzetting.

79

Afb. 25. Overzichtskaart van de sporen in de zuidelijke zone. Afb. 26. Sporenvlak proefsleuf 6. Afb. 27. Overzichtsfoto van het sporenvlak in proefsleuf 6 Afb. 28. Detailfoto van de karrensporen in het noordelijke deel van proefsleuf 6. Afb. 29. Sporenvlak proefsleuf 7. Afb. 30. Greppels in het zuidelijke deel van de proefsleuf. Afb. 31. Structuren binnen proefsleuf 7. Afb. 32. Het sporencluster centraal in de proefsleuf. Waarschijnlijk behoren de sporen tot een gebouw (STR01). Afb. 33. Beide grote kuilen of mogelijke waterputten (S42 en 43). Afb. 34. Palenrij in het meest noordelijke deel van de proefsleuf. Afb. 35. Sporenvlak proefsleuf 8. Afb. 36. Overzichtsfoto’s van de sporenvlakken in proefsleuf 8. De foto is genomen vanuit het noorden in zuidelijke richting. Afb. 37. Dwarsdoorsnede van de recente sloot S6. Afb. 38. Mogelijke waterput S7 in proefsleuf 8. Afb. 39. Sporenvlak proefsleuf 9. Afb. 40. Aanleg van het vlak in proefsleuf 9. Afb. 41. Greppel spoor 4 in doorsnede. Afb. 42. Coupe van kuil S8. Afb. 43. Sporenvlak in proefsleuf 9. Afb. 44. Proefsleuf 10 gezien vanuit het zuiden. Afb. 45. Zuidelijke deel van de proefsleuf met (oppervlakkige) verstoring door ploegbanen. Afb. 46. Coupes over de sporen S12 (links) en S4 (rechts). Afb. 47. Sporenvlak in proefsleuf 11. Afb. 48. Coupe over waterput S2. Afb. 49. Aanzicht op het lengteprofiel over de waterput. Afb. 50.

Ligging van het plangebied en de proefsleuven op de kadastrale minuutplan uit 1811-1832. Afb. 51. Indicatieve ligging van het plangebied op de historische kaart uit 1830-1849. Afb. 52. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1870. Afb. 53. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1900. Afb. 54. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1924. Afb. 55. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1962. Afb. 56. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1975. Afb. 57. Ligging van de proefsleuven op de historische kaart uit 1990. Afb. 58. Locatie van de drie spoorclusters in blauw omcirkeld. Afb. 59. Selectieadvies met de zones voor deselectie en vervolgonderzoek.

Lijst van tabellen Tabel 0. Overzicht van de verschillende perioden. Tabel 1. Overzicht van uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen een straal van 1km van het plangebied. (Ontleend aan Van Boldrik, J.M.L., Kruithof, L. en N.J.W. van der Feest, 2022.) Tabel 2. Oppervlaktes van de proefsleuven Tabel 3. Overzicht van de spooraantallen naar aard spoor. Tabel 4. Vondstaantallen per materiaalcategorie. Tabel 5. De soorten baksels die zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek: het aantal scherven, totaalgewicht per baksel en het Minimum Aantal Exemplaren (MAE) per baksel. Tabel 6. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1). Tabel 7. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1).

80

Bijlage 1 Sporenlijst Putnr 1 1 1 1 1 1 2 3 3 3 3 3 3 3 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7

Vlaknr 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

Spoornr 1 2 3 4 5 998 998 1 2 3 4 5 998 999 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 998 5000 1 2 3 4 5 6 7 8 9 5000 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

Aardspoor NV VL SL KL SL NV NV NV VL SL SL VL NV REC SL KL PK KL KL KL KL PK PK GR SL PS SL NV LG NV SL NV SS SS KS KS PK SL LG PK GR KL KL KL GR GR PK PK PK PK PK PK PK PK PK KL PK

Vlakvorm ONR

Vorm_coupe RHK

LIN OVL LIN ONR ONR OVL OVL LIN LIN VRK ONR ONR ONR RND RND RND RND RND RND RHK RHK LIN LIN LIN LIN ONR ONR RND LIN RND RHK RHK LIN LIN RND LIN ONR RND LIN RND RND RND LIN LIN VRK RND VRK RND

ONR RHK KOM

RND VRK VRK RND RHK RND

KOM

ONR ONR RND ONR VLK

KOM VLK KOM KOM RHK RHK RHK ONR KOM KOM KOM ONR

NAP_boven 13,9 m 13,7 m 13,6 m 13,6 m 13,5 m 13,8 m 13,5 m 13,5 m 13,5 m 13,3 m 13,4 m 13,3 m 13,5 m 13,3 m 13,3 m 13,3 m 13,3 m 13,2 m 13,3 m 13,3 m 13,2 m 13,4 m 13,5 m 13,4 m 13,4 m 13,5 m

Diepte 64, cm 51, cm 12, cm 14, cm

5, cm 14, cm 60, cm 48, cm 8, cm

42, cm 4, cm 6, cm 5, cm 14, cm 12, cm 14, cm 6, cm 8, cm 20, cm 22, cm 40, cm

13,4 m KOM KOM KOM KOM KOM ONR ONR RHK

14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,3 m

7, cm 36, cm 22, cm 5, cm 10, cm 19, cm 6, cm 32, cm

RHK KOM

14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,5 m 14,5 m 14,4 m 14,5 m 14,5 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m

46, cm 6, cm

RHK

ONR

42, cm

14, cm

41, cm

81

Putnr 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7 7

Vlaknr 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

Spoornr 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77

Aardspoor PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK GR PK PK WA WA PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK PK GR KL GR GR PK PK PK KL PK PK PK PK KL PK PK KL PK PK PK

Vlakvorm RND RND RND RHK RHK RHK RHK RND RND RND RND RHK RHK RND ONR RHK RND RND RND RHK ONR RHK RHK RND RND RHK RND RHK RND RHK RND RND RND RHK RHK RND RHK RND VRK RND LIN LIN LIN LIN RND RND RND RND RND RND RND RND RND RND RND RND RND RND RND

Vorm_coupe KOM

RHK

REV

KOM

RHK

RHK

ONR

KOM ONR KOM REV RHK

NAP_boven 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,5 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,5 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,3 m 14,2 m 14,3 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m

Diepte 10, cm

20, cm

14, cm

5, cm

19, cm 60, cm 100, cm 40, cm

90, cm 1, cm

8, cm 19, cm 10, cm 20, cm 31, cm

82

Putnr 7 7 7 7 7 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10

Vlaknr 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

Spoornr 78 79 80 81 5000 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 5000 1 2 3 4 5 6 7 8 9 5000 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33

Aardspoor PK PK PK KL LG KL VL PS PS PS SL WA GR GR GR LG PK KS KS GR GR PK KL KL KL LG KL GR GR PK PK KL GR GR KL KL KL KL PK KL KL KL KL PK GR KL PK KL KL KL KL PK KL PK PK KL PK PK PK

Vlakvorm RND RND RND RND ONR ONR ONR ONR LIN LIN LIN RND LIN LIN LIN ONR RND LIN LIN LIN LIN VRK ONR ONR ONR ONR RHK LIN LIN ONR RND RND LIN LIN RHK RND RND RHK RND RND RHK RND RND RND LIN RND RND RND ONR ONR RND RND RND RND RND RND RND RND OVL

Vorm_coupe

KOM ONR LIN ONR ONR KOM KOM KOM KOM KOM RHK KOM KOM KOM KOM

KOM

KOM

RHK KOM KOM KOM

ONR KOM KOM

RHK

PNT

NAP_boven 14,5 m 14,5 m 14,4 m 14,5 m

Diepte

14,3 m 14,4 m 14,2 m 14,3 m 14,2 m 14,3 m 14,3 m 14,4 m 14,5 m 14,5 m

8, cm 20, cm 4, cm 1, cm 7, cm 110, cm 100, cm 30, cm 30, cm 34, cm

14,3 m 14,4 m 14,4 m 14,5 m 14,3 m 14,2 m 14,2 m 14,1 m 14,1 m

6, cm 1, cm 5, cm 16, cm 24, cm

13,9 m 13,7 m 13,9 m 13,9 m 14, m 14,2 m 14,2 m 14,3 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,2 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,2 m 14,3 m 14,2 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,4 m 14,5 m 14,5 m 14,4 m 14,3 m 14,5 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m

8, cm

16, cm

30, cm

26, cm 10, cm 9, cm 12, cm

44, cm 4, cm 12, cm

25, cm

22, cm

83

Putnr 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11

Vlaknr 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

Spoornr 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

Aardspoor PK KL PK PK PK PK PK PK PK KL PK PK PK PK GR GR PK KL PK PK PS KL WA PK PK GR KL PK KL KL KL KL PK KL PK PK PK PK PK PK PK PK PK KL GR SL

Vlakvorm RND RND RND RND RND RND RND RND RND ONR RND RND RND RND LIN LIN RND RND RND RHK LIN RND RND RND RND LIN ONR RHK ONR RHK RND RND RND RND RHK RND RND RND RND RND RND RND RND RND LIN ONR

Vorm_coupe

RND KOM

RHK KOM KOM

KOM KOM ONR

RHK KOM KOM KOM KOM ONR KOM ONR KOM

NAP_boven 14,5 m 14,5 m 14,4 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,6 m 14,6 m 14,6 m 14,5 m 14,6 m 14,6 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,5 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,3 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,4 m 14,3 m

Diepte

48, cm 20, cm

36, cm 28, cm 24, cm

160, cm 36, cm 51, cm 32, cm

28, cm 9, cm 22, cm 7, cm 3, cm 7, cm 26, cm 14, cm 6, cm

84

Bijlage 2 Vondstenlijst OPGR_ID Vondstnr Put Vlak Spoor Vulling

Inhoud

Verzamel

HILN2-22

1

3

1

4

1

MIX

AANV

HILN2-22

2

5

1

13

1

AW

AANV

HILN2-22

3

7

1

43

2

AW

AANV

HILN2-22

5

7

1

59

1

AW

COUP

HILN2-22

6

7

1

81

1

AW

COUP

HILN2-22

4

8

1

6

4

GLS

COUP

HILN2-22

7

8

1

6

1

AW

AANV

HILN2-22

8

8

1

7

2

AW

AANV

HILN2-22

9

9

1

5

1

AW

AANV

HILN2-22

10

9

1

8

1

BOUWMAT

AANV

HILN2-22

11

10

1

5000

1

AW

AANV

HILN2-22

12

10

1

11

1

AW

AANV

HILN2-22

13

10

1

5000

1

AW

AANV

HILN2-22

16

10

1

8

1

AW

COUP

HILN2-22

17

10

1

4000

1

MXX

AANV

HILN2-22

14

11

1

13

1

AW

AANV

HILN2-22

15

11

1

9

1

AW

AANV

HILN2-22

18

11

1

2

1

AW

COUP

85

Bijlage 3 Splitslijst Vondstnr 1 1 2 3 4 5 5 6 7 8 9 10 11 12 14 14 15 16 17 18

Scancode HILN2-22V1.001 HILN2-22V1.002 HILN2-22V2.001 HILN2-22V3.001 HILN2-22V4.001 HILN2-22V5.001 HILN2-22V5.002 HILN2-22V6.001 HILN2-22V7.001 HILN2-22V8.001 HILN2-22V9.001 HILN2-22V10.001 HILN2-22V11.001 HILN2-22V12.001 HILN2-22V14.002 HILN2-22V14.001 HILN2-22V15.001 HILN2-22V16.001 HILN2-22V17.001 HILN2-22V18.001

Inhoud BOUWMAT XXX AW AW GLS AW BOUWMAT AW AW AW AW BOUWMAT AW AW AW BOUWMAT AW AW MXX AW

Aantal 1 2 3 3 9 36 4 14 1 1 1 4 2 1 10 2 2 1 1 1

Gewicht 142,30 gr 1,20 gr 22,60 gr 13,10 gr 15,10 gr 777,60 gr 8,60 gr 314,00 gr 20,10 gr ,60 gr 5,20 gr 4,10 gr 32,90 gr 12,50 gr 342,20 gr 2,70 gr 3,70 gr 5,20 gr 11,70 gr 11,00 gr

Opmerking rubber?

Doosnr 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 999 1

86

Bijlage 4 Tekeninglijst OPGR_ID Categorie Tekeningnr Formaat Omschrijving HILN2-22 B 1 A3 Coupes en profielen HILN2-22 B 2 A3 Coupes HILN2-22 B 3 A3 Coupes en profielen HILN2-22 B 4 A3 Coupes en profielen HILN2-22 B 5 A3 Coupes en profielen HILN2-22 B 6 A3 Coupe

Schaal 1:20 1:20 1:20

Tekenaar JJ MS RM XA JJ OV JJ OV

DATUM MATERIAAL 25-jul-22 MMF 26-jul-22 26-jul-22

MMF MMF

1:20

JJ

27-jul-22

MMF

1:20

JJ

28-jul-22

MMF

1:20

JJ

28-jul-22

MMF

87

Bijlage 5 Fotolijst OPGR_ID HILN2-22 HILN2-22

Fotonr 1 2

Put 1 1

Vlak 1 1

HILN2-22 HILN2-22

3 4

2 2

1 1

HILN2-22 HILN2-22

5 6

3 3

1 1

HILN2-22 HILN2-22

7 8

4 4

1 102

HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22

9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

3 1 5 5 5 5 5 6 6 7 6 6 7 7 8 9 7

1 1 1 102 1 1 1 1 103 1 1 1 103 1 1 1 1

HILN2-22

26

7

1

HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22 HILN2-22

27 28 29 30 31 32 33 34 35

7 8 10 9 8 11 8 9 10

1 1 1 103 1 1 1 1 1

HILN2-22 HILN2-22

36 37

10 10

1 1

HILN2-22

38

11

1

Spoornrs

Soort Onderwerp Fotograaf VLAK XA PROFIEL Profiel 1 en 2 XA (Z -> N) VLAK Z->N XA PROFIEL Profiel 1 en 2 XA west (Z->N) VLAK XA PROFIEL Profiel 1 en 2 XA oost (Z->N) VLAK Z -> N XA PROFIEL Profiel 1 en 2 XA (Z->N) 1, 2, 4, 5, 3 COUPE JJ 1, 4, 5, 3 COUPE OV VLAK OV PROFIEL Profiel 1 JJ 2, 3, 4, 5, 6, 7 COUPE JJ 8, 9 COUPE JJ 10, 11, 12, 1 COUPE JJ VLAK Z -> N XA PROFIEL Profiel 1 en 2 JJ VLAK Z->N JJ 13458 COUPE JJ 267 COUPE JJ PROFIEL Profiel 1 en 2 JJ 12678 COUPE JJ VLAK OV VLAK OV 13 17 20 23 COUPE JJ 32 38 41 48 45 59 COUPE OV 72 73 75 63 70 71 56 COUPE OV PROFIEL Profiel 1 JJ VLAK N -> Z JJ PROFIEL Profiel 1 en 2 JJ 1258 COUPE JJ VLAK JJ 6 9 10 COUPE JJ 123 COUPE JJ 1 5 13 7 8 12 COUPE JJ 14 PROFIEL Profiel 1 en 2 JJ 18 28 38 40 COUPE JJ 47 50 49 4 7 14 15 COUPE Coupes en JJ profiel put 11

Medium digitaal digitaal

Datum 25-jul-22 25-jul-22

digitaal digitaal

25-jul-22 25-jul-22

digitaal digitaal

25-jul-22 25-jul-22

digitaal digitaal

25-jul-22 25-jul-22

digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal

26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 26-jul-22 27-jul-22 27-jul-22 27-jul-22 27-jul-22

digitaal

27-jul-22

digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal digitaal

27-jul-22 27-jul-22 27-jul-22 27-jul-22 27-jul-22 27-jul-22 28-jul-22 28-jul-22 28-jul-22

digitaal digitaal

28-jul-22 28-jul-22

digitaal

28-jul-22

Spoornr

9

Uitw_nr Vondstnr Putnr Vlaknr

3 HILN2- HILN2- 1 15 11 1 22 22V15.001

Scancode

Aardewerk

Aantal

Einddat

Begindat

Artefacttype

Inhoud

Aardspoor

Vullingnr

Gewicht 4

2

Opgr_ID

ID

2 WA AWG

1 WA AWG

1 SL AWG

1 SL AWG

1 KL AWG ANDENNE 1325-1550 1325 1550 1 13

2

13

13

11

STG

ROOD

ROOD

ROOD

5 1

1

2

1450-1650 1450 1650 1 13

1

1

1475-1650 1250 1650 2 10 1 1

1250-1450 1250 1450 1 11

1200-1350 1200 1400 1

8

43

1200-1350 1200 1350 2

1200-1350 1200 1350 14 314

2 WA AWH

ELMPT

4

1200-1350 1200 1350 36 778 4 32

43

ELMPT

GRS

1400-1450 1300 1500 5 28

1400-1450 1400 1550 3 28 1

1400-1450 1300 1500 1 253

1 KL AWH

1 GR AWG

59

ROOD

ROOD

ROOD

81

1 KL AWG

13

21 HILN2- HILN2- 1 6 7 1 22 22V6.001 22 HILN2- HILN2- 1 3 7 1 22 22V3.001 23 HILN2- HILN2- 2 3 7 1 22 22V3.001 24 HILN2- HILN2- 1 18 11 1 22 22V18.001 25 HILN2- HILN2- 1 2 5 1 22 22V2.001 26 HILN2- HILN2- 2 2 5 1 22 22V2.001 27 HILN2- HILN2- 1 12 10 1

1 KL AWG

13

11 HILN2- HILN2- 3 14 11 1 22 22V14.002 13 HILN2- HILN2- 4 14 11 1 22 22V14.002 15 HILN2- HILN2- 1 5 7 1 22 22V5.001

1 KL AWG

13

10 HILN2- HILN2- 2 14 11 1 22 22V14.002

4

2

Vormcode_d s Type_ds

Bakselsrt_ds

Bodem_ds loodglazuur fragment

1 r roodbakkend aardewerk kom

steengoed met oppervlaktebehandeling 1 rm roodbakkend Maaslands

1 s2

1 r roodbakkend aardewerk

1 r roodbakkend aardewerk

1 bg blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type 1 bg blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type 1 r roodbakkend aardewerk

1 g grijsbakkend aardewerk pot 10

1 1 r roodbakkend aardewerk

1 r roodbakkend aardewerk bak 2

1 1 r roodbakkend aardewerk

loodglazuur fragment

1 r roodbakkend aardewerk

Naam_ds

zoutglazuur: fragment ijzerengobe loodglazuur: fragment

loodglazuur fragment

loodglazuur fragment

fragment

fragment

fragment

fragment

loodglazuur fragment pot

loodglazuur fragment bakpan

loodglazuur fragment

loodglazuur fragment fragment

standring, geknepen

Opp_beh_ds loodglazuur: fragment inwendig met decoratie in mangaanoxide (uitwendig -) fragment

Compl_ds

1 bg blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type 1 rm roodbakkend Maaslands aardewerk 1 g grijsbakkend aardewerk

1 rm roodbakkend Maaslands aardewerk

Rand Wand Bodem Overig Mae Bakselc_ds

4 HILN2- HILN2- 1 16 10 1 8 1 GR AWH ELMPT 1150-1350 1150 1350 1 5 1 22 22V16.001 5 HILN2- HILN2- 1 8 8 1 7 2 WA AWG ANDENNE 1325-1550 1325 1550 1 1 1 22 22V8.001 7 HILN2- HILN2- 1 11 10 1 5000 1 AWG GRS 1300-1450 1250 1500 1 3 1 22 22V11.001 8 HILN2- HILN2- 2 11 10 1 5000 1 AWG ROOD 1300-1450 1300 1450 1 30 1 22 22V11.001 9 HILN2- HILN2- 1 14 11 1 13 1 KL AWG ROOD 1400-1450 1350 1450 1 32 1 22 22V14.002

1 KL AWG ANDENNE 1325-1550 1325 1550 2

Vnr_dat

Bijlage 6 Vondsten uit de velddatabase

Herkomst MA

RA

MA

MA

Opmerking

Actieregie

roodbakkend fragment met

binnenzijde geglazuurd, buitenzijde ongeglazuurd zeer verweerde scherven

vroeg roodbakkend

TEKEN fragmenten van bovenzijde van bolle pot met manchetrand en lensbodem, manchetrand met ribbels erop en naar buiten geknikte bovenrand

spaarzaam glazuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12978454/1